WeRead Powered by ReaderPub
Het leven van Hugo de Groot cover

Het leven van Hugo de Groot

Chapter 2: AANHANGZEL.
Open in WeRead

About This Book

Een beknopte levensbeschrijving van Hugo de Groot schetst zijn afstamming, publieke optreden, intellectuele prestaties en politieke verwikkelingen op basis van historiografische en dichterlijke bronnen. De tekst combineert feitelijke aantekeningen met onpartijdige opmerkingen, behandelt zijn processen en gevangenschap, beschrijft zijn ontsnapping in een koffer met twee nauwkeurige afbeeldingen daarvan, en brengt portretten en verzen ter illustratie van zijn faam. Kortere biografische notities, genealogische gegevens en verwijzingen naar zijn werken en de reacties van tijdgenoten vullen het overzicht aan zonder uitgebreide oordelen.

"Ik heb uit uwen brief van den 16 van hooimaand verstaan, hoe mynen gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had, raakende de boeken van wylen Mynheer de Groot, uwen man, en dat gy, onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer de Groot verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is, en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb, God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".

In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde Hugo zig dan aan boord om naar Lubek te stevenen, terwyl zyne gezondheid reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast, en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van Cassubien, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp Liba, veertien Duitsche mylen van Dantzig voet aan land te zetten: de Groot, zegt zeker schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde maand, te Rostok is aangekomen: de Hertogin van Pommeren, had hem te Stolke doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de Hertogin haare koets hem na, die hem te Coslin bragt, alwaar zy hem ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot aan Stettyn, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te bezitten.

Terstond na zyne aankomst te Rostok, begaf hy zig te bedde, waarvan hy ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd, oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem ontbood, verkiezende daartoe den Heer, Johannes Quistorpius, Doctor en Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords by de Luthersche Gemeente te Rostok, een man, zegt men, door zyne schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn gedrag dat hy by den stervenden Hugo hield, en bekennen dat wy daarin den geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't zyne; 't behaagt my als ik Quistorpius voor het sterfbed van onzen Hugo hoor zeggen, dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen: maar 't komt my van zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de Godgeleerdheid,) van de Groot, in aanmerking neemende, wanneer ik die man, zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, dat hy zig tot een gelukkige verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen; (de Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen Hugo, met dat, mogt, ondertusschen vry twyfelachtig,) dat hy de oneindige goedertierenheid Gods in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden; wanneer ik hem het voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor zeggen, dat de Groot zyn toevlucht tot Christus moest neemen, als buiten wien geen zaligheid is; benevens meer andere dingen, die men Gewoon is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men Gewoon is; zo is 't ambachtlyk! de Dichter Duim, behaagt my, ter plaatse alwaar hy Quistorpius, tegen onzen held doet zeggen:

——Ik reken,
U zyn de paden wel bekend, om op den weg
Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg,
Te wandlen.

Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou Quistorpius zig gedraagen hebben, wanneer hy den grooten Hugo, nu stervende, als by de hand, het koningryk der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen, had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!—wat waren toch de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige Maria, zyne hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest Hugo zig ontslagen hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem schandelyk geweest! neen, maar Quistorpius had hem moeten vertoonen den zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve Maria, en na nog weinige oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;—zou zulks ook ambachtlyk geweest zyn?—neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar met luider stemme, het gewoone Hoogduitsche Gebed, beginnende; Her Jesu wahrer mensch und Godt, uitbazuinde, (men zegt dat de Groot zyn slaapmuts afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van dat gebed, vroeg, of hy hem wel verstaan had?—hy ontving ook niet anders tot antwoord als: ik heb het wel verstaan.... dan laat ons hiervan verder zwygen,—de Groot gaf den geest op den tweeden dag na zynen aankomst Rostok, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot Delft, zyne geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van Oranje:

"Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de omliggende plaatsen derwaards, en van Rotterdam alleen, zag men zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad volgde:"

ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden, aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te Rotterdam aangekomen zynde, door den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen gearresteerd, tot dat de Heer Hendrik Zwaardenkroon, vader van den Geneesheer, Petrus Zwaardenkroon, schoonvader van den Heere, Caspar Brandt, op verzoek van Jan van Reigersbergen, de geëischte penningen betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.

