WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 367: B
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Woordenlijst en Bladwijzer.

De uitspraak van Keltische namen.

Het is onmogelijk de namen nauwkeurig weer te geven zonder de levende stem. Maar met behulp van de phonetische teekens hier gegeven, waar dat noodig is, en lettend op de volgende algemeene regelen, zal de lezer de juiste uitspraak zoo nabij komen als dat voor hem noodig kan zijn.

I. Galisch.

Klinkers worden uitgesproken als in het Fransch of Duitsch: dus i (lang) als ee, e (lang) als a in “date” u (lang) als oo. Een schrapje boven een letter beteekent dat die lang is; dūn wordt dus uitgesproken “doon” (niet “dewn”).

ch is een keelklank, zooals in het woord “loch.” Hij wordt nooit uitgesproken met een t klank, zooals in het Engelsch “chip”.

c is altijd gelijk k.

gh is stom, zooals in het Engelsch.

II. Kimbrisch.

w als medeklinker wordt uitgesproken als in het Engelsch; is zij een klinker als oo.

yals ee zoo ze lang is, als u in “but”, zoo ze kort is.

ch en c als in het Galisch.

dd is als th in “breathe”.

f is als v; ff als Engelsche f.

De Engelsche lezer wage zich maar liever niet aan den klank ll. Het is een dikke l, zooiets tusschen cl en th.

Klinkers als in het Keltisch, maar men houde in het oog dat er feitelijk geen tweeklanken zijn in de taal van Wales1 bij combinaties van klinkers krijgt elk zijn eigen klank.

A.

Abred. De binnenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische theorie van de schepping der wereld—het stadium van strijd en evolutie, 307.

Aeda (ay’da). 1. Dwerg van Koning Fergus mac Leda, 226; 2. Koninklijke aspirant naar de hand van Vivionn; Vivionn gedood door, 264.

Aeduans. Bedreven in het pletten van koper en tin, 27.

Aegira. Gewoonte van de priesters der Aarde te, in Achaea, alvorens te waarzeggen, 150.

Aesun. Godheid der Umbriërs, 71.

Aesus. Godheid door Lucanus vermeld, 71.

Aed de Blonde (Aed Finn). Voornaamste wijze van Ierland; schrijver van “De reis van Maeldūn”, 304.

Aei. Vlakte van, waar de Bruine Stier van Quelgny den Stier van Ailell ontmoet en doodt, 206.

Afrikaansche Oorsprong. De primitieve bevolking van Groot-Brittannië en Ierland; taalgetuigenis doet denken aan, 62.

A’gnoman. Vader van Nemed, 83.

Aideen. Vrouw van Oscar, sterft van smart na Oscar’s dood, wordt begraven op Ben Edar (Howth), 240.

Aifa. Prinses van het Land der Schimmen, oorlog tegen haar gevoerd door Skatha, Cuchulain overwint haar door een list; haar leven voorwaardelijk gespaard door Cuchulain, zij brengt een zoon ter wereld, Connla geheeten, 171175.

Aileach. Vesting in het graafschap Donegal, waar Ith Mac Cuill hoort en zijn broeders de verdeeling van het land regelen, 117.

Ailill, of Ailell. 1. Zoon van Laery, verraderlijk door zijn oom Covac gedood, 136. 2. Broeder van Eochy; zijn wanhopige liefde voor Etain, 143144. 3. Koning van Connacht, 106; Angus Ōg zoekt zijn hulp, 106; Fergus zoekt zijn hulp, 185; helpt in een rooftocht tegen de provincie Ulster, 185; de witgehoornde Stier van, gedood door den Bruinen Stier van Quelgny, 206; sluit voor zeven jaren vrede met Ulster, 207; jachthond van mac Datho zet den wagen achterna van, 223; gedood door Conall, 224.

Ailill Rand van den Slag. Van den stam van de Owens van Aran; vader van Maeldūn, gedood door roovers uit Leix, 286.

Ailill Olum. Koning van Munster; schaakt Ainé en wordt door haar gedood, 112.

