WeRead Powered by ReaderPub
Het loterijbriefje cover

Het loterijbriefje

Chapter 4: I. DE BRIEF.
Open in WeRead

About This Book

The narrative centers on a rural inn family whose routine is disrupted when a lottery ticket enters circulation. Its ownership and fate drive episodes of courtship, preparations for marriage, the arrival of strangers, journeys to the capital, and legal and moral disputes. The ticket's transfer and the tense wait for the drawing reveal characters' hopes, rivalries, and loyalties, and the plot culminates in the lottery drawing followed by a dramatic shipwreck and rescue that resolve central tensions. Themes of chance, responsibility, and the social effects of sudden prospects recur throughout.

The Project Gutenberg eBook of Het loterijbriefje

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het loterijbriefje

Author: Jules Verne

Release date: January 11, 2010 [eBook #30929]

Language: Dutch

Credits: Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LOTERIJBRIEFJE ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.

In vergelijking met het origineel zijn in dit e-boek de titelpagina (Blz. iii) en de eerste advertentiepagina (Blz. ii) omgewisseld.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Het origineel van dit e-boek is een vertaling van het franse boek “Un billet de loterie”. Dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg (e-boek no. 15203).
De engelse vertaling “Ticket No. "9672"” is via Project Gutenberg als e-boek no. 13527 beschikbaar.

Omdat in het origineel een inhoudsopgave ontbreekt, is deze hier ingevoegd:

INHOUDSOPGAVE.

I. DE BRIEF. 1
II. DE HERBERG VAN VROUW HANSEN. 12
III. EEN NOORWEEGSCH HUISGEZIN. 19
IV. DE VERLOVING. 27
V. HUWELIJKSVOORBEREIDSELEN. 37
VI. DE VREEMDELING. 48
VII. ZUSTER EN BROEDER. 62
VIII. EENE ONTMOETING BIJ DEN WATERVAL. 69
IX. SILVIUS HOG. 88
X. DE GAST VAN DE HERBERG TE DAL. 93
XI. NASPORINGEN. 106
XII. HET LOTERIJBRIEFJE. 120
XIII. SYLVIUS HOG TE BERGEN. 134
XIV. HET LOTERIJBRIEFJE AFGESTAAN. 146
XV. SYLVIUS HOG IN TWEESTRIJD. 160
XVI. NAAR CHRISTIANIA. 172
XVII. CHRISTIANIA. 186
XVIII. SYLVIUS HOG IN DE WEER. 196
XIX. DE LOTERIJTREKKING. 206
XX. SCHIPBREUK EN REDDING.
BESLUIT.
219

HET LOTERIJBRIEFJE

WONDERREIZEN.
JULES VERNE

HET LOTERIJBRIEFJE

AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”
1916

JULES VERNE'S

GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN.

Prijs per deel: 90 cts. ingen., ƒ 1.25 geb.


  1. DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN.
  2. DE REIS NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN.
  3. DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-Amerika.
  4. DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Australië.
  5. DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Stille Zuidzee.
  6. 20.000 MIJLEN ONDER ZEE. Oostelijk Halfrond.
  7. 20.000 MIJLEN ONDER ZEE. Westelijk Halfrond.
  8. VIJF WEKEN IN EEN LUCHTBALLON. Ontdekkingsreis in de Binnenlanden van Afrika.
  9. HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De Luchtschipbreukelingen.
  10. HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De Verlatene.
  11. NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE.
  12. MICHAEL STROGOFF, DE KOERIER VAN DEN CZAAR.
  13. HET ZWARTE GOUD.
  14. HECTOR SERVADAC. De Vulkaanbewoners.
  15. HECTOR SERVADAC. De Terugtocht naar de Aarde.
  16. AVONTUREN VAN DRIE RUSSEN EN DRIE ENGELSCHEN.
    Gevolgd door »De Blokkadebrekers.”
  17. EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. De Walvischjagers.
  18. EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. In Slavernij.
  19. DE SCHIPBREUK VAN DE CHANCELLOR.
  20. WONDERLIJKE AVONTUREN VAN EEN CHINEES.
  21. ELDORADO EN HET MONSTERKANON VAN STAALSTAD.
    Gevolgd door »Meester Zacharias”.
  22. HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De Pelterijhandel.
  23. HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het drijvende Eiland.
  24. HET STOOMHUIS. De IJzeren Reus.
  25. HET STOOMHUIS. De Waanzinnige der Nerbudda.
  26. REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De Engelschen aan de Noordpool.
  27. REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De IJswoestijn.
  28. EENE VLOTREIS. 800 Mijlen op de Amazone.
  29. EENE VLOTREIS. Het Raadselschrift.
  30. EEN LEERSCHOOL VOOR ROBINSONS.
  31. DE WONDERSTRAAL.
  32. KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Een Hollander in de Klem.
  33. KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Schipbreuk en Redding.
  34. DE ZUIDSTER. Het Land der Diamanten.
  35. DE ARCHIPEL IN VUUR EN VLAM.
  36. DE VONDELING VAN HET FREGAT CYNTHIA.
  37. MATHIAS SANDORF. Een verijdelde Samenzwering.
  38. MATHIAS SANDORF. De Middellandsche Zee.
  39. MATHIAS SANDORF. Een Model-Volkplanting.
  40. HET LOTERIJBRIEFJE.
  41. ROBUR DE VEROVERAAR.
  42. DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID. Overrompeling eener Plantage.
  43. DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID. De zwarte Kreek van Texas.
  44. 1792. OP WEG NAAR FRANKRIJK.
  45. TWEE JAAR VACANTIE. De mislukte Pleiziertocht.
  46. TWEE JAAR VACANTIE. Een Knapenkolonie.
  47. DE FAMILIE ZONDER NAAM. Het Verraad van Simon Morgaz.
  48. DE FAMILIE ZONDER NAAM. De Opstand van 1837.
  49. EEN SCHOT IN DE LUCHT.
  50. CESAR CASCABEL. De schoone Zwerfster.
  51. CESAR CASCABEL. Over het IJs en door de Steppen.

