WeRead Powered by ReaderPub
Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel cover

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel

Chapter 37: C.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een systematische uiteenzetting van gereformeerde geloofsleer over de kerk, de middelen der genade en de laatste dingen. Het behandelt het wezen, de regering en de macht van de kerk; de plaats van het Woord en de sacramenten als verbindende tekenen en middelen van genade, met uitwerking op de doop en het avondmaal; en de leer van de tussentoestand, de wederkomst van Christus en de voleinding der eeuwen. De tekst verbindt bijbelse exegese met theologische systematiek en historische vergelijking binnen een gereformeerd kader.

Register van Namen.


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


A.

  • Abaelard, Over de Schrift I, 311.
    Over de voldoening III, 317.
  • Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311.
  • Alcuinus, I, 79.
  • Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v.
  • Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223.
  • Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352.
  • Ambrosius, I, 71;
    over de erfzonde III, 119.
  • Amesius, Over de Theologie III, 455.
  • Amyraldus, I, 122; II, 341; III, 454.
  • Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82;
    zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411.
  • Apollinaris, Zijn christologie I, 63;
    III, 277.
  • Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484;
    over de Heilige Schrift I, 307;
    over de Triniteit II, 250v., 405v.
  • Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52;
    over de Heilige Schrift I, 307;
    over de Triniteit II, 249;
    over den tusschentoestand IV, 375.
  • Appelius, I, 126.
  • Aristoteles, Over de ἀρχαι I, 140; II, 29;
    over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
  • Arius, Over de Triniteit II, 260v.;
    over de menschheid van Christus III, 277.
  • Arminius, Over de Praedestinatie II, 340;
    over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220.
  • Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v., II, 256;
    Over den Heiligen Geest II, 289v.
  • Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.;
    beteekenis voor de Theol. I, 72v., over de menschelijke kennis I, 165v., 168;
    over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231;
    over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238;
    over de wonderen I, 291v.;
    over Kerk en Schrift I, 367, 368;
    over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381;
    over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470;
    over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6;
    over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.;
    over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175;
    over de deugden Gods II, 89, 92, 140;
    over de onveranderlijkheid Gods II, 120;
    over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136;
    over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid II, 162;
    over de ideeën in God II, 170, 407;
    over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II, 193v., 421v.;
    over de almacht Gods II, 225;
    over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539;
    over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358;
    over het getal der engelen II, 433; III, 407;
    over de kennis der engelen II, 439;
    over het paradijs II, 505;
    over den staat van Adam II, 549v.;
    over de permissio III, 56v.;
    over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80;
    over de erfzonde III, 119v.;
    over het werk van Christus III, 316;
    over de particuliere voldoening III, 391;
    over de genade III, 436v., 443;
    over de volharding III, 565, 566;
    over de kerk I, 75; IV, 9v., 32, 262;
    over de Sacramenten IV, 218;
    over den Doop IV, 252;
    over den Kinderdoop IV, 262, 279v.;
    over het Avondmaal IV, 313v.
  • Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods II, 133;
    over de ligging van het paradijs II, 505.
  • Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84.

B.

  • Baader, Franz von I, 95.
  • Bajus, I, 92.
  • Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86;
    over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92.
  • Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185.
  • Baumgarten, S. J. I, 101.
  • Baxter, Richard I, 118; III, 395.
  • Beck, Zijne Theologie I, 15, 108.
  • Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425.
  • Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v., tegen de justitia imputata III, 538v.;
    over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.;
    over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v.
  • Berti, Over de gratia III, 441.
  • Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432.
  • Böhl, Over het beeld Gods II, 510.
  • Böhme, Over de Drieëenheid II, 266;
    over het werk van Christus III, 321.
  • Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof I, 34;
    over de H. Schrift I, 310v.;
    over de kennis van God en van de prima principia II, 34v.
  • Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313.
  • Bonnet, Over de wonderen I, 292.
  • Boston, Thomas I, 128; III, 395.
  • Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321.
  • Bradwardina, I, 87.
  • Brahé, J. I, 126; III, 453.
  • Bretschneider, I, 102.
  • Briggs, Charles I, 139.
  • Bruining, Dr. A. I, 185.
  • Bull, George III, 454.
  • Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115.
  • Büsching, A. F. I, 15.
  • Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331.
  • Byzantijnsche Theologen I, 67v.

C.

  • Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.;
    zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn syncretisme I, 100.
  • Calovius, Over het object der Theol. I, 7.
  • Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.;
    zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.;
    over de inspiratie I, 315v.;
    over het testimonium spir. sancti I, 490v.;
    over de nat. Godskennis II, 37;
    over de potentia absoluta Dei II, 226;
    over de praedestinatie II, 330v.;
    in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme II, 336v.;
    over het beeld Gods II, 531;
    over de erfzonde III, 125;
    over de heilsorde III, 448;
    over de kerk IV, 17v.;
    als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.;
    zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48;
    over de kerkel. tucht IV, 155;
    over Kerk en Staat IV, 190v.;
    over de Sacramenten IV, 222, 228v.;
    over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.;
    over den tusschentoestand IV, 380.
  • Camero, I, 122; III, 454.
  • Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330.
  • Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487.
  • Cappellus, I, 122, over den tusschentoestand IV, 380.
  • Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30;
    over de creatio secunda II, 474;
    over het primaat v. d. wil in God II, 124;
    zijn Dualisme IV, 356.
  • Cassianus, Zie Semipelagianisme.
  • Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v.
  • Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III, 241, 283.
  • Chemnitz, I, 99.
  • Chrismann, Over de inspiratie I, 313.
  • Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30;
    over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352.
  • Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60.
  • Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121; III, 200v.;
    over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134;
    over het beeld Gods II, 531.
  • Comrie, I, 126;
    over rechtvaardigmaking en geloof III, 453;
    over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362; III, 260.
  • Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134.
  • Cremer, B. S. III, 453.
  • Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9.
  • Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88.
  • Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283.

D.

  • Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66.
  • Darby, J. Over de kerk IV, 22.
  • Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II, 425.
  • Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202;
    zijn evolutietheorie II, 492v.
  • Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391.
  • Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506.
  • Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66;
    over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7;
    over den oorsprong der wereld II, 389;
    over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v.
  • Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321.
  • Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11;
    zijn scheiding van gelooven en weten I, 451;
    zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89;
    over den Doop IV, 276.
  • Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.;
    zijn christologie III, 252, 282.
  • Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84.

E.

  • Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434.
  • Edwards, Jon. Sr. I. 137;
    over de erfzonde III, 127, 139;
    over de onmacht des menschen ten goede III, 150.
  • Edwards, Jon. Jr. I, 137.
  • Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322.
  • Erasmus, Over de inspiratie I, 313.
  • Erastus, IV, 155.
  • Erigena, Joh. Scotus I, 79v.;
    over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400;
    over den oorsprong der wereld II, 389.
  • Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326.
  • Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.; III, 395.
  • Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330.
  • Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279.
  • Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus III, 283.

F.

  • Farrar, F. W. I, 134.
  • Feuerbach, I, 106;
    over de Godsidee II, 14.
  • Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82;
    over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82;
    over de religio I, 191;
    over den persoon v. Christus III, 248.
  • Flacius, Over de erfzonde III, 125.
  • Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit I, 434v., 439v.
  • Frohschammer, I, 95.

G.

  • Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis IV, 235.
  • Gotti, Over het wezen Gods II, 81.
  • Gregorius, Magnus I, 77.
  • Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86;
    over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92;
    zijn Realisme in de Trin. leer II, 271.
  • Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358;
    over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122.
  • Günther, I, 95;
    over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306.

H.

  • Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.;
    over het donum superadditum II, 518v.
  • Hamelius, Over de inspiratie I, 312.
  • Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.
  • Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T. kanon I, 337;
    over de theologische dogmata I, 511, 513v.;
    over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.
  • Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.;
    over de heilsorde III, 459v.
  • Hase, I, 104.
  • Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.
  • Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432, 436v.;
    over de religie I, 187v.;
    over de openbaring I, 266;
    zijn verdienste en fout I, 436v.;
    over de kenbaarheid Gods II, 14, 19;
    over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52;
    zijn Godsbegrip II, 83, 267;
    over de geestel. natuur Gods II, 148;
    over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47;
    zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300;
    over het Jodendom III, 202;
    over den persoon van Christus III, 249;
    symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
    over de heilsorde III, 460, 468;
    over de Kerk IV, 20.
  • Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.
  • Herbert van Cherbury, I, 125.
  • Hermes, I, 94.
  • Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus I, 453v.
  • Hieronymus, I, 72;
    zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11.
  • Hilarius Pictaviensis I, 71.
  • Hodge, Ch. I, 138.
  • Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.
  • Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.
  • Holden, Over de inspiratie I, 313.
  • Holtius, I, 126; III, 453.
  • Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.
  • Hopkins, Sam. I, 137.
  • Huss, Joh. I, 87.

I.

  • Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85.
  • Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.;
    over de Trin. II, 253v.;
    over de twee naturen in Christus III, 240;
    over het werk van Chr. III, 316;
    over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88;
    over den tusschentoestand IV, 376.
  • Isidorus, Hispalensis I, 33, 78.

