Opmerking I: Ik noem een ding in zoover verleden of toekomstig als het op ons heeft ingewerkt of zal inwerken, bijvoorbeeld voorzoover wij het gezien hebben of zullen zien, voorzoover het ons verkwikt heeft of zal verkwikken, geschaad heeft of zal schaden enz. Immers in zoover als wij het ons aldus voorstellen, beamen wij zijn bestaan; d.w.z. ons Lichaam ondervindt geenerlei inwerking welke het bestaan van het ding uitsluit en zal derhalve (vlg. St. XVII D. II) van het beeld ervan dezelfde inwerking ondergaan alsof het ding zelf aanwezig ware. Wijl echter inderdaad lieden met veel ervaring meestal weifelen, zoolang zij iets als toekomstig of verleden beschouwen en omtrent den afloop ervan meestal twijfelen. (Zie Opmerking St. XLIV D. II) is het gevolg daarvan dat aandoeningen welke uit dergelijke voorstellingen der dingen ontstaan, niet zeer standvastig zijn, maar dat zij meestal door beelden van andere dingen worden verward, totdat men omtrent dien afloop zekerder is.

Opmerking II: Na het zooeven gezegde kunnen wij begrijpen wat Hoop, Vrees, Gerustheid, Wanhoop, Verheuging en Spijt [Hartzeer][A53] is. Hoop namelijk is niets anders dan onbestendige Blijheid, opgewekt door het beeld van een toekomstige of verleden zaak, omtrent welker verloop wij twijfelen. Vrees daarentegen is een onbestendige Droefheid, eveneens door het beeld eener twijfelachtige zaak opgewekt. Indien verder de twijfel in deze aandoeningen wordt opgeheven, worden Hoop tot Gerustheid, Vrees tot Wanhoop; tot een Blijheid of Droefheid namelijk, te weeg gebracht door het beeld der zaak welke wij vreesden of hoopten. Verheuging vervolgens is Blijheid, opgewekt door het beeld eener verleden zaak, omtrent welker afloop wij twijfelden. Spijt eindelijk is een Droefheid, tegenovergesteld aan Verheuging.

Stelling XIX.

Wie zich voorstelt dat iets wat hij liefheeft, te niet gaat, zal zich bedroeven; daarentegen zal hij zich verheugen bij de gedachte dat het behouden blijft.

Bewijs.

De Geest tracht zich (vlg. St. XII v.d. D.) zooveel mogelijk datgene voor te stellen wat het vermogen tot handelen des Lichaams vermeerdert of bevordert, d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) dingen welke hij liefheeft. De verbeeldingskracht evenwel wordt (vlg. St. XVII D. II) geholpen door wat het bestaan van iets [onder]stelt, belemmerd daarentegen door wat het bestaan van iets uitsluit. Derhalve helpen beelden van dingen, welke het bestaan der geliefde zaak [onder]stellen, den Geest bij zijn streven om zich die geliefde zaak voor te stellen; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) zij brengen Blijheid in den Geest te weeg. En omgekeerd: beelden van dingen welke het bestaan der geliefde zaak uitsluiten belemmeren den Geest bij dit streven; d.w.z. (vlg. dezelfde Opmerking) zij brengen Droefheid in hem te weeg. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij lief heeft, te niet gaat, zal zich bedroeven enz. H.t.b.w.

Stelling XX.

Wie zich voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich verblijden.

Bewijs.

De Geest tracht zich (vlg. St. XIII v.d. D.) datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken, waardoor het vermogen tot handelen des Lichaams verminderd of belemmerd wordt, uitsluit; d.w.z. (vlg. Opmerking bij dezelfde St.) hij tracht zich datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken welke hij haat uitsluit. Derhalve steunt het beeld eener zaak, welke het bestaan van wat de Geest haat uitsluit, dit streven van den Geest; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) het verwekt Blijheid in hem. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich verblijden. H.t.b.w.

Stelling XXI.

Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Blijheid of Droefheid ondervindt, zal zelf Blijheid of Droefheid gevoelen en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn in den liefhebbende naarmate zij sterker of zwakker is in het geliefde ding [wezen] [A54].

Bewijs.