Boek- en Kunstdrukkerij P. A. Geurts, Nijmegen.

I.

DE BRIEF.

»Hoe laat is het thans? Het kan onmogelijk vroeg meer zijn. Kijk eens.”

Die vraag werd gedaan door vrouw Hansen, terwijl zij de asch uit hare tabakspijp klopte en den laatst ingezwolgen tabaksrook in dikke krullen naar de gekleurde balken van het plafond met een soort welbehagen uitblies.

»Ja, ik zal even zien, moeder. Het is zes minuten vóór achten,” antwoordde Hulda.

»Het is niet waarschijnlijk, dat wij dezen nacht nog reizigers zullen moeten opnemen.”

»Waarom niet?”

»Het weer is te slecht. Zie de lucht eens grauw zijn en de wolken door den stormwind voortgejaagd worden.”

»Dat is zoo, misschien hebt gij gelijk. Maar, hoe het ook zij, de kamers zijn gereed en ik zal het wel hooren, wanneer buiten geroepen wordt. Wees dus onbezorgd. Alles is beredderd.”

»Is uw broeder teruggekomen?”

»Neen, nog niet.... Maar verwacht gij hem dan terug, moederlief?” vroeg Hulda.

»Heeft hij dan niet gezegd, dat hij heden thuis zou komen? Mij dunkt toch zoo.”

»Neen, moeder. Hoe komt gij er aan? Ik meen, dat zulks onmogelijk kan. Het is te ver.”

»Onmogelijk?.... Wat bedoelt gij daarmede? Is hij dan op de jacht?”

»Neen, Joël strekt thans een reiziger tot gids naar het Tinnermeer, en....”

»Welnu, en?”

»En, daar hij zeer laat vertrokken is, geloof ik niet dat hij voor morgen te Dal terug zal kunnen zijn.”

»Neen, daarvan heeft hij mij niets gezegd.... Hij zal dus te Moel overnachten?”

»Ongetwijfeld moet hij dat, moeder, tenzij hij....”

»Tenzij. Nu, ga voort.... Waarom aarzelt gij, Hulda? Tenzij....”

»Tenzij hij naar Bambel ga, om een bezoek aan den pachter Helmboë te brengen....”

»En vooral aan zijne dochter! Is het niet zoo? Raad ik niet veel beter, Hulda?”

»Ja moeder, aan Siegfrid, mijn beste vriendin, die ik als eene dierbare zuster liefheb,” antwoordde het jonge meisje met een glimlach. »Zoudt gij iets tegen dat bezoek hebben? Zou u dat hinderen?”

Vrouw Hansen keek hare dochter een oogenblik aan, maar hernam spoedig daarop:

»Kom, Hulda, doe de deur dicht en laten wij slapen gaan. Ik heb rust noodig.”

»Gij gevoelt u toch niet onwel, lieve moeder? Gij maakt mij inderdaad bezorgd.”

»Neen, ik gevoel mij integendeel zeer wel. Maar waarom die vraag? Waarom die bezorgdheid?”

»Omdat gij zoo vroeg te bed wilt, moeder. Dat ben ik niet van u gewoon.”

»Dat is zoo; maar ik moet vroeg te bed gaan, omdat ik morgenochtend bijtijds wil opstaan.”

»Waarom, moederlief?”

»Ik ben voornemens naar Moel te gaan. En daartoe mag ik mij niet te laat op weg begeven.”

»Naar Moel? Wat wilt gij er doen?”

»Moet ik onzen voorraad levensmiddelen niet aanvullen voor het zomerseizoen, dat voor de deur staat?”

»Is dan de bode van Christiania met zijne kar met wijn en eetbare waren te Moel aangekomen?”

»Ja, Hulda,” antwoordde vrouw Hansen. »Dezen namiddag heeft Lengling, de meesterknecht van den houtzaagmolen, hem ontmoet, en die heeft mij in het voorbijgaan op de hoogte gebracht. Van onzen voorraad ham en gerookte zalm is niet veel over, en ik wil niet op een gegeven oogenblik het noodige missen. Wanneer het weer beter wordt, zult gij de toeristen voor en na zien opdagen, om hunne uitstapjes in het Telemarksche te beginnen. Onze herberg moet dan behoorlijk voorzien zijn, om hen naar eisch te kunnen ontvangen, en zij moeten er alles kunnen vinden, wat zij gedurende hun verblijf noodig mochten hebben. Weet gij wel....”

»Wat, moeder?”

»Dat het reeds de 15de April is, Hulda. De fraaie dagen zullen nu wel ras komen.”

»De 15de April!” mompelde het jonge meisje binnensmonds en als in gedachten verzonken.

»Ik zal mij dus morgen met dat alles bezighouden,” hernam vrouw Hansen. »In twee uren tijd zal ik onze inkoopen gedaan hebben en zal ik zorgen, dat de bode het gekochte hier zal brengen. Daarna zal ik met Joël in zijn karretje terugkeeren. Mij dunkt, dat dit zoo goed en wel overlegd is. Vindt ge niet?”

