[Aanteekening 24: Het gebruik van het woord modus, modificatio (bestaanswijze, wijziging) voor iets noodwendigs en oneindigs, lijkt in strijd met Spinoza's eigen opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een samenstel van tijdelijke, begrensde en dus eindige dingen. Wat Spinoza in deze stellingen XXI, XXII en XXIII bedoelt met deze oneindige bestaanswijzen, zijn niet "dingen, in de attributen voortgebracht", maar de onmiddellijke openbaringswijzen der attributen zelf, datgene wat, zooals Spinoza elders zegt, moet worden "toegepast aan de eigene Eigenschappen" (zie aanteekening 3[a3]). Dit blijkt ook uit de opheldering die Spinoza zelf geeft in een brief (LXIV) aan C.H. Schuller, die hem verzocht had voorbeelden te noemen van zaken die onmiddellijk door God, en van zaken welke eerst door bemiddeling van een "oneindige wijziging" zijn voortgebracht. Spinoza antwoordde hierop: "De voorbeelden tenslotte, welke gij verlangt van de eerste soort, zijn in het Denken het absoluut oneindig verstand [nl. Gods verstand of wil, zie St. XXXII Gevolg II], in de Uitgebreidheid de Beweging en de Rust; voorbeeld van de tweede soort echter is het aanzien van het gansche Heelal dat, hoewel het op oneindig vele wijzen wisselt, toch steeds hetzelfde blijft."]
[Aanteekening 25:
Concludi sive percipi. Ook het gebruik
dat Spinoza maakt van de woorden percipere, concipere,
sentire, staat niet vast. Hier is percipere gelijkgesteld
met begrijpen, elders met in zich opnemen, opvatten,
waarnemen, gewaarworden, voorstellen, of wordt het als
synoniem beschouwd met sentire, dat weer meestal voelen,
gewaarworden, zich bewustzijn beteekent (Zie Opmerking St.
XLIX Deel II: sentire sive percipere, waarnemen of in ons
opnemen). Daarentegen vindt men in Axioma V Deel II weer:
sentimus nec percipimus (waarnemen noch gewaarworden)
waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen
gesteld wordt. In Def. III Deel II tracht Spinoza te
onderscheiden tusschen conceptio en perceptio (waarneming
en gewaarwording, zie ook aanteekening 30[a30]) zonder evenwel
verder die onderscheiding streng vol te houden. In St. V Deel
II bijvoorbeeld spreekt hij alweer van: ideata sive res
perceptas (het voorgestelde of de waargenomen dingen).
Ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering
welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek.]
[Aanteekening 26:
Natura naturans, God als absolute, uit
zichzelf werkende, eerste oorzaak, als actief scheppend beginsel.
Natura naturata, God als schepping, geschapenheid, als zijn
eigen openbaring, als verschijning van zichzelf, als wereld
der dingen, als Natuur in den gewonen zin.]
[Aanteekening 27: Actu, actief, werkend, en in potentia: potentieel, gedacht als een vermogen om te denken, verstand-in-aanleg.]
[Aanteekening 28: Bedoeld is: zouden zij allen, ook al brachten zij in ieder mensch, naar elks gevoel verschillende aandoeningen teweeg, toch, evenals wiskundige waarheden, door alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen.]
[Aanteekening 29: Corpus. Om alle verwarring te vermijden heb ik overal waar corpus niet in wiskundigen zin gebruikt wordt, of waar niet in het bijzonder het menschelijk lichaam bedoeld is, het woord "voorwerp" gebezigd.]
[Aanteekening 30: Andere vertalers (Gorter, Meyer, Stern) hebben: liever begrip dan waarneming. M.i. is deze vertaling verwarrend. Immers begrip heeft voor ons juist een engere beteekenis dan voorstelling zonder meer. Bovendien ligt in het woord waarneming niets passiefs, zooals in gewaarwording. (Zie ook aanteekening 25[a25])]
[Aanteekening 31:
Adaequaat. Letterlijk: evenarend, gelijkend op,
gelijkkomend aan. De vertaling van dit begrip,
zooals het door Spinoza wordt gebruikt, door één woord is
onmogelijk. Dikwijls zou "juist" of "waar" voldoende zijn,
dan weder ware "volledig" of "helder en duidelijk", of
"overeenstemmend met, beantwoordend aan het voorwerp der
voorstelling" beter.
Inadaequaat, gedeeltelijk (in Def. I Deel III) of, als
tegenstelling met "helder en duidelijk": gebrekkig en
verward.
Overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op
tal van plaatsen, dat ik het Latijnsche woord, dat trouwens
evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg,
onvertaald laat.]
[Aanteekening 32: Perfectio. Hier is het woord "volmaakt" in zuiver letterlijken zin op te vatten als "geheel-af gemaakt", zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het bestaan ervan inderdaad voldaan is.]
[Aanteekening 33: Affici. Spinoza gebruikt afficere, "aandoen", voor iedere inwerking, zoowel geestelijk als lichamelijk (Def. III Deel III). Omdat het moderne spraakgebruik echter bij het woord aandoening (óók zelfs bij "lichaams-aandoening") in de eerste plaats aan gemoedsbeweging, (den weerslag der inwerking op onzen geest) doet denken, heb ik in mijn vertaling overal waar deze laatste niet bedoeld is, gesproken van "inwerking".]
[Aanteekening 34: D.w.z. de mensch heeft niet den aard (forma, zie aanteekening 19[a19]) van een zelfstandig bestaand wezen.]
[Aanteekening 35: Feitelijk bestaan, aanzijn, Duitsch: Dasein.]
[Aanteekening 36: Bedoeld is: en in dit geval, voorzoover wij namelijk den mensch, met voorbijzien der andere attributen, slechts als Geest beschouwen, bestaat zijn wezen uit bestaanswijzen van het Denken.]
[Aanteekening 37: Waarop zich bijvoorbeeld A bevindt, zooals een of ander voorwerp op de aarde.]
[Aanteekening 38:
Forma. De eigenlijke vorm, gedaante, is
in Ax. III reeds figura genoemd, het schijnt dus dat hier
iets anders bedoeld is. Dit blijkt ook uit Hulpstelling V
waar, door vergrooting of verkleining der deelen, de gedaante
van het geheel wel degelijk zou veranderen. Het best lijkt
mij de beteekenis weer te geven met: eigenaardigheid,
karakter, wat ook blijkt uit het "Bewijs": de "forma"
hangt af van het verband; het verband blijft bestaan, dus
behoudt het individu zijn "natura".
Eigenlijk beteekenen dus wendingen als, "zal het individu
zijn aard (natura) behouden" en "geenerlei verandering van
karakter (forma) ondergaan" hetzelfde en lijkt hun
koppeling overbodig; tenzij men wezen en karakter niet geheel
als identiek beschouwt, maar karakter opvat als "wijze waarop
zich het wezen in de werkelijkheid vertoont" (zie ook de
beteekenis van formalis als "werkelijk bestaand" in
aanteekening 19[a19])]
[Aanteekening 39:
Vera, ware. Spinoza bedoelt "volledige".
Deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij naïef,
maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische
of physische verklaring der indrukken van het menschelijk
lichaam. Overigens verlieze men nooit uit het oog dat Spinoza
nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op
mechanische wijze "verklaart", d.w.z. niet leert dat
stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke
verschijnselen veroorzaken, maar dat zij die verschijnselen
zelf zijn onder een ander gezichtspunt (als openbaring van
een ander attribuut) beschouwd.]
[Aanteekening 40: Transcendentale begrippen. Oorspronkelijk wordt hiermede bedoeld: wat (de zintuigelijke waarneming) te boven gaat; bovenzinnelijk; niet op ervaring berustend. Hier heeft het echter de beteekenis van "afgetrokken", waarbij van alle bijzonderheid is afgezien.]
[Aanteekening 41: Intuïtief: door onmiddellijke aanschouwing (doorzien) van het wezenlijke in iets.]
[Aanteekening 42: Volitio. Ik gebruik het woord "willing" naar analogie met "lijding" om een bijzondere bestaanswijze van den "wil" aan te duiden. Het gewone "wilsuiting" toch slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen wil, of althans op de manier waarop hij zich openbaart.]
[Aanteekening 43:
In evenwicht, d.w.z. wanneer hij geen
keus weet te doen, wijl vóór en tegen elkaar opwegen.
Jean Buridan, 1297-1358, rationalistisch wijsgeer. De
vergelijking van den ezel, die tusschen twee evenver
verwijderde bossen hooi staande, van honger omkomt, is in
zijn werken niet te vinden, maar waarschijnlijk verzonnen
door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te
maken.]
[Aanteekening 44: Inculcare non teneor, quid unusquisque somniare potest. Volgens anderen: maar omdat ik niet gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen.]
[Aanteekening 45: Ook in het zeldzamer geval dat wij wéten dat wij droomen, bekijken wij weliswaar kritisch en oordeel-opschortend onzen eigen droom, maar oefenen toch niet een willekeurigen invloed uit op zijn beloop.]
