WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 375: J.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Finias. De Stad (zie Dana), 90.

Finn Mac Cumhal. Fothad wordt gedood in een gevecht met, 65; Dermot met den Liefde-Vlek, een volgeling van, 107; middelpunt van Ossian’schen cyclus, 231; Oisīn, zoon van, 231; zijn komst, zijn Danaansche afkomst, Murna met den Blanken Hals zijn moeder, Cumhal zijn vader, Demna zijn oorspronkelijke naam, oorsprong van zijn naam, doodt Lia, in poëzie en wetenschap onderwezen door Finegas, eet van den Zalm der Kennis, 234, 35; doodt den demon te Slieve Fuad, 237; wordt hoofdman van de Fianna van Erin, 237; sluit overeenkomst met Conan, 238; Dermot met den Liefde-Vlek zijn vriend, 239; huwt Grania, Oisīn, zoon van, Geena mac Luga, een van de mannen van, leert mac Luga de grondbeginselen van de Fianna, 240, 41; Murna moeder van, 244; Bran en Skolawn, honden van, 24447; huwt Saba, 245; Saba hem ontnomen door tooverkunst, 246; Niam met het Gouden Haar komt bij hem, 248; wedervaren in het Tooverhol, 254, 55; Goll verlost, 256; geeft Goll zijn dochter Keeva, 256; “De Jacht bij Slievegallion”, 25658; “De Maske van”, door Standish O’Grady, 258; de Harde Gilly (Gilla Dacar) en, 269, 70; Grania en, 273380; treurt om Oscar’s dood, 282; in de geheele Ossian’sche literatuur geen volledig verhaal van den dood van, 283; volgens overlevering ligt hij bezwijmd in een tooverhol, evenals Keizer Barbarossa, 284.

Fintan. De Zalm der Kennis, waarvan Finn eet, 234.

Fionuala. Dochter van Lir en stiefdochter van Aoife, 123; wordt met haar drie broeders door Aoife in zwanen veranderd, 124.

Fir-bolg Zie Firbolgs, 88.

Firbolgs. Overlevende Nemediërs die naar Ierland terugkeeren, 87; naam beteekent “Mannen met de Zakken”, legende hen betreffende, de Fir-Bolg, Fir-Domnan en Galioin, groepen in het algemeen Firbolgs genoemd, 88; de Danaans en de, 91104, 120.

Fir-domnan. Zie Firbolgs, 88.

Flegetanis. Een heidensch schrijver wiens Arabisch boek een bron opleverde voor den dichter Kyot, 376.

Fohla. Vrouw van den Danaan-Koning mac Cecht, 116.

Foill. Een zoon van Nechtan, gedood door Cuchulain, 176.

Follaman. Conor’s jongste zoon, voert het knapen-korps aan tegen Maev, 196.

Fomorianen. Wanstaltig woest volk vertegenwoordigend de booze machten, hun gevecht met de Partholanianen, 82; Nemediërs voortdurend in oorlog met, 86; hun tirannie over Ierland, 93; gevecht met de Danaans, 101, 102, 121.

Forbay. Zoon van Conor mac Nassa, doodt Maev, 224.

Forgall, De Slimme. Heer van Lusca, vader van Emer, 169; vindt den dood als hij Cuchulain ontkomt, 178.

Fothad. Koning, gedood in gevecht met Finn; Mongan’s weddenschap omtrent de plaats van den dood, 65.

Fragarach (“De Antwoordgever”). Geducht zwaard door Lugh meegebracht uit het Land der Levenden, 98.

Frankrijk. Keltisch element in plaatsnamen, 11.

Fuamnach. Vrouw van Midir, de Trotsche, haar jaloezie op diens tweede vrouw Etain, verandert door tooverkunst Etain in een vlinder, 140; Midir vertelt van haar dood, 144.

G.

Gae Bolg. Het gebruik van de, door Skatha aan Cuchulain geleerd, 171; Cuchulain doodt zijn zoon Connla met de, 174; Cuchulain doodt Loch met de, 195; Cuchulain doodt Ferdia met de, 202.

Gaesati. Keltische krijgslieden, in den slag van Clastidium, 24.

Galatia. Keltische Staat, getuigenis van St. Jerome dienaangaande, 18.

Galiërs. Offeren kinderen aan afgodsbeeld Crom Cruach, 69.

Galioin. Zie Firbolgs, 88.

Galisch (e). De Kimbrische taal en de, 19; indruk van legenden op dichters van het vasteland, 33; barden voorloopers van denkbeelden der ridderromantiek; vergelijking van Kimbrische legenden, met, 316; continentale en, romantiek, 317.

Galles, René. Tumulus van Mané-er-Hoeck, beschreven door, 47.

Gallië(rs). Onder Romeinsch juk, 18; Caesar’s bericht over, 20; beschreven door Diodorus Siculus, 25; beschreven door Ammianus Marcellinus, 26; dr. Rice Holmes beschrijft, 26, 27; hun handel op de Middellandsche zee, in de baai van Biscaye, 27; godsdienst en ritus beschreven door Julius Caesar, 36; menschen-offers, 69; inscripties ter herinnering van Aesus, Teutates, en Taranus, 71; Dis, of Pluto, een