»Zeker, moeder, maar wanneer gij den postbode mocht ontmoeten, vergeet dan niet hem te vragen, of hij niet een brief voor ons heeft.... Zult gij het niet vergeten?”

»Een brief voor ons of.... voor u, nietwaar? Het is intusschen niet onmogelijk, want de laatste brief van Ole dagteekent reeds van meer dan een maand geleden.”

»Ja, een maand!.... meer dan een maand!” zuchtte het jonge meisje zacht, maar toch hoorbaar.

»Berokken u geen voorbarig verdriet, Hulda,” vervolgde vrouw Hansen. »Het uitblijven van dat schrijven kan ons niet bevreemden. Daarenboven al zou de postbode van Moel niets meegebracht hebben, dan moet u dat nog niet ontmoedigen; want wat niet langs Christiania komt, kan ons langs Bergen bereiken.”

»Ongetwijfeld, moeder,” antwoordde Hulda, »maar kan ik het helpen, dat ik bezorgd ben? Ja, het is mij bang om het hart, maar is dat te verwonderen? De vischwaters van New-Foundland zijn zoo ver van hier! Een geheele Oceaan scheidt ons en dat nog wel in het barre seizoen! Het zal weldra een jaar geleden zijn, dat mijn arme Ole vertrokken is! En wie zal kunnen voorspellen, wanneer hij ons weer te Dal zal komen bezoeken? Niemand, nietwaar? O, dat visschersbedrijf is toch het ellendigste bestaan op de wereld!”

»En, of wij er bij zijne terugkomst nog zijn zullen?” prevelde vrouw Hansen zoo zacht, dat hare dochter onmogelijk kon hooren, wat zij zeide.

Hulda ging de straatdeur der herberg sluiten, die op den weg van het Vestfjorddal uitkwam. Zij nam niet eens de voorzorg om den sleutel in het slot om te draaien. In dat gastvrije land van Noorwegen zijn die veiligheidsmaatregelen volmaakt overbodig. Men acht het oirbaar, dat ieder reiziger zoowel des nachts als over dag de huizen der gaards en der soeters kan binnentreden, zonder dat het noodzakelijk zij, dat hen de deur geopend worde. Geen bezoek van nachtelijke rondsluipers of van boosdoeners is te vreezen, zoomin in de baljuwschappen als in de meest afgelegen gehuchten van de provincie. Geen misdadige aanslag tegen de goederen of de personen der ingezetenen heeft er ooit het veiligheidsgevoel der bewoners verzwakt of gekrenkt.

Moeder en dochter bewoonden twee vertrekken, die op de eerste verdieping aan den voorkant van de herberg gelegen waren. Het waren twee frissche en uiterst zindelijke kamers, die wel is waar op bescheiden wijze gemeubileerd waren, maar waarin bij de geheele inrichting en rangschikking de liefelijke en zorgzame hand der degelijke huisvrouw te ontwaren was. Daarboven onder de dakbedekking, die als de nokluifel van een Zwitsersch huisje breed uitstak, bevond zich de kamer van Joël, die het daglicht slechts ontving door één venster, dat evenwel door eene keurig bewerkte omlijsting van dennenhout omgeven was. Vandaar kon het oog niet alleen een prachtig en grootsch vergezicht op het gebergte genieten, maar ook dringen in de diepte van het nauwe dal, waarin de Maan, eene rivier, die volkomen het karakter van een woesten bergstroom had, bruiste. Een houten trap met fraai bewerkte leuning en gladde treden verleende van uit de groote zaal, die gelijkvloers gelegen was, toegang tot de bovenverdiepingen. Er was niets bekoorlijkers uit te denken dan het gezicht van die woning, waar den reiziger eene verpleging wachtte, zooals hem slechts zelden in de herbergen van Noorwegen ten deel valt.

Hulda en hare moeder betrokken dus de eerste verdieping. Daar zonderden zij zich beiden af, wanneer zij zonder gasten waren. Reeds was vrouw Hansen de trap opgeklommen, waarbij zij zich door middel van een veelkleurigen glazen kandelaar voorlichtte, toen zij zich bedacht en plotseling staan bleef.

Buiten werd toch aan de deur geklopt en eene luide stem vernomen:

»Vrouw Hansen! Vrouw Hansen!” riep zij.

Vrouw Hansen daalde de trap weer af. Haar gelaat teekende blijkbaar nieuwsgierigheid.

»Wie kan nog zoo laat komen?” mompelde Hulda zacht en op vreesachtigen toon.

»Dat vraag ik mij al af,” antwoordde hare moeder, die ook ongerust scheen.

»Als Joël maar niets overkomen is,” hernam het jonge meisje met gejaagde stem.

En haastig stapte zij naar de deur, die zij in een oogwenk openmaakte.

Daar stond een jonge borst—een van die knapen, die het beroep van skydskarl uitoefenen, een beroep dat daarin bestaat zich aan het achterste gedeelte der karretjes vast te klemmen om zoo mede te draven, ten einde het paard naar de vorige verspanningsplaats, wanneer van trekdier verwisseld moet worden, terug te kunnen voeren. Die knaap stond, toen de deur openging, rechtop op den drempel en nam met vriendelijk gebaar zijne pet af.

»Wat verlangt ge op dit uur?” vroeg Hulda.

»Vooreerst u goedenavond te wenschen,” antwoordde de knaap, beleefd groetend.

»Is dat alles?” vroeg het meisje den groet met een hartelijken glimlach beantwoordende.

»Neen.”

»Wat dan nog?”