Ainé. Een minnegodin, dochter van den Danaan Owel, Ailill Olum en Fitzgerald haar minnaars, moeder van Graaf Gerald, nog vereerd op den avond voor St. Jan, verschijnt op een St. Jan’s avond te midden van meisjes op den Heuvel, 112, 113.

Ainlé. Broeder van Naisi, 180.

Alexander de Groote. Beweging van Hellas tegen het Oosten onder, 6; verbond met de Kelten door Ptolemeus Soter vermeld, 7.

Allen, Romilly. Over Keltische kunst, 14.

Allen, Heuvel van. In Kildare; Finn’s voornaamste vesting, 244, 251.

Amasis I. Menschenoffers afgeschaft door, 70.

Amathaon. Zoon van Dōn en de ploegtaak, 359.

Amergin. Milesische dichter, zoon van Miled, echtgenoot van Skena, zijn vreemd lied, gezongen toen hij voor het eerst den Ierschen bodem betrad, zijn uitspraak tusschen de Milesiërs en de Danaans; zingt een bezwering tot het land van Erin, 11820; als Druïde doet hij uitspraak aangaande aanspraken op oppermacht van Eremon en Eber, 132; Ollar Fōla vergeleken met, 134.

Ammianus Marcellinus. Galliërs beschreven door, 26.

Amorgin. Vader van Conall van de Overwinningen, 160.

Amyntas II. Koning van Macedonië, verslagen en verbannen, 6.

Angel-Saksisch. Wace’s Fransche vertaling van “Historia Regum Britaniae”, vertaald door Layamon in het, 311.

Angus. Godheid der Danaans, 127. Zie Angus Ōg.

Angus Ōg (Angus de Jonge). Zoon van den Dagda, Iersche minnegod, dingt naar Caer en krijgt haar, Dermot met den Liefde-vlek grootgebracht met, Dermot met den Liefde-vlek weer in het leven geroepen door, 106, 107; vader van Maga, 164; Dermot en Grania verlost door tooverkunsten van, 276; Dermot’s lijk weggedragen door, 279.

Ankh, de. Gevonden op insnijdingen bij steenen, 62; zinnebeeld van levenskracht of opstanding, 62.

Anluan. Zoon van Maga; doet mee aan den aanval van Maev op Ulster, 187; Conall laat Ket het hoofd zien van, 223.

Annwn. Overeenkomend met Afgrond, of Chaos; het vernielend beginsel in de Kimbrische theorie van het ontstaan der wereld, 306.

Aoife. Lir’s tweede vrouw; haar jaloerschheid op haar stiefkinderen, haar bestraffing door Bōv de Roode, 123, 124.

Aonbarr. Mananan’s tooverros, 110.

Apollo. Keltisch equivalent, Lugh. Diensten ter zijner eere, beschreven door Hecataeus, 42; door de Galliërs beschouwd als de godheid der geneeskunst, 72.

Aquitani. Een van de drie volken die Gallië bewoonden toen Caesar’s verovering begon, 42.

Arabië. Dolmens gevonden in, 37.

Arawn. Een koning in Annwn; roept de hulp van Pwyll in tegen Havgan, 329; ruilt zijn rijk met Pwyll voor een jaar, 330.

Ard Marcha (Armagh). Emain Macha thans vertegenwoordigd door groene wallen van een heuvelvesting in de nabijheid van, 134; beteekenis, 230.

Ard Righ (d.i. Opper-Koning). Dermot Mac Kerval, van Ierland, 31.

Ardan. Broeder van Naisi, 180.

Ardcullin. Cuchulain brengt takken aan om den zuil van, 189.

Ardee. Beteekenis, 229.

Arend van Gwern Abwy. De, 360.

Arianrod. Zuster van Gwydion; voorgesteld als maagd om de voeten van Māth in haar schoot te houden; Dylan en Llew zonen van, 34951.

Aristoleles, Kelten en, 1.

Armagh. Onzichtbare woning van Lir op Slieve Fuad in het graafschap, 109.

Arnold, Matthew. Verwijzing naar, in verband met de Keltische legenden-literatuur, 386.

