WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 370: E.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Connla. Zoon van Cuchulain en Aifa, 173; zijn geise, 173; Aifa zendt hem naar Erin; zijn gevechten met de mannen van Ulster, 174; gedood door Cuchulain, 174.

Connla’s Bron. Equivalent: Bron van Kennis. Sinend’s noodlottig bezoek aan, 114.

Conor Mac Nessa. Zoon van Fachtna en Nessa; wordt uitgeroepen tot Koning van Ulster, met voorbijgaan van Fergus, 163; Cuchulain wordt groot gebracht aan het Hof van, 166; hij geeft wapens aan Cuchulain, 168; bij een feestelijke bijeenkomst aan het Strand van de Voetafdrukken wordt hij Connla gewaar, 173; zijn list om Cuchulain in hechtenis te nemen, 177; Deirdre en, 179184; zijn wachten grijpen Naisi en Deirdre, 183; lijdt pijn door den vloek der zwakheid, 187203; de vloek wordt van hem afgenomen, 203; hij roept Ulster onder de wapenen, 204; Christelijke begrippen over zijn uiteinde, 218, 19; zijn dood veroorzaakt door Conall’s “hersen-bal”, 220; hij komt voor in het verhaal: Het snijden van mac Datho’s zwijn”, 220; hij laat mac Datho om zijn hond vragen, 220.

Constantine. Arthur draagt zijn koninkrijk over op, 310.

Conte del Graal”. Zie Graal.

Coranians. Een demonisch ras; teistert het land van Brittannië, 354.

Cocadyna. Ith landt met zijn negentig krijgers te, in Ierland, 115.

Cormac. 1) Zoon van Art, Koning van Ierland; zijn begrafenis, 53; historische figuur, 205; Finn en, onthaald in Burcht Grania, 277; 2) Koning van Ulster, huwt Etain Oig, 149; verstoot haar wegens haar onvruchtbaarheid, 149; 3) Zoon van Conor mac Nessa; doet mee aan Maev’s aanval op Ulster, 187.

Corpe. Dichter aan het hof van Koning Bres, 92.

Cosmogonie. 1. De Keltische, 79, 80; 2. De Kimbrische, 306308; God en Cythrawl, beteekenend leven en verwoesting in, 306.

Cotterill, H. B. Aanhaling uit zijn vertaling in hexameters van “Odysseus”, 64.

Craftiny. Harpenist van Koning Scoriath; zingt Maon Moriath’s minnelied voor, 137; ontdekt Maon’s geheim gebrek, 139.

Credné. De kunstsmid van de Danaans, 101.

Creudylad. Dochter van Lludd; gevecht elken Meidag om haar bezit, tusschen Gwythur ap Greidawl en Gwyn ap Nudd, 321, 356.

Crīmmal. Verlost door zijn neef Finn, 235.

Crom Cruach. Gouden afgodsbeeld (overeenkomende met de Bloedige Halvemaan) vermeld in het “Boek van Leinster”, 69; eeredienst van, door Koning Tiernmas ingevoerd, 133.

Cromlechs. Zie Dolmens, 37.

Crundchu. Zoon van Agnoman; Macha komt wonen bij, 161.

Cuailgné. Zie Quelgny.