»Neen, dat is niet alles; maar nietwaar, ik moest toch beginnen met beleefd te zijn.”

»Volkomen juist. Maar wie zendt u? Gij hebt gegroet, spreek nu! Dan geschiedt alles op zijn beurt.”

»Ik kom vanwege uwen broeder Joël.”

»Joël?.... Wat is er met hem?” vroeg vrouw Hansen op zeer angstigen toon. »Spreek, wat is er met hem?”

Zij trad naar de deur met dien langzamen en afgemeten pas, die den gang der bewoners van Noorwegen kenschetst. Dat er kwikzilver in de mijnaderen van hunnen bodem aanwezig is, kan mogelijk zijn; maar in de aderen van hun lichaam wordt het niet of slechts bij wijze van sporen aangetroffen. Zij zijn de kalmte en bezadigdheid verpersoonlijkt.

Het antwoord van den skydskarl had toch eenige aandoening in het moederlijke hart teweeggebracht, want vrouw Hansen herhaalde hare vraag eenigermate onstuimig.

»Wat is er met Joël?.... Is hem iets overkomen?.... Spreek dan toch, mijn jongen!”

»Dat hem iets overkomen zou zijn?.... Dat weet ik niet. Maar wel weet ik, dat hij iets gekregen heeft.”

»Wat?”

»Een brief, dien de postbode van Christiania uit Drammen heeft meegebracht.”

»Komt die brief uit Drammen?” vroeg vrouw Hansen met gedempte stem.

»Dat weet ik niet,” antwoordde de knaap. »Alles wat ik weet is, dat Joël niet voor morgen terugkeeren kan en dat hij mij naar u toegezonden heeft, om u dezen brief over te brengen.”

»Er is dus haast bij?” vroeg Hulda vrij bedremmeld. »Zeg, is er haast bij?”

»Dat schijnt zoo.”

»Geef op,” zei vrouw Hansen op een toon, die genoegzaam eene vrij hevige onrust aanduidde.

»Zie, hier is hij,” antwoordde de knaap, terwijl hij den brief toonde, »geheel zindelijk en niet gekreukt. Maar....”

»Maar wat?... Geef dien brief toch over, jongen. Hoort gij niet?”

»Maar hij is niet voor u bestemd.”

Het was alsof vrouw Hansen gemakkelijker kon ademen, na het vernemen van dat bericht.

»En voor wie is hij dan bestemd?”

»Voor uwe dochter. Ziehier. Lees dit adres maar:

Aan Mejuffrouw Hulda Hansen te Dal.

»Voor mij!” riep Hulda uit. »O, het is een brief van Ole, daar ben ik zeker van, een brief die over Christiania gekomen is. Mijn goede broeder, wetende hoeveel genoegen hij mij verschaffen zou, heeft mij niet noodeloos willen laten wachten. Dat vind ik heerlijk! Geef hier, jongen!”

Hulda had den brief aangenomen. Zij greep toen den kandelaar, die op de tafel geplaatst was, lichtte zich bij en herlas toen het opschrift.

»Ja!” riep zij, »de brief is van hem!... Ja, van hem!... O, dat hij toch de tijding moge bevatten, dat de Viken op de terugreis is! Dat zou nog heerlijker zijn!”

Inmiddels had vrouw Hansen, die de vreugde van hare dochter met welgevallen waargenomen had, den jongen gevraagd:

»Komt ge niet binnen, jongen? Daar is een stoel, neem plaats bij het vuur.”

»Een minuut slechts, om wat uit te blazen en mij wat te warmen,” antwoordde de skydskarl.

»Hebt ge zoo weinig tijd?”

»Ik moet hedenavond te huis zijn, omdat ik besproken ben om morgenochtend heel vroeg een karretje te begeleiden.”

»Welnu, zeg dan aan Joël, dat ik van plan ben hem op te zoeken. Hij kan mij verwachten.”

»Wanneer? Morgenavond?”

»Neen, in den ochtend. Hij moet Moel niet verlaten, zonder mij gesproken te hebben. Wij zullen dan te zamen naar Dal terugkeeren.”

»Dat 's afgesproken, vrouw Hansen.”

»Wilt gij een borrel brandewijn? Die zal bij dit frissche weer smaken. Wilt ge?”

»Met genoegen, vrouw Hansen, en ik ben u zeer dankbaar voor het aanbod.”

De knaap was de tafel genaderd, en vrouw Hansen reikte hem een glaasje van dien hartsterkenden brandewijn aan, die als zeker middel beschouwd wordt tegen de schadelijke invloeden van de avondnevelen. Hij slurpte tot den laatsten droppel op, zette het glaasje op de tafel neer en zei eindelijk:

»God aften.

»God aften, mijn jongen!” was het antwoord der goede vrouw. »God aften!

God aften is de Noorweegsche avondgroet. Hij wordt hartelijk maar eenvoudig gewisseld, waarbij zelfs geen hoofdknik te pas komt. Zoo ook handelde de skydskarl.

De jonge borst vertrok toen, onbekommerd over het lange eind weegs, dat hij af te leggen had. Zijne voetstappen waren weldra niet meer waar te nemen, verdoofd als zij werden onder het ontluikende loof der boomen, dat het pad begon te belommeren, hetwelk langs den bergstroom voerde. Een deuntje, dat hij lustig floot, werd evenwel nog lang vernomen.