[Aanteekening 46: Pietas. Vroomheid in de ruimste beteekenis: rechtschapenheid, flinkheid, plichtsbetrachting.]
[Aanteekening 47: Bij Spinoza staat "derde". Het wordt echter feitelijk in het vierde Deel betoogd. In den oorspronkelijken opzet had de Ethica evenwel een andere indeeling, vandaar Spinoza's vergissing.]
[Aanteekening 48: De onderstelling van Spinoza dat handelingen van "redelooze" dieren of van slaapwandelaars buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen van den geest.]
[Aanteekening 49: Toespeling op het later ook aangehaalde "Video meliora proboque, deteriora sequor". (Wel zie ik het betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na) Ovidius, Metam: VII. 20.]
[Aanteekening 50: Appetitus. Drang. Bij anderen: lust, verlangen. Het komt mij echter voor dat hier het woord een nog algemeener beteekenis heeft.]
[Aanteekening 51: Potentia agendi. Dit "vermogen tot handelen" moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht of energie worden opgevat. Immers lichaam of geest kunnen zeer werkzaam zijn en daarbij toch "lijden" in Spinozistischen zin. Wel geeft "levenskracht", opgevat als kracht om in zijn bestaan te volharden, de beteekenis weer.]
[Aanteekening 52:
De vertaling van Spinoza's terminologie der
gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig, daar hij zich--naar
hijzelf erkent (Toelichting Def. XX der Aandoeningen D.
III)--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der
woorden. Daardoor geeft hij soms definities die aan een
eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking
geven. Onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei
gevoelsschakeeringen dan het Latijn, zoodat men er Spinoza's
bedoeling dikwijls in kan benaderen.
In déze zinsnede is m.i. het vertalen van hilaritas door
opgeruimdheid of vroolijkheid en van melancholia door
zwaarmoedigheid minder juist. Immers deze woorden duiden bij
ons zuiver geestelijke toestanden aan, terwijl Spinoza hier
uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een
lichaamsgevoel gepaard gaan.]
[Aanteekening 53: conscientiae morsus. Eigenlijk gewetens-knaging, wroeging. Blijkens de definitie bedoelt Spinoza echter niets anders dan Spijt. Hartzeer (inderdaad een "knagende" pijn). Voor ons is gewetenswroeging echter gelijkluidend met "Berouw", d.i. Spijt met het bewustzijn van eigen schuld.]
[Aanteekening 54: Spinoza blijft steeds van res, ding, spreken; ik heb echter in 't vervolg meestal "wezen" gebruikt.]
[Aanteekening 55: Causae externae. Volgens andere uitgaven internae, inwendige. Wat schijnbaar beter aan de bedoeling beantwoordt. Men kan echter ook zeer goed voor den geest, voorzoover hij zichzelf beschouwt, het eigen Zelf als iets uitwendigs, als een voorwerp, opvatten.]
[Aanteekening 56: Deze definitie geeft aan het begrip "Wreedheid" een veel beperkter beteekenis dan het woord in het spraakgebruik (ook het Latijnsche) heeft. Er bestaat echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te kwellen, geen afzonderlijk woord.]
[Aanteekening 57: Admiratio, letterlijk: aanstaren als een wonder. Het woord bewonderen, door sommige vertalers gebruikt, heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis; ik vertaalde daarom waar de zin algemeener was: verbazing.]
[Aanteekening 58: Plus curiositatis quam utilitatis haberent. Meyer: zouden meer strekken tot aanvulling dan tot nut. Gorter: zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben.]
[Aanteekening 59: Impetus, onstuimige, plotseling opkomende drang.]
[Aanteekening 60:
Sive ea sit innata, sive quod ipsa per
solum Cogitationis, sive per solum Extensionis attributum
concipiatur.
Het komt mij voor dat achter "innata" een tegenstelling is
weggevallen, bv., "dan wel verworven". Spinoza bedoelt
iedere gesteldheid, hoe ook in ons teweeg gebracht en onder
welk attribuut ook beschouwd.]
[Aanteekening 61: Op haar gewoonte: op een daaraan beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid.]
[Aanteekening 62: Modestia. In verband met andere plaatsen leek mij "gematigdheid, minzaamheid" meer in overeenstemming met Spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke "bescheidenheid", waarin veelal een ongerechtvaardigde geringschatting van zichzelf ligt opgesloten.]
[Aanteekening 63: Animi pathema: gemoeds-lijding, hier uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de aandoening van (inwerking op) het lichaam, welke door Spinoza eveneens affectus genoemd wordt.]
