Opmerking: Ik zeg "zooveel mogelijk". Want al zijn de menschen onwetend, zij zijn nochtans menschen, die in gevallen van nood menschelijke hulp, waar geen andere bovengaat, kunnen bieden. En zoodoende komt het dikwijls voor, dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te nemen, en bijgevolg dat wij hen daartegenover de dankbaarheid, welke bij hun gezindheid past, hebben te betoonen. Daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen van weldaden voorzichtig moet zijn, opdat men niet den schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten, of uit gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven en hen zoodoende beleedigt, terwijl men juist hun Haat wil voorkomen. Daarom moet men bij het afwijzen van weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is.
Stelling LXXI.
Alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn.
Bewijs.
Alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut; zijn door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden (vlg. St. XXXV en Gevolg I v.d. D.) en trachten, door gelijke Liefde gedreven, elkaar wel te doen (vlg. St. XXXVII v.d. D.). Derhalve kunnen (vlg. Definitie XXXIV der Aand.) ook alleen vrije menschen elkaar waarachtig dankbaar zijn. H.t.b.w.
Opmerking: De dankbaarheid welke lieden, die door blinde Begeerte geleid worden, voor elkaar gevoelen, is meestal eer een soort van handel of lokaas, dan eigenlijke dankbaarheid. Voorts is ondankbaarheid geen aandoening. Niettemin is ondankbaarheid iets schandelijks, wijl zij meestal een aanwijzing is dat iemand met een groote mate van Haat, Toorn, Trots of Gierigheid behept is. Want wie te dom is om te weten hoe hij geschenken moet beantwoorden, is niet ondankbaar. Nog minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er toe gebracht wordt om haar lusten te dienen, of door die van een dief om zijn diefstal geheim te houden en dergelijke. Immers hij, die zich door geenerlei geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het verderf te storten, toont daardoor juist een standvastige ziel te bezitten.
Stelling LXXII.
De vrije mensch handelt nooit te kwader, doch steeds te goeder trouw.
Bewijs.
Indien de vrije mensch, voorzoover hij vrij is, iets te kwader trouw deed, zou hij dit doen op voorschrift der Rede (immers alleen inzoover noemen wij hem vrij). Derhalve zou te kwader trouw handelen een deugd zijn (vlg. St. XXIV v.d. D.) en zou het bijgevolg (vlg. dezelfde St.) een ieder, teneinde zijn wezen te handhaven, zeer geraden zijn te kwader trouw te handelen, d.w.z. (gelijk vanzelf spreekt), het zou den menschen geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn, in daden echter tegenover elkaar te staan; hetgeen (vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D.) ongerijmd is. Derhalve handelt de vrije mensch enz. H.t.b.w.
Opmerking: Indien men mij nu vraagt of niet, wanneer iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend doodsgevaar kon redden, het beginsel van het streven naar zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te zijn, zoo antwoord ik op dezelfde wijze [als hierboven] dat indien de Rede dit eischte zij het dus van alle menschen zou eischen; dat dus de Rede van alle menschen zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen te werken en algemeen geldige rechten te erkennen, d.w.z. in werkelijkheid géén algemeen geldige rechten te erkennen; hetgeen ongerijmd is.
Stelling LXXIII.
De mensch, die door de Rede geleid wordt, is in den Staat, waar hij volgens algemeen besluit leeft, vrijer dan in de eenzaamheid, waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.
Bewijs.
De mensch die door de Rede geleid wordt, wordt niet door Vrees tot gehoorzaamheid gedwongen (vlg. St. LXIII v.d. D.); doch hij verlangt (vlg. St. XXXVII v.d. D.) rekening te houden met het algemeene leven en belang en bijgevolg (gelijk wij in Opmerking II St. XXXVII v.d. D. aantoonden) volgens besluit van den gemeenschappelijken Staat te leven, alleen voorzoover hij volgens voorschrift der Rede zijn wezen tracht te handhaven, d.w.z. (vlg. Opmerking St. LXVI v.d. D.) voorzoover hij vrij wenscht te leven. Derhalve begeert de mensch die door de Rede geleid wordt, juist om vrijer te leven, zich te houden aan het gemeenschappelijke recht van den Staat. H.t.b.w.
