The Project Gutenberg eBook of In de Hollandsche Branding
Title: In de Hollandsche Branding
Een Jongensboek van de Zee
Author: Jan Feith
Illustrator: Pieter Das
Release date: March 20, 2024 [eBook #73212]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Scheltens & Giltay, 1917
Credits: Produced by R.G.P.M. van Giesen
IN DE HOLLANDSCHE BRANDING
IN DE HOLLANDSCHE
BRANDING
EEN JONGENSBOEK VAN DE ZEE
DOOR
JAN FEITH
ILLUSTRATIES EN BANDTEEKENING
VAN
PIETER DAS
AMSTERDAM -- SCHELTENS & GILTAY
EEN WOORD VOORAF!
O!... Jongens, die zee!...
Ben jullie even dol op de zee als ik?
Voor mij is ze aanbiddelijk!
Ik aanbid de zee met een diepe vereering, met een kinderlijk ontzag, met een geheim verlangen, met de vrome liefde als tot iets hoogers...
Elken keer, dat ik weer naar zee ging, voelde ik 't als een blijdschap, als een goede boodschap!
Het is wel natuurlijk, dat ik meer dan eens tot de zee mocht uitgaan. Als je schrijver van je beroep bent, zooals ik, dan is het van-zelf-spre-kend, dat je pad niet steeds leidt langs de glad-geëffende banen van het aard-oppervlak. Even goed als je je soms in een vliegtoestel wel hebt te verheffen boven de aarde en boven het onderwerp, dat je te beschrijven zult hebben voor krant of boek, — even goed moet je er niet tegen opzien, je in te schepen, hetzij aan boord van het bottertje van een Zuiderzee-visschersman, dan wel in het gevolg van H.M. de Koningin, wanneer deze een bezoek gaat brengen aan een harer oorlogschepen op de reede; hetzij het een proeftocht geldt met de nieuwe reddingboot van Nieuwediep, dan wel of je moet afdalen in de nauwe en duistere diepten van een onzer onderzeeërs; hetzij je als vacantie-uitstapje een reis-om-de-wereld maakt, met minstens een viertal groote wereld-zeeën onderweg, dan wel of je naast je schippertje staat kringetjes te spuwen in het water, samen zeilende op een gemoedelijk kruistochtje langs onze prachtige Nederlandsche wateren; hetzij het toeval je in aanraking brengt met een merkwaardig oud type, die in zijn tijd, een halve eeuw geleden, jongens! in Japan een der groote heldendaden onzer Nederlandsche marine meevocht, dan wel of zoo'n verweerde zeerob uit Den Helder je staat te vertellen de zelf doorleefde gebeurtenissen van zijn half duizend geredde menschenlevens, bij minstens een vier dozijn schipbreuken.
In dezen eigenaardigen tijd moet iemand zich geschikt trachten te maken, om onder de meest ongewone omstandigheden te kunnen mee doen. We moeten alle ons zelven, en ook elkaar, wat zien te ontbolsteren. Wie weet wat het lot met ons voor heeft? Wie zal jullie vooruit zeggen, waar je nog eenmaal je leven zult hebben te leven?
Weet iemand welke hemelstreken hem later tot verblijf zullen strekken? Alle elementen zullen hem vertrouwd moeten zijn. Aan vele haarden zal hij wellicht zijn beenen eens moeten uitstrekken. Wie zegt, of zijn levenslot hem niet beschoor, dat hij op velerlei legersteden in de vier windstreken eenmaal zijn rust zal hebben te zoeken! En onder welken hemel der vijf werelddeelen zal hij straks het eigen dak moeten spreiden?
Moeten we dan niet vroegtijdig ons vertrouwd leeren maken juist met de zee?
Is niet de zee een der voornaamste deelen van de wereld?... Leeft en werkt men niet op zee?... Is niet de zee de voornaamste grens van ons Nederland?... Was niet de roem, en is niet de hoop van ons land de zee?.... Was niet telkens weer de zee de grootste verschrikking van ons bedreigde vaderland?... En tegelijk, is er iets wat wij onstuimiger liefhebben dan diezelfde zee?
O! als ik lees in oude of in nieuwe boeken van zeereizen, dan wil ik dadelijk zèlf de zee op. Wanneer ik sta bij winter of zomer aan het fel-bewogen of stille strand, dan overvalt me telkens weer als iets onweerstaanbaars die drang naar de zee.
En steeds weer verlang ik er naar, dit groote, geheimzinnige, lokkende, alles-belovende, wijde water te bevaren!
Zoo ben ik wel een weinig de zee gaan leeren kennen. Ik weet van onze eigen zeeën; onze prachtige, roerige Noord-Zee, maar ook, midden in ons land, die soms zoo drieste Zuider-Zee. Ook andere zeeën heb ik leeren kennen, vele andere, en oneindig veel grootere dan die daar achter de onze liggen; zoo aanschouwde ik daarginds ook nieuwe, vreemde, schoone landen, gelegen aan de bonte, volle, weinig bekende stranden dier zeeën.