De beelden van dingen, welke het bestaan eener geliefde zaak onderstellen, steunen (gelijk wij in St. XIX v.d. D. hebben bewezen) het streven van den Geest om zich die geliefde zaak voor te stellen. Maar Blijheid onderstelt het bestaan van iets dat blijde is en dat wel te meer naarmate de aandoening van Blijheid sterker is. Immers zij is (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) een overgang tot grooter volmaaktheid. Derhalve steunt de gedachte aan de Blijheid van het geliefde wezen het streven van den Geest des liefhebbenden zelf; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) zij wekt in den liefhebbende Blijheid op en wel des te meer hoe sterker deze aandoening in het geliefde wezen was. Dit wat het eerste betreft. Voorzoover voorts eenig wezen Droefheid gevoelt, gaat het te niet [wordt er iets van zijn bestaanskracht vernietigd] en wel des te meer (vlg. dezelfde Opmerking bij St. XI v.d. D.) hoe heviger die Droefheid is. Derhalve zal (vlg. St. XIX v.d. D.) wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Droefheid ondervindt, zelf ook Droefheid gevoelen en dat wel des te meer, hoe sterker deze aandoening was in het geliefde wezen. H.t.b.w.

Stelling XXII.

Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid te weeg brengt, zal hij ook ons Blijheid schenken. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen Droefheid brengt, zoo zullen ook wij Haat jegens hem gevoelen.

Bewijs.

Wie in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt ook onszelf Blijheid of Droefheid, wanneer wij ons wel te verstaan (vlg. voorgaande St.) het geliefde wezen als door Blijheid of Droefheid aangedaan voorstellen. Er wordt evenwel ondersteld dat deze Blijheid of Droefheid vergezeld gaat van de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Derhalve zullen wij (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg brengt, Liefde of Haat jegens hem gevoelen. H.t.b.w.

Opmerking: Stelling XXI verklaart ons wat Medelijden is; wij kunnen het omschrijven als Droefheid om eens anders leed. Welken naam ik nu evenwel moet geven aan die Blijheid, welke uit eens anders welzijn voortkomt, weet ik niet. Voorts zullen wij Liefde jegens hem die een ander wèl-deed, Ingenomenheid en daarentegen Haat jegens hem die een ander kwaad deed Verontwaardiging noemen. Tenslotte doe ik opmerken dat wij niet slechts medelijden hebben met wezens die wij hebben liefgehad (gelijk wij in St. XXI aantoonden) maar ook met wezens, voor welke wij voordien niets [bepaalds] gevoelden, mits wij slechts oordeelen (gelijk ik hierna zal aantoonen) dat zij op ons gelijken. Derhalve zullen wij ingenomen zijn met wie onzen gelijke weldeed, daarentegen ons verontwaardigen over wie onzen gelijke schade berokkende.

Stelling XXIII.

Wie zich voorstelt dat een wezen dat hij haat, door Droefheid wordt aangedaan, zal zich verheugen; bedroeven zal hij zich echter indien hij zich voorstelt dat het door Blijheid wordt aangedaan; en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn naarmate de haar tegengestelde sterker of zwakker is in het wezen dat hij haat.

Bewijs.

Voorzoover het gehate wezen door Droefheid wordt aangedaan, voorzóóver gaat het te niet [wordt zijn levenskracht verminderd] en wel des te meer (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) hoe heviger die Droefheid is. Wie zich dus voorstelt dat een wezen dat hij haat Droefheid ondervindt, zal zich (vlg. St. XX v.d. D.) verheugen, en wel des te meer, hoe heviger hij zich die Droefheid van het gehate wezen voorstelt. Dit wat het eerste betreft. Voorts onderstelt Blijheid (vlg. dezelfde Opmerking St. XI v.d. D.) het bestaan van een wezen dat blijde is en dit wel te meer hoe sterker die Blijheid gedacht wordt. Indien dus iemand zich een ander, dien hij haat, voorstelt als door Blijheid aangedaan, zal deze voorstelling (vlg. St. XIII v.d. D.) zijn streven belemmeren; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.): hij die haat zal Droefheid gevoelen indien enz. H.t.b.w.

Opmerking: Deze Blijheid kan bezwaarlijk duurzaam zijn of zonder tweestrijd in ons gemoed bestaan. Want (gelijk ik straks in St. XXVII v.d. D. zal aantoonen) voorzoover men zich zijns gelijke voorstelt als door Droefheid aangedaan, voorzóóver moet men zich ook zelf bedroeven, en omgekeerd, indien men zich voorstelt dat hij door Blijheid wordt aangedaan. Hier echter hebben wij alleen het oog op den haat.

Stelling XXIV.

Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij haten Blijheid te weeg brengt, zullen wij ook jegens hem Haat gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij in datzelfde wezen Droefheid te weeg brengt, zoo zullen wij Liefde jegens hem gevoelen.