Cuchulain. Held uit Ulster in Iersche sagen; tweegevecht met Ferdia, 105; Lugh, vader van, verwekt bij Dectera, 108, 166; bemind en gesteund door godin Morrigan, 111; zijn zonderlinge geboorte, 165; vroegste naam Setanta, zijn erfenis, zijn naam afgeleid van den hond van Cullan, eischt wapens van Conor, 16567; dingt naar de hand van Emer, 168, 169; Laeg, zijn wagenmenner, 168; Skatha’s onderricht in het land der Schimmen, 170, 71; overwint Aifa, die hem een zoon baart, Connla, 172, 73; hij doodt Connla, 174; keert terug naar Erin, 145; doodt Foill en zijn broederen, 176; ontmoet vrouwen van Emania, 177; doet “des helden zalmsprong”, 177; bemeestert Emer, 178; wordt door den Verschrikkelijke uitgeroepen tot Kampioen van Ierland, 179; brengt Maev’s leger onder geise, 188, 89; doodt Orlam, 191; zijn vecht-razernij en riastradh, 191; verdrag met Fergus, 193; de Morrigan biedt hem haar liefde aan, dreigt hem op den bodem van de rivier, valt hem aan, terwijl hij met Loch vecht, 194, 195; hij doodt Loch, 195; Ferdia stemt er in toe tegen hem op te trekken, hij doet Ferdia verwijten, hun strijd, hij doodt Ferdia, die hem zwaar verwondt, 198200; uit zijn verdooving opgewekt door het zwaardgekletter van Fergus, in den slag van Garach, 205; in het Tooverland, bemind door Fand, 207, 208; wraak van Maev op, 209; andere vijanden: Erc en Lewy zoon van Curoi, 210; Blanid, vrouw van Curoi, zet haar zinnen op, 210; zijn krankzinnigheid, Bave vertoont zich als Niam voor, de Morrigan krast (als raaf) over oorlog voor. Dectera en Cathbad dringen er bij hem op aan op Conall te wachten alvorens ten strijde te trekken, hij ziet het Waschmeisje aan de rivier, Clan Calatin doet hem zijn geise verbreken, vindt zijn vijanden te Slieve Fuad, de Schimmel van Macha doodelijk gewond, hij wordt doodelijk gewond door Lewy, zijn paard Zwarte Sainglend loopt van hem weg, Lewy doodt hem, 210215; zijn dood gewroken door Conall, 214; hij treedt weer op in latere legende van Christelijken oorsprong, gevonden in het “Boek van de Dun-koe”, St. Patrick’s opontbod uit de Hel, 217218.

Cullan. Zijn feest voor Koning Conor te Quelgny, 166; Cuchulain doodt zijn hond, 166; Cuchulain genaamd de Hond van, 167; zijn dochter verantwoordelijk verklaard voor Finn’s betoovering, 256.

Cumhal. Hoofd van de Clan Morna, zoon van Tranmōr, echtgenoot van Murna met den Blanken Hals, vader van Finn, 234; gedood in den slag bij Knock, 234.

Curoi. Vader van Lewy, echtgenoot van Blanid, 210; gedood door Cuchulain, 210.

Cuscrid. Zoon van Conor mac Nassa; onder den vloek der zwakheid, 187; mac Datho’s zwijn en, 222.

Custennin. Broeder van Yspaddaden; helpt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357.

Cyclen. De, van Iersche legenden, 80; de Mythologische, 80129; de Ultoniaansche, 161230; de Ossian’sche, 23184; sommige verhalen van den Ultoniaanschen cyclus concentreeren zich niet om Cuchulain, 225; tijd van de gebeurtenissen van den Ulton. cyclus, 231; de Ossian’sche en Ultoniaansche tegenover elkaar gesteld, 23234.

Cythrawl. God en, twee elementaire wezens, de beginselen van leven en verwoesting in de Kimbrische theorie der schepping, 306; verwezenlijkt in “Annwn” (Afgrond of Chaos), 306.

D.

Da Derga. Een edele uit Leinster in wiens verblijf Conary gastvrijheid vraagt, 153; Conary’s gevolg bij, 156; Ingcel en zijn eigen zonen vallen het verblijf aan, 157.

Dagda. “De Goede”, of misschien = Doctus, de “Wijze”. God, en opperste hoofd van het Volk van Dana, Vader van Brigitta (Dana), 88; de Ketel van de, een van de schatten der Danaans, 90; de tooverharp van, 103; vader en hoofd van het Volk van Dana, 10305; de Koningin Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Grané kleinzoons van, 116; verdeelt het onstoffelijke Ierland onder de Danaans, 120.

Dal van de Lijsters. Oisīn’s betoovering opgeheven in het dal, 251.

Dalan. Een Druïde, die aan Eochy bekend maakt dat Etain is gevoerd naar den tooverberg van Bri-Leith, 146.

Dalny. Koningin van Partholan, 81.

Dancan. De Firbolg, vader van Ferdia, 170.

Damayanti en Nala. Hindoelegende, vergeleken met het verhaal van Etain, 147.

Dana. Het Volk van, Nemediaansche overlevenden die naar Ierland terugkeeren, 87; letterlijke beteekenis van Tuatha de Danann, 88; equivalent Brigitta, 88, 110; naam van Goden gegeven aan het Volk van, door Tuan mac Carell, 88; Milesiërs overwinnen het Volk van, 89; oorsprong van Volk van, volgens Tuan mac Carell, 90; de steden Falias, Gorias, Finias en Murias, 90; schatten van het Volk van, 90; de Firbolgs en het Volk van, 91103; gave van bedrevenheid in muziek, het voorrecht van, 103; dochter van den Dagda en de voornaamste godin der Danaans, 110; Brian (oudste vorm Brenos), Juchar en Jucharba, haar zonen, 110; Firbolgs en het Volk van, 121; equivalent van Don, Kimbrische moeder-godin, 320.