En nu wilde ik mijn Nederlandschen jongens van dit alles gaan vertellen, een verhaal van hier, een herinnering van daar.
Weet jullie welke bedoeling ik daarmede heb? Slechts deze:
Ik wil jullie óók wat van mijn liefde voor de zee schenken; ik wensch, dat al onze Nederlandsche jongens de zee kennen; ik verlang, dat er niet één van jullie zal zijn, die niet heeft leeren begrijpen welke banden ons land aan de zee binden.
En om jullie, Nederlandsche jongens, wat nader te brengen tot die zee, daarom schreef ik voor jullie mijn jongensboek van de zee.
Dorus Rijkers heeft me aan het Heldersche station van den ochtendtrein afgehaald. Hij droeg een paar medailles op z'n jas geprikt, want daaraan zou ik hem — zooals hij me had geschreven — herkennen; .... alsof je zoo'n ruigen ringbaard, zoo'n zeewolf op z'n Zondagsch, zoo'n verweerden zeerob, die daar heel ongemakkelijk op zijn te nauwe bottines te schommelen staat, niet zonder dàt in zicht zou gekregen hebben!
Dorus Rijkers — die officieel Theodorus heet maar op straat door elken kwajongen en lichtmatroos van Nieuwediep met "Opa" wordt aan geroepen — heeft me door Den Helder geloods naar de haven, waar, in een net steenen huisje de reddingboot ligt van de "Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij."
Dorus Rijkers heeft me daarna heel de stad door gekoerst naar zijn huisje achter den hoogen zeedijk; daar ligt-ie bij z'n getrouwde dochter in den kost, heel knap, heel best, heel naar het genoegen van den ouwen man, — zoolang 't met de verdiensten wat meevalt. Want zonder nu te willen weeklagen, sta je toch raar te kijken, hoe zoo'n kerel, met 'n veertigtal reddingen op z'n naam, met een rits medailles en getuigschriften, op z'n ouwen dag nog moeite heeft, met de vletterij uit 't water z'n eerlijke boterham op te halen.
Dorus Rijkers heeft me ook op stap genomen den hoogen zeedijk langs, me daarover gekuierd, verrekijker in de hand, en dan weer dat ding voor m'n oogen gehouden, om me 'n indruk te geven van den toestand buitengaats, ja, eigenlijk daar vlak voor je. 'n Zacht kabbeltje van golfslag tegen den steenen dijkvoet, maar wijders 'n glad, bijna rimpelloos water, van dezen kant tot den verren overkant, waar 't bij helderen winterdag wit schemert van Texels strand; en verder naar buiten — "zie je die boei? en daarachter die tweede? ... daar ligt 't vaargat tussche door!" — zoover als je kunt kijken met 't bloote oog, is dat nu 'n vriendelijke, gladde zee.
Als hij je niet gewezen had met z'n hand, en je daarbij den kijker niet voor je oogen had gedrukt, om de goeie richting voor je vast te stellen, dan zou je niet eens gelet hebben op zoo'n enkelen onrustigen golfslag over het verre water, in den vaargeul tusschen den dijk en het overliggende strand van Texel — "dat is nou die Onrustplaat" — en nog verder buitengaats, tegen den lichten horizon, een verre smalle schuimlijn — "en gunder daar dat zijn nou die Haaksgronde, waar je wel van gehoord mot hebbe?"
"Niet genoeg!" zei ik; "daarom is 't me juist te doen, schipper... En hoe haal je ze daar met je reddingboot af?... En hoeveel schepen heb je daar al aan den grond zien zitten?.... En hoeveel man heb je er wel in den storm van hun verongelukte schuiten opgepikt?"
Toen is hij uit zich zelf gaan vertellen.
In het schuitenhuis van de reddingboot vertelde hij al, terwijl hij de reparatie van de boot inspecteerde na den laatsten knauw, die dat ding had opgeloopen bij de redding van de bemanning van de ELFRIEDE; nog niet zoo lang geleden, 't was half Januari geweest.
Hij vertelde al, terwijl we daar langs den hoogen, kouden dijk scharrelden, om zicht te krijgen, door den kijker, op wat er nog te zien lag aan wrakken op de verre Haaksgronden.
Thuis vertelde hij nog door, in den familiekring gezeten, theeblad gezellig op tafel, van sigarenwalm de kamer vol; en Rijkers, telkens deftig z'n bril op den neus geschoven, als z'n dochter 't beter wou weten, omdat die netjes en trouw, met jaartal en scheepsnaam, van al zijn reddingen aanteekening had gehouden op 'n pampier.