Opmerking: Deze en dergelijke dingen, welke wij over 's menschen waarachtige vrijheid hebben betoogd, hebben betrekking op de Kloekheid, d.w.z. (vlg. Opmerking St. LIX D. III) op Geestkracht en Edelmoedigheid. Ik acht het evenwel niet der moeite waard alle kenmerken der Kloekheid afzonderlijk te behandelen en nog minder er op te wijzen dat een kloek mensch niemand haat, niemand toornt, benijdt of geringschat, zich over niemand verontwaardigt en allerminst zichzelf verheft. Immers dit, en al wat het waarachtig leven en den godsdienst betreft, kan gemakkelijk uit de Stellingen XXXVII en XLVI van dit Deel worden afgeleid, waar immers betoogd werd dat Haat door Tegenliefde moet worden overwonnen en dat ieder, die door de Rede geleid wordt, een goed dat hij voor zichzelf begeert ook anderen toewenscht. Hierbij komt nog wat wij in de Opmerking bij Stelling L van dit Deel en op andere plaatsen hebben opgemerkt: dat namelijk een kloek mensch in de allereerste plaats bedenkt dat alles voortvloeit uit de noodwendigheid van den goddelijken aard en dat dus al wat hij voor hinderlijk en slecht houdt en wat hem goddeloos, afschuwelijk, onrechtvaardig en schandelijk dunkt, dit alles slechts is wijl hijzelf de dingen wanordelijk, gebrekkig en verward waarneemt. Om deze reden zal hij dan ook in de eerste plaats er naar streven de dingen waar te nemen zooals zij op zichzelf zijn en alle belemmeringen tot een waarachtige kennis, zooals Haat, Toorn, Nijd, Spot, Hoogmoed en al dergelijke aandoeningen, welke wij in het voorgaande hebben opgenoemd, uit den weg te ruimen. Hij zal er daarom zooveel mogelijk naar streven om, gelijk wij zeiden: wel te doen en blij te zijn. Tot hoever nu de gemeenschappelijke kracht bij dit streven reikt en wat zij vermag, zal ik in het volgend Deel aantoonen.
AANHANGSEL
Wat ik in dit Deel over de juiste levenswijze heb gezegd, is niet zóó gerangschikt dat men het met één blik kan overzien, doch werd door mij op verschillende plaatsen betoogd al naar gelang ik een en ander het gemakkelijkst uit iets anders kon afleiden. Ik stel mij daarom voor dit alles thans samen te vatten en het belangrijkste in korte Hoofdstukken te herhalen.
Hoofdstuk I.
Heel ons streven of al onze Begeerten volgen uit de noodwendigheid van onzen aard en wel zóó, dat zij òf uit dezen aard zelf als naaste oorzaak verklaard kunnen worden, òf voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en zonder behulp van andere enkeldingen niet adaequaat begrepen kan worden.
Hoofdstuk II.
De Begeerten, welke zoodanig uit onzen aard voortvloeien, dat zij alleen reeds uit dezen zelf verklaard kunnen worden, zijn die, welke betrekking hebben op den Geest voorzoover deze wordt opgevat als bestaande uit adaequate voorstellingen. De overige Begeerten daarentegen hebben slechts betrekking op den Geest voorzoover deze de dingen inadaequaat begrijpt, en hun kracht en groei worden niet bepaald door de menschelijke macht [alleen], maar [ook] door de macht van dingen buiten ons. Daarom worden de eersten terecht handelingen, de laatsten lijdingen genoemd; gene toch wijzen op onze eigen kracht, deze daarentegen op onze machteloosheid en gebrekkige kennis.
Hoofdstuk III.
Onze handelingen, d.w.z. die Begeerten, welke door 's menschen macht of Rede bepaald worden, zijn altijd goed; de overige Begeerten kunnen zoowel goed als kwaad zijn.
Hoofdstuk IV.
In het leven is het dus in de eerste plaats van belang het verstand of de Rede zooveel mogelijk te volmaken en in dit ééne bestaat 's menschen hoogste geluk of zaligheid. Immers zaligheid is niets anders dan die zielsrust zelve, welke uit de intuïtieve kennis van God voortspruit, terwijl het verstand volmaken niets anders zeggen wil dan God, Gods attributen en de handelingen welke met noodwendigheid uit zijn wezen volgen, begrijpen. Zoodat het einddoel van den mensch, die door de Rede geleid wordt, d.w.z. zijn hoogste Begeerte, naar welke hij alle overige tracht te richten, dìt is: zichzelf en alle dingen, welke onder zijn bevattingsvermogen kunnen vallen, adaequaat te begrijpen.
Hoofdstuk V.
Geen leven dus is redelijk zonder begrip, en de dingen zijn alleen goed voorzoover zij den mensch helpen een geestesleven te leiden, dat op begrijpen berust. Daarentegen noemen wij al datgene kwaad wat den mensch belet zijn Rede te volmaken en een redelijk leven te kunnen leiden.
Hoofdstuk VI.
Wijl evenwel alles, waarvan de mensch [op zichzelf] bewerkende oorzaak is, noodzakelijk goed is, kan den mensch alleen door uitwendige oorzaken iets kwaads overkomen, d.w.z. voorzoover hij een deel is der geheele Natuur, wier wetten de menschelijke aard gedwongen is te gehoorzamen en bij welke hij zich op bijkans oneindig vele wijze moet aanpassen.
Hoofdstuk VII.
Het is niet denkbaar dat de mensch géén deel der Natuur zou zijn en haar algemeene orde nìet zou volgen. Indien hij evenwel verkeert onder individuen, die met zijn eigen menschelijken aard overeenstemmen, zal zijn vermogen tot handelen daardoor vanzelf worden gesteund en versterkt. Bevindt hij zich daarentegen onder wezens, die met zijn eigen aard zeer weinig overeenstemmen, dan zal hij zich, niet zonder zelf groote veranderingen te ondergaan, bij hen kunnen aanpassen.
Hoofdstuk VIII.
Het staat ons vrij alles wat wij in de wereld der dingen voor slecht houden of waarvan wij meenen dat het ons zou kunnen belemmeren in ons bestaan en een redelijk leven te leiden, uit den weg te ruimen langs den weg die ons het veiligst lijkt; alles daarentegen wat wij goed of nuttig achten voor ons zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven, mogen wij voor onszelf en op alle mogelijke wijzen gebruiken, en onvoorwaardelijk mag ieder krachtens volste natuurlijk recht alles doen wat hij in zijn eigen belang acht.