Bewijs.

Deze stelling wordt op dezelfde wijze bewezen als Stelling XXII van dit Deel; zie dus deze.

Opmerking: Deze en soortgelijke aandoeningen van Haat behooren onder het begrip "Nijd", welke dus niets anders is dan Haat zelf, voorzoover hij den mensch brengt in zoodanigen toestand dat hij zich verheugt over het ongeluk van een ander [Leedvermaak] en omgekeerd zich bedroeft over zijn geluk. [Afgunst].

Stelling XXV.

Al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen Blijheid brengt, trachten wij van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of het geliefde wezen bedroeft, te ontkennen.

Bewijs.

Datgene, waarvan wij ons voorstellen dat het in het geliefde wezen Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt (vlg. St. XXI v.d. D.) ook onszelf Blijheid of Droefheid. Maar de Geest tracht (vlg. St. XII v.d. D.) zich zooveel mogelijk datgene wat ons Blijheid schenkt voor te stellen, d.w.z. (vlg. St. XVII en Gevolg D. II) als aanwezig te beschouwen. En omgekeerd tracht hij (vlg. St. XIII v.d. D.) het bestaan van wat ons droef maakt uit te sluiten. Derhalve trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen blij maakt, van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd. H.t.b.w.

Stelling XXVI.

Van een wezen dat wij haten trachten wij alles te bevestigen wat het naar onze voorstelling bedroeft en omgekeerd trachten wij er van te ontkennen al wat het naar onze voorstelling verblijdt.

Bewijs.

Deze stelling volgt uit Stelling XXIII, gelijk de voorgaande uit Stelling XXI van dit Deel.

Opmerking: Wij zien hieruit, dat het licht kan gebeuren dat de mensch over zichzelf of een geliefd wezen beter dan gerechtvaardigd, en omgekeerd dat hij over een gehaat wezen slechter dan billijk is oordeelt, welke verbeelding, indien zij dien mensch zelf betreft die beter over zichzelf oordeelt dan gerechtvaardigd is, Hoogmoed [verwaandheid] genoemd wordt en een vorm is van waanzin, aangezien zulk een persoon met open oogen droomt dat hij allerlei dingen kan welke hij alleen in zijn verbeelding bereikt; welke hij dus als werkelijkheden beschouwt en waarop hij zich verheft, zoolang hij niet bij machte is zich iets voor te stellen dat hun bestaan uitsluit en zijn eigen vermogen tot handelen beperkt.

Hoogmoed [verwaandheid] is dus een aandoening van Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. Verder wordt de Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van een ander denkt dan gerechtvaardigd is, Overschatting genoemd, en Geringschatting tenslotte die, welke ontstaat doordat men van een ander slechter denkt dan billijk is.

Stelling XXVII.

Door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons gelijkt en waarvoor wij niets [bepaalds] gevoelen, een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt.

Bewijs.

De beelden der dingen zijn (vlg. Opmerking St. XVII D. II) inwerkingen op het menschelijk Lichaam, welker voorstellingen ons de uitwendige voorwerpen als aanwezig voorstellen; d.w.z. (vlg. St. XVI D. II) welker voorstellingen den aard van ons Lichaam en tegelijk den aanwezigen aard van het uitwendig voorwerp in zich sluiten. Indien dus de aard van een uitwendig voorwerp gelijkt op den aard van ons Lichaam, zal de voorstelling van dit uitwendig voorwerp dat wij ons verbeelden, een inwerking op ons Lichaam in zich sluiten, welke gelijkt op den toestand van het uitwendig voorwerp. Bijgevolg zal, indien wij ons voorstellen dat een wezen dat ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, deze voorstelling een toestand van ons Lichaam weergeven welke op deze aandoening gelijkt [aan deze aandoening beantwoordt]. Derhalve: door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen hetwelk ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt. Wanneer wij echter een wezen dat ons gelijkt haten, zullen wij een tegenovergestelde aandoening dan dit wezen ondergaan en niet een dergelijke. H.t.b.w.

Opmerking: Deze nabootsing van aandoeningen heet, voorzoover zij onder Droefheid thuis behooren, Medelijden (waarover men zie Opmerking St. XXII v.d. D.); behooren zij evenwel tot de Begeerte, zoo noemt men haar wedijver, welke dus niets anders is dan een Begeerte tot een of ander ding, welke in ons ontstaat door ons voor te stellen dat anderen, die ons gelijken, dezelfde begeerte hebben.