Danaans. Weigeren schatting aan Balor, 98; gevecht met de Fomorians, 101; macht uitgeoefend door middel der muziek, 102; voornaamste goden en eigenschappen der, 104130; hun verdringing in Ierland door Milesiërs, 114; koningen, Ierland geregeerd door drie, Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Grene, 116; de drie koningen verwelkomen Ith in Ierland, 117; wonen in het onstoffelijk Ierland, 120; mythe, beteekenis van, 121; de, na de overwinning der Milesiërs, 130, 131; Donn zoon van Midir voert krijg met, 262; betrekkingen van de Kerk met, zeer hartelijk, 263.

Dara. Zoon van Fachtna, bezitter van den Bruinen Stier van Quelgny, 185; Maev vraagt den Bruinen Stier ter leen, 186.

Dauw-rood. Paard van Conall, 215.

Decies. Zoon van den Koning van de, vraagt Licht van Schoonheid (Sgeimh Solais) ter huwelijk, 280.

Dectera. Moeder van Cuchulain, 108; dochter van den Druïde Cathbad, 164; verschijnt voor Conor mac Nessa na drie jaren afwezigheid, 165; schenkt Ulster een zoon, Cuchulain, 165.

Dee, de Rivier. Thans de wadde van Ferdia.

Deirdre. Dochter van Felim, de Druïde Cathbad trekt haar horoskoop, Conor besluit haar te trouwen als zij huwbaar zou zijn, groot gebracht door Levarcam, 179; zij bemint Naisi, die haar wegvoert, 180; keert met Naisi naar Ierland terug, 18082; gedwongen met Conor te trouwen, verpletterde zij zich tegen een rots, 183, 84; de verhalen van Grania en, vergeleken, 273.

Demetrius Bezoek aan Brittannië, vermeldt eiland waar “Kronos” in slaap bevangen gehouden werd, terwijl Briareus over hem de wacht hield, 326, 27.

Demna. Oftewel Finn. Zijn geboorte, 234, 35.

Denen. Plunderen Iersche monumenten, 53.

Deoca. Een prinses van Munster; kinderen van Lir en, 126.

Dermot Mac Kerval. Regeering van, in Ierland, en de verwensching van Tara, 31; neemt Hugh Guairy gevangen en laat hem terecht staan, 31; droom van de vrouw van, 31, 32.

Dermot met den Liefde-vlek. (Dermot O’ Dyna). Volgeling van Finn mac Cumhal, minnaar van Grania, opgevoed met Angus in het paleis aan de Boyne, 106; de typische minnaar in de Iersche legende, 106; gedood door het wilde Zwijn van Ben Bulben, 106, 211, 278; vriend van Finn, 239; beschreven als een Keltische Adonis, 267; Donn vader van, 267; Roc en; hoe Dermot den Liefde-Vlek kreeg, 269; avontuur met het ros van Gilla Dacar, gevecht met den Ridder van de Bron, 26971; liefdesgeschiedenis van Grania en, 27375.

Derryvaragh, Meer. Aoifé’s wreedheid jegens haar stiefkinderen bij, 123, 124.

Desa. Pleegvader van Conary Mōr, 150.

Dialogen. Verwijzing naar Oisīn-en-Patrick, en Keelta-en-Patrick, 265, 266.

Diancecht. Geneesheer bij de Danaans, 93.

Dineen’s Iersch Woordenboek. Verwijzing naar, 148.

Dinnsenchus. Oud document bewaard gebleven in het Boek van Leinster, 70.

Dinodig. Land van, waarover Llew en Blodeuwedd regeerden, 352.

Dinrigh. Maon doodt Covac te, 137.

Diodorus Siculus. Tijdgenoot van Julius Caesar; beschrijft de Galliërs, 25; Pythagoras en, 65.

Dis. Equivalent: Pluto, 72.

Dithorba. Broeder van Rooden Hugh en Kimbay, gedood door Macha, 135; vijf zonen van, gevangen genomen door Macha, 135, 136.