Hulda beschouwde nog steeds den brief van Ole en scheen niet gehaast te zijn den omslag open te maken. Daar was wel reden toe. Men bedenke toch. Dat zwakke papieren omhulsel had den geheelen Atlantischen Oceaan, die overgroote wereldzee, waarin zich de rivieren van Westelijk Noorwegen uitstorten, moeten oversteken om haar te kunnen bereiken. Met de meeste aandacht bekeek zij de verschillende postzegels, die er opgeplakt en de poststempels, die er op afgedrukt waren. Die brief was den 15den Maart te Sint Johns in de bus gegleden en kwam eerst op den 15den April te Dal aan. Hoe, het was reeds een maand geleden, dat Ole dien brief geschreven had! Hoevele gebeurtenissen hadden gedurende die maand in de omstreken van New-Found-land—naam, dien de Engelschen aan het eiland gegeven hebben, hetwelk de Franschen Terre Neuve heeten—kunnen plaats grijpen! Men was nog in het wintertijdvak, niet ver verwijderd van de nachtevening. Die vischterreinen zijn, wat de gesteldheid der zee betreft, de slechtste der wereld, waar de meest geduchte windvlagen heerschen, die van af de Noordpool ongehinderd over de vlakte van Noord-Amerika waaien! Het visschersberoep is daar een zeer moeielijk en uiterst gevaarlijk baantje. En Ole had dat beroep gekozen! Maar waarom? Was het niet om de winsten aan haar, aan zijn verloofde, thuis te kunnen brengen, aan haar met wie hij bij zijne terugkomst in het huwelijk zou treden! Arme Ole! Wat vertelde hij toch in dien brief? Ongetwijfeld het eeuwige liedje: dat hij Hulda steeds liefhad, zooals Hulda hem steeds zou liefhebben, dat hunne gedachten in weerwil der afwezigheid, in weerwil van den afstand, die hen scheidde, in elkander smolten en dat hij naar den dag smachtte, die zijne aankomst te Dal zou verlichten! De brieven van geliefden zijn toch veelal uiterst eentonig.

Siegfrid Helmboë.

Ja, dat alles moest hij schrijven, Hulda was er verzekerd van; maar... wellicht voegde hij er bij, dat zijn terugkeer aanstaande was, dat de tocht ter vischvangst, die de Bergsche zeelieden zoover van hun geboortegrond voerde, zijn einde naderde. Misschien berichtte Ole, dat de lading in de Viken gestuwd was, dat het schip zeilreê lag en dat de laatste Aprildagen niet voorbij zouden snellen, zonder dat beiden in dat gelukkige huis van het Vestfjorddal vereenigd zouden zijn? Misschien verzekerde hij haar, dat de dag reeds vastgesteld kon worden, dat de predikant van Moel zoude komen om hunnen echt in te zegenen in de bescheiden houten kapel, waarvan de toren boven een dichte groep boomen uitstak en die op weinige honderden schreden van de herberg van vrouw Hansen gelegen was. Hare gedachten dwaalden al meer en meer af, en het zou onmogelijk zijn om weer te geven, wat in dat brein omging.

Hij slurpte tot den laatsten droppel op. Blz. 6.

Om evenwel te weten te komen, wat in dien brief stond, was het eenvoudig voldoende om den omslag te openen, den brief er uit te halen, hem te lezen, zelfs door de tranen heen, die de smart of de vreugde in hare oogen zoude doen opwellen. En ongetwijfeld zou een meer ongeduldig meisje dan Hulda was, bijvoorbeeld eene dochter van de provincie Dalecarlië, of eene dochter van Denemarken of van Nederland, met hare toch bij uitstek zoo koelbloedige geaardheid, reeds geweten hebben, wat de jeugdige Noorweegsche nog niet wist! Maar Hulda droomde en, zooals men weet, worden de droomerijen niet afgebroken, voordat God wil, dat ze eindigen zullen. En hoe dikwerf, helaas! betreurt men den droom, omdat de werkelijkheid daartegenover in den regel zoo ontnuchterend is!

»Hulda, lieve dochter,” vroeg toen vrouw Hansen belangstellend, »die brief, welke uw broeder u toegezonden heeft, is wel degelijk een brief van Ole, nietwaar?”

»Ja, moeder, ik heb zijn handschrift herkend. Die brief is van hem. Ja, van hem!”

»Welnu, gij schijnt niets nieuwsgierig. Wilt gij tot morgen uitstellen om hem te lezen?”

»Neen, moeder... maar...”

Hulda bekeek voor de laatste maal den omslag. Het was alsof die poststempels een soort betoovering op haar uitoefenden. Daarna brak zij hem evenwel zonder overhaasting open, en bracht een brief te voorschijn, die met veel zorg geschreven was, en las het navolgende:

Saint-Pierre Miquelon, 17 Maart 1882.

»Dierbare Hulda!

»Gij zult voorzeker met genoegen vernemen, dat onze visschersbedrijvigheid zeer voorspoedig is geweest, en dat zij binnen weinige dagen afgebroken zal worden. Wij zijn het einde van den tocht nabij. O, hoe gelukkig gevoel ik mij, dat ik na een lang jaar van afwezigheid naar Dal zal kunnen terugkeeren, om daar de eenige verwanten, die ik bezit en die ook de uwen zijn, weer te zien. Zie, ik durf aan het oogenblik van weerzien niet denken.

»Mijn aandeel in de winst der vischvangst is prachtig. Dat komt goed te pas om ons huishoudentje op te tuigen, nietwaar? Aan de heeren gebroeders Help, onze Bergsche scheepsreeders, is medegedeeld, dat de Viken waarschijnlijk tusschen den 15den en 20sten Mei terug kan zijn. Gij moogt mij dus tegen dat tijdstip, dat nog maar eenige weken verwijderd is, verwachten. O, dat ik de dagen toch vleugelen kon verleenen!