De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk, dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam, en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.

Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd, tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu, eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de Dichter G. Brandt, dus kunstig uit:

o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer,
de Groot is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer
Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof;
Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof;
Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven,
't Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven.

De groote Vondel, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy schreef: Uitvaart van zyn Excellentie den Heere Hugo de Groot, aan de wethouders van Delft:

Helaes! wie komt myn hoop vermoorden?
Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden?
Verzekert fluks ons beste pant:
Verzekert, bergt het Hollantsch wonder,
Hoe haelt de zon haer aanschyn onder!
O Baltisch meir! o storm! o strant!
Helaes! waar is de Groot gebleeven,
Die voor de schipbreuk van zyn leven,
Zelf onder opgeheven zwaert,
't Gezicht des doods braveerde, en sterker
Dan stael, voor eeuwigheid van kerker
Noch bittren laster was vervaert?
Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,
Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste,
En zocht den schoonsten diamant,
U tot cieraat en roem beschoren;
Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren:
Een voorspook van uw Rycksgezant!
Hoe luysterden noch stracks uw ooren,
Die onverzaet 't orakel hooren,
Dat in uw koningklyck paleis
U zyn geheimenissen melde;
U in den dagh der wysheit stelde,
En toonde d'eere van den Pais:
Dan zagh men Pais uw hart bewegen;
Zoo dat ghy den geschaerden degen
Scheent op te steecken, op zyn woort,
En met uw heiren aftetrecken;
Die nu de Kristenweerelt decken,
En openen den Krygh de poort.
Flus hoopte Munster hem t' ontfangen;
Nu delft heel Delft met lyckgezangen
Zyn' ingeboren in het graf;
Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen,
Zyn doot gebeente rust moet gonnen,
Die zy den levende nooit gaf.
Och krancke troost in zulk een jammer
Men stell', gelyk den Rotterdammer,
Een beelt den wyzen Delvenaar:
Men paer' die groote nageburen,
Wier faem alle eeuwen zal verduuren,
Zo sta de Wysheit op 't altaer.

G. Brand, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen, in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat hooren:

Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten de Groot.
Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten
Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten?
Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want
Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant;
'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten;
Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten
Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees:
Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees,
Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden,
In zynen ondergang, en maakten hem die landen
Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe
De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe
Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen,
Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen
Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet
Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet
Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten
Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten
Is in geen ballingschap; enz.

In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer Brand; daar hy Hugo in den hemel ziet:

——van te voren
Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren:
Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om
Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom;
Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken;
Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken;
Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin
Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in
Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen;
Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen,
Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert
Verrast: enz.

Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal zyns overlydens (1645) kan tellen.

hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder;
sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder.

De Heer Sarravius, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren man: Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en een heldere flonkerster onzer eeuwe, Hugo de Groot; ô bitter ongeval voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van de Groot waarlyk groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben.

Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door Wybo Fynje:

Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen;
Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft;
Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen,
't Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft;
Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde,
Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald;
Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde,
Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald;
Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden
Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant;
de Groot ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden,
Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt.

Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van onzen Held wederkeeren.

Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van Hugo eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter oorzaake van zyne toegeevendheid voor de Remonstranten, of mogelyk geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove, gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy, geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat de Groot met papistery besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:—hoe haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!

Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van Rostoks Hooge Schoole, over een bedryf dat de menschlykheid schande aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,

"kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon, toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man, en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken, dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou laaten rusten".

Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering der stad Delft beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld opterichten, in navolging van die van Rotterdam, welken den grooten Erasmus op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude Delft wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de Overheid van Delft, het volgende besluit nam:

"De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad Delft, hebben, op verzoek van den Heere, Mr. Pieter de Groot, Pensionaris der stad Amsteldam, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe Cornelia de Groot, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer de Groot zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk alhier, op de graven daar de Heer Hugo de Groot, hunlieder vader Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader; mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen, communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de Heeren, 21 July 1663".

Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt, dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, Rombout Verhulst, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, de Ruiter, met welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te Amsteldam is versierd geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten Hugo, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in 't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met haare straalen, alzo ook de Groot, de geleerde wereld met zyne schriften verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet, zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer Cornelis van Alkemade, in zyn werk, ten tytel voerende: Inleiding tot het Ceremoniëel en de plechtigheden der begravenissen: op den voet der tombe leest men het volgende vierregelig versje:

De Phenix van zyn vaderland,
Het Delfs-orakel, 't groot verstand,
De zon die 't aardryk heeft verpligt,
Was waard dit graf van eer gesticht.

Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk zyn zy van den Heere G. Brand, en gedicht om geplaatst te worden, op de tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar zy dus luiden:

De Fenix van het vaderlandt,
Het Delfs-orakel, 't groot verstandt,
Het licht dat d'aarde alom bescheen,
de Groot, vertoont zich hier in 't kleen.

De meergemelde Dichter Duim, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar de Groot, een pen in de hand gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van Brand heeft hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering; by zyn Ed. luidt het als volgt:

De Fenix van het vaderlant,
Het Delfs Orakel, 't groot verstand.
Het licht dat d'aarde alom bescheen,
De groote Huig rust hier beneên.

Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat, vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen onvergelykelyken Hugo; dus luidt dezelve:

Zie hier de tombe van den grooten Huig de Groot,
Eerst Advocaat Fiskaal, om Hollands heilge wetten
En zyn gerechtigheên, (wie tegenstand hen boodt,)
Te schraagen, en voor 't recht zig in de bres te zetten.
Toen Raatsman van den Raadt der koopstad Rotterdam:
Hy zette zyne borst, voor onze aloude rechten,
Als eenen koopren muur, toen die verwoede vlam,
Van kerk- en staat-twist, uit kwam barsten, om te slechten
Den band der eendracht. Hy, met onvermoeide vlyt,
't Roer wendde van de kerk en staat, naar alle boegen;
Op dat die band niet wierd verbroken, in dien tyd,
Zocht hy, ter wederzyds, elk een te vergenoegen:
Om zulks te doen, was 't wit van hem, verdraagzaamheid,
Hierop hy doeldde, doch party wou 't niet gedogen;
Hy wierd, om deeze drift, naar Loevestein geleid,
En levendig, als dood, ontrukt der menschen oogen,
Tot hy na der d'half jaar verlost wierd, door een kist;
Hy leefde in ballingschap, na 't vluchten, all' zyn dagen,
Maar Zweden, die 't geweld, hom aangedaan, wel wist,
Heeft 't ampt, als Afgezant, hem gunstig opgedraagen.
Dit heeft hy loffelyk bediend; maar, door den dood,
Nu eindelyk ontlast van alle de aardsche zorgen,
Rust hier het lichaam van den wakkeren de Groot,
Voor wien (wat wetenschap betreft,) niets was verborgen.
Des rust hy met zyn hoofd op boeken; in de hand
Voert hy een veder, die de vrucht des geestes baarde;
Kenmerken van zyn groot en doorgeleerd verstand.
In d'achtergrond ziet gy den schat, dien hy vergaarde,
Een gantsche boekzaal, waarin hy begraaven lag;
Dit gaf men naderhand voor twaalef duizend kroonen,
In handen van Katryn[12], op dat ik, schreef zy, mag.
Myn' grooten Afgezant, my, in zyn schrift vertoonen
In 't midden van dien schat, ziet gy een helder zon,
Wier glans alom verlicht het aardryk, met haar straalen
Van zynen geest, die in zyn schrift met luister praalen;
Die schriften vliegen al de wereld door en door,
In Englen handen; en met kransen van Lauwrieren,
Ontwonden Rollen, elk een draaft op 't letterspoor;
Gy zietze, wederzyds om deeze zonne zwieren.
Wat hooger blaast de faam, met twee trompetten, uit,
's Mans lof, zyn wysheid, in religie, en staatkunde.
Zyn wapen ziet men op de lyst. Een boek ontsluit,
Ter wederzyde, zig, wyl 't yder toegang gunde,
Om, nevens Huig de Groot, de bladren in te zien: enz.