Gevolg I: Wanneer wij ons voorstellen dat iemand, die geenerlei aandoening in ons te weeg brengen, een ons gelijkend wezen verblijdt, zullen wij Liefde jegens hem gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen bedroeft, zoo zullen wij hem haten.

Bewijs.

Dit wordt op dezelfde wijze uit de voorgaande stelling bewezen als Stelling XXII van dit Deel uit Stelling XXI.

Gevolg II: Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, kunnen wij niet haten op grond daarvan dat zijn ongeluk ons bedroeft.

Bewijs.

Immers indien wij het om die reden konden haten, zouden wij ons (vlg. St. XXIII v.d. D.) over zijn droefheid verblijden, hetgeen in strijd is met het onderstelde.

Gevolg III: Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, trachten wij zooveel mogelijk van zijn ongeluk te bevrijden.

Bewijs.

Datgene wat het wezen waarvoor wij medelijden gevoelen bedroeft, brengt ook in ons (vlg. de voorgaande St.) een dergelijke Droefheid teweeg en wij zullen dus (vlg. St. XIII v.d. D.) alles trachten te verzinnen wat het bestaan dier aanleiding tot Droefheid opheft ofwel wat haar vernietigt; d.w.z. (vlg. Opmerking St. IX v.d. D.) wij zullen verlangen of er toe gedreven worden haar te vernietigen. Derhalve zullen wij een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen van zijn ongeluk trachten te bevrijden. H.t.b.w.

Opmerking: Deze wil of dit verlangen om wèl te doen, welke daaruit voortspruit dat wij voor het wezen waaraan wij een weldaad willen bewijzen, medelijden gevoelen, wordt Welwillendheid genoemd, welke dus niets anders is dan Begeerte, ontstaan uit medelijden. Zie overigens over Liefde en Haat jegens dengene die een wezen dat wij als ons gelijkend beschouwen goed of kwaad deed, de Opmerking bij Stelling XXII van dit Deel.

Stelling XXVIII.

Al wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt trachten wij tot stand te brengen; wat daarentegen naar onze voorstelling daarmede in strijd is, ofwel wat tot Droefheid leidt, trachten wij uit den weg te ruimen of te vernietigen.

Bewijs.

Wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt, trachten wij ons (vlg. St. XII v.d. D.) zooveel mogelijk voor te stellen; d.w.z. (vlg. St. XVII D. II) wij zullen trachten het zooveel mogelijk als aanwezig ofwel werkelijk bestaande te beschouwen. Maar het streven of denkvermogen van den Geest is van nature gelijk aan en gelijktijdig met het streven of het vermogen tot handelen van het Lichaam (gelijk duidelijk volgt uit Gevolg St. VII en Gevolg St. XI D. II). Derhalve streven wij onvoorwaardelijk naar zijn bestaan, of (wat vlg. Opmerking St. IX v.d. D. hetzelfde is) wij verlangen er naar en stellen het ons ten doel. Dit wat het eerste betreft. Voorts zullen wij ons (vlg. St. XX v.d. D.) verblijden wanneer wij ons voorstellen dat iets, dat naar onze meening oorzaak van Droefheid is, d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) iets dat wij hatende niet gaat. Derhalve zullen wij (vlg. het eerste gedeelte van dit bewijs) dit trachten te vernietigen of (vlg. St. XIII v.d. D.) van ons te verwijderen, opdat wij het niet langer als aanwezig beschouwen. Dit wat het tweede betreft. Derhalve zullen wij al wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt enz. H.t.b.w.

Stelling XXIX.

Evenzoo zullen wij trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de menschen13 met vreugde zien en omgekeerd zullen wij afkeerig zijn datgene te doen waarvan naar onze voorstelling de menschen afkeerig zijn.

[Voetnoot 13: Hier en in het vervolg bedoel ik menschen die overigens geenerlei aandoening in ons opwekken.]

Bewijs.

Op grond daarvan dat wij ons voorstellen dat menschen iets liefhebben of haten zullen (vlg. St. XXVII v.d. D.) ook wij het liefhebben of haten; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) door dit feit zelf zullen wij ons over de aanwezigheid ervan verblijden of bedroeven. Derhalve zullen wij (vlg. voorgaande St.) trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de menschen met vreugde zien enz. H.t.b.w.