Diuran de Rijmer. Germān en, metgezellen van Maeldūn op zijn wonderreis, 288; keert terug met een stuk van het zilvernet, 304.

Dodder, De Rivier, 158.

Dolmens. Cromlechs, tumuli en, verklaring van, 37.

Dōn. Kimbrische moeder-godin, vertegenwoordigende de Keltische Dana, 322; Penardun, een dochter van, 323; Gwydion, zoon van, 323; stamboom, 324.

Donau (De). Bronnen van, oorsprong van de Kelten, 3, 40.

Donkere (De). Druïde verandert Saba in een hinde; zijn latere slechte behandeling van Saba, 245248.

Donn. 1. Mac Midir, zoon van Midir de Trotsche, 262. 2. Vader van Dermot, geeft zijn zoon om door Angus Ōg te worden groot gebracht, 267.

Donnybrook. Da Derga’s verblijf te, 153.

Dooclone. Ailill gedood in de kerk van, 286; Maeldūn te, 287.

Dood. De Keltische opvatting van den, 73; namen Balor en Bilé komen voor als god van den, 115.

Dooden, Land van de. Iersche tooverland, 81; equivalent: Spanje, 87.

Dowth. Tumulus van, 59.

Druïde(N). Leer van de, 21; beschouwd als tusschenpersonen tusschen God en de menschen, 25; de opperste macht in Keltische landen, 30; geweerd door Keizer Tiberius, 46; Arische wortel van het woord, 66; getuigenis van Dion Chrysostomus aangaande de macht van de, 68; godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke cultuur onder hun toezicht, Caesar’s bericht hieromtrent, 68; met hun instelling verdween hun cosmogonische leer, 80.

Druïdisme. Bestaan er van in de Britsche eilanden, Gallië, 66; tooverritus van ’t, geloof er in leefde nog in de eerste Christelijke periode, 68.

Dublin. Conary gaat daarheen, 151; Conary’s pleegbroeders landen te, om te stroopen, 153.

Dupaix. Verwijzing naar beker- en ring-insnijdingen in Depaix’ “Monumenten van Nieuw-Spanje”, 51.

Dyfed. Pryderi en Manawyddan te, 344; Gwydion en Gilvaethwy te, 348.

Dylan. (“Zoon van den Golf”). Zoon van Arianrod; zijn kreunen toen hij stierf is het gehuil van den vloed bij de monding van de rivier Conway, 350.

E.

Eber Donn (Bruine Eber). Milesische edele; zijn ruw gejubel en wat er op volgde, 120; verwijzing naar, als een der Milesische leiders, 132.

Eber Finn (Blonde Eber). Een van de Milesische leiders, gedood door Eremon, 132.

Ecne. De god wiens grootmoeder Dana was, 88.

Eeuw, IJzeren. Het schip, goed herkenbare vorm van graf-afsluiting op kerkhoven in de, 60.

Egyptisch(e). Het schip-symbool in de kerkhofkunst, 63; de voeten van Osiris, symbool van bezoek, 61; begrippen over onsterfelijkheid, 6171; menschenoffers afgeschaft door Amasis I, 70.

Eiland(en). Vreemde avonturen van Maeldūn en zijn makkers op wonderlijke eilanden, 288304; van den Moordenaar, 288; van de Mieren, van de Groote Vogels, van het Woeste Beest, van de Reuzenpaarden, 289; van den Steenen Deur, van de Appels, van het Wonderlijke Beest, 290; van de Bijtende Paarden, van de Gloeiende Zwijnen, van de Kleine Kat, 291; van de Zwarte en Witte Schapen, 292; van het Reuzenvee, van den Molen, van de Zwarte Rouwenden, van de Vier Heggen, 293; van den Glazen Brug, 294; van de Schreeuwende Vogels, van den Kluizenaar, van de Wonderbron, van de Smidse, 295; van de Zee van Zuiver Glas, van de Onderzee, van de Voorspelling, 296; van het Spuitend Water, van de Zilveren Zuil, van het Voetstuk, 297; van de Vrouwen 298; van de Roode Bessen, 299; van den Arend, 299301; van de Lachende Menschen, van den Vlammenden Wal, van den Monnik van Tory, 301303; van de Valk, 303.

Eilanden van de Dooden. Zie Mananan, 109.

Eiland van Man. Gehouden voor den troon van Mananan, 110.