[Aanteekening 64: Deze onderscheiding tusschen de begrippen "toevallig" en "mogelijk" is misschien het best weer te geven door "theoretisch (logisch) mogelijk" en "praktisch (feitelijk) mogelijk".]
[Aanteekening 65: Hier is met imaginatio (zie aanteekening 16[a16]) niet bedoeld ìedere zintuigelijke voorstelling (verbeelding), maar in het bijzonder de zóó onvolledige en verwarde, dat wij haar dwaling noemen.]
[Aanteekening 66: Cum nostra comparata. Niet vergeleken bij de onze, want het betreft hier de feitelijke verhouding van den invloed, en niet ons oordeel daaromtrent.]
[Aanteekening 67: Affectus erga: de aandoening jegens, d.w.z. de aandoening door iets in ons te weeg gebracht. Meyer: "stemming tegenover" en op andere plaatsen: "belangstelling in" (St. XI, XII en XIII). M.i. heeft echter affectus hier steeds de beteekenis van aandoening in het algemeen; immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn dan vage "stemming" of zelfs "belangstelling", bv. angst voor een onafwendbare ramp etc.]
[Aanteekening 68: Temeraria. Ook "onbezonnen" ware misschien juist, als tegenstelling tot de "ware" (bezonnen) kennis van goed en kwaad.]
[Aanteekening 69: Potest prior hac concipi. M.i. moet ook deze prioriteit niet worden opgevat als een tijdelijke, maar als een logische. Het streven om zichzelf te handhaven is de eerste, fundamenteele deugd, waaruit de andere deugden moeten worden afgeleid; slechts als zoodanig kan men zeggen dat het aan alle deugden voorafgaat.]
[Aanteekening 70: Mea haec est ratio, et sic animum induxi meum. Anderen beschouwen "et sic enz." als een herhaling van het voorgaande. Meyer: "wat mij betreft, ik denk hierover aldus". Stern: "Ich meinerseits denke so und habe folgende Ansicht gewonnen." M.i. echter is de vertaling van animum inducere met "zich voornemen" hier niet alleen toelaatbaar, maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige zinsdeel krachtig en zinrijk maakt.]
[Aanteekening 71: Meyer: overmoed en uitgelatenheid. Het is m.i. echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun overdrijving te beschouwen. Ook de niet overdreven gerustheid en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor Spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid; evenals medelijden, overdreven of niet.]
[Aanteekening 72: Bene agere en laetari. Wèl doen moet hier niet worden opgevat als "weldaden bewijzen" in de gewone beteekenis, maar als "goed, flink, krachtig, redelijk handelen" in den Spinozistischen zin van het woord.]
[Aanteekening 73: Nullius rei ipsos puderet, nec ipsi quicquam metuerent, quo vinculis conjungi constringique possent? Andere lezing, zonder vraagteeken: "zouden zij zich nergens voor schamen en niets vreezen, waardoor zij thans nog in den band worden gehouden en beteugeld". Deze laatste lezing sluit m.i. minder logisch aan bij den volgenden zin.]
[Aanteekening 74: Met "verbeteren" is hier bedoeld: temperen, overwinnen door een andere aandoening.]
[Aanteekening 75: Ignaros, onwetend, onontwikkeld, nog niet tot inzicht gekomen. Andere lezing: ignavos: krachteloos, zwak. Deze laatste opvatting zou hier, in tegenstelling tot den "vrijen", krachtigen mensch, wel toelaatbaar zijn. Maar ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt.]
[Aanteekening 76: Atque tum magis discordia quam concordia fovetur. Andere lezing: discordiâ quam concordiâ (ablativus), waardoor de zin zou worden: "in welk geval zij (nl. de abnormale, tot waanzin gestegen zinnelijkheid) door tweedracht méér nog dan door eendracht geprikkeld wordt." Dit is echter moeilijker in verband te brengen met Gevolg St. XXXI D. III waarnaar juist verwezen wordt.]
[Aanteekening 77: Compendium. Samenvatting. Meyer: kort begrip. Stern: Inbegriff. Gorter leest compensatio, vergoeding. Als "Ruilmiddel" weegt het geld tegen alle dingen op en vertegenwoordigt het ze tevens.]
[Aanteekening 78: Spiritus animales, dierlijke geesten. Bedoeld zijn de verschillende krachten die door Descartes e.a. als oorzaken der verschillende levensverschijnselen ondersteld worden.]