Hoofdstuk IX.
Niets kan beter met den aard van eenig ding overeenkomen dan de overige enkeldingen derzelfde soort en derhalve bestaat er (vlg. Hoofdstuk VII) voor den mensch niets dienstigers voor zijn zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven, dan de mensch die door de Rede geleid wordt. Wijl wij voorts onder de bijzondere dingen niets voortreffelijkers kennen dan een mensch, die door de Rede geleid wordt kan niemand door ìets beter toonen waartoe zijn kunde en vernuft in staat zijn, dan door de menschen zóó op te voeden, dat zij tenslotte leven volgens gezag van hun eigen Rede.
Hoofdstuk X.
Voorzoover de menschen Afgunst of eenige andere aandoening van Haat jegens elkaar koesteren, zijn zij elkaars tegenstanders en als zoodanig des te meer te vreezen wijl hun macht grooter is dan die van andere enkeldingen in de Natuur.
Hoofdstuk XI.
Toch worden harten niet door wapenen, maar door Liefde en Edelmoedigheid verwonnen.
Hoofdstuk XII.
Het is voor de menschen van het hoogste belang met elkaar om te gaan, zich zoodanig bij elkaar aan te sluiten, dat zij meer en meer tezamen één eenheid vormen en in het algemeen alles te doen wat strekt tot versterking van vriendschap.
Hoofdstuk XIII.
Hiertoe zijn evenwel kunde en waakzaamheid noodig. De menschen immers zijn, hoewel zeer verschillend (zeldzaam toch zijn diegenen, die volgens de voorschriften der Rede leven), toch meestal naijverig en meer tot wraak dan tot barmhartigheid geneigd. Het vereischt daarom een bijzondere zielskracht om ieder te nemen zooals hij is en zichzelf ervan te onthouden anderer aandoeningen na te bootsen. Daarentegen zijn zij, die beter verstaan de menschen te hekelen, liever hun ondeugden te laken dan hen deugden te leeren, en de gemoederen te verslappen inplaats van ze te versterken, zichzelf en anderen tot last. Vandaar dat velen uit al te groote onverdraagzaamheid en uit valsche godsdienstijver liever verkozen te leven onder dieren dan onder menschen, evenals knapen of jongelingen, die de berispingen hunner ouders niet met gelijkmoedigheid verdragen kunnen, hun toevlucht zoeken in den krijgsdienst en de ongemakken van den oorlog en een tyranniek gezag verkiezen boven huiselijke gemakken en vaderlijke vermaningen en zich alle mogelijke lasten opleggen, alleen om zich op hun ouders te wreken.
Hoofdstuk XIV.
Ofschoon dus de menschen meestal alles naar hun eigen zin trachten in te richten, spruiten niettemin uit hun gemeenschappelijk verband veel meer voordeelen dan nadeelen voort. Daarom is het 't best hun ongerechtigheden met gelijkmoedigheid te verduren en zich met ijver toe te leggen op al wat eendracht en het sluiten van vriendschap bevordert.
Hoofdstuk XV.
Eendracht is een uitvloeisel van al wat recht, billijk en eerzaam is. Want behalve onrecht en onbillijkheid, kunnen de menschen ook niet goed velen wat voor schandelijk gehouden wordt, zooals bijvoorbeeld het minachten van de eenmaal aangenomen zeden van den staat. Om tot Liefde te stemmen evenwel wordt in de eerste plaats vereischt al wat tot godsdienst en vroomheid behoort. (Men zie hierover de Opmerkingen I en II bij Stelling XXXVII en de Opmerkingen bij de Stellingen XLVI en LXXIII van dit Deel).
Hoofdstuk XVI.
Bovendien pleegt eendracht ook dikwijls uit Vrees voort te komen; dan echter is zij onbetrouwbaar. Men bedenke daarbij dat Vrees uit Kleinmoedigheid ontspringt en daarom met het gebruik der Rede niets te maken heeft, evenmin als Medelijden, ofschoon dit den schijn heeft van Vroomheid.
Hoofdstuk XVII.
Bovendien kan men de menschen ook door Mildheid voor zich winnen, vooral hen, die niets bezitten waarmede zij zich datgene, wat voor hun levensonderhoud benoodigd is, zouden kunnen verschaffen. Het gaat evenwel de draagkracht en het belang van een partikulier verre te boven om iederen behoeftige te helpen, de rijkdom van een partikulier is daartoe op verre na niet toereikend. Ook is de geestesaanleg van één enkel mensch te beperkt, dan dat hij met iedereen vriendschap zou kunnen sluiten. Vandaar dat de armenzorg rust op de geheele maatschappij en uitsluitend een zaak is van algemeen belang.
Hoofdstuk XVIII.
Bij het aanvaarden van weldaden en het betoonen van onze dankbaarheid moet onze zorg een geheel andere zijn. (Men zie hieromtrent de Opmerkingen bij de Stellingen LXX en LXXI van dit Deel).
Hoofdstuk XIX.