De schipper van de reddingboot vertelde:
"... Eerst kan ik je dat wel vertelle van de "Turbo"... Dat 's al weer wat jaartjes gelee', in de winter van 1908... Die liep z'n eige vast op de Noorder Haaks... Toen 't bericht uit de vuurtore van Huisduin aan de have van Nieuwediep was overgebracht, hadde de twee sleepboote al stoom op, en al m'n jonges al in de reddingboot... 't Was zoo'n vuile nacht — afijn, met mooi weer heb ik ze d'r nooit hoeve af te hale! — en donker als de hel... Maar nou mot je 's luistere wat dan zoo'n groot schip van 6000 ton waard is, as de zee 'm goed in z'n body te pakke hèt!.... Laat dat schip nou 's avonds om zeve uur gestoote hebbe, en late we nou om half nege uur op sleeptouw van de "Atlas" naar buite gegaan zijn... Toen we d'r om 'n uur of nege in de buurt van de "Turbo" zitte — want 't is nog 'n knap eind van de have naar de Haaksgronde — toen leit me die kanjer van 'n schuit al in twee!... Maar nou mot je me geloove, zooas ik je ankijk: niet gewoon met 'n barst over z'n buitewand, maar gebroke in twee stukke, twee losse helfte, zoodat m'n manne en ik denke, datte d'r daar twee schuite met mekaar in aanvaring zijn geweest en dwars op mekaar vast zitte... Maar nog geen half uur later hêt de zee de twee helfte zoetjes opgenome, en zet ze 'n twee honderd meter van mekaar... Is maar om je 'n aperpoo te geve van wat zoo'n stormzee uit 't noordwest kàn!
"Kortom, we zitte daar zoo effe te koekeloere, omdat op allebei die halve schepe nog mensche aan boord ware. De "Atlas" houdt er z'n zoeklicht op, en we zien op allebei de dekke zoo'n troepje manne... Toevallig ligge we 't dichtst bij 't wrak, dat 't voorschip geweest mot zijn; we lage met de sleepboot bove de wind en bezuie de stroom... En meteen vechte we de reddingboot door de branding heen.... Daar sting me 'n zee, brokke water als stadhuize... 'Maar we rake bij 't wrak, en prakkiseere 'n lijntje aan boord... We werke om m'n eigen boot vrij te houe, want dat is de heele foef, om je eige gevaar geen moment uit 't oog te verlieze ... — want als je boot lek slaat op zoo'n wrak, nou, dan benne niet alleen die andere drenkelinge, maar dan ben je met je eige volk ook verkouwe!... —
Langs de lijn hale we d'r acht binne onze reddingboot, stokers en olielui... "Wat stinke jullie naar de petrolie," snuif ik zoo. We dachte, dat ze olie op de golve hadde gestort.... Maar 't bleek 'n Engelschman te zijn, die van Rusland voer met tanklading petrolie, en door 't breke van de schuit dreef me daar de zee vol van die stinkolie... Tussche twee haakjes: we hebben in De Helder veertien dage die zelfde lucht in de kokker gehouwe, en de dooie vissche en vogels lage voor 't oprape langs 't strand.
"Ik ben nog an die redding toe... Ik zal eerst die acht geredde manne an boord van de "Atlas" afzette, die 'n paar honderd vaam buiten de felle branding lei...
Maar met die gekke zee, die dol te keer gaat, krijg 'k 'n jens van de sleepboot en slaat ie met z'n kont m'n helmhout stuk, ... met schaaf an 't roer, en de helft van onze rieme an splinters, om niet te spreke van al de verdere averij... Ik krijg m'n boot toch langszij van de sleepboot en die geredde kruipe wel an boord... Maar nog acht zitte d'r op dat voorschip, en de storm wier nog kwajer... Zoo was d'r geen beginne an... Die arme bliksems moste we in de steek late, en de "Atlas" sleept onze reddingboot foelspiet naar Nieuwediep.... — "Reddingboot defek!" roept de kaptein de haven in. Hou nou toch je mond!" roep ik er overheen. "Ben ik de schipper van de reddingboot, of jij?" En in nog geen halfuur heb ik m'n schuit weer klaar... Sleept de "Atlas" ons weer naar buite... Wat zal ik je daar nou veel van vertelle?... Die andere acht krege we d'r ook af... En de zestien man van 't achter-schip wete we an boord van de "Herkulus" te scharrele... Opgeteld hebbe we 's morgens half zeve die heele ekiepaasje van de "Turbo", met geen mannetje te weinig, an de wal gebracht...
