Register van Namen.
A B C
D E F G H
I J K L M
N O P Q R S
T U V W X Y Z
- Abaelard, Over de Schrift I, 311.
Over de voldoening III, 317.
- Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311.
- Alcuinus, I, 79.
- Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v.
- Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223.
- Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352.
- Ambrosius, I, 71;
over de erfzonde III, 119.
- Amesius, Over de Theologie III, 455.
- Amyraldus, I, 122;
II, 341; III,
454.
- Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82;
zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411.
- Apollinaris, Zijn christologie I, 63;
III, 277.
- Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484;
over de Heilige Schrift I, 307;
over de Triniteit II, 250v., 405v.
- Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52;
over de Heilige Schrift I, 307;
over de Triniteit II, 249;
over den tusschentoestand IV, 375.
- Appelius, I, 126.
- Aristoteles, Over de ἀρχαι
I, 140; II, 29;
over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
- Arius, Over de Triniteit II, 260v.;
over de menschheid van Christus III, 277.
- Arminius, Over de Praedestinatie II, 340;
over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220.
- Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v.,
II, 256;
Over den Heiligen Geest II, 289v.
- Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.;
beteekenis voor de Theol. I, 72v.,
over de menschelijke kennis I, 165v., 168;
over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231;
over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238;
over de wonderen I, 291v.;
over Kerk en Schrift I, 367, 368;
over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381;
over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470;
over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6;
over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.;
over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175;
over de deugden Gods II, 89, 92, 140;
over de onveranderlijkheid Gods II, 120;
over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136;
over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid II,
162;
over de ideeën in God II, 170, 407;
over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II, 193v.,
421v.;
over de almacht Gods II, 225;
over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539;
over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358;
over het getal der engelen II, 433;
III, 407;
over de kennis der engelen II, 439;
over het paradijs II, 505;
over den staat van Adam II, 549v.;
over de permissio III, 56v.;
over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80;
over de erfzonde III, 119v.;
over het werk van Christus III, 316;
over de particuliere voldoening III, 391;
over de genade III, 436v., 443;
over de volharding III, 565, 566;
over de kerk I, 75;
IV, 9v., 32, 262;
over de Sacramenten IV, 218;
over den Doop IV, 252;
over den Kinderdoop IV, 262, 279v.;
over het Avondmaal IV, 313v.
- Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods
II, 133;
over de ligging van het paradijs II, 505.
- Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84.
- Baader, Franz von I, 95.
- Bajus, I, 92.
- Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II,
86;
over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92.
- Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185.
- Baumgarten, S. J. I, 101.
- Baxter, Richard I, 118;
III, 395.
- Beck, Zijne Theologie I, 15, 108.
- Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425.
- Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v.,
tegen de justitia imputata III, 538v.;
over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.;
over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v.
- Berti, Over de gratia III, 441.
- Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432.
- Böhl, Over het beeld Gods II, 510.
- Böhme, Over de Drieëenheid II, 266;
over het werk van Christus III, 321.
- Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof
I, 34;
over de H. Schrift I, 310v.;
over de kennis van God en van de prima principia II, 34v.
- Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313.
- Bonnet, Over de wonderen I, 292.
- Boston, Thomas I, 128;
III, 395.
- Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321.
- Bradwardina, I, 87.
- Brahé, J. I, 126;
III, 453.
- Bretschneider, I, 102.
- Briggs, Charles I, 139.
- Bruining, Dr. A. I, 185.
- Bull, George III, 454.
- Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115.
- Büsching, A. F. I, 15.
- Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331.
- Byzantijnsche Theologen I, 67v.
- Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.;
zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn syncretisme
I, 100.
- Calovius, Over het object der Theol. I, 7.
- Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.;
zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.;
over de inspiratie I, 315v.;
over het testimonium spir. sancti I, 490v.;
over de nat. Godskennis II, 37;
over de potentia absoluta Dei II, 226;
over de praedestinatie II, 330v.;
in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme II,
336v.;
over het beeld Gods II, 531;
over de erfzonde III, 125;
over de heilsorde III, 448;
over de kerk IV, 17v.;
als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.;
zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48;
over de kerkel. tucht IV, 155;
over Kerk en Staat IV, 190v.;
over de Sacramenten IV, 222, 228v.;
over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.;
over den tusschentoestand IV, 380.