De zinnelijke Liefde verder, d.w.z. de teeldrift, welke op lichamelijke schoonheid berust en in het algemeen elke Liefde, welke een andere oorzaak heeft dan vrijheid van ziel, slaat licht om in haat; tenzij ze, wat nog erger is, een soort van waanzin is, in welk geval zij eer tweedracht dan eendracht te weeg brengt[A76]. (Zie Gevolg St. XXXI D. III).
Hoofdstuk XX.
Wat het huwelijk betreft: dit is zonder twijfel in overeenstemming met de Rede, wanneer de Begeerte tot lichamelijke vermenging niet slechts door schoone vormen, maar ook door het liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op te voeden, wordt opgewekt, en wanneer bovendien beider Liefde, van man en vrouw, niet alleen lichamelijke schoonheid, maar bovenal vrijheid van ziel tot oorzaak heeft.
Hoofdstuk XXI.
Ook Vleierij schept eendracht; doch slechts door verfoeielijke dienstbaarheid of trouweloosheid. Niemand toch wordt eerder door vleierij ingenomen dan de hoogmoedige, die de eerste wil zijn, maar het nochtans niet is.
Hoofdstuk XXII.
In Zelfverachting steekt een soort van valsche vroomheid en godsdienstigheid. En niettegenstaande Zelfverachting het tegendeel is van Hoogmoed, is wie zichzelf veracht toch zeer nauw verwant aan den hoogmoedige. (Zie Opmerking St. LVII v.d. D.).
Hoofdstuk XXIII.
Schaamte bevordert eendracht slechts in zulke gevallen welke niet verborgen kunnen worden. Wijl voorts Schaamte een soort van Droefheid is, heeft zij met de Rede niets te maken.
Hoofdstuk XXIV.
De overige aandoeningen van Droefheid, welke wij jegens menschen gevoelen, zijn rechtstreeks in strijd met Rechtvaardigheid, Billijkheid, Eerzaamheid, Vroomheid en Godsdienstigheid, en ofschoon Verontwaardiging het masker van Billijkheid schijnt te dragen, zou men toch zonder wet leven waar het een ieder vrij stond over de daden van anderen te oordeelen en zijn eigen of eens anders recht te handhaven.
Hoofdstuk XXV.
Gematigdheid [Minzaamheid], d.w.z. die Begeerte om den menschen te behagen, welke op de Rede berust, behoort tot de Rechtschapenheid [Vroomheid] (gelijk wij in Opmerking I St. XXXVII v.d. D. hebben gezegd). Ontspringt zij echter uit een aandoening dan is zij Eerzucht, ofwel die Begeerte waardoor onder het mom van Vroomheid meestal tweedracht en opstand verwekt worden. Immers wie anderen met raad en daad wil helpen, opdat zij met hem het hoogste goed deelachtig worden, zal zich in de eerste plaats beijveren hun Liefde te winnen, niet echter hen in bewondering te brengen, opdat zijn leer naar hem genoemd worde, en evenmin zal hij ook maar de minste aanleiding tot afgunst geven. Voorts zal hij in het dagelijksch gesprek zich er voor hoeden op de fouten der menschen te wijzen en over de menschelijke machteloosheid zal hij niet dan spaarzaam spreken. Daarentegen zal hij breedvoerig uitweiden over de menschelijke deugd of macht en hoe deze tot volmaking gebracht kan worden, opdat de menschen er zoodoende naar gaan streven naar het voorschrift der Rede te leven, niet uit Vrees of Afkeer [voor straf of van het kwaad] maar alleen door Blijheid bewogen.
Hoofdstuk XXVI.
Buiten den mensch kennen wij geen enkel wezen in de Natuur, in welks Geest wij ons kunnen verheugen, waarmede wij banden van vriendschap kunnen sluiten of anderen omgang aanknoopen. Derhalve eischt ons belang ook niet om wàt ook in de wereld der dingen, behalve den mensch, te ontzien; integendeel leert dit belang ons om de dingen, al naar hun verschillend nut, te bewaren, te vernietigen, of op welke wijze dan ook voor ons gebruik geschikt te maken.
Hoofdstuk XXVII.
Het nut dat wij trekken van de dingen buiten ons, ligt--behalve dat wij door ze waar te nemen en van vorm te doen veranderen ervaring en kennis opdoen--voornamelijk in de instandhouding van ons Lichaam. Uit dit oogpunt zijn in de eerste plaats die dingen nuttig, welke het Lichaam zoodanig voeden en onderhouden kunnen dat al zijn deelen hun taak naar behooren kunnen vervullen. Immers hoe geschikter het Lichaam is om velerlei indrukken te ontvangen en op velerlei wijzen op uitwendige voorwerpen in te werpen, hoe geschikter ook de Geest is tot denken (zie St. XXXVIII en XXXIX v.d. D.). Van dergelijke zaken schijnen echter slechts zeer weinige in de Natuur voor te komen, zoodat het, om ons Lichaam naar behooren te voeden noodig is tal van voedingsmiddelen van verschillenden aard te gebruiken. Immers het menschelijk Lichaam is samengesteld uit zeer veel deelen van verschillenden aard, welke voortdurend voedsel behoeven, en dat wel verschillend, opdat het geheele Lichaam even geschikt blijve tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien en bijgevolg ook de Geest even vatbaar om veel in zich op te nemen.