»Waardste Hulda, ik hoop u nog schooner weer te vinden dan gij reeds bij mijn vertrek waart, en dat daarbij u en uwe goede moeder eene blakende gezondheid deelachtig moge zijn. Diezelfde hoop uit ik ook voor mijn wakkeren en koenen makker, voor mijn neef Joël, uwen broeder, die, ik ben er overtuigd van, verlangend is ook mijn broeder te worden.

»Als gij dit schrijven ontvangt, moet gij mijne hartelijke groeten aan vrouw Hansen overbrengen. Ik zie haar van hier in haar houten leuningstoel in de groote zaal naast de kachel gezeten. Verzeker haar, dat ik haar dubbel liefheb, eerst en vooral omdat zij uwe moeder is, en verder omdat zij mijne moei is. Zult gij die boodschap niet vergeten? Zij is zulk eene goede, brave vrouw, die ons aller liefde overwaardig is.

»Maak nu vooral geen omslag, om mij tot Bergen te gemoet te komen. Het is toch mogelijk, dat de aankomst van de Viken eerder geseind wordt dan ik hierboven mededeelde. Maar wat er ook moge gebeuren, vier en twintig uren nadat ik ontscheept zal zijn, zal ik te Dal zijn aangekomen, daar kan mijne dierbaarste Hulda verzekerd van zijn. Wees evenwel niet te zeer verbaasd, wanneer ik vroeger mocht aankomen. Gij zult wel kunnen begrijpen, dat het ongeduld om bij u te zijn, mij geen oogenblik rust zal gunnen.

»Wij zijn door veel slecht weer onbarmhartig heen en weer geschud geworden gedurende dezen winter, die wel de ongunstigste geweest is, welken onze zeelieden in eene lange reeks van jaren hebben doorgestaan. Gelukkig was er veel kabeljauw op de vischplaten aanwezig. De Viken heeft eene lading van vijf duizend centenaars aan boord, die te Bergen afgeleverd moeten worden, en die door de bemiddeling van de heeren gebroeders Help verkocht zijn. Het belangrijkste voor u allen is, nietwaar, dat wij geslaagd, en de winsten goed te noemen zijn, vooral voor mij, die mijn aandeel met niemand te deelen heb.

»Bovendien, al breng ik geen vermogen te huis, zoo beheerscht mij toch het denkbeeld, of beter ik heb er een voorgevoel van, dat dit vermogen mij bij den terugkeer wacht. Ja! een vermogen... zonder het geluk daarbij te rekenen! Hoe dat in zijn werk zal gaan? vraagt ge wellicht. Dat is mijn geheim, waardste Hulda, en gij zult mij vergeven, nietwaar, dat ik voor u een geheim heb. Wees evenwel gerust, het is het eenige, dat ik u daarenboven zal mededeelen... Wanneer... Ja, dat is de vraag. Welnu, wanneer het geschikte oogenblik gekomen zal zijn;—vóór ons huwelijk, wanneer dat door eene onvoorziene omstandigheid uitgesteld zou moeten worden;—daarna, wanneer ik op den bestemden tijd wederkeer, en wanneer gij dan in de week, volgende op mijne terugkomst te Dal, mijne vrouw geworden zult zijn, zooals ik dat vurig wensch.

»Ik omhels u, waarde Hulda. Ik draag u op, om voor mij vrouw Hansen en mijn neef Joël te omhelzen. Ik kus in gedachte uw voorhoofd, waaraan de schitterende Telemarksche bruidskrans een stralenkrans als aan eene heilige zal verleenen. Nogmaals vaarwel, waarde Hulda, vaarwel!

»Uw liefhebbende bruidegom
Ole Kamp.”

II.

DE HERBERG VAN VROUW HANSEN.

Dal is een onaanzienlijk plaatsje en bestaat slechts uit eenige huizen, waarvan sommige langs den weg, die niet meer dan een voetpad genoemd mag worden, geschaard staan; terwijl de andere op de naburige berghellingen en nokken verrijzen. Zij staan alle met hun voorgevel naar het Vestfjorddal gekeerd, met hun achtergevel naar de heuvelenrij, die ten noorden den gezichteinder afsluit en aan welker voet de rivier de Maan stroomt. Het geheel van die gebouwen bij elkander beschouwd, zoude een der gewone gaards, zooals zij in dat land aangetroffen worden, vormen, wanneer het onder het bestuur van één landeigenaar of van een algemeenen pachter gestaan had. Maar kan de plaats geen aanspraak maken op den naam van gehucht, dan toch op dien van vlek. Eene kleine kapel, die in 1855 gebouwd werd en waarvan de gevel van vensters met kleine glasruiten voorzien is, verheft zijn kleinen vierkanten toren, die evenals het geheele gebouw uit een houten getimmerte bestaat, boven de loofkruinen der boomen. Hier en daar zijn over de beekjes, die zich naar de rivier spoeden, overlaten in ruitvormige bouworde, welker tusschenvakken met bemoste steenen aangevuld zijn, aangebracht. Iets verder wordt het geknars vernomen van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen, die door woeste bergstroomen in beweging gesteld wordt en een rad bezigt om de zaag op en neer te bewegen en een tweede om den te bewerken balk vooruit te brengen.