Opmerking: Dit streven om iets te doen, of ook wel iets te laten alleen om den menschen te behagen, wordt Eerzucht genoemd, vooral wanneer wij zoo hevig de menigte zoeken te behagen dat wij iets doen of laten tot ons eigen of anderer nadeel, anders pleegt men het Menschenmin [Vriendelijkheid] te noemen. Voorts noem ik de Blijheid over een handeling waardoor een ander ons heeft willen verheugen Goedkeuring, de Droefheid daarentegen waarmede wij ons van eens anders handelingen afwenden, Afkeuring.

Stelling XXX.

Wanneer iemand iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling anderen verblijdt, zal hij Blijheid, vergezeld van de gedachte aan zichzelf als oorzaak daarvan gevoelen; ofwel hij zal zichzelf met Blijheid beschouwen. Wanneer hij daarentegen iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling anderen bedroeft, zal hij zichzelf met Droefheid beschouwen.

Bewijs.

Wie zich voorstelt dat hij anderen verblijdt of bedroeft, zal (vlg. St. XXVII v.d. D.) reeds dáárdoor zelf Blijheid of Droefheid gevoelen. Aangezien evenwel de mensch (vlg. St. XIX en XXIII D. II) zich [van zichzelf] bewust is door de aandoeningen waardoor hij tot handelen wordt genoopt, zal iemand die iets gedaan heeft wat naar zijn meening anderen verblijdt, zelf Blijheid gevoelen, met het bewustzijn dat hijzelf daarvan de oorzaak is, ofwel hij zal zichzelf met Blijheid beschouwen, en omgekeerd. H.t.b.w.

Opmerking: Aangezien (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) Liefde is: Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, en Haat Droefheid, eveneens vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, zijn dus deze Blijheid en Droefheid eigenlijk soorten van Liefde en Haat. Maar wijl Liefde en Haat betrekking hebben op uitwendige voorwerpen, zullen wij de thans bedoelde aandoeningen met andere namen aanduiden, en wel zullen wij déze Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige[A55] oorzaak Zelfverheerlijking en de aan haar tegenovergestelde Droefheid Schaamte noemen. Wel te verstaan: wanneer namelijk die Blijheid of Droefheid daaruit voortkomt dat iemand in de meening verkeert geprezen of berispt te worden; anders zal ik die Blijheid, vergezeld door de gedachte aan een uitwendige oorzaak Tevredenheid met zichzelf en de tegenovergestelde Droefheid Berouw noemen. Wijl het vervolgens (vlg. Gevolg St. XVII D. II) kan voorkomen dat de Blijheid welke iemand meent anderen te schenken, slechts denkbeeldig is en (vlg. St. XXV v.d. D.) ieder van zichzelf tracht te denken wat hem naar zijn meening zal verblijden, is het dus licht mogelijk dat een roemzuchtige trotsch [verwaand] wordt en zich inbeeldt iedereen welgevallig te zijn, terwijl hij in werkelijkheid iedereen tot last is.

Stelling XXXI.

Indien wij ons voorstellen dat iemand liefheeft of begeert, of haat wat wijzelf liefhebben, begeeren of haten, zullen wij dáárdoor reeds deze zaak des te standvastiger liefhebben enz. Indien wij ons echter voorstellen dat hij afkeerig is van wat wij liefhebben, of omgekeerd [liefheeft wat wij haten] zal ons gemoed in tweestrijd geraken.

Bewijs.

Alleen reeds door het feit dat wij ons voorstellen dat iemand iets liefheeft, zullen wijzelf (vlg. St. XXVII v.d. D.) deze zaak ook liefhebben. Wij onderstellen evenwel dat wij die zaak reeds zonder dat liefhebben. Bij deze Liefde komt dus een nieuwe reden, waardoor zij wordt aangewakkerd en derhalve zullen wij wat wij reeds liefhebben, om deze reden des te standvastiger liefhebben. Voorts wenden wij ons (vlg. dezelfde St.) af van datgene waarvan wij ons voorstellen, dat iemand anders afkeerig is. Veronderstellen wij echter dat wij deze zelfde zaak terzelfder tijd liefhebben, dan zullen wij haar dus terzelfder tijd liefhebben en er een afkeer van hebben, ofwel (zie Opmerking St. XVII v.d. D.) ons gemoed zal in tweestrijd geraken. H.t.b.w.