Hoofdstuk XXVIII.
Om zich dit alles te verschaffen zouden de krachten van elk op zichzelf bezwaarlijk toereikend zijn, indien de menschen zich niet tot gezamenlijken arbeid verbonden. Nu is het geld het ruilmiddel[A77] voor alle dingen geworden, hetgeen tengevolge had dat de voorstelling ervan den Geest der menigte in hooge mate pleegt bezig te houden; immers men kan zich nauwelijks een of andere soort van genot voorstellen, zonder daarbij te denken aan het geld als zijn oorzaak.
Hoofdstuk XXIX.
Dit is evenwel slechts een ondeugd bij diegenen, die niet uit behoefte of voor hun noodzakelijk levensonderhoud geld trachten te verdienen, doch die zich op de kunst van winstmaken toeleggen en zich daarop nog hoogelijk laten voorstaan. Weliswaar zorgen zij uit gewoonte voor hun Lichaam, doch kariglijk, omdat zij evenveel van hun bezit wanen te verliezen als zij aan de instandhouding des Lichaams besteden. Wie daarentegen het juiste gebruik van het geld kennen en de mate van hun bezit alleen regelen naar hun behoefte, leven tevreden met weinig.
Hoofdstuk XXX.
Daar nu alle zaken goed zijn welke de deelen van het Lichaam helpen bij het vervullen van hun taak en de Blijheid hierin bestaat dat 's menschen macht, zoowel naar den Geest als naar het Lichaam, wordt bevorderd of vermeerderd, is dus alles wat Blijheid schenkt goed. Aangezien echter aan den anderen kant de dingen niet op ons inwerken met de bedoeling om ons blijde te maken en hun werking zich niet richt naar ons belang, en aangezien tenslotte Blijheid meestal slechts op één deel van het Lichaam in het bijzonder betrekking heeft, kunnen aandoeningen van Blijheid (als Rede en Waakzaamheid althans niet bij de hand zijn) en bijgevolg ook de Begeerten, welke uit hen voortspruiten, bovenmatig worden. Waarbij nog komt dat wij onder invloed eener aandoening datgene voor het belangrijkst houden, wat voor het oogenblik aangenaam is, en toekomstige zaken niet met dezelfde aandoening kunnen waardeeren. (Zie de Opmerkingen bij St. XLIV en LX v.d. D.)
Hoofdstuk XXXI.
Het bijgeloof schijnt daarentegen te leeren dat goed is wat droevig en slecht wat blijde maakt. Doch, zooals wij reeds zeiden (zie Opmerking St. XLV v.d. D.): niemand, tenzij een afgunstig wezen, zal zich in mijn machteloosheid en ongemak verheugen. Want hoe grooter Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaking gaan wij over en bijgevolg hoe meer wij aan den goddelijken aard deelnemen, en nooit kan Blijheid slecht zijn wanneer zij rekening houdt met ons waarachtig belang. Wie daarentegen door Vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden, wordt geenszins door de Rede geleid.
Hoofdstuk XXXII.
Doch de menschelijke macht is uitermate beperkt en wordt door de macht der uitwendige dingen oneindig overtroffen. Derhalve bezitten wij ook niet een volstrekte macht om de dingen buiten ons voor ons gebruik geschikt te maken. Niettemin zullen wij alles wat ons, in strijd met wat ons belang eischt, te beurt valt, met gelijkmoedigheid dragen indien wij ons slechts ervan bewust zijn dat wij onzen plicht gedaan hebben; dat de macht welke wij bezitten zich niet zoover uitstrekte dat wij dien tegenslag hadden kunnen vermijden, en dat wij een deel zijn der geheele Natuur, wier orde wij moeten volgen. Indien wij dit helder en duidelijk inzien, zal dit deel van onszelf dat ons Verstand genoemd wordt, d.w.z. ons beste deel, volkomen hierin berusten en in deze berusting trachten te verblijven. Want voorzoover wij begrijpen, kunnen wij niets begeeren dan wat noodwendig is en in volstrekt niets anders berusten dan in wat waar is. Derhalve is, voorzoover wij dit goed begrijpen, ons beste deel in overeenstemming met de orde der geheele Natuur.
Einde van het Vierde Deel.