[Aanteekening 79: Non nisi ratione distinguetur. Meyer: "Geen ander dan een denkbeeldig onderscheid". Stern: "Nur nach dem Verhältnis verschieden sein." M.i. is de bedoeling deze: de nieuwe voorstelling is een (adaequate) voorstelling omtrent een (oorspronkelijk inadaequate) voorstelling, dus niet feitelijk maar alleen in redelijk opzicht (voor ons begrip) er van onderscheiden. In werkelijkheid zijn beide voorstellingen één (zooals lichaam en geest) en dus kunnen uit de nieuwe voorstelling, omdat zij adaequaat is, slechts handelingen voortvloeien, m.a.w. de oorspronkelijke aandoening houdt op lijding te zijn.]
[Aanteekening 80: Simpliciter; eenvoudig, zoomaar.]
[Aanteekening 81: Secundum ordinem ad intellectum. Volgens een orde, welke door het verstand vereischt wordt, of welke hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden.]
[Aanteekening 82:
Men verwarre Spinoza's "eeuwigheid van den
Geest" niet met een "persoonlijk voortbestaan". Onze
persoonlijkheid immers is naar Spinoza's opvatting slechts
een tijdelijke, vergankelijke bestaanswijze (modus) die
afhankelijk is van onze lichaamsindrukken, zich met deze
wijzigt en met het lichaam te gronde gaat. Zie de Opmerking
bij St. XXXIX Deel IV, waar Spinoza zegt dat een individu
zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen, dat
hij "niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch
was als voorheen." Zelfs den volwassene kent Spinoza daar
blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind.
Dat de stellingen die over de eeuwigheid des Geestes handelen
voor velen zoo duister zijn ligt m.i. in de eerste plaats
hieraan dat men, ofschoon Spinoza zelf er telkens voor
waarschuwt, zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met
een "voortbestaan in den tijd". Maar een tweede aanleiding
tot verwarring is dat Spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet
uitkomen dat eigenlijk het Lichaam even eeuwig en
onsterfelijk is als de Geest. Immers ook het individueele
lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde, ofschoon
het als "stof" (Uitgebreidheid) onvernietigbaar, eeuwig is.
Het lìjkt wel alsof Spinoza in de eenigszins slordige
Stelling XXIII "De menschelijke Geest kan niet met het
Lichaam geheel en al te niet gaan", leert, dat dus het
Lichaam wèl absoluut vernietigd wordt; maar het is duidelijk
dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de
ervaring, maar met Spinoza's eigen leer. Het wordt bovendien
in het Bewijs dier Stelling zelf indirekt ontkent, waar
gesproken wordt over het "tegenwoordig bestaan des
Lichaams", in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan.
Een dualistische opvatting van Geest en Lichaam, als van
twee dingen, die gescheiden zouden kunnen worden, is in
Spinoza's systeem ondenkbaar. Geest en stof, Denken en
Uitgebreidheid, zijn bij Spinoza immers niet in eigenlijken
zin verbonden, maar identiek, één en hetzelfde. Wat wij
dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan, of liever
zich oplossen, is zijn tijdelijke verschijning
(bestaanswijze) als Geest-Lichaam, dus zijn lichamelijke èn
geestelijke individualiteit. Voorzoover hij echter
stof-op-zichzelf is, d.w.z. God, gedacht als Uitgebreidheid,
is zijn Lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn Geest
eeuwig, als keerzijde van dit eeuwige lichaam, als
voorstelling ervan, als God, voorzoover hij Denken is. Ons
lichaam wordt "stof", d.i. Uitgebreidheid zonder bepaalden
vorm, en zoo wordt onze geest "Denken, Verstand", zonder
"verbeelding en herinnering", welke juist aan dien bepaalden
lichaamsvorm gebonden waren.
Hoe meer de mensch nu "één is met God", dat wil in den
Spinozistischen gedachtengang zeggen: hoe beter hij God
begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d.w.z. hoe redelijker
hij denkt en leeft; hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van
het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de
illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood
hem zullen hinderen. Spinoza drukt dit, in een m.i.
verwarrende beeldspraak, uit in de woorden: hoe grooter
deel van zijn Geest zal overblijven. Nog iets duidelijker
wordt Spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in
verband brengt met zijn (mathematisch) causaliteitsbegrip
(zie ook aanteekening 8[a8]). Begrijpen is de dingen zien in
hun logische afhankelijkheid in plaats van in hun
tijdelijke opeenvolging, zulk begrip is even tijdloos, even
eeuwig als een of andere mathematische waarheid, die "in God"
bestaat. Voorzoover wij dus begrijpen zijn wij eeuwig,
hebben wij deel aan het oneindige Verstands Gods.]