"Maar de "Rw" is de kwaaiste van allemaal geweest.... Die redding leit al weer langer terug — in 1887 — maar die staat me nog duidelijker voor m'n herinnering. En z'n eerste stuurman, die toen onder m'n ooge verdronk, die mot ik nog altijd met dat belabberde witte gezicht en z'n rooje kinbaardje voor me zien... "Help me?" riep-ie op z'n Duitsch, want 't was 'n Duitsche bark. Maar we mochte 't niet wage 'm te redde; hij was uit de mast geslage en tussche 't wrak van 't schip gespoeld, en daar mocht ik de reddingboot in zoo'n dolle zee niet tussche brenge, want aan alle kante stake de scheepsbinte als de slagtande van 'n beest in 't rond... Van dat schip was er toen al niks meer over. Ze sprake aan de wal al van 'n redding, omdat de reddingboot terug had gemotte... Ik kon er m'n manne de derde keer niet meer in krijge... "'t Is niet te doen, schipper!", zeije ze, en dat ware toch geen kinders. Toen krijg ik de jongens van de loods-leerlinge aan de rieme en we late d'r ons weer heen sleepe. Dat was de vierde tocht in drie dagen, en nog altijd hinge daar buite op de uiterste punt van de Razende Bol, wat wij de Pannekoek noeme, in de enkele mast, die nog overend stond, die laatste manne van de ekiepaasje van de "Rw". 't Was 'n driemaster, met rijst voor Hamburg; maar z'n fokkie en groote mast ware al dadelik over boord geslage. Ze hadde zich vastgebonde, zoo goed as 't ging. Ja! 'n jong van zestien jaar glee' er de laatste maal, dat we d'r aan kome, dood uit de mast; die was van pure ellende omgekomme...
Langs 'n lijntje krijg ik zoo verbinding met 'n stuk ankerketting en daar langs konne we die laatste schipbreukelinge binne de reddingboot hale... In vier tochte, met 'n drie-daagsche onverminderde storm uit noordwest, hadde we d'r dus vijf-en-twintig man levend afgehaald... En van de vorige Duitsche Keizer heb ik toen 'n gouwe horloosie met inschrift gekrege en in dat zelfde jaar ook Broeder in de Nederlandsche Leeuw... Maar ik was twee-en-zestig uur aan één stuk niet uit de kleere geweest, en alsmaar vechte tege die storm. Zoodat 'n kapitein van de mariniers me onder m'n arm neemt en me naar z'n kamer brengt en me heete koffie en 'n cognakkie te drinke geeft. Toen zou ik naar m'n huis gaan, heel aan de andere kant van de stad, bij de windinrichting; maar daar krijgt ten leste de moeiheid me te pakke. En wat met me gebeurd is weet ik niet, maar ik wor' wakker en daar staat me 'n agent van politie voor me, en ik zit op 'n stoep. — "Wat is dat nou, Rijkers?" vraagt die agent; die dacht zeker dat ik 'n stuk in m'n kraag had of dat ik daar m'n roes zat uit te slape; "waarom slaap je niet thuis?" — "Nou," zeg ik zoo, "ik ben net opweg, agent, maar 't schijnt me onder de hand te zijn overvalle." — "Vooruit maar, omdat jij 't bent!" zeit ie; hij dacht stellig dat ik sikker was, want toen ik opstond, om naar huis te gaan, waggelde ik op m'n beene... Zóó moei was ik!
"In 1893 had ik ook 'n goeie winter, want de reddingboot haalt er bij drie verschillende gelegenhede, kort na mekaar, de drenkelinge van drie schuite, die me door de storm al weer op de Haaksgronde ware gesmakt; dat ware twee Engelsche boote en een Deen. En van die laatste Engelschman, de "We", haal ik er 23 af... Toen kreeg ik 'n boodschap van 't havenkantoor, met de complimente uit Engeland "en of de schipper van de Nieuwediepsche reddingboot d'r 's wou optelle, hoeveel Engelsche hij al aan wal had gebracht?"
"Nou, wie telt dat zoo precies?... Als 't stormt met stukke water as kanonschote, en hardstikkend nacht, met die vuile, witte branding om je heen, dan kijk of vraag je niet of dat 'n Engelschman is, of 'n Duitscher!... Maar m'n dochter had 't waschlijstje bijgehouwe, en die gaat aan 't telle, en ze zeit:
"Vader, 't zijn d'r 195, die je d'r van af 1872 met je eige vlet en later met de reddingboot en Gods hulp heb magge redde..." — "Mot je me nou!" vraag ik.
Ook noemt ze me de name van al die schuite, en jawel, dat ware 'r krek 'n dozijn reddinge, die ik me stuk voor stuk scherp kon herinnere; want dat cijfer van drenkelinge zal ook wel goed zijn geweest. Toen kreeg ik weer zoo'n medalje met 'n getuigschrift... Ik had er vòòr die tijd al een van de Koning van de Belse, 't burgerkruis, ook met 'n getuigschrift, omdat we zeve man van 'n Belsche visscherschuit, de smak "Fs" — dat is geweest in 1887 — in 'n vliegende storm van de Haaks hadde afgehaald... Afijn, ik had d'r al meer van die medaljes met de getuigschrifte d'r bij, want die heb m'n dochter altijd voor de arigheid bewaard...