Gevolg: Hieruit, alsmede uit Stelling XXVIII van dit Deel, volgt dat ieder zooveel mogelijk er naar streeft dat ieder ander zal liefhebben wat hijzelf liefheeft en zal haten wat hijzelf haat. Vandaar het woord des dichters:

Allen gevoelen we eenzelfde hoop en vrees zoo wij minnen;
Hij heeft een hart van staal, die mint wat een ander haat.
(Ovidius, Amor. II. 19)


Opmerking: Dit streven om te bewerken dat ieder instemme, wanneer men zelf lief heeft of haat, is welbeschouwd eerzucht (zie Opmerking St. XXIX v.d. D.) Wij zien dus dat ieder van nature er naar streeft, dat anderen naar zijn zin leven, met het gevolg dat, waar allen dit gelijkelijk beoogen, zij elkaar gelijkelijk tot last zijn en waar allen door iedereen geprezen en bemind willen worden, allen elkaar haten.

Stelling XXXII.

Indien wij ons voorstellen dat iemand zich verheugt over een zaak, welke slechts één mensch bezitten kan, zullen wij trachten te bewerken dat hij deze zaak niet in zijn bezit krijgt.

Bewijs.

Om het feit alleen dat wij ons voorstellen dat iemand zich over iets verheugt, zullen wij (vlg. St. XXVII en Gevolg I v.d. D.) die zaak liefhebben en begeeren en ons er over verheugen. Maar wij stellen ons (vlg. het onderstelde) juist voor dat het feit, dat deze persoon zich in het bezit dier zaak zou verheugen, deze Blijheid in den weg staat. Derhalve zullen wij (vlg. St. XXVIII v.d. D.) er naar streven dat hij haar niet bemachtigt. H.t.b.w.

Opmerking: Wij zien dus hoe het met den menschelijken aard meestal zoo gesteld is, dat men medelijden heeft met hen wien het slecht gaat en benijdt wien het goed gaat, en wel dit laatste (vlg. voorgaande St.) met een des te grooteren haat, naarmate men de zaak, welke men zich in het bezit van een ander voorstelt, meer liefheeft. Wij zien voorts hoe uit dezelfde eigenschap van den menschelijken aard, waaruit volgt dat de menschen medelijdend zijn, ook volgt dat zij afgunstig en eerzuchtig zijn. En indien wij tenslotte de ervaring zelve willen raadplegen, zullen wij bevinden dat ook zij dit alles leert; in het bijzonder wanneer wij letten op de eerste jaren van ons leven. Wij zien toch immers dat kinderen, omdat hun lichaam als het ware in voortdurend [wankelbaar] evenwicht is, plegen te lachen of te schreien alléén reeds, doordat zij anderen zien lachen of schreien; dat zij bovendien alles wat zij anderen zien doen, dadelijk begeeren na te bootsen; dat zij tenslotte alles voor zichzelf begeeren waarover anderen zich naar hun voorstelling verheugen. Geen wonder, daar toch de beelden der dingen, zooals wij reeds zeiden, inwerkingen zijn op het menschelijk Lichaam zelf, ofwel wijzen waarop het menschelijk Lichaam inwerking ondergaat van uitwendige voorwerpen en genoodzaakt wordt zus of zoo te handelen.

Stelling XXXIII.

Wanneer wij een ons gelijkend wezen liefhebben, trachten wij zooveel mogelijk te bewerken dat het ons wederkeerig liefheeft.

Bewijs.

Een ding dat wij liefhebben, trachten wij ons (vlg. St. XII v.d. D.) zooveel mogelijk boven andere dingen voor te stellen. Als dus dit ding een ons gelijkend wezen is, zullen wij (vlg. St. XXIX v.d. D.) het boven alle andere trachten te verblijden, ofwel wij zullen zooveel mogelijk trachten te bewerken, dat dit geliefde wezen bewogen worde door een Blijheid, vergezeld door de gedachte aan onszelf; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) dat het ons wederkeerig liefheeft. H.t.b.w.

Stelling XXXIV.

Hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen welke een geliefd wezen voor ons gevoelt, hoe meer wij ons daarop zullen verheffen.

Bewijs.

Wij trachten (vlg. voorgaande St.) zooveel mogelijk te bewerken dat een geliefde wezen ons wedermint, d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) dat het geliefde wezen een Blijheid ondervinde, vergezeld door de gedachte aan ons zelf. Hoe grooter dus de Blijheid is, welke naar onze voorstelling het geliefde wezen door ons toedoen ondervindt, hoe meer dit streven wordt bevorderd; d.w.z. (vlg. St. XI en Opmerking v.d. D.) hoe grooter Blijheid ook wij gevoelen. Wanneer wij ons evenwel verblijden, omdat wij een ander, ons gelijkend wezen, Blijheid schonken, dan zullen wij (vlg. St. XXX v.d. D.) ook onszelf met Blijheid beschouwen. Derhalve: hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen, welke een geliefd wezen voor ons gevoelt, met hoe grooter Blijheid wij onszelf zullen beschouwen, ofwel (vlg. Opmerking St. XXX v.d. D.) hoemeer wij ons daarop zullen verheffen. H.t.b.w.