V. OVER DE MACHT VAN HET VERSTAND OF DE MENSCHELIJKE VRIJHEID
VOORREDE
Ik ga dan eindelijk over tot een ander gedeelte der zedeleer, en wel dat handelt over de wijze of den weg welke tot vrijheid leidt. In dit Deel zal ik dus spreken over de macht der Rede, aantoonen wat de Rede tegenover de aandoeningen vermag en verder waarin de Vrijheid of Gelukzaligheid des Geestes bestaat; waaruit wij dan zullen zien hoeveel machtiger de wijze is dan de onwetende. Op welke wijze echter of langs welken weg het verstand behoort te worden volmaakt en ook welke zorg aan het Lichaam moet worden besteed opdat het zijn taak naar behooren kan vervullen, is hier niet op zijn plaats, het laatste immers behoort tot de geneeskunde, het eerste tot de logica. Hier zal ik dus, zooals ik gezegd heb, alleen over de macht van den Geest of van de Rede handelen en vóór alles doen zien hoe groote en hoedanige heerschappij deze heeft over de aandoeningen wat betreft hun bedwinging of matiging. Want dat wij geen volstrekte heerschappij over hen hebben, werd reeds hierboven door ons aangetoond. Weliswaar hebben de Stoïcijnen gemeend dat zij geheel en al van onzen eigen wil afhingen en dat wij er volstrekte heerschappij over konden voeren. Maar toch zijn zij, wel niet op grond hunner beginselen, maar door een onafwijsbare ervaring, gedwongen geworden toe te geven, dat er geen geringe oefening en inspanning voor vereischt wordt om ze te bedwingen of te matigen. Hetgeen men, als ik mij wel herinner, heeft trachten te verduidelijken door een proef met twee honden, een huishond en een jachthond, welke men zóó wist af te richten, dat tenslotte de huishond kon jagen, terwijl de jachthond had afgeleerd hazen te vervolgen. Ook Cartesius [Descartes] huldigt deze opvatting in niet geringe mate. Hij toch beweerde dat de Ziel of de Geest voornamelijk zetelt in een zeker gedeelte der hersenen, de zoogenaamde glandula pinealis [pijnappelklier], door welker toedoen de Geest alle bewegingen welke in het Lichaam worden opgewekt, alsmede de uitwendige voorwerpen, waarneemt; terwijl de Geest haar alleen reeds door te willen, op verschillende wijzen in beweging kan brengen. Hij beweert dat deze klier zoodanig midden in de hersenen is opgehangen dat zij door de minste beweging der dierlijke geesten[A78] zelf in beweging komt. Verder zegt hij dat deze klier op even zooveel verschillende wijzen in de hersenen slingert als de dierlijke geesten tegen haar aan kunnen botsen en dat zij bovendien evenveel verschillende indrukken ontvangt als er uitwendige voorwerpen zijn welke die dierlijke geesten tegen haar aan drijven. Vandaar dat, wanneer later de klier door den wil der ziel die haar her en der beweegt, op de een of andere wijze in slingering wordt gebracht op dezelfde wijze als eens vroeger door de geesten, toen deze op een of andere wijze werden voortgedreven, de klier dan zelf de levensgeesten weer op dezelfde wijze zal voortdrijven en richten als zij vroeger bij diezelfde slingering der klier werden afgestooten. Voorts beweert hij nog dat elke willing van den Geest van nature gebonden is aan een bepaalde beweging der klier. Wanneer bijvoorbeeld iemand een verwijderd voorwerp bekijken wil, brengt deze willing teweeg dat zijn pupil zich verwijdt. Wanneer hij echter alleen maar zou denken aan het verwijden van zijn pupil zou het hem niets baten den wil daartoe te hebben, aangezien de Natuur de beweging der klier, welke dient om de geesten naar de gezichtszenuw te drijven op een wijze, welke het verwijden of vernauwen der pupil bewerkt, niet heeft verbonden met den wil om deze te verwijden of te vernauwen, maar uitsluitend met den wil om naar een verwijderd of dichtbij zijnd voorwerp te kijken. Tenslotte zegt hij dat, ofschoon elke beweging dier klier door de Natuur van het begin van ons leven af verbonden schijnt te zijn met één bepaalde gedachte, wij toch ook nog door het gebruik andere gedachten er aan kunnen vastknoopen, hetgeen hij tracht te bewijzen in Art. L Deel I De Pass. Animae [Over de Gemoedsaandoeningen]. Hieruit maakt hij dan de gevolgtrekking dat er géén ziel zoo zwak is of zij kan, mits goed geleid, een volstrekte macht over de hartstochten verkrijgen. Deze toch zijn volgens zijn definitie: gewaarwordingen, gevoelens of aandoeningen der ziel, welke bijzonderlijk tot haarzelf behooren en welke (let wel!) ontstaan, in stand blijven en versterkt worden door een of andere beweging der geesten (zie art. XXVII D. I Pass. An.) Aangezien wij nu aan ieder willing een of andere beweging der klier en bijgevolg van de geesten kunnen verbinden en de bepaling van onzen wil alleen van onze eigen macht afhangt, zouden wij dus een volstrekte heerschappij over onze hartstochten kunnen verkrijgen, indien wij slechts onzen wil lieten bepalen door die bepaalde en vaste beginselen naar welke wij onze levensdaden wenschten te richten en daardoor bewegingen van aandoeningen, welke wij hebben wilden, met deze beginselen verbonden.