Arrian. Keltische kenmerken, zijn getuigenis betreffende, 20.

Artaius. Een god in de Keltische mythologie die de plaats van Gwydion inneemt, 321.

Arthur. Gekozen leider tegen de Saksers, die hij tenslotte verslaat in den slag bij Berg Badon; Geoffrey van Monmouth’s “Historia Regum Britaniae” herdenkt de wapenfeiten van, zoon van Uther Pendragon en Igerna; Modred, zijn neef, maakt zich meester van de kroon van, Guanhumara, vrouw van, trekt zich terug in een klooster, 309, 310; stamboom, 324; verhalen van, in de literatuur van Wales, 355; Kilhwch aan het hof van, 356; de “Droom van Rhonabroy” en, 361; Owain, zoon van Urien, speelt schaak met, 36162; avontuur van Kymon, ridder aan het hof van, 36263; Gwenhwyar, vrouw van, 362; Owain aan het hof van, 367; Peredur aan het hof van, 369, 70.

Arthur-sage. Vermelding van vroege Britsche legende doet denken aan, 308; de sage in Bretagne en Marie de France, 311, 12; Miss Jessie L. Weston’s artikel over, in de “Encycl. Britann.”, 314; Chrestien de Troyes draagt er toe bij de A. sage in de poëtische literatuur van Europa te brengen, 315; over verschillende bronnen van de, 315; de sage in Wales, 315; kwam nooit in Ierland, 316; waarom er zoo weinig van wordt vernomen in berichten over Kimbrische mythen, 316.

Asa. Scandinavische godheid, 71.

Asal. Van de gouden pilaren, Koning, 100.

Asura-Masda. Perzische godheid, 71.

Athnurchar, of Ardnurchar. Doorwaadbare plaats in de rivier waar Ket Conall’s “hersen-bal” slingert tegen Conor mac Nessa, 219; beteekenis, 230.

Atlantische Oceaan. Aiofe’s wreedheid tegen haar stiefkinderen op de, 124.

Avagddu. Zoon van Tegid Voel, beroofd van bovennatuurlijk inzicht, 380.

Avalon. Land van de Dooden; verwant met het Noorsche Walhalla, 310; wordt later voor Glastonbury gehouden, 310.

Avon Dia. Tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia doet de wateren van, teruggaan, 105.

B

Babylonië. Het schip-symbool in, 61.

Balkans. Het vroegste thuis van Keltische bergbewoners was in ketens van de, 41.

Balor. Voorvader van Lugh, 73; Bres wordt gezonden om zijn hulp te vragen, 94; verneemt dat de Danaans weigeren schatting te betalen, 98; kampioen der Fomorians, vecht hij met Nuada met de zilveren hand en wordt hij gedood door Lugh, 102; een van de namen van den god des Doods, 115; behoort tot Finn’s voorouders, 234.

Banba. Vrouw van Mac Cuill, koning der Danaans, 116.

Bann, de rivier. Mac Cecht bezoekt, 159.

Barbarossa, Kaiser. Overlevering dat Finn ergens in een hol betooverd ligt, evenals, 284.

Barddas”. Compilatie van denkbeelden der Druïden, 305; Christelijke personen en episoden komen voor in, 306; uittreksel in catechismus-vorm, 307.

Bardische. Verschilt van de populaire voorstelling van Danaan-godheden, 89.

Barrow, de rivier. Mac Cecht bezoekt, 159.

Baruch. Een edelman van de Roode Tak; ontmoet Naisi en Deirdre bij zijn landing in Ierland, 181; overreedt Fergus in zijn huis te eten, 181; burcht, aan de straat van Moyle, 230.

Bave. Dochter van Calatin; doet Niam door betoovering verdwalen, 211.

Beälcu. Een kampioen uit Connacht; redt Conall, 223; wordt door zijn zonen gedood tengevolge van een list van Conall, 224; Conall doodt de zonen van, 224.

Bebo. Vrouw van Jubdan, Koning van het Kleine Volkje, 226.