Stelling XXXV.

Wie zich voorstelt dat een geliefd wezen met een nauwen of nog nauweren band van vriendschap zich aan een ander bindt, dan waarmede het aan ons-zelf verbonden was, zal jegens dit geliefde wezen haat gevoelen en dien ander benijden.

Bewijs.

Hoe grooter iemand zich de liefde voorstelt, welke een geliefd wezen voor hem gevoelt, hoe meer hij (vlg. voorg. St.) zich daarop zal verheffen; d.w.z. (vlg. Opm. St. XXX v.d. D.) hoe meer hij zich zal verblijden en dus (vlg. St. XXVIII v.d. D.) zooveel mogelijk zal trachten zich voor te stellen dat het geliefde wezen ten nauwste met hem verbonden is; welk streven of welke begeerte (vlg. St. XXXI v.d. D.) nog wordt aangewakkerd door de voorstelling, dat ook een ander ditzelfde voor zich begeert. Er wordt hier echter verondersteld dat dit streven of deze begeerte belemmerd wordt door het beeld van het geliefde wezen zelf, vergezeld door het beeld van dien ander, aan wien het zich verbonden heeft. Derhalve zal hij (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) dan ook een Droefheid gevoelen, vergezeld door de voorstelling van het geliefde wezen als oorzaak daarvan en tevens door het beeld van dien ander; d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) hij zal haat gevoelen jegens het geliefde wezen en tegelijkertijd (vlg. Gevolg St. XV v.d. D.) jegens dien ander, dien hij (vlg. St. XXIII v.d. D.) dáárom, wijl hij zich in het bezit van het geliefde wezen verblijdt, zal benijden. H.t.b.w.

Opmerking: Deze Haat, jegens het geliefde wezen, verbonden met Nijd, wordt IJverzucht [jaloerschheid] geheeten, welke dus niets anders is dan een tweestrijd des gemoeds, uit gelijktijdige Liefde en Haat ontsprongen, vergezeld door de gedachte aan een ander, dien men benijdt. Bovendien zal deze haat jegens het geliefde wezen sterker zijn naarmate van de Blijheid, welke de jaloersche door de wederliefde van het geliefde wezen placht te ondervinden en eveneens naarmate van de gevoelens, welke hij koesterde jegens hem, aan wien zich naar zijn voorstelling het geliefde wezen verbonden heeft. Immers als hij hem haatte, zal hij (vlg. St. XXIV v.d. D.) ook hierdoor reeds het geliefde wezen haten, aangezien hij zich dan moet voorstellen dat het Blijheid schenkt aan wien hijzelf haat, en ook (vlg. Gevolg St. XV v.d. D.) wijl hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen te verbinden met dat van hem, dien hij haat. Welk geval zich het meest voordoet bij de Liefde voor een vrouw. Want wie zich voorstelt, dat de vrouw, die hij liefheeft, zich aan een ander overgeeft, wordt niet alleen bedroefd door het feit dat zijn eigen lust belemmerd wordt, maar heeft ook een afkeer van haar, omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen in verband te brengen met de schaamdeelen en zaadafscheidingen van een ander. Waarbij eindelijk nog komt, dat de jaloersche door de geliefde niet langer met hetzelfde gelaat dat zij hem vroeger te vertoonen placht, wordt ontvangen, hetgeen voor den minnaar een nieuwe reden tot droefheid is, gelijk ik straks zal aantoonen.

Stelling XXXVI.

Wie zich iets herinnert, waarin hij zich eens verlustigd heeft, begeert het weder te bezitten onder dezelfde omstandigheden als toen hij zich voor het eerst er in verheugde.

Bewijs.

Al wat iemand gelijktijdig met een zaak, welke hem verlustigde, gezien heeft, zal (vlg. St. XV v.d. D.) door deze toevallige omstandigheid oorzaak van Blijheid zijn. Derhalve zal hij (vlg. St. XXVII v.d. D.) tegelijk met de zaak welke hem verheugde, ook dit alles begeeren te bezitten, ofwel hij zal deze zaak begeeren te bezitten onder al dezelfde omstandigheden als toen hij zich voor het eerst er in verheugde. H.t.b.w.