Dit is de meening van dezen zeer beroemden man (voorzoover ik die uit zijn eigen woorden kan opmaken), en ik zou nauwelijks kunnen gelooven dat een dergelijk man haar heeft uitgesproken, ware zij minder scherpzinnig geweest. Waarlijk, niet genoeg kan ik mij er over verbazen dat een wijsgeer, die zich zoo vastelijk had voorgenomen alleen uit vanzelf sprekende beginselen iets af te leiden en alleen te bevestigen wat hij helder en duidelijk had begrepen; die nog wel den scholastieken zoo herhaaldelijk verweet dat zij duistere zaken uit geheimzinnige eigenschappen wilden verklaren, zelf een onderstelling aanneemt, duisterder dan de meest geheimzinnige eigenschap. Wat, zoo vraag ik, verstaat hij onder de eenheid van Geest en Lichaam? Welke heldere en duidelijke voorstelling heeft hij, zoo vraag ik, van een gedachte, welke ten nauwste verbonden zou zijn met een klein deeltje van een of andere kwantitatieve massa [stof]. Wel gaarne zou ik willen dat hij ons die eenheid eens uit haar naaste oorzaak verklaarde. Maar integendeel zijn de voorstellingen, welke hij zich vormde van Geest en Lichaam zoozeer van elkaar verschillend, dat hij noch van die eenheid, noch van den Geest zelf ook maar één enkele oorzaak heeft kunnen aanwijzen, maar het noodig vond zijn toevlucht te nemen tot de oorzaak van het gansche heelal, d.w.z. tot God. Voorts zou ik gaarne willen weten hoeveel graden van beweging de Geest aan die pijnappelklier kan meedeelen en met hoe groote kracht hij haar slingerende houdt. Want ik weet niet of die klier langzamer of sneller door den Geest wordt rondgedreven dan door de levensgeesten, en of de bewegingen der aandoeningen welke wij zoodoende vast aan bepaalde beginselen verbonden, niet [misschien] door lichamelijke oorzaken weer van hen kunnen losraken; waaruit dan bijvoorbeeld zou volgen dat, ofschoon de Geest zich vastelijk had voorgenomen een zeker gevaar tegemoet te gaan en met dit besluit de bewegingen der stoutmoedigheid had verbonden, de klier, op het gezicht van het gevaar niettemin aldus kon gaan slingeren, dat de Geest aan niets anders dan aan de vlucht kon denken. Werkelijk, er bestaat geen [oorzakelijk] verband tusschen wil en beweging, daarom is er ook geen vergelijking mogelijk tusschen de macht of de kracht van Geest en Lichaam, en bijgevolg kan de kracht van het laatste ook niet door de kracht van den eerste in bepaalde richting geleid worden. Daarbij komt dat men deze klier geenszins zóó midden in de hersenen gelegen vindt, dat zij zoo gemakkelijk op zoovele wijzen rondgedreven zou kunnen worden en dat ook niet alle zenuwen zich tot in de hersenholte uitstrekken.
Eindelijk ga ik alles wat hij over den wil en diens vrijheid beweert voorbij, aangezien ik al herhaaldelijk genoeg heb aangetoond dat dit alles onjuist is.
Wijl dus de macht des Geestes, gelijk ik hierboven heb aangetoond, alleen door het verstand bepaald wordt, zullen wij ook de geneesmiddelen tegen onze aandoeningen--van welke ik geloof dat alle menschen ze weliswaar bij ervaring kennen, doch alleen maar niet scherp waarnemen en duidelijk onderscheiden--uitsluitend uit de kennis van den Geest moeten afleiden, en uit deze kennis ook tevens al wat strekt tot zijn gelukzaligheid.
GRONDWAARHEDEN (Axioma's)
I. Wanneer in éénzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen worden opgewekt, moet noodzakelijk òf in beide, òf in een daarvan een verandering plaats grijpen, totdat zij ophouden tegenstrijdig te zijn.
II. De kracht eener uitwerking wordt bepaald door de kracht harer oorzaak, voorzoover haar wezen door het wezen dier oorzaak verklaard of bepaald wordt. (Dit Axioma blijkt uit Stelling VII Deel III).
STELLINGEN
Stelling I.
Op dezelfde wijze als in den Geest de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn, volgen op elkaar en schakelen zich aaneen de gewaarwordingen des Lichaams, of de beelden [indrukken] der dingen op het Lichaam.
Bewijs.
De orde en het verband der voorstellingen zijn (vlg. St. VII D. II) dezelfde als orde en verband der dingen en omgekeerd zijn de orde en het verband der dingen (vlg. Gevolg St. VI en St. VII D. II) dezelfde als orde en verband der voorstellingen. Derhalve: evenals orde en verband der voorstellingen in den Geest (vlg. St. XVIII D. II) de orde en het verband der dingen volgen, evenzoo is er ook omgekeerd (vlg. St. II D. III) een orde en verband van lichaamsindrukken, geheel beantwoordende aan de wijze waarop de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn in den Geest. H.t.b.w.
Stelling II.
Indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten verbinden, gaan Liefde of Haat jegens die uitwendige oorzaak, evenals alle zielsberoeringen, welke uit deze aandoeningen ontsprongen, te niet.
Bewijs.
Datgene immers wat het wezen van Liefde of Haat uitmaakte, is Blijheid of Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, (vlg. Definities VI en VII der Aand.). Wanneer dus deze is opgeheven, is tevens het wezen van de Liefde of van den Haat opgeheven. Derhalve gaan deze aandoeningen en die welke er uit voortvloeien, te niet. H.t.b.w.
Stelling III.
Een aandoening, welke lijding is, houdt op een lijding te zijn, zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van vormen.
Bewijs.
Een aandoening welke lijding is, is een verwarde voorstelling (vlg. Alg. Definitie der Aand.). Indien wij dus van dezelfde aandoening een heldere en duidelijke voorstelling vormen, zal deze voorstelling zich niet anders dan in redelijk opzicht[A79] van die aandoening zelf, voorzoover zij alleen betrekking heeft op den Geest, onderscheiden (vlg. St. XXI en Opmerking D. II). Derhalve zal (vlg. St. III D. III) deze aandoening ophouden een lijding te zijn. H.t.b.w.