Bedwyr. Equivalent: Sir Bedivere. Een van Arthur’s dienaren die Kilhwch vergezellen op zijn tocht om Olwen te zoeken, 357.

Beker- en Ring-teekens. Beteekenis van, in verband met megalithische gedenkteekens, nog niet verklaard, 51; voorbeeld in Dupaix’ “Gedenkteekens” van Nieuw-Spanje”, 52; reproductie in lord Kingsborough’s “Oudheden van Mexico”, 52

Beker van Het Laatste Avondmaal. Identisch met de Graal; equivalent: de Tooverketel, 378.

Belgae. Een van de drie volken die Gallië bewoonden, toen Caesar’s verovering begon, 41.

Beli. Kimbrische god des Doods, echtgenoot van Dōn; komt overeen met den Ierschen Bilé, 320; Lludd en Llevelys, zonen van, 354.

Bell, Arthur. Verwijzing naar een teekening, waaruit aanbidding van steenen blijkt, 50.

Beltené. Een van de namen van den God des Doods; de 1e Mei is hem gewijd, 118.

Ben Bulben. Dermot met den Liefdevlek gedood door het wilde zwijn van, 107, 277, 278; Dermot en het Zwijn van, 267, 68.

Bendigeid Vran (of “Bran de Gezegende”). Koning van het eiland der Machtigen (Brittannië); Manawyddan, zijn broeder; Branwen, zijn zuster 336; geeft Branwen tot vrouw aan Matholwch, doet boete voor den smaad van Evnissyen door Matholwch den tooverketel te geven, doet een inval in Ierland om Branwen te helpen, 33742; het wonderlijke hoofd van, 342.

Bergen van Mourne. Cuchulain op de, 175.

Bertrand, A. Zie blz. 39, 48, 55, 67.

Bilé. Een van de namen van den God des Doods (i.e.van de onderwereld), 115; vader van Miled, 115; komt overeen met den Kimbrischen god Beli; echtgenoot van Dōn, 320.

Birōg. Een vrouwelijke Druïde die Kian helpt zich te wreken op Balor, 96.

Bloi. De Danaan moeder van Oisīn, 259.

Blanid. Vrouw van Curoi; zet haar zinnen op Cuchulain, 210; haar dood, 210.

Blanke Mane. Vrouw die vele van de Fianna grootbracht, 241.

Bleheris. Een dichter in Wales, identisch met Bledhericus, vermeld door Geraldus Cambrensis, en met Breris, aangehaald door Thomas van Bretagne, 314.

Blerwm, Blerwm”. Geluid door Taliesin gemaakt, waardoor barden aan Arthur’s hof werden betooverd, 382, 383.

Bodeuwedd, of Bloemgezicht. De bloem-vrouw van Llew, 352, 353.

Boanna (de rivier Boyne). Moeder van Angus Ōg, 106.

Boek van Armagh. Verwijzingen naar, 89, 131.

Boek van Caermarthen (Het Zwarte). Gwyn ap Nudd komt voor in het gedicht dat daarin is opgenomen, 325.

Boek van de Dun-Koe. Verwijzing naar, 82; Cuchulain verschijnt weer in een legende van Christelijken oorsprong, 218; “De reis van Maeldūn” wordt er in gevonden, 215.

Boek van Hergest (Het Roode). Vormt de hoofdbron van verhalen in de “Mabinogion”, 316; het verhaal van Taliesin wordt er niet in gevonden, 379.

Boek der Invallen. Verwijzing naar, 91.

Boek van Leinster. Verwijzingen naar, 8, 69, 190.

Bōv de Roode. Koning van de Danaans van Munster, broeder van den Dagda; zoekt naar de maagd in Angus Ōg’s droom, 106; goudsmid van, genaamd Len, 107; Aoife’s reis naar, met haar stiefkinderen, 123, 124.

Boyne, De Rivier. Angus Ōg’s paleis aan, 106; Angus en Caer aan, 107; Milesiërs landen aan de wijde monding van, 120; Ethné verliest haar onzichtbaar makenden sluier terwijl zij in de rivier baadt, 128; kerk, Kill Ethné, aan den oever van, 129.