Op een korten afstand gezien, is het alsof èn de kapel, èn de houtzaagmolen, èn de huizen, èn de hutten, in een dicht waas gehuld zijn door het sombere groen der dennen en het nog minder levendige der berkeboomen, die zich, hetzij alleen staande, hetzij in groepen, van af de kronkelende oevers der Maan tot nabij de toppen van de hooge bergen van het Telemarksche op de hellingen verheffen. Het is alsof een groene wand dat bekken omgeeft, die de meest uiteenloopende schakeeringen vertoont.

Zoo is het vlek Dal, frisch en vroolijk met zijne schilderachtige woningen, welker buitengevels meestal met zachte kleuren prijken, zooals lichtgroen of zacht rose, maar waaronder er ook zijn, die met schelle kleuren, zooals met schitterend geel of vuurrood beschilderd zijn. De daken bestaan gewoonlijk uit berkenschors, en zijn met groene zoden belegd. Deze worden tegen den herfst behoorlijk gemaaid, en zijn in den regel met natuurlijke bloemen beplant, wat den prettigen en bevalligen aanblik nog verhoogt.

Dat alles stelt een heerlijk geheel daar, hetwelk het plaatsje tot een der bekoorlijkste plekken der aarde maakt. Om de lezers nu verder behoorlijk op de hoogte te brengen, moeten wij nog mededeelen, dat Dal in het Telemarksche gelegen is, dat het Telemarksche een onderdeel van Noorwegen uitmaakt en dat Noorwegen het Noordsche Zwitserland is, Zwitserland verrijkt met ettelijke duizenden fjords, die de zee veroorloven om diep het land in te dringen, aan den voet der bergen te komen brullen en breken, wanneer de westerstormen ontketend zijn en den Atlantischen Oceaan in beroering brengen.

Het Telemarksche is gelegen in dat gedeelte van de onmetelijke retortkolf, die Noorwegen tusschen de steden Bergen en Christiania vormt. Dat Baljuwschap, hetwelk een onderdeel van de provincie Batsberg is, bezit bergen en gletschers evenals Zwitserland; maar, daarom is het Zwitserland nog niet. Het heeft grootsche watervallen evenals Noord-Amerika; maar, daarom is het Noord-Amerika nog niet. Het kan op landschappen wijzen met geschilderde huizen en met bewoners, die van optochten houden in veelkleurige kleederdrachten, behoorende tot eene vroegere eeuw, evenals de inboorlingen van Nederland; maar, daarom is het Nederland nog niet. Het Telemarksche is meer en beter dan dat alles. Het is het Telemarksche, dat wil zeggen: eene wellicht eenige landstreek door de natuurlijke schoonheden, welke zij omvat. De schrijver dezer vertelling heeft het genoegen gehad haar te bezoeken. Hij heeft haar doorreisd, gezeten in een karretje, getrokken door paarden, die aan de bespanningsplaatsen verwisseld werden, wanneer er namelijk voorhanden waren. Hij heeft er zoo'n bekoorlijken en dichterlijken indruk van gekregen, de herinnering aan die lieve landstreek is hem zoo dierbaar geworden en zoo levendig bijgebleven, dat hij alles er voor geven wilde, wanneer hij dit verhaal met die herinnering als het ware kon doorweven.

In het jaar 1862, waarin deze geschiedenis plaats vond, werd Noorwegen nog niet doorsneden door de spoorbaan, die den reiziger thans veroorlooft om van Stockholm over Christiania naar Drontheim te stoomen. Thans bestaat er als het ware een onmetelijke rail-band, die de beide Scandinavische landen vereenigt, die daarom nog niet zeer geneigd zijn, om een gemeenschappelijk staatkundig leven te aanvaarden. Te veel uiteenloopende belangen scheiden die beide rijken, die toch eene geografische eenheid uitmaken.

Maar al reist de toerist ook sneller, gezeten in den waggon van die spoorbaan, dan wanneer hij van zoo'n karretje gebruik maakt, zoo moet als betreurenswaardige tegenstelling daarvan erkend worden, dat hij niets meer van de oorspronkelijke schoonheden van het land ontwaart. Hij mist het gezicht bij den doortocht van het zonderlinge kanaal van Gotha, in het Zuiden van Zweden gelegen, en waarop de stoombooten, van sluis tot sluis in de schutkolken opgeheven wordende, eene hoogte van driehonderd voeten overschrijden. Hij kan ophouden noch bij de watervallen van Trolletann, noch te Drammen, noch te Kongsberg, in één woord bij geen enkel der bewonderenswaardige natuurtafereelen van het Telemarksche. Het reizen met de spoorbaan geschiedt vlugger en gemakkelijker, maar heeft daardoor in Noorwegen evenals overal elders al zijn dichterlijkheid verloren.

In die dagen bestond de spoorwegbaan nog slechts op papier. Er moesten zeker nog ongeveer een twintigtal jaren voorbijsnellen, voordat men het Scandinavische rijk van de eene kuststreek naar de andere in veertig uren zou kunnen doortrekken, en voordat men naar de Noord-Kaap zou kunnen gaan, alwaar retourbiljetten voor het Beereneiland en voor Spitsbergen zouden kunnen genomen worden, met eene waarschijnlijke vertakking in de toekomst naar Nova Zembla.

Nu was Dal in die dagen—en het is te hopen, dat het dit nog lang moge blijven!—het centraalpunt, hetwelk de vreemde en Scandinavische toeristen aantrok. Deze laatsten bestonden voornamelijk uit studenten van Christiania. Vandaar konden zij uitstapjes maken door de geheele streek van het Telemarksche en het Hardangersche gebergte. Vandaar konden zij langs de vallei van het Vestfjorddal, tusschen de meren Mjös en Tin door, zich naar de bewonderenswaardige watervallen van de Rjukan begeven.