J.

  • Jacobi, I, 104, 196;
    over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60.
  • Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322.
  • Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265.
  • Justinus, Martyr I, 56;
    over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.;
    over de schepping uit niets II, 388;
    over het werk van Christus III, 315;
    over den tusschentoestand IV, 376.

K.

  • Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw I, 103v., 450v., 481;
    over de religie I, 12, 190v.;
    zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.;
    over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.;
    over de kenbaarheid Gods II, 12, 17;
    over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.;
    over de Triniteit II, 267;
    over de intelligibele daad III, 70;
    over het radikale Böse III, 70, 153;
    over het Jodendom III, 202;
    over den persoon van Christus III, 247v., 327;
    over de heilsorde III, 459;
    over de kerk IV, 20;
    over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
  • Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350.
  • Karolingische theologen I, 79.
  • Keckermann, I, 41.
  • Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497.
  • Kleutgen, I, 97.
  • König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255;
    over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de openbaring I, 256.
  • Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269.

L.

  • Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21.
  • Leibniz, Over de wonderen I, 292;
    over de aangeboren begrippen II, 30v.;
    over deze wereld als de beste II, 213.
  • Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171.
  • Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382.
  • Lessius, Over de inspiratie I, 312.
  • Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42.
  • Liguori, Alphonsus von I, 94.
  • Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109;
    zijn theologisch standpunt I, 455v.;
    over de engelen II, 426.
  • Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82.
  • Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488.
  • Luther, M. Zijn beteekenis voor de Theol. I, 98;
    over de rede in religieuse dingen I, 222;
    over de inspiratie I, 315;
    over de praedestinatie II, 327;
    over de verhouding van O. T. en N. T. III, 199;
    over de twee naturen in Christus III, 244;
    over boete en geloof III, 444v.;
    over de Kerk IV, 14v.;
    over de regeering der kerk IV, 108v.;
    over de ambten in de kerk IV, 119, 128v.;
    over de kenteekenen der kerk IV, 44;
    over de private biecht IV, 153v.;
    over natuur en genade I, 222v.; IV, 155v., 187;
    over de Sacramenten IV, 221;
    over den H. Doop IV, 264v.;
    over het H. Avondmaal IV, 318.

M.

  • Mansel, Henr. Longueville, Over de kenbaarheid Gods II, 15v.
  • Marcion, Over het O. T. I, 317; II, 200; III, 196, 339.
  • Mariana, Over de inspiratie I, 313.
  • Marshall, Zijn bestrijding van de alg. voldoening III, 396.
  • Maurice, Over het werk van Christus III, 331.
  • Melanchton, Zijn Loci Communes I, 2, 37, 98;
    zijn afwijking van Luther I, 98; II, 327; III, 446;
    over de kenteekenen der kerk IV, 44.
  • Menken, G. Over de heiligheid Gods II, 185.
  • Milligan, W. III, 419.
  • Milton, Zijn Arianisme II, 263.
  • Molina, Over de praedestinatie II, 326.
  • Mosheim, J. L. von I, 101.
  • Müller, Max, Over den oorsprong der religie I, 203.
  • Musculus, Over het Avondmaal voor kinderen IV, 350.

N.

  • Nestorius, Over de twee naturen van Christus I, 63; III, 281v.;
    over de aanbidding van Christus III, 298.
  • Nicea, Conc. van II, 256.

O.

  • Occam, Zijn Nominalisme I, 84; II, 212.
  • Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v.
  • Opzoomer, I, 130.
  • Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32;
    zijn theologie I, 60v.;
    over praescientia en praedestinatie II, 162;
    over de Trin. II, 255;
    over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409;
    over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen II, 442, 549; III, 70; IV, 500;
    over de beschermengelen II, 447;
    over de wederherstelling aller dingen III, 390; IV, 500;
    over het louteringsvuur IV, 377, 500.
  • Os, van den, Over het geloof III, 454.
  • Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch II, 535, 542;
    over het werk van Christus III, 320, 332.
  • Osterwald, I, 127.
  • Owen, I, 123.

P.

  • Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446.
  • Payon, Claude I, 123; III, 454, 497.
  • Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349; III, 434v.;
    over den status integritatis en het beeld Gods II, 512;
    over de erfzonde III, 112.
  • Perrone, I, 97.
  • Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501.
  • Pfleiderer, I, 107,
  • Philaret, I, 68.
  • Philippi, I, 108.
  • Philippisten in Duitschland I, 98.
  • Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods II, 4, 80;
    zijn Logosleer II, 86, 233v.
  • Photius, I, 66.
  • Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v.
  • Placaeus, I, 122; III, 127.
  • Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29;
    over de ideeën II, 85v., 232;
    over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129;
    over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355.
  • Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4;
    over het worden Gods II, 123, 204.
  • Pobedonoszew, IV, 22.
  • Poiret, Over het werk van Christus III, 321.
  • Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318.
  • Procopowitsch I, 68.