Eisirt. Bard van den Koning van het Kleine Volk, zijn bezoek aan Koning Fergus in Ulster, 226, 227.

Elphin. Zoon van Gwyddno, vindt Taliesin, 381; pocht op zijn vrouw en zijn bard, aan Arthur’s hof, 382; het gevolg daarvan, 38284.

Emain Macha. De Morrigan gaat door, om Cuchulain te waarschuwen, 111; stichting van, met Kimbay als koning, 134; equivalent, de Doekspeld (rad) van Macha, 135; Macha dwingt vijf zonen van Dithorba wallen en grachten te maken van, 126; Dectera verschijnt in de velden van, 165; Cuchulain rijdt terug naar, 169; bericht van Cuchulain’s vechtwoede komt in, 177; Fergus keert terug naar, 184; het knapen-korps van, trekt uit om Cuchulain te helpen, 197; mannen van Ulster keeren terug naar, met grooten roem, 207; Conall’s “hersen-bal” te, 219.

Emailleeren. Kelten en de kunst van, 13, 14.

Emania. Vrouwen van, gaan Cuchulain te gemoet, 177; Cuchulain wreekt het verlies van het knapen-korps van, 197; Cuchulain neemt afscheid van de vrouwen van, 212. (Zie Emain Macha.)

Emer. Dochter van Forgall, begeerd door Cuchulain, 168, 69; Cuchulain ontvoert haar, zij wordt Cuchulain’s vrouw, 178; zij verneemt de afspraak tusschen Cuchulain en Fand, 208209; Cuchulain meent haar lijk te zien, 212.

Enid. Het verhaal van Geraint en, 367, 368.

Eochy. 1. Zoon van Erc, een Firbolg-koning, echtgenoot van Taltiu of Telta, 88; Koning van Ierland; Midir de Trotsche verschijnt voor hem op den heuvel van Tara, 108; Opperkoning van Ierland, huwt Etain, 141, 42; Midir verschijnt voor hem en daagt hem uit met hem te schaken, 145147.

Ephorus. Kelten en, 1, 20.

Erc. Koning van Ierland, Cuchulain’s vijand, 210; wondt doodelijk den Schimmel van Macha, 213.

Eremon. Eerste Milesische Koning van geheel Ierland, 127, 132.

Eri. Moeder van Koning Bres, 92; maakt Elatha bekend als vader van Bres, 93.

Erinn (Erin). Zie Eriu, 117; verwijzing naar het Opper-Koningschap van, 136.

Eriu. Vrouw van den Danaan Koning Mac Grené, 117; datief, Erinn, de poëtische naam voor Ierland, 117.

Erris Baai. De kinderen van Lir aan de, 125.

Etain. Tweede vrouw van Midir de Trotsche, door Fuamnach in een vlinder veranderd, door een tooverstorm gedreven in het tooverpaleis van Angus, en weer daaruit verdreven, door Etar opgeslokt, komt weer te voorschijn als een sterflijk kind, 140; wordt bezocht door Eochy, den Opper-Koning, die haar tot zijn vrouw maakt, 141, 142; Ailill’s wanhopige liefde voor, 142, 143; Midir de Trotsche komt haar opeischen als zijn Danaan vrouw, 143146; Eochy krijgt haar terug, 147.

Etain Oig. Dochter van Etain, 147; Koning Conary Mōr stamt af van, 147; huwde Cormac, Koning van Ulster, 149; verstooten omdat zij geen zonen baart, 150; de koehoeder van Eterskel zorgt voor haar eenige dochter, 150.

Etar. Moeder van Etain, 141.

Eterskel. Koning van Ierland, wiens koehoeder zorgt voor Messbuachalla, 150; bij zijn dood opgevolgd door Conary Mōr, 151.

Ethal Anubal. Prins van de Danaans van Connacht, vader van Caer, 106.

Ethlinn, of Ethnea. Dochter van Balor, 94; schenkt haar liefde aan Kian, baart drie zonen, 96; een er van is Lugh, 97, 165; behoort tot Finn’s voorouders, 234.

Ethné. Het verhaal van, 127129.

Etruskers. Kelten veroveren Noord-Italië op de, 5.

Europa. Kiemen van vrijheid en cultuur, door Keltische invloeden levend gehouden, 6; verbreiding van Keltische macht in Midden-, 10; Keltische plaatsnamen in, 1012; wat het aan Kelten te danken heeft, 33; dolmens gevonden in Westersche landen van, 37.