Bran. Zie Bendigeid.

Branwen. Zuster van Bran, 336; wordt tot vrouw gegeven aan Matholwch, moeder van Gwern, wordt vernederd wegens Evnissyen’s misdrijf, wordt naar Brittannië gebracht; haar dood en begrafenis aan den oever van de Alaw, 33642.

Brea. Slag van; herinnering aan Finn’s dood bij, 253.

Bregia. Vlakte tusschen de Boyne en de Liffey, 152; Cuchulain bezag die, 176; St. Patrick en volk van, 259.

Bregon. Zoon van Miled, vader van Ith, 115; toren van, door Ith gezien, 116.

Brenos (Brian). De god aan wien de Kelten hun overwinningen bij de Allia en bij Delphi toeschreven, 110.

Bres. 1. Gezant tot de Firbolgs gezonden, door volk van Dana, 91; gedood in den slag van Moytura, 92. 2. Zoon van de Danaansche vrouw Eri, gekozen tot Koning van het Danaansch gebied in Ierland, 92; zijn wanbeheer en afzetting, 93. 3. Zoon van Balor; verneemt dat de glans van de zon is het gelaat van Lugh met den langen arm, 108.

Bretagne. Mané-er-H’oeck, merkwaardige tumulus in, 47; teekens op den tumulus van Locmariaker in, gelijk aan die op den tumulus te New-Grange in Ierland, 56; voet-symbool gevonden in, 61; boek door Walter, aartsdeken van Oxford, gebracht uit, was de grondslag voor Geoffrey van Monmouth’s “Historia Regum Britania”, 309; Arthur-sage in, 310.

Bri Leeth. Tooverpaleis van Midir de Trotsche te, in het graafschap Longford, 108; Etain wordt gebracht naar, 147.

Brian. Een van de drie zonen van Turenn, 99.

Brian. Equivalent: Brenos. Zoon van Brigit (Dana), 110.

Briccriu met de Vergiftige Tong. Edele uit Ulster, veroorzaakt twist tusschen Cuchulain en de Roode Tak-helden over het kampioenschap van Ierland, 178; roept een demon ter hulp genaamd De Verschrikkelijke, 178; stelt voor mac Datho’s zwijn voor te snijden, 222.

Brug van de Sprongen. Cuchulain bij, 170; Cuchulain springt over, 171.

Brigindo. Equivalenten: Brigit en “Brigantia”, 88.

Brigit. Iersche godin identisch met Dana en “Brigindo” etc., 88; dochter van den god Dagda, de Goede, 110; Ecne, kleinzoon van, 88.

Brittannië. Zie Groot-Brittannië. Handel van Carthago met, door de Grieken geruïneerd, 6; Keltisch element in plaatsnamen, 11; onder het juk van Rome, 18; tooverij inheemsch in, 47; herinneringsinscripties aan Aesus, Teutates en Taranus, 71; dooden uit Gallië gebracht naar, 115; Ingcel, zoon van den Koning van, 152; bezoek van Demetrius aan, 32627; Bran, Koning van, 336; Caradawc heerscht in naam zijns vaders over, 339; Caswallan verovert, 242; de “Derde Noodlottige Onthulling” in, 343.

Britan. Hoofd der Nedimeërs die zich in Groot-Brittannië vestigde en zijn naam gaf aan dat land, 87.

Britsche Eilanden. De eenige overblijfselen van het Keltische rijk, toen het onderging, 18; Maev, Grania, Findabeir, Deirdre en Boadicea, vrouwen voorkomend in mythen van de, 26.

Britten. Evenals Nennius geeft Geoffrey van Monmouth een fantastischen oorsprong aan voor de, 310.

Brogan. Schrijver van St. Patrick, 104, 266.

Bron van Kesair. Mac Cecht bezoekt de, 159.

Bron van Kennis. Equivalent: Connla’s bron. Sinend’s noodlottig bezoek aan, 114.

Bruine Stier. Zie Quelgny.

Brugh na Boyna. Wordt Cuchulain aan gewezen, 176.