R.

  • Ramus, Petrus III, 455.
  • Rathmann, H. Over Woord en Geest IV, 211.
  • Rauwenhoff, I, 186, 198, 461v.
  • Raymund de Sabunde I, 220.
  • Reinhard, I, 102.
  • Reland, Over de ligging van het Paradijs II, 505v.
  • Richer, Over de ambten in de kerk IV, 119.
  • Ritschl, Karakter zijner Theol. I, 15, 109v., 452v.;
    vergeleken met Lipsius, I, 109;
    over de openbaring I, 267;
    zijn Godsbegrip II, 84v., 88;
    over den persoon van Chr. II, 264; III, 252v., 266;
    over de erfzonde III, 43, 113, 115;
    over de aanbidding van Christus III, 299;
    over het werk van Christus en zijne ambten III, 329v., 335, 350v.;
    over Mark. 10:45 III, 363;
    over de vrucht van Christus werk III, 386v., 397, 398; IV, 518;
    vergeleken met Schleiermacher III, 387;
    over de heilsorde III, 462v.
  • Rothe, Over Dogmatiek en Ethiek I, 12;
    over de openbaring I, 265;
    over het onderscheid tusschen Jezus en de Apost. in hun verhouding tot de des O. T. Schrift I, 340;
    zijn speculatieve methode I, 434;
    zijn Christologie III, 251v.
  • Rufinus, I, 71.

S.

  • Sabellius, II, 262.
  • Sanseverino, I, 97.
  • Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode I, 107, 191; II, 203v., 393;
    in zijn 1e periode over de openbaring I, 266;
    zijn Godsbegrip II, 83, 267;
    zijn Trin. leer II, 304v.;
    zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v., III, 47, 169v.;
    over de goede engelen II, 426;
    zijn polygenisme II, 502;
    over Christus, in zijn 1e periode III, 248;
    in zijn 2e periode III, 251;
    zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
    over de heilsorde III, 459.
  • Scherer, E. I, 131.
  • Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4;
    over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45;
    over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12;
    zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.; III, 249v.;
    over de religie I, 180, 197;
    over de openbaring I, 265;
    over de inspiratie I, 319v.;
    over de H. Schrift I, 383;
    zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.;
    over de kenbaarheid Gods II, 13;
    over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76;
    over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.;
    over de Trin. II, 267;
    over de praedestinatie II, 342;
    over de engelen II, 426, 429;
    over h. Jodendom III, 202;
    over Christus III, 249v., 328v., 354, 371;
    over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.;
    vergeleken met Ritschl III, 387;
    over de heilsorde III, 461;
    over de kerk IV, 24, 38, 61;
    over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61;
    over de Sacram. IV, 223v., 322;
    over den Doop IV, 268;
    over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
  • Scholten, I, 432.
  • Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153;
    over de heilsorde III, 459. Zie voorts Pessimisme.
  • Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454.
  • Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185.
  • Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
  • Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus operum I, 47v.
  • Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83;
    over de kennisse Gods II, 9;
    over het wezen Gods II, 81, 89;
    over den wil Gods II, 210v.;
    zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211; III, 317, 366v.;
    over de werking der sacramenten IV, 239.
  • Servet, Over de Triniteit II, 266.
  • Shedd, I, 138; III, 497;
    zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131 en van Christus III, 371v.
  • Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264.
  • Smith, Henry I, 139.
  • Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
  • Sohm, IV, 152v.
  • Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v.
  • Spener, Zie Pietisme.
  • Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279;
    over de substantie II, 127, 134;
    over de attributen der subst. II, 91;
    over den oorsprong d. wereld II, 390;
    over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356.
  • Stade, Over het begrip חטא in het O. T. III, 75, 95;
    over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
  • Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v.
  • Stead, W. T. I, 134.
  • Stearns, Lewis I, 139.
  • Stoa, Haar Logosleer II, 232;
    over den oorsprong der zonde III, 42.
  • Strausz, D. F. I, 106v., III, 249;
    over de engelen II, 426.
  • Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v.
  • Swedenborg, Over de Triniteit II, 267;
    over de engelen II, 426;
    over het werk van Christus III, 321v.