Gevolg: Wij hebben een aandoening dus des te meer in onze macht, en de Geest heeft des te minder door haar te lijden, naar mate wij haar beter kennen.
Stelling IV.
Het Lichaam ontvangt geen indruk van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken.
Bewijs.
Wat aan allen gemeen is, kan niet anders dan adaequaat worden begrepen (vlg. St. XXXVIII D. II). Derhalve (vlg. St. XII en Hulpstelling II, te vinden achter Opmerking St. XIII D. II) ontvangt het Lichaam geen indruk van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken. H.t.b.w.
Gevolg: Hieruit volgt dat er ook geen aandoening bestaat, van welke wij ons niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen vormen. Immers een aandoening is de voorstelling van een lichaamsindruk (vlg. Alg. Definitie der Aand.), welke voorstelling dus (vlg. voorgaande St.) een of ander helder en duidelijk begrip moet insluiten.
Opmerking: Aangezien er (vlg. St. XXXVI D. I) niets bestaat waaruit niet een of andere uitwerking voortvloeit en wij al wat volgt uit een voorstelling, welke voor ons adaequaat is, helder en duidelijk begrijpen (vlg. St. XL D. II), volgt hieruit, dat ieder de macht heeft zichzelf en zijn aandoeningen, zoo niet geheel en al, dan toch ten deele, helder en duidelijk te begrijpen, en bijgevolg er voor te zorgen dat hij er minder van te lijden heeft. Wij behooren ons dus vooral dáárop toe te leggen, om elke aandoening zooveel mogelijk helder en duidelijk te leeren kennen, ten einde zoodoende den Geest, van die aandoening zelf uitgaande, te doen denken aan dingen, welke hij helder en duidelijk begrijpt en waarin hij volkomen berust; daardoor de aandoening te scheiden van haar uitwendige oorzaak en met ware gedachten te verbinden. Het gevolg zal dan zijn dat niet alleen Liefde en Haat te niet gaan (vlg. St. II v.d. D.) maar ook dat de Drang of de Begeerten, welke uit zulk een aandoening plachten voort te komen, niet bovenmatig kunnen worden. (Vlg. St. LXI D. IV). Men vergete namelijk vooral niet dat het éénzelfde Drang is waardoor de mensch nu eens handelt, dan weer lijdt. Zoo hebben wij bijvoorbeeld doen zien dat het met den menschelijken aard aldus gesteld is, dat ieder verlangt dat de overige menschen naar zìjn zin zullen leven (zie Opmerking St. XXXI D. III). Deze Drang nu is bij den mensch, die niet door de Rede geleid wordt, een lijding, welke Eerzucht genoemd wordt en welke niet veel van Hoogmoed verschilt. Daarentegen is hij bij den mensch, die naar de voorschriften der Rede leeft, een handeling of deugd, welke Rechtschapenheid [Vroomheid] heet (zie Opmerking I St. XXXVII D. IV en het tweede bewijs dierzelfde St.). Evenzoo zijn alle andere verlangens of Begeerten slechts in zooverre lijdingen als zij door inadaequate voorstellingen worden opgewekt of daaruit voortkomen. Alle Begeerten toch, waardoor wij tot een of andere handeling gedreven worden, kunnen zoowel uit adaequate als uit inadaequate voorstellingen ontspringen. (Zie St. LIX D. IV).
Er is dus (om tot mijn uitgangspunt terug te keeren) geen voortreffelijker heelmiddel, en dat tevens in onze macht staat, tegen de aandoeningen te bedenken dan hun juiste kennis; aangezien de Geest geen enkel ander vermogen bezit dan om te denken en adaequate voorstellingen te vormen, gelijk wij hierboven hebben aangetoond (vlg. St. III D. III).
Stelling V.
Een aandoening, opgewekt door iets dat wij ons zonder meer[A80], en noch als noodwendig, noch als mogelijk, noch als toevallig voorstellen, is onder overigens gelijke omstandigheden, sterker dan alle andere.
Bewijs.
De aandoening, opgewekt door iets dat wij voor vrij houden is sterker dan die, teweeg gebracht door iets noodwendigs (vlg. St. LIX D. III) en bijgevolg veel sterker dan die, veroorzaakt door iets dat wij als mogelijk of als toevallig beschouwen (vlg. St. XI D. IV). Maar zich iets als vrij voorstellen kan niets anders beteekenen dan dat wij het ons "zonder meer" voorstellen, zonder al de oorzaken, waardoor het tot zijn werking gedreven wordt, te kennen (vlg. hetgeen wij in Opmerking St. XXXV D. II hebben aangetoond). Derhalve zal de aandoening, opgewekt door iets dat wij ons zonder meer voorstellen, onder overigens gelijke omstandigheden, sterker zijn dan die, teweeggebracht door iets noodwendigs, mogelijks of toevalligs, en bijgevolg sterker dan alle andere. H.t.b.w.
Stelling VI.
Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft hij meer macht over zijn aandoeningen, ofwel heeft hij minder van hen te lijden.