Buddha. Voetafdruk van, gevonden in Indië als zinnebeeld, 61; de kruislings gezetene, komt vaak voor in de godsdienstige kunst van het Oosten en Mexico, 71.

Buic. Zoon van Banblai; gedood door Cuchulain, 193.

Burney’s Geschiedenis der Muziek. Verwijzing naar een Egyptische legende daarin, 103.

Bury, Professor. Opmerkingen aangaande de Keltische wereld, 43.

C.

Caer. Dochter van Ethal Anubal; Angus Ōg dingt naar haar hand, haar dubbel leven, zij aanvaardt de liefde van Angus Ōg, 106, 107.

Caerleon aan de Usk. Arthur houdt daar zijn hof, 310.

Caesar, Julius. Critisch bericht over de Galliërs, 20; godsdienstige meeningen der Kelten vermeld door, 35; gebied aangewezen aan de Belgen, Kelten en Aquitaniërs door, 42; verzekert dat het geloof in de onsterflijkheid door Druïden werd aangewakkerd om den moed te verhoogen, 66; vermeldt dat Druïden toezicht houden over de cultuur, 68; goden van de Arische Kelten vergeleken met Mercurius, Apollo enz. door, 71.

Cairbry. Zoon van Cormac mac Art, van Licht van Schoonheid, 280; weigert schatting aan de Fianna, 281; de Clan Bascna voert oorlog met, 281, 282.

Caliburn (in de taal van Wales Caladvwlch). Tooverzwaard van Koning Arthur, 310. Zie Excalibur, 205 noot.

Cambrensis, Giraldus. Kelten en, 4.

Campbell. Verhaal van den slag van Gowra, in zijn “The Fians”, 281.

Caradawc. Zoon van Bran; regeert Brittannië bij afwezigheid van zijn vader, 339.

Carell. Gehouden voor den vader van Tuan, 83.

Carthagers. De Kelten veroverden Spanje op de, 5; de Grieken maken een eind aan het handelsmonopolie van de, met Brittannië en Spanje, 6.

Cascorach. Zoon van een minstreel van het Danaan-volk, en St. Patrick, 104.

Caswallan. Zoon van Beli; verovert Brittannië tijdens Bran’s afwezigheid, 342.

Cathbad. Druïde, gehuwd met Maga, vrouw van Ross de Roode, 164; zijn raadselbezwering door Cuchulain afgeluisterd, 167; hij trekt Deirdre’s horoskoop, 179; zijn booze bezweringen over Naisi en Deirdre, 183.

Cato, M. Porcius. Opmerkingen omtrent de Galliërs, 20.

Celtchar. Zoon van Hornskin; onder den vloek van zwakheid, 187.

Cenchos. Of de Voetlooze; verwant met Vitra, den God van het Kwaad in de fabelleer van de Vedas, 82.

Ceridwen. Vrouw van Tegid, laat Gwion Bach en Morda passen op den tooverketel, 380, 381.

Ceugant (Oneindigheid). De buitenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische voorstelling van de Schepping, door God alleen bewoond, 306.

Chaillu, Du. Zijn “Viking Age”, 56, 57.

Charlemagne. Verbiedt aanbidding van boomen en steenen, 50.

Chrestien de Troyes. Fransche dichter die bewerkte dat de Arthur-sage in de poëtische letterkunde van Europa werd gebracht, 312; Gautier van Denain, vroegste voorzetter van, 314; variant van zijn “Le Chevalier au lion” in de “Vrouw van de Bron”, 362368; het verhaal van “Enid en Geraint” berust op “Erec” van, 367; Peredur komt overeen met Perceval van, 368; zijn “Conte del Graal” of “Parceval le Gallois”, 372; Manessier een voortzetter van, 376.

Christelijk(e). Symbolisme, de hand als zinnebeeld van macht in, 49; geloof waarvan Koning Cormac hoort voordat het in Ierland wordt gepreekt door St. Patrick, 53; invloeden in Ierland, en de Milesische mythe, 122, 123; begrippen over Cuchulain en zijn Heer, Koning Conor van Ulster, 218; heidensche idealen vergeleken met, in Oisīn-dialogen, 266; Myrddin krimpt onder Chr. invloeden, 326.

