Uw adem omringt mij als morgendauw, Uw hartslag zingt in
mijne ooren, en doet mij sluimeren,
Van hoofd tot voeten is 't mij lieflijk,
Is 't mij wel—genoeg!
Genoeg van den wellust der toekomstmaking, toekomst plotseling
en geheim,
Genoeg, o wegglijdend heden—genoeg, o herinnerd verleden.
Lieve vriend, wie gij ook zijt, ontvang deze kus,
In 't bijzonder U kus ik, vergeet mij niet,
Ik voel mij als
een, die zijn dagwerk gedaan heeft, en
moede is,
Ik ontvang nu opnieuw den heiligen geest van den Overgang,
uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts,
waar
anderen mij zekerlijk wachten,
Een ongekende Sfeer, werkelijker nog dan ik waande, onmiddellijker
nog, schiet oproepende dageraadstralen door
mij
heen. Tot ziens!
Herinner U mijn woorden: ik kan terug komen,
Ik heb U lief, ik ga uit van de stof,
Ik ben als een ontlichaamde, het is de Dood, het is de Overwinning.
VAARWEL DAN, FANCY!
Vaarwel dan, Fancy!
Voortaan zij God met U, lieve droom, lieve lief!
Ik ga heen, waarheen weet ik niet,
Noch wat mijn lot zij, noch of ik U ooit terug zal zien,
Vaarwel dus, mijn zoete droom, mijn Fancy.
Toch, voor 't laatst—laat m'een oogenblik nog terugzien;
Langzamer en zwakker tikt in mij de klok,
Exit, het vallen van den nacht, spoedig zal het hart zwijgen.
Langen tijd hebben wij te zamen geleefd, te zamen liefgehad,
te zamen de vreugde des levens genoten;
O Heerlijkheid!—Nu is de scheiding daar—Vaarwel dus,
Fancy.
Maar niet te haastig toch,
Ja waarlijk, langen tijd was ons leven èèn, ons slapen en
ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid
tot èèn, in waarheid
vermengeld tot èèn;
Dus indien sterven moet zijn, sterven wij te zamen, ja, èèn
zullen wij blijven,
Indien wij ergens heengaan, zullen wij er samen heengaan,
om samen het onbekende te gemoet te
gaan,
Misschien zullen wij een nog schooner, een nog blijder leven
leven, misschien zullen wij iets leeren,
Misschien zijt gij-zelf de onsterflijkheid wel, en leidt gij mij
nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te
zingen
(Wie weet?)
Misschien zijt gij 't zelf, die de banden, welke ons aan de
aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw
ballingschap
te ontvlieden—dan, nu voor 't
laatst:
Vaarwel—en wees gezegend, Fancy!
INHOUD
| Bladz. | |
|---|---|
| INLEIDING | VII |
| Uit: INSCRIPTIES: | |
| Mijn lied is voor het Ik | 1 |
| Toen ik het boek gelezen had | 1 |
| Werpt voor mij niet uw deuren dicht | 1 |
| VAN PAUMANOK UIT (fragmenten) | 3 |
| Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK | 12 |
| Uit: ADAMSKINDEREN: | |
| Een uur van woest genot | 29 |
| Oer-momenten | 30 |
| Uit: CALAMUS: | |
| Op onbetreden paden | 31 |
| Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt | 32 |
| Niet enkel in wat ik mij van de borst werp | 33 |
| De vreeselijke twijfel van den schijn | 34 |
| Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen | 35 |
| Toen ik den avondstond hoorde | 36 |
| Vind ik in u opnieuw een hart dat zich door mij | |
| voelt aangetrokken? | 36 |
| Ik zag in Louisiana een levenseik | 37 |
| Aan een vreemde | 38 |
| Ik hoor daar werd tegen mij getuigd | 38 |
| Als ik eens naga wat roem is | 39 |
| Soms, in mijn liefde | 39 |
| Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG | 40 |
| Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT | 49 |
| Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL | 55 |
| Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED | 58 |
| Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID | 64 |
| Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE | 70 |
| LIED DES HEELALS | 75 |
| PIONIERS! O PIONIERS | 78 |
| AAN U | 83 |
| TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN | |
| 's LEVENS OCEAAN | 86 |
| ZEKERHEID | 90 |
| EEN STILLE GEDULDIGE SPIN | 91 |
| AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN | 92 |
| GEZICHTEN | 93 |
| LIED VAN ZONSONDERGANG | 97 |
| TOT WEERZIENS! | 100 |
| VAARWEL DAN, FANCY! | 104 |