- Camero, I, 122;
III, 454.
- Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330.
- Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487.
- Cappellus, I, 122,
over den tusschentoestand IV, 380.
- Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30;
over de creatio secunda II, 474;
over het primaat v. d. wil in God II, 124;
zijn Dualisme IV, 356.
- Cassianus, Zie Semipelagianisme.
- Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v.
- Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III,
241, 283.
- Chemnitz, I, 99.
- Chrismann, Over de inspiratie I, 313.
- Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30;
over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352.
- Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60.
- Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121;
III, 200v.;
over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134;
over het beeld Gods II, 531.
- Comrie, I, 126;
over rechtvaardigmaking en geloof III, 453;
over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362;
III, 260.
- Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134.
- Cremer, B. S. III, 453.
- Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9.
- Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88.
- Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283.
- Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66.
- Darby, J. Over de kerk IV, 22.
- Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II,
425.
- Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202;
zijn evolutietheorie II, 492v.
- Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391.
- Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506.
- Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66;
over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7;
over den oorsprong der wereld II, 389;
over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v.
- Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321.
- Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11;
zijn scheiding van gelooven en weten I, 451;
zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods
II, 89;
over den Doop IV, 276.
- Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.;
zijn christologie III, 252, 282.
- Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84.
- Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434.
- Edwards, Jon. Sr. I. 137;
over de erfzonde III, 127, 139;
over de onmacht des menschen ten goede III, 150.
- Edwards, Jon. Jr. I, 137.
- Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322.
- Erasmus, Over de inspiratie I, 313.
- Erastus, IV, 155.
- Erigena, Joh. Scotus I, 79v.;
over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400;
over den oorsprong der wereld II, 389.
- Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326.
- Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.;
III, 395.
- Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330.
- Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279.
- Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus
III, 283.
- Farrar, F. W. I, 134.
- Feuerbach, I, 106;
over de Godsidee II, 14.
- Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82;
over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82;
over de religio I, 191;
over den persoon v. Christus III, 248.
- Flacius, Over de erfzonde III, 125.
- Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit
I, 434v., 439v.
- Frohschammer, I, 95.
- Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis
IV, 235.
- Gotti, Over het wezen Gods II, 81.
- Gregorius, Magnus I, 77.
- Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods
II, 86;
over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92;
zijn Realisme in de Trin. leer II, 271.
- Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358;
over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122.
- Günther, I, 95;
over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306.
- Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.;
over het donum superadditum II,
518v.
- Hamelius, Over de inspiratie I, 312.
- Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.
- Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T. kanon
I, 337;
over de theologische dogmata I, 511, 513v.;
over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.
- Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.;
over de heilsorde III, 459v.
- Hase, I, 104.
- Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.
-
Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432,
436v.;
over de religie I, 187v.;
over de openbaring I, 266;
zijn verdienste en fout I, 436v.;
over de kenbaarheid Gods II, 14, 19;
over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52;
zijn Godsbegrip II, 83, 267;
over de geestel. natuur Gods II, 148;
over den oorsprong der wereld II, 203, 391;
III, 47;
zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300;
over het Jodendom III, 202;
over den persoon van Christus III, 249;
symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
over de heilsorde III, 460, 468;
over de Kerk IV, 20.
- Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.
- Herbert van Cherbury, I, 125.
- Hermes, I, 94.
- Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus
I, 453v.
- Hieronymus, I, 72;
zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160;
III, 11.
- Hilarius Pictaviensis I, 71.
- Hodge, Ch. I, 138.
- Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.
- Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.
- Holden, Over de inspiratie I, 313.
- Holtius, I, 126;
III, 453.
- Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.
- Hopkins, Sam. I, 137.
- Huss, Joh. I, 87.
- Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85.
- Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.;
over de Trin. II, 253v.;
over de twee naturen in Christus III, 240;
over het werk van Chr. III, 316;
over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88;
over den tusschentoestand IV, 376.
- Isidorus, Hispalensis I, 33, 78.
- Jacobi, I, 104, 196;
over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60.
- Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322.
- Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265.