Christendom (’t). Verwijzing naar de bekeering van Ierland tot, 67; Volk van Dana in hun nederlaag, en houding van, 120, 121; Cuchulain uit de Hel ontboden door St. Patrick om aan den Opper-Koning Laery te bewijzen de waarheden van, 218; invloed op de Iersche letterkunde, 272.

Chrysostomus, Dion. Getuigenis betreffende de macht der Druïden, 68.

Clan Bascna (De). Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, 234; Cumhal, vader van Finn, hoofd van, 234; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Morna en, 281.

Clan Calatin (De). Door mannen van Erin tegen Cuchulain gezonden, 197; Fiacha, zoon van Firaba, snijdt de achtentwintig handen af van, 197; Cuchulain doodt Calatin, 198; de weduwe van Calatin brengt zes kinderen voort, door Maev in tooverkunsten onderwezen en tegen Cuchulain losgelaten, doen Cuchulain zijn geise breken, 209213.

Clan Morna (de). Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, 234; Lia wordt schatbewaarder van, 234; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Bascna en, 281.

Clastidium. Slag van; Polybius’ beschrijving van de houding der Gaesaten in, 24.

Clecna. Danaansch meisje, dat in Mananan’s land leefde; de geschiedenis van, 111.

Clusium. Beleg van. De Romeinen verraden de Kelten bij het beleg van, 9; wraak door de Kelten geëischt, 9.

Coffey, George. Zijn werk over den tumulus te New-Grange, 54.

Columba, St. Symbool van de voeten en, 62.

Comyn, Michael. Verwijzing naar “Lied van Oisīn in het land der Jeugd”, door, 232.

Conall van de Overwinningen. Lid van Conary’s gevolg in het Roode Verblijf, 156; hij vindt Amorgin, zijn vader, te Teltin, 160; deinst terug voor de proef om het kampioenschap van Ierland, 178; onder den vloek van zwakheid, 187; wreekt Cuchulain’s dood door Lewy te dooden, 215; zijn “hersen-bal” veroorzaakt den dood van Conor Mac Nessa, 219, 220; mac Datho’s zwijn en, 222, 223; doodt Ket, 223.

Conan Mac Lia. Zoon van Lia, heer van Luachar; Finn sluit een verdrag met hem, 237, 238.

Conan Mac Morna, of De Kale. Zijn avontuur met het Toovervolk, 238, 239; hij doodt Liagan, 239; avontuur met het ros van Gilla Dacar, 271, 272.

Conann. Koning der Fomorians, 86.

Conary Mōr. De legenden-cyclus van den Opper-Koning, 139159; hij stamt af van Etain Oig, dochter van Etain, 149; Messbuachalla, zijn moeder, 149, 150; Desa, zijn pleegvader, 150; Ferlee, Fergar en Ferrogan, zijn pleegbroeders, 150; Nemglan beveelt hem naar Tara te gaan, 151; uitgeroepen tot Koning van Erin, 151; Nemglan somt zijn geise op, 151; verbanning van zijn pleegbroeders, 152; verlokt tot het schenden zijner geise, 153; de drie Rooden en, in Da Derga’s Verblijf, 153, 154; wordt bezocht door de Morrigan in Da Derga’s Verblijf, 155; leden van zijn gevolg, 156, 157; komt om van dorst, 158.

Condwiramur. Een maagd gehuwd door Parzival, 375.

Conn. Een van de kinderen van Lir, 126.

Connacht. Ethal Anubal, vorst van de Danaans van, 106; Ailell en Maev, Koning en Koningin van, Angus Ōg vraagt hun hulp bij zijn pogingen om Caer te krijgen, 106; oorsprong van den naam, 138; Cuchulain’s strooptocht in, 175; Cuchulain trekt op tegen een leger van, onder Maev, 191; Ket kampioen van, 220; Koningin Maev regeerde over, achtentachtig jaar, 245.