Wat betreft de gedenkpenningen, tot 's mans eere geslagen, en waarvan wy boven reeds gewag gemaakt hebben; beiden vertoonden zyn borstbeeld, doch in verschillende standen; op de tegenzyde van den eenen, zag men een koffer, indedaad in alles zeer gelykende naar dat welk onder den Heer Mr. Klinkhamer berustende is, en dat wy den Leezer in plaat medegedeeld hebben; op het koffer stonden twee kroonen, verbeeldende die van Frankryk en Zweeden, te kennen geevende zyn vlucht in 't eerstgemelde ryk, en zyn gezantschap ten dienste van het tweede; aan de eene zyde van het koffer vertoonde zig een opgaande zon, en aan de andere zyde, in een flaauw verschiet, het Slot van Loevestein; de opgaande zon verstrekte

"ten zinnebeeld van de vernieuwing zyner tydlyke gelukzaligheid en glorie, als die lang verborgen geweest zynde onder de duisternis van veele rampen, eindelyk te helder weder doorbrak":

De Dichter Duim, laat de flaauwe vertooning van het Loevesteinsche slot, te kennen geeven, dat deszelfs vermogen door de groote Hugo overwonnen is: dus zingt hy, in de bovengenoemde Uitlegging:

Men ziet, aan de eene zyde, een halve opgaande zon,
Het slot van Loevestein verflaauwd aan de andre zyde,
Ten teken dat zyn glans verryst, en hy verwon
Het Loevesteinsche slot, dat hem zyne eer benydde.

Boven aan den rand van deezen penning las men de woorden:

melior post aspera fata resurgo.

Dat is:

Ik kom na myne rampen weder ten voorschyn:

Onder aan stond:

N. 1583. O. 1645.

Dat is:

Geboren in 't jaar 1583, en overleden 1645.

Op den tweeden penning, zag men, gelyk gezegd is, mede 's mans sierlyk borstbeeld, en daar rondsom de volgende woorden:

hugo grotius natus mdlxxxiii, 10 apr.
obiit, mdcxlv. 28 augus.

Dat is:

Hugo de Groot, geboren den 10 April 1583,
En gestorven den 28 Augustus 1645
.

Op de tegenzyde las men, onder drie bloemtrossen, en boven twee lauwertakken, het versje van den Heere Brand, gelyk wy het Bladz. 153 opgegeeven hebben.

Laat ons by dit alles nog eenige weinige regels ten slotte voegen:—de gewoone spreuk van den onstervelyke Hugo was; Ruit Hora, dat is, Het uur snelt voord, welke woorden hem altoos de kostlykheid van den tyd te binnen bragt: hy was gewoon des morgens ten zes uure optestaan: wanneer hy vermoeid was door de studie, las hy iets vrolyks, of onderhield zig met zyne kinderen: Ik heb de genade van God, zeide hy, als ik de sleutel uit myn Comptoir trek, dat ik my van alle ingespannene gedachten ontledig: hy was hartig in 't eeten; hoorde gaarne dat men hem tegensprak: zynen Geheimschryver, den Heer Pels, raadde hy, den bybel te leezen, zonder enige aantekeningen te raadplegen, zeggende: Komt U iets voor, dat gy niet verstaat, leg daar een vouwtje by, en lees voord; het een zal 't ander verklaaren, en God zal u helpen.

Zyne weduwe, de onvoorbeeldige Maria, volgde haaren zaligen Echtgenoot, op de reis naar de eeuwigheid, den 19 April des jaars 1653: haare dochter Cornelia was gehuwd aan den Heere Joan Barton, Graaf van Mombas: behalven deeze dochter, liet onze held na, drie zoonen, Cornelis, Pieter, en Diederik, waarvan de oudste en jongste ongehuwd gestorven zyn; de middenste, door wien het beroemde geslacht van den grooten Hugo voordgeplant is, werd, na in vreemden dienst geweest te zyn, aangesteld tot Pensionaris van Amsteldam; vervolgends bekleedde hy de hooge waardigheid van Afgezant van Hun Hoog Mogende, by de Noordsche Kroonen, en werd daarna Pensionaris en Lid in de Vroedschap van Rotterdam; doch hy heeft ook eindelyk het lot van zyn' vader ondergaan, en buiten zyn vaderland moeten zwerven, tot dat hy, na dat de tyd de benevelde oogen een weinig verklaard had, wederkeerde, en zyn verblyf nam op een buitenplaats naby Haarlem, alwaar hy zyne dagen sleet, in het opvoeden van zyne kinderen en het leezen van goede schryvers: hy overleed in den ouderdom van 70 jaaren.