Het valt niet te ontkennen, dat er slechts ééne herberg in het vlek bestond, maar zij was wel de aantrekkelijkste, de best ingerichte die men wenschen kon, en ook wel de belangrijkste, daar zij vier vertrekken—bedenkt eens—ter beschikking van de reizigers had. En dat was, in één woord gezegd: de herberg van vrouw Hansen.

Langs de rooskleurige gevels, door een degelijk fondament van graniet voor het vocht van den bodem beveiligd, waren banken aangebracht. De balken en de vuren planken, die de muuromwanding uitmaakten, waren door den tijd zoo hard geworden, dat het staal eener bijlsnede er op omkrulde. De ruimte tusschen die nauwelijks vierkant bekapte balken, die horizontaals gewijs, den een op den anderen gestapeld waren, was dichtgemaakt of gebreeuwd met mos, vermengd met klei, zoodat zelfs de hevigste slagregen door de reten onmogelijk kon binnendringen.

Boven de vertrekken waren de plafonds in zwarte en roode tinten geschilderd, die bij de zachtere minder vroolijke kleuren der omwandingen vriendelijk afstaken. In een hoek van de zaal stond een groote cirkelvormige kachel, waarvan de pijp in den schoorsteen der keuken verliep. Hier prijkte de uurwerkkast, welks kunstig gemaakte wijzers over een geëmailleerde wijzerplaat voortgleden, terwijl de slinger iedere seconde zijn eentonig tik, tak, tik, tak liet vernemen. Daartegenover stond eene oude schrijftafel met oud geboend snijwerk versierd, daarnaast een zwaren massieven drievoet, die in ijzerkleur geschilderd was. Op een hoekplankje prijkte de traditioneele kandelaar van gebakken aardewerk, die in een drie-armige candelaber verandert, wanneer men hem omkeert. De fraaiste meubels van het geheele huis versierden deze zaal. Eene berkenhouten tafel met sierlijk gebeeldhouwd voetstuk; eene linnenkast met sluitwerk, dat geschiedkundige tafereelen voorstelde, en waarin de fraaie kleederen voor de zon- en feestdagen bestemd, gerangschikt lagen; een groote leuningstoel, hard en stijf als eene kerkbank; de stoelen in geschilderd hout; een boerachtig spinnewiel, in groene tinten opgeschilderd, die helder afstaken bij de roode japonnetjes der spinsters. Verder hier en daar een pot om de boter te bewaren, de tabakspot en de snuifrasp van gesneden been. Eindelijk bevond zich boven de deur, die toegang naar de keuken verleende, eene breede plankenstelling, waarop eene menigte koperen en tinnen keukengereedschappen, alsmede schotels en borden, zoowel van porselein en aardewerk als van hout, alle met levendige kleuren versierd, vroolijk ten toon gesteld waren. Verder bevonden zich daar ook nog op, een kleine ronde slijpsteen, die half verscholen lag in zijn overtrek, dat wel ietwat op een slakkenhuisje geleek, en een oude beker, die wel voor kelk had kunnen dienen. En welke liefelijke en leerrijke omwandingen omvatte die zaal. Zij bestonden uit gespannen tapijtwerk op linnen, dat onderwerpen uit den Bijbel voorstelde, die met de levendigste kleuren voorgesteld, maar daarom niet minder verdienstelijk waren.

De kamers, voor de reizigers bestemd, waren wel is waar eenvoudiger, maar boden toch ook alle gemakken aan. Zij waren ook netjes gemeubeld en blonken van zindelijkheid. Aan de vensters prijkten behalve heldere gordijnen ook festoenen van frisch groen, hetwelk van het zodendak afdaalde. De bedden met hunne sneeuwwitte lakens en hun verhemelte, waarop texten uit het Oude Testament met gele letters op een rooden grond gesteld waren, bestonden uit matrassen, die een frisch weefsel van »akloeda” tot beddetijk hadden.

Wij mogen ook niet vergeten, dat de vloerplanken, zoowel van de groote zaal als van de kamers gelijkvloers en op de eerste verdieping, bezaaid waren met kleine takjes van berken, dennen en jeneverboomen, welker bladeren het huis met hunne frissche en opwekkende geuren vervulden.

Zou er eene bekoorlijker posada in Italië of eene verlokkender fonda in Spanje te bedenken zijn?

Neen, waarlijk niet. En wat ook niet te versmaden was, de toeloop van Engelsche toeristen had er—althans in dien tijd—de prijzen nog niet zoodanig doen stijgen, als dat in Zwitserland het geval is.

Te Dal heerschte toen nog niet het pond sterling, het gouden pond, dat zoo spoedig de beurs des reizigers ontglipt. Neen, het grootste muntstuk was en is er nog de speciedaalder. Die is van zilver en heeft eene ietwat grootere waarde dan de Nederlandsche rijksdaalder. Maar het meest komen in aanmerking de onderdeelen van die munt, te weten de mark, die eene waarde vertegenwoordigt van een halven gulden en de koperen schelling, die niet met den Engelschen schelling mag verward worden; want vertegenwoordigt deze laatste eene waarde van zestig centen, gene staat slechts met een halven stuiver van onze munt gelijk. Ook werd er nog niet de pedante banknoot aangetroffen, waarvan de toeristen zoo veel gebruik en misbruik maken. Thans zijn er witte bankbiljetten van één, blauwe van vijf, gele van tien, groene van vijftig en roode van honderd speciedaalders in omloop. Bestonden er twee soorten meer, dan ware er een regenboog van te vervaardigen!