"Zoo is d'r een van de manne hier uit De Helder, Dirk heette-ie, en de meeste reddinge had-ie in m'n reddingboot aan de rieme gezete; die zit nou in 't Prins-Hendrik-gesticht; wel twintig of dertig groote reddinge hêt die Dirk samen met me mee gemaakt, maar niks weet-ie d'r meer van, omdat al z'n getuigschrifte weg benne... Dat 's toch jammer, want wat hou je d'r anders van over?... De premies, die zijn zoo vet niet, dat je daarvan potte kan; dat eet je onder de hand zoo op... En 'n andere herinnering als zoo'n pampier in 'n lijstje hou' je dus niet over...
"Hier heb ik 'n Italiaansche opvarende, van 'n Engelsche schuit gehaald... Dat is nog kort gelee', en de medalje van de Koning Moeder — ik had d'r al een met 't portret van 't Koninginnetje — daar staat op "Heldenmoed en Naastenliefde"; die kreeg ik in 1907 met de redding van de "Nn"...
"Die zat te rije in de storm op de Razende Bol; 37 man hale we d'r met de vlet af, en 'n kwaje redding omdat 't donkere nacht was en je dan de meeste moeite heb, met zoo'n ruwe boel om je heen, net precies te weten hòè je ze hebbe mot... As je ze niet benadere kan bòve wind en bòve stroom, laat 't dan maar... En altijd je door de sleepboot tot op 'n paar honderd vaam late trekke, en dan met de rieme of met 't zeil d'r op af, liefst dwars door de gekke branding, wat daar altijd maar op de Haaks raast.
"Met die "Nn" was 't al zóó slim, dat 't water met brokke over de luike beukte... Maar al de bemanning krijge we in de reddingboot... Hoewel niet alles in eens, snap je wel?... De groote moeite heb je trouwens om dan weer uit de buurt van 't wrak te komme en je geredde mensche an boord van de sleepboot over te zette... Nou, bij die keer dat we de laatste lading zulle gaan hale, krijg ik twee vrouwe an boord, de hofmeesteres en 'n zuster van d'r... Die sla ik 'n touw om d'r middel en ik bind ze achterin de reddingboot naast me vast... Dat ware 'n paar flinke meide... Geen kik gave ze... Want toen hebbe we nog werk gehad om ons eige lijf te berge... Daar was zóó'n geweld van water om ons heen, dat ik alleen maar de boot z'n kop recht op de zee kon houe... 't Was wel klare dag, maar zoo vuil weer, dat de sleepboot ons kwijt is... En omdat ik ook geen kans meer zie, 'm te bereike, tracht ik op eige gelegenheid m'n reddingboot tussche de Kapermeule-boei bij de Onrustplaat, en boei nommer negen van 't Westgat te loodse... Nou, dat lappe m'n jonges 'm handig, alsof 't God behaagt, zoodat we na wat tobbe weer knap alleenig thuis komme.
"Anderhalf uur later komt de sleepboot "Hercules" binne, met de boodschap, dat de reddingboot omgeslage mot zijn, want dat ie geen spoor van ons had kunne terugvinde... En zooals die keek, toen we daar al an de wal stonde... Maar wat ik je eigelijk wou vertelle van die twee vrouwe; Zweedsche ware 't, en geen woord gesproke of gelamenteerd, zoolang we daar tege de storm an 't vechte ware...
"Maar toen ze de volgende dag met de trein weg zoue gaan, beginne ze in-eens an 't station te zinge... Toen bleke 't twee vrouwelijke Heilsoldaatjes te zijn. En ter eere van de redders zonge ze voor ons 'n dankgebed an Onze Lieve Heer..."
Bestaat er nog wel één jongen ter wereld, die na dezen vreeslijksten aller schrikkelijke oorlogen te water en te land, zou gehoord hebben van een onderzee-boot?
Geen krant kun je opnemen, of er staat weer het geen of ander staaltje van kranigheid of boosaardigheid te lezen, uitgehaald door een der duikbooten van een der elkaar beoorlogende mogendheden...
Maar ik denk er niet aan, in jullie boek over de zee een beschrijving te geven van al hetgeen een onderzeeër al voor nuttigs en voor kwaads heeft uitgericht in de betrekkelijk weinige jaren, sedert dit scheepstype in gebruik is genomen.
Toch wil ik jullie jongens iets vertellen over de inrichting van zoo'n onderzee-vaarder, en als jullie naar me wilt luisteren wil ik jullie ook vertellen van een tocht, welken ik aan boord van een onzer Nederlandsche duikbooten onder water heb meegemaakt.