Evnissyen. Zoon van Eurosswyd en Penardun, 336; verminkt paarden van Matholwch, 337; Bran’s vergoeding voor dat misdrijf, 338; doodt de krijgslieden in de meelzakken verborgen, 340; sterft in den tooverketel, 341.

Evrawc. Vader van Peredur. 368.

Evric. Pachter die Fionuala en haar broeders helpt, 125.

Excalibur. Zie Caliburn, 310, en noot, blz. 205.

F.

Fabiï. Romeinen gekozen tot militaire tribunen, 9.

Fabius Ambustus. Verraad van drie zonen van, tegen de Kelten, 9.

Fachtna. De reus, Koning van Ulster, Nessa vrouw van, vader van Conor, bij zijn dood opgevolgd door zijn stiefbroeder Fergus, 163.

Falios. De Stad (zie Dana), 90.

Fand. De Parel van Schoonheid, vrouw van Mananan, zet haar zinnen op Cuchulain, keert terug naar haar huis met Mananan, 20709.

Faylinn. Het land van het Kleine Volk; Jubdan, Koning van, 225.

Fedelma. Profetes, van den Tooverburcht van Croghan, ondervraagd door Maev, haar vizioen van Cuchulain, 188.

Felim. Zoon van Dall, vader van Deirdre, 191; zijn onthaal van Conor en de Roode Tak-helden, 179.

Feramorc. Het koninkrijk waarover Scoriath regeert; Maon wordt daarheen gevoerd, 137.

Fercartna De bard van Curoi, doodelijke sprong met Blanid, 210.

Ferdia. Tweegevecht met Cuchulain vermeld, 105; zoon van den Firbolg, Daman, vriend van Cuchulain, 170; doet mee aan Maev’s aanval tegen Ulster, 187; stemt op verzoek van Maev er in toe met zijn vriend Cuchulain te vechten, 198; de strijd, 199202; Cuchulain doodt, 202; begraven door Maev, 202.

Fergus. Nemediaansch hoofd die Conann doodt, 87.

Fergus de Groote. Zoon van Erc, steen van Scone gebruikt voor de kroning van, voorvader van de Britsche Koninklijke Familie, 90.

Fergus Mac Leda. Het Kleine Volk en, bezocht door Eisirt, bard van den Koning van het Kleine Volk, bezocht door Jubdan, Koning van het Kleine Volk, 22528; de misvorming van Fergus, 228.

Fergus Mac Roy. Zoon van Roy, stiefbroeder van Fachtna, 164; wordt gezonden om Naisi en Deirdre te noodigen naar Ierland terug te keeren, 181; de opstand van, 184; Maev en, 185; overeenkomst met Cuchulain, 193; gaat door voor den auteur van de “Tain”, 217; gedood door Ailell, 224.

Fergus (dichter). Verlost uit het Tooverhol door Goll, 255.

Ferguson, Sir Samuel. Aangehaald (noot) 30, 21517.

Feryllt. Vergilius in de taal van Wales, 380.

Fiacha. Zoon van Firaba, 197; snijdt achtentwintig handen af van den Clan Calatin, 197; geeft een speer aan Finn, 236.

Fiachra. Een van de kinderen van Lir, 126.

Fiel. Zuster van Emer, 169.

Fianna van Erin, De. Verklaring van deze orde, 231; gevormd door Clan Bascna en Clan Morna, 231; Goll, hoofd van, 236; Finn benoemd tot hoofd van, 237; toelatingseischen, 243; verhalen verteld door Keelta, 261; beproeft te vergeefs den hamel de baas te worden, 26869; de vervolging van den Harden Gilly, 269, 70; bevrijding van het Tooverland door, 271; Cairbry weigert schatting, 281; bijna de geheele Fianna gedood in den slag van Gowra, 282.

Fians. Zie Fianna.

Finchoom. Zuster van Dectera, pleegmoeder van Cuchulain, 165; moeder van Conall, 222.

Finchory. Het eiland, 100, 101.

Findabair met de Mooie Wimpers. Dochter van Maev, aan Ferdia aangeboden als hij met Cuchulain vechten wil, 198.

Finegas. Druïde, van wien Finn poëzie en wetenschap leert, 235.

Fingen. Geneesheer van Conor mac Nessa; zijn uitspraak betreffende Conall’s “hersen-bal” waarmee Ket den Koning wondde, 219.