Gevolg: Wanneer dus één dier omstandigheden blijkt te ontbreken, zal de minnaar zich bedroeven.

Bewijs.

Immers, voorzoover hij tot de ontdekking komt dat één dier omstandigheden ontbreekt, stelt hij zich iets voor dat het bestaan dier zaak uitsluit. Daar hij evenwel (vlg. voorgaande St.) die zaak of die omstandigheid uit Liefde begeert, zal hij derhalve (vlg. St. XIX v.d. D.) voorzoover hij zich voorstelt dat die laatste ontbreekt, zich bedroeven. H.t.b.w.

Opmerking: Deze Droefheid, voorzoover zij de afwezigheid van wat wij liefhebben betreft, wordt Verlangen genoemd.

Stelling XXXVII.

De Begeerte, welke uit Droefheid of Blijheid, Haat of Liefde ontspringt, is des te grooter, naarmate die aandoeningen heviger zijn.

Bewijs.

Droefheid vermindert (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) of belemmert 's menschen vermogen tot handelen, d.w.z. (vlg. St. VII v.d. D.) zijn streven om in zijn bestaan te volharden wordt er door verzwakt of belemmerd. Zij is derhalve (vlg. St. V v.d. D.) met dit streven in strijd en een bedroefd mensch doet wat hij maar kan om zijn droefheid van zich af te zetten. Maar hoe grooter die Droefheid is, met hoe grooter gedeelte van 's menschen vermogen tot handelen zij noodzakelijk (vlg. de Definitie van Droefheid) in strijd moet zijn. Derhalve: hoe grooter de Droefheid is, met hoe grooter kracht zal de mensch pogen haar van zich af te zetten, d.w.z. (vlg. Opmerking St. IX v.d. D.) met hoe heviger begeerte of drang zal hij trachten haar van zich af te zetten. Waar voorts Blijheid (vlg. zelfde Opmerking St. XI v.d. D.) 's menschen vermogen tot handelen vermeerdert of bevordert, kan gemakkelijk langs denzelfden weg bewezen worden, dat de mensch, die een aandoening van Blijheid ondervindt, niets liever wenscht dan deze te behouden, en dat wel met des te sterker Begeerte, naarmate die Blijheid grooter is. En waar tenslotte Haat en Liefde zelf aandoeningen van Droefheid en Blijheid zijn, volgt hieruit op dezelfde wijze dat het streven of de drang, ofwel de Begeerte, welke uit Haat of Liefde ontspringt, grooter zal zijn naar gelang van dien Haat of van die Liefde. H.t.b.w.

Stelling XXXVIII.

Wanneer iemand een geliefd wezen is gaan haten, zóó dat zijn Liefde geheel verdwenen is, zal hij het, bij overigens gelijke oorzaak, een grooter Haat toedragen, dan wanneer hij het nooit had liefgehad en een des te grooteren, naarmate zijn Liefde vroeger grooter was.

Bewijs.

Immers, wanneer iemand een wezen dat hij liefheeft, gaat haten, zullen er meer begeerten in hem onderdrukt worden dan wanneer hij het niet had lief gehad. Liefde toch is (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) een Blijheid, welke de mensch (vlg. St. XXVIII v.d. D.) zooveel mogelijk tracht te behouden en dat wel (vlg. dezelfde Opmerking) door het geliefde wezen als aanwezig te beschouwen en het (vlg. St. XXI v.d. D.) zooveel mogelijk Blijheid te bereiden; welk streven (vlg. voorgaande St.) des te heviger is, naarmate die Liefde grooter is; evenals het streven om te bewerken dat het geliefde wezen wederliefde bewijze (zie St. XXXIII v.d. D.). Dit streven nu wordt (vlg. Gevolg St. XIII en vlg. St. XXIII v.d. D.) door Haat jegens het geliefde wezen belemmerd; derhalve zal de minnaar (vlg. Opmerking St. XI v.d. D.) ook om deze reden bedroefd worden, en dat wel des te meer, naarmate zijn Liefde grooter was; d.w.z. behalve de Droefheid welke oorzaak was van den Haat, ontspringt er nog een nieuwe uit het feit, dat hij dit wezen heeft lief gehad en bijgevolg zal hij het geliefde wezen dan ook met nog grootere Droefheid beschouwen, d.w.z. (vlg. Opmerking St. XIII v.d. D.) hij zal het een grooter Haat toedragen dan wanneer hij het nooit had lief gehad en wel een des te grooteren, naarmate zijn Liefde grooter was. H.t.b.w.