Eerst enkele woorden, om jullie een eenvoudig, maar duidelijk beeld te geven van zoo'n boot.
Het best laat zich een onderzeeër vergelijken met een reusachtige, holle sigaar, maar een, waarin zich menschen bevinden, om de verschillende werktuigen te bedienen en om torpedo's onder water af te schieten.
Het doel, dat deze vaartuigen beoogen, is het aanvallen van vijandelijke schepen, door, in hun nabijheid gekomen, een of meer torpedo's te schieten, of zooals de technische term luidt: te lanceeren.
Dit naderbij-komen doen ze niet openlijk, zooals de boven water varende oorlogschepen, voornamelijk dus als de eigenlijke torpedo-booten, — maar ongezien, onder-gedoken, verscholen onder het water, naderen ze tot ze kans zien, den onderwater-aanval te wagen. Zelf blijven ze dus meestal onzichtbaar en dus... ontrefbaar.
Buiten het bereik van den vijand zal echter een onderzee-boot gewoonlijk boven water varen; dan doet ze het meest denken aan het scheepstype, dat torpedoboot heet. In dit geval worden de schroeven door petroleum-motoren gedreven. Doch zoodra de boot zich heeft laten zakken onder het water-oppervlak, wordt zoo'n manier van voortbewegen bezwaarlijk; deze heeft dus plaats door middel van electriciteit.
Voordat de boot gaat duiken, wordt alles wat aan dek staat, als hekwerk, luchtkokers, enz. zooveel mogelijk opgeborgen. De bemanning, welke beperkt is tot de hoogst-noodige hulpkrachten, verdwijnt in de boot. Alle openingen worden zorgvuldig luchtdicht gesloten.
Nu wordt het water binnengelaten in een paar afzonderlijk daarvoor ingerichte afdeelingen; door het water-gewicht zinkt de boot, totdat ze bijna onder water is verdwenen. Wanneer nu de schroeven in beweging worden gebracht en de boot vooruitgaat, kan men door middel van de horizontale roeren de boot op alle gewenschte diepten onder water bewegen.
Teneinde den kapitein in staat te stellen, te zien wat er boven water voorvalt — opdat hij zich kan overtuigen of het oogenblik reeds gekomen is, om een vijandelijk schip te naderen en aan te vallen, wellicht ook of het beter is zoo'n vijandelijk oorlogschip te ontwijken — steekt boven het dek van de boot een lange buis uit. Wanneer de duikboot niet te diep onder het zee-oppervlak vaart, kan men door deze holle buis, met behulp van verschillend-gestelde lenzen en spiegeltjes, beneden in den commando-toren precies zien wat er aan de oppervlakte van het water voorvalt.
Zoo'n toestel heet — zooals elke jongen tegenwoordig wel weet, want hoeveel jongens zijn er niet, die zelfs bij hun speelgoed zoo'n ding bezitten, waarmee je, zonder zelf gezien te worden, om een hoekje kunt kijken — een periskoop.
Dit is wel een van de voornaamste hulpmiddelen voor den kapitein, om uit te kijken. Zakt de duikboot dieper onder water, zoodat ook het bovenste puntje van den periskoop onder water is verdwenen, dan moet hij op zijn kompas varen.
Verder bevinden zich aan boord natuurlijk de toestellen voor het lanceeren der torpedo's, en de verschillende machines en reservoirs, daartoe noodig. Zoodat er voor de bemanning maar heel weinig ruimte overblijft. Daarbij komt nog, dat de luchtverversching daar beneden nog al wat te wenschen overlaat. Immers, je kunt geen lucht van buiten toelaten, zoolang het vaartuig zich onder water bevindt. Dus moet men zich maar behelpen door lucht te tappen uit de aan boord zijnde luchtreservoirs, gevuld met saâm-geperste lucht.
Toch bestaat er, al die onaangenaamheden bij elkaar genomen, veel minder gevaar voor ongelukken onder dan boven water. Bijvoorbeeld is men er betrekkelijk veilig tegen stormgevaar, wanneer de boot onder gedoken is. Daartegenover staan natuurlijk weer een aantal kwade kansen, die je op een boven water varend schip niet loopt.
Over dit alles behoef ik jullie, met je voldoende ontwikkelde jongensverbeeldingskracht, niet uitvoeriger te onderhouden. Ik denk, dat jullie het veel belangrijker vindt, te lezen, hoe ik zelf eens zoo'n duiktocht meemaakte?
Ik meldde me daartoe aan de Vlissingsche haven, waar een luitenant-ter-zee onzer Nederlandsche marine, die kapitein is van de daar voor anker liggende onderzeeër, me aan de sluis opwachtte, om me dadelijk uit te noodigen, mij aan boord te begeven van dat wonderlijke ding, dat op alles geleek... behalve op een schip.