- Justinus, Martyr I, 56;
over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.;
over de schepping uit niets II, 388;
over het werk van Christus III, 315;
over den tusschentoestand IV, 376.
- Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw
I, 103v., 450v., 481;
over de religie I, 12, 190v.;
zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.;
over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.;
over de kenbaarheid Gods II, 12, 17;
over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.;
over de Triniteit II, 267;
over de intelligibele daad III, 70;
over het radikale Böse III,
70, 153;
over het Jodendom III, 202;
over den persoon van Christus III, 247v., 327;
over de heilsorde III, 459;
over de kerk IV, 20;
over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
- Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350.
- Karolingische theologen I, 79.
- Keckermann, I, 41.
- Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497.
- Kleutgen, I, 97.
- König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255;
over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de openbaring I,
256.
- Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269.
- Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21.
- Leibniz, Over de wonderen I, 292;
over de aangeboren begrippen II, 30v.;
over deze wereld als de beste II, 213.
- Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171.
- Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382.
- Lessius, Over de inspiratie I, 312.
- Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42.
- Liguori, Alphonsus von I, 94.
- Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109;
zijn theologisch standpunt I, 455v.;
over de engelen II, 426.
- Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82.
- Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488.
- Luther, M. Zijn beteekenis voor de Theol. I, 98;
over de rede in religieuse dingen I, 222;
over de inspiratie I, 315;
over de praedestinatie II, 327;
over de verhouding van O. T. en N. T.
III, 199;
over de twee naturen in Christus III, 244;
over boete en geloof III, 444v.;
over de Kerk IV, 14v.;
over de regeering der kerk IV, 108v.;
over de ambten in de kerk IV, 119, 128v.;
over de kenteekenen der kerk IV, 44;
over de private biecht IV, 153v.;
over natuur en genade I, 222v.;
IV, 155v., 187;
over de Sacramenten IV, 221;
over den H. Doop IV, 264v.;
over het H. Avondmaal IV, 318.
- Mansel, Henr. Longueville, Over de kenbaarheid Gods II, 15v.
- Marcion, Over het O. T. I,
317; II, 200;
III, 196, 339.
- Mariana, Over de inspiratie I, 313.
- Marshall, Zijn bestrijding van de alg. voldoening III, 396.
- Maurice, Over het werk van Christus III, 331.
- Melanchton, Zijn Loci Communes I, 2, 37, 98;
zijn afwijking van Luther I, 98;
II, 327; III,
446;
over de kenteekenen der kerk IV, 44.
- Menken, G. Over de heiligheid Gods II, 185.
- Milligan, W. III, 419.
- Milton, Zijn Arianisme II, 263.
- Molina, Over de praedestinatie II, 326.
- Mosheim, J. L. von I, 101.
- Müller, Max, Over den oorsprong der religie
I, 203.
- Musculus, Over het Avondmaal voor kinderen IV, 350.
- Nestorius, Over de twee naturen van Christus I, 63;
III, 281v.;
over de aanbidding van Christus III, 298.
- Nicea, Conc. van II, 256.
- Occam, Zijn Nominalisme I, 84;
II, 212.
- Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v.
- Opzoomer, I, 130.
- Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32;
zijn theologie I, 60v.;
over praescientia en praedestinatie II, 162;
over de Trin. II, 255;
over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409;
over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen
II, 442, 549;
III, 70; IV, 500;
over de beschermengelen II, 447;
over de wederherstelling aller dingen III, 390;
IV, 500;
over het louteringsvuur IV, 377, 500.
- Os, van den, Over het geloof III, 454.
- Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch II,
535, 542;
over het werk van Christus III, 320, 332.
- Osterwald, I, 127.
- Owen, I, 123.
- Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446.
- Payon, Claude I, 123;
III, 454, 497.
- Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349;
III, 434v.;
over den status integritatis en het beeld Gods II, 512;
over de erfzonde III, 112.
- Perrone, I, 97.
- Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501.
- Pfleiderer, I, 107,
- Philaret, I, 68.
- Philippi, I, 108.
- Philippisten in Duitschland I, 98.
- Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods
II, 4, 80;
zijn Logosleer II, 86, 233v.
- Photius, I, 66.
- Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v.
- Placaeus, I, 122;
III, 127.
- Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29;
over de ideeën II, 85v., 232;
over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129;
over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355.
- Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4;
over het worden Gods II, 123, 204.
- Pobedonoszew, IV, 22.
- Poiret, Over het werk van Christus III, 321.
- Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318.
- Procopowitsch I, 68.
- Ramus, Petrus III, 455.
- Rathmann, H. Over Woord en Geest IV, 211.
- Rauwenhoff, I, 186, 198, 461v.
- Raymund de Sabunde I, 220.
- Reinhard, I, 102.
- Reland, Over de ligging van het Paradijs II, 505v.
- Richer, Over de ambten in de kerk IV, 119.
- Ritschl, Karakter zijner Theol. I, 15, 109v., 452v.;
vergeleken met Lipsius, I, 109;
over de openbaring I, 267;
zijn Godsbegrip II, 84v., 88;
over den persoon van Chr. II, 264;
III, 252v., 266;
over de erfzonde III, 43, 113, 115;
over de aanbidding van Christus III, 299;
over het werk van Christus en zijne ambten III, 329v., 335, 350v.;
over Mark. 10:45 III, 363;
over de vrucht van Christus werk III, 386v., 397, 398;
IV, 518;
vergeleken met Schleiermacher III, 387;
over de heilsorde III, 462v.
- Rothe, Over Dogmatiek en Ethiek I, 12;
over de openbaring I, 265;
over het onderscheid tusschen Jezus en de Apost. in hun verhouding tot de des
O. T. Schrift I, 340;
zijn speculatieve methode I, 434;
zijn Christologie III, 251v.
- Rufinus, I, 71.
- Sabellius, II, 262.
- Sanseverino, I, 97.
- Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode
I, 107, 191; II,
203v., 393;
in zijn 1e periode over de openbaring I, 266;
zijn Godsbegrip II, 83, 267;
zijn Trin. leer II, 304v.;
zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v.,
III, 47, 169v.;
over de goede engelen II, 426;
zijn polygenisme II, 502;
over Christus, in zijn 1e periode III, 248;
in zijn 2e periode III, 251;
zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
over de heilsorde III, 459.
- Scherer, E. I, 131.
- Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4;
over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45;
over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12;
zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.;
III, 249v.;
over de religie I, 180, 197;
over de openbaring I, 265;
over de inspiratie I, 319v.;
over de H. Schrift I, 383;
zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.;
over de kenbaarheid Gods II, 13;
over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76;
over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.;
over de Trin. II, 267;
over de praedestinatie II, 342;
over de engelen II, 426, 429;
over h. Jodendom III, 202;
over Christus III, 249v., 328v., 354, 371;
over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.;
vergeleken met Ritschl III, 387;
over de heilsorde III, 461;
over de kerk IV, 24, 38, 61;
over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61;
over de Sacram. IV, 223v., 322;
over den Doop IV, 268;
over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
- Scholten, I, 432.
- Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153;
over de heilsorde III, 459.
Zie voorts Pessimisme.
- Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454.
- Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185.
-
Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
- Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus operum
I, 47v.
- Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83;
over de kennisse Gods II, 9;
over het wezen Gods II, 81, 89;
over den wil Gods II, 210v.;
zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211;
III, 317, 366v.;
over de werking der sacramenten IV, 239.
- Servet, Over de Triniteit II, 266.
- Shedd, I, 138;
III, 497;
zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131
en van Christus III, 371v.
- Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264.
- Smith, Henry I, 139.
- Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
- Sohm, IV, 152v.
- Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v.
- Spener, Zie Pietisme.
- Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279;
over de substantie II, 127, 134;
over de attributen der subst. II, 91;
over den oorsprong d. wereld II, 390;
over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356.
- Stade, Over het begrip חטא in het O. T.
III, 75, 95;
over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
- Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v.
- Stead, W. T. I, 134.
- Stearns, Lewis I, 139.
- Stoa, Haar Logosleer II, 232;
over den oorsprong der zonde III, 42.
- Strausz, D. F. I, 106v.,
III, 249;
over de engelen II, 426.
- Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v.
- Swedenborg, Over de Triniteit II, 267;
over de engelen II, 426;
over het werk van Christus III, 321v.