AANHANGZEL.

Indien wy ons, onder het zamenstellen van de voorgaande bladen, hadden willen bedienen, van eenige papieren, in den tegenwoordigen tyd van beklaagenswaardige verdeeldheid ten voorschyn gebragt, zouden wy menigvuldige trekken hebben kunnen bybrengen, zo wel die den braaven Hugo de Groot ongunstig zyn, als anderen die van zynen lof gewaagen; dan, daar wy het grootste gedeelte van die geschriften houden voor schandzuilen, den lande opgericht, om dat ze hunne geboorte verschuldigd zyn aan eene verfoeijelyke partyzucht, en verdervenden geest van nieuwigheden, hebben wy dezelven allen ter zyde gelegd, als onwaardige werktuigen in de hand van een onpartydigen; 't kan de nagedachtenis van de Groot niet verheerelyken, dat men zyner uitmuntendheid gedenkt, ten koste van de openbaare rust; maar, daar de onlusten binnen de stad Rotterdam voorgevallen, en de gevolgen van dien, de achtbaare Regeering van Amsteldam, onlangs, aanleiding gegeeven hebben, om in den lof van onzen Held uitteweiden, en eenige uitdrukkingen te doen, welken over het geval van dien grooten man, een zeer helder licht verspreiden, hebben wy geoordeeld die lofspraak, en verdere uitdrukkingen, by onze voorgaande beknopte beschryving van 's mans leven te moeten voegen; aangezien dergelyke straatsstukken, schoon niet altoos bevattende onwrikbaare grondslagen, waarop men mag bouwen, of onwederlegbaare regelen, waarnaar men mag oordeelen, echter te stellen zyn, verre boven de verachtelyke papieren waarvan wy boven spraken:—de bedoelde lofspraak is vervat in de volgende woorden, te vinden in de Nadere Aantekening van Amsteldam, ter Staatsvergaderinge van Holland en West-Frieslaand gedaan, op eene Resolutie van den 24 December 1784, concerneerende het onderzoek van het voorgevallene te Rotterdam:

"En dit wel uit denzelven Voortreflyken en by de Natie Hooggeschatten Rechtsgeleerden, Hugo de Groot, op wiens Leer en Gezag de Supplianten van zeker Request, op den 2 December laatstleden aan Hun Ed. Gr. Mog. gepresenteerd, ter adstructie van het Sentiment en Advys van bovengemelde Heeren Gedeputeerdens, zich met zoo veel fiducie beroepen hebben."

"Dat men ten dien einde vooraf moet remarqueren, dat de Memorie, by voorschreve Requeste geallegueert, speciaal was ingerigt, zo als uit de Introductie klaar te zien is, tegen de Hoven van Justitie, dewelke in die ongelukkige tyden van scheuringen en verdeeldheden in kerke en burgerstaat, zich aanmatigden kennis te nemen van dispositien en politique orders, die de Steden goedvonden in den hare te stellen tot conservatie van de Rust en Vrede onder hare Ingezetenen; doch welken de Hoven, door Mandamenten en andere Provisien van Justitie illusoir tragtten te maken."

"Dat men dus in het oog houdende de gelegenheid by welke, en het oogmerk, waar mede voornoemde Heer de Groot dit Advys, in den Jare 1617 heeft gesteld, en het zelve in zyn geheel met oordeel en attentie nalezende, ligt bemerken zal, dat hy daar by niets anders heeft willen betogen, als dat de Hoven van Justitie zich de klagten en quæstien tusschen de Magistraten der Steden en derzelver Ingezetenen over gezegde politique Ordonnantien of Correctien van die Magistraten tot maintien van de publyke rust, niet vermogen aan te trekken, en wel voornaamlyk, dat zulks egter by de Hoven ondernomen wezende, de Staten volkomen bevoegd waren zoodanige quæstien den Hove te onttrekken en aan zich te evoceren, zonder dat daar door enige Privilegien verkort wierden."


En Pag. 150 sprekende van de defecten in de Personen, die gecommitteerd waren geweest tot zyne Rechters, zegt hy:

"dat eerst hier op staat te letten, dat die niet en waren ordinarisse Rechters; indien de Staten Generaal het regt van de Commissie te geven toekwam, (vervolgt hy) waarom en hebben zy daartoe niet gecommitteert den Hoogen of Provincialen Raad van Holland? waarom niet de Raden van Staten, die ordinaris Recht doen uit den naam van de Generaliteit? In alle vrye Regering is hatelyk over het bloed, eer en goed van de Ingezetenen, andere als ordinarisse Rechters te stellen, veel meer, als die Personen, gelyk het meerendeel van deze, niet en zyn in dienst van de Justitie, maar politicque persoonen."


Doch zoo men nog al zoude willen beweren, dat hy, in 1619 gesmaakt hebbende, wat het te zeggen is van zynen dagelykschen Rechter vis factie te werden geëvoceert, van een ander begrip geweest zy, dan in 1617, zal men teffens moeten erkennen, dat hy het slagtoffer van zyn eigen systema is geworden; en dat de violente en onwettige handelwyze omtrent hem en andere beroemde voorstanders der vryheid gehouden, de hooge waarde van de Privilegien de non evocando, zoo wel hebben leeren kennen, dat sints alle tyd elk Liefhebber van het Vaderland een afgryzen van den naam zelfs van gedelegeerde Rechters als aangeboren is; zoo als men ook sedert altoos tegens dergelyke inbreuken en violentien, met de uiterste zorg heeft gevigileert, uitwyzens Hun Ed. Groot Mog. bekende verklaring van den 15 September 1677:

"dat het binnen den Lande van Holland en West Friesland een indisputabel recht is, dat geene Ingezetenen anders dan voor hunnen ordinaris en daaglykschen Rechter mogen te recht gesteld worden."


BERICHT voor den BINDER.
De Plaaten te voegen, tegenover Bladz. 70.

[1] Eén op de verovering van Nymegen, door Prins Maurits, en een ander tot vertroosting van zynen vader, over 't verlies van deszelfs vroeg gestorven zoon, Jan de Groot, welk versje van dezen inhoud is:

Eerwaarde Vader, 'k bid dat ge uw gezucht bepaalt;
Wyl die Johannes, wien de dood heeft weggehaald,
Heeft met zyn dood, schoon noô, de groote schuld betaald.

[2] Hierop ziet een Latynsch tweeregelig versje, onder een zeer vroeg afbeeldsel van onzen Held, gegraveerd door Jacob de Gein: dus luidt het in onze taale:

Ik, van myn vyftien jaar ter pleitrol opgeschreeven,
Huig Jansz. de Groot, word dus in plaat verbeeld naar 't leven.

[3] Toen welëer veel gouds in Holland omging, was men gewoon de dukaten en andere speciën te weegen, om te weeten of ze wigtig waren of niet; Wanneer nu de evenaar wat doorsloeg, of niet in 't midden bleef stil staan, werd dat leste aas een kyfäas genoemd, om dat men twistte of het 'er by moest gerekend worden of niet—nu wil Vondel zeggen, dat het ook zo wankel stond met de Rechtbank in Holland, dat het maar een Kyfäas scheelde, zus of zo stond, of de Heer Hugo de Groot zou ook voor 't zwaard hebben moeten bukken; voor 't zwaard dat nu gestroopt en reê was om den tweeden slach te geeven.

De Aantekenaar op Vondel's Hekeldichten.

[4] Zie Bladz. 225 van de Nieuwe Uitgaave, onlangs by de Heeren Elwe en Langeveld van de pers gekomen.

[5] Ibid.

[6] Walcheren, tweede uitgaaf, Bladz. 226.

[7] Anderen willen dat die Vorst zou gezegd hebben: Ik dacht wel datze hem niet opgeslooten zouden houden; want hy was wyzer dan alle zyne rechters.

[8] Dit geschiedde in 't begin van April, na dat zyn huisvrouw even te vooren ontslagen was; want den vyfden dier maand werd, by geschrifte, van haaren wege aan de Staaten Generaal geklaagd, dat men haar op Loevestein gevangen hield, en dat zy haare natuurlyke vryheid verzocht: dit verzoek overwogen, en aangemerkt zynde, dat de Soldaaten zelven De Groot uitgedraagen hadden; dat gevolglyk by de kloekmoedige Echtgenoote niets zonderlings misdreeven was, werd zy twee dagen daar na ontslagen.