Uit het nauwe ijzeren torentje, even uitstulpend boven het glad-stalen dek, wenkte de commandant me, hem naar omlaag te volgen.
"Welkom aan boord van den "Luctor"!... en u gaat dus zoo 's mee?... en toch ook water?"
"Graag!" antwoordde ik, en nauwelijks was ik beneden, of boven onze hoofden werd op het torentje het deksel al dichtgeschroefd.
Daardoor kwam er van boven geen licht meer; boven mijn hoofd hoorde ik tegen de stalen dekplaten de pruttelende geluidjes van klotsend water. Ik begreep, dat de duikboot al zinkende moest zijn. De bevelen van den commandant volgden elkaar snel en scherp op.
Elk bevel werd door een der bemanning beantwoord.
"Midscheepstank is vol, meneer!...." — "Buitenboordskleppen zijn dicht, meneer!" — "Hoofdballast-tank is vol, meneer!..."
"De boot helt naar bakboordzijde;.... geef stuurboordzijde-tank nog wat... Is de voortank leeg?"
"Bijna leeg, meneer!" — "Zet 'm dan af." — "Ja, meneer!"
Daarna sprak niemand meer.
De motor ratelde met fellen donderrommel, zoodat de echo's met scherpen dreun langs de stalen wanden rondspookten; ... uit een hoek siste het; ... dan was het, of de haastende slagen van den motor zachter en doffer klonken; ... alle geluid scheen zich op te lossen, weg te doezelen als in een droom... Het hamerde tegen m'n slapen, omdat de saâm-geperste lucht het ademhalen bemoeilijkte; maar na een minuut of wat was ik aan dit gevoel gewend.
En nu lette ik verder uitsluitend op het groote wijzerbord, waarlangs een naald regelmatig voortschoof, dan vooruit, dan achteruit, nu eens naar het cijfer 15, dan weer terug naar de 10.
Ik wist, dat dit de diepte in voeten aangaf, waarop we nu onder water voeren. Soms helde de boot sterk naar voren, zoodat ik het lichaam mee moest laten hellen; dan wees de voorkant weer omhoog, zoodat ik achteruit moest leunen om in evenwicht te blijven. En bij elke beweging omlaag trachtte ik het onaangename gevoel van mij af te zetten, dat mijn niet meer te openen kerker voor goed, steeds lager, steeds dieper in de waterkuil gleed...
Dit duurde een half uur, een uur, anderhalf uur?... Ik weet het niet meer. Doch het scheen eindeloos. Tot dan eindelijk een korte, driftige machine-bel tingde, en dadelijk stond de motor stil. Tegelijk klonken weer de korte bevelen van den commandant naar het bedieningspersoneel.
De matrozen werkten haastig en handig; ... het siste door de dikke buizen langs de wanden; ... in de peilglazen daalde het water; ... met zenuwachtige stoten schokte de naald over het wijzerbord, dat ik nog steeds bestaarde.
Maar dan klonk er boven me, in het nauwe torentje, een zacht geknars; daar tuimelde een eerste schemerende lichtstraal van omhoog; en ook een frissche luchtstoot streek van boven tot ons neer.
Reeds klauterden de zeelaarzen van den commandant door het kokertje naar het dek; uit het tunneltje riep hij naar me, of ik hem niet wilde volgen?
Door de toren-opening stroomde die goede sterke lucht van de zee als een krachtige stortvloed omlaag; ik moest er tegenin klimmen.
Toen, vlak over den rand van het dek-torentje, zag ik haar weer: de zee!
Ze lag kalm, met stil gekartel van goud-gekamde golfjes; als een maatloos koepelend dak welfde zich daarboven de blauwe effen hemel.
En ineens stuwde het gezonde bloed naar mijn wangen terug, zoodat die koele kloeke commandant spottend naar me riep:
"Daar beken je weer kleur!... Je had straks toch geen last van zeeziekte?"
Neen, ik weet zeker, dat het ditmaal geen zeeziekte geweest was; maar ik jokte er maar liever om, en antwoordde hem, dat ik me straks een beetje onpleizierig had gevoeld. Ik zei dit maar, omdat het wat dwaas zou geweest zijn, tegenover dien wakkeren zeeofficier, over een gevoel van angst te hebben moeten spreken.
Hij liet me ook niet aan het woord.
"Zooals je hebt gezien, is er eigenlijk niets aan, om zoo'n duikpartij mee te maken aan boord van een onderzeeër!..."
Van verre kwam de torpedo-boot "Wg" full-speed op ons af; de zwarte rook-slierten joegen er achter aan.
"Weet je wat," overlegde m'n duikboot-commandant; "als je onze duikbeweging nu eens goed wilt zien, dan laat ik je aan boord van de "Wg" afzetten. Straks duikt de "Lr" nog eens voor je, en dan kun je alles van boord prachtig zien. Afgesproken?"
Reeds praaide hij den commandant van de torpedoboot, of die me wilde komen opnemen.
En zoo heb ik dan de tweede duikproef kunnen zien van af het andere schip.
Daar zag ik van het dek van den "Wg" wat er nu gebeurde aan boord van m'n onderzeeër. Eerst kwamen de matrozen uit het torentje gekropen, takelden het verschansinkje af, gaven de koperen stangen naar omlaag; dan verdwenen ze één voor één van het dekje; het laatst wipte de commandant zijn zeelaarzen over den rand van het torentje, daalde in het nauwe kokertje af. Dan sloot weer langzaam het deksel boven hem dicht.
Eenige minuten bleef de onderzeeër zoo varen, een streep van het glimmende dekje boven water, het eenzame torentje er boven-uit, met een klein vlokkig schuimkopje voor den boeg, en wat wild water achter zijn schroef. Het leek aldus een vreemd en geheimzinnig, eigenlijk een onbeheerd vaartuig, een schepping van Jules Verne, zooals dit vaartuig daar nu zonder menschelijk leven erop of erin, voort schoof door de zee.
Nu begon langzaam het torentje te zakken; het dekje was het eerst verdwenen, dan dompelde ineens het torentje onder, ... een smal wit randje, — en niets meer.
Dit duurde weer een half uur; misschien langer, wellicht korter. Het scheen me alweer een eeuwigheid...
Ik wist wat daar onder water nu gebeurde!... Ik kon ze me voorstellen, die zwijgende, moedige, kerels, ieder bij zijn eigen toestel, klaar bij de kranen en hefboomen; het turen naar de peilglazen, het staren op het wijzerbord, waarlangs de naald regelmatig voortschokte ... vooruit .... achteruit... En midden in het vaartuigje, in het nauwe torentje, de commandant, het stuurwiel in de handen, en hoe zijn bevelen kalm en kort naar beneden klinken moesten, om eentonig herhaald te worden door de matrozen en machinisten.
Ik wist immers alles wat daarginds — waar? — nu zou gaan gebeuren, te midden van het wilde gewentel der wielen en het gestamp van den motor; met den snoerenden band om de slapen, de wrange lucht in de beklemdheid van die kleine stalen gevangenis, die meters diep ergens onder de zee voort-schoot.
En ik wachtte maar, wachtte ... ergens boven de wijde eenzaamheid der zee zich iets zou vertoonen.
Toen, in-eens, vlak naast onzen "Wg", borrelde even het water, en meteen kwam het kleine torentje boven water uit!
Ik zag het deksel opengaan; uit het kokertje staken het hoofd en de schouders van den commandant; ... ik zag zijn witte trui, ik onderscheidde zelfs de blonde knevels, opgedraaid boven den vroolijken mond.
En eensklaps begon ik te wuiven naar dat vreemde, wonderlijke verschijnsel, naar die kleine, zonderling gestreepte schelp, die daar als van den zeebodem opgedoken kwam.
Nooit bracht ik vuriger groet aan onze Nederlandsche Marine dan toen!
Er wordt wel eens beweerd, dat in den tegenwoordigen tijd de gezelligheid is zoek geraakt, welke vroeger het maken van lange zee-reizen kenmerkte. Tot op zekere hoogte is dit waar. Dat komt, omdat onze moderne zeeschepen veel te groot zijn, om het den reizigers mogelijk te maken, hetzij het geheele vaartuig van boeg tot plecht, van beneden tot boven te leeren kennen; en dat komt ook, omdat het aantal passagiers dikwijls te groot is, soms wel ettelijke duizenden, zoodat iemand gedurende de reis zich voelt, of hij zich bevindt in een vreemd stadje, waarvan de bewoners alle talen der wereld spreken, van wie er niet één bij een ander behoort, zoodat er bijna niemand is, die gedurende de reis eenig belang stelt in zijn omgeving.
Hoe grooter het schip, waarmee je vaart, — hoe sterker je dit verschijnsel zult waarnemen. Doch aan den anderen kant is dus ook waar gebleven, dat hoe kleiner het schip is, waarop je een zeereis maakt, hoe meer gelegenheid je hebt, met de mede-passagiers en ook met de leden der bemanning kennis te maken.
Zoo herinner ik me als een van m'n aardigste zee-reizen den langen overtocht van Yokohama, de Japansche haven aan de oostkust van het Aziatische werelddeel, naar San Francisco, de westelijke haven van het Amerikaansche werelddeel.
En van eenige der eigenaardigste leden der equipage, den kapitein en den scheepsdokter, wil ik jullie vertellen, om jullie een indruk te geven van twee van zulke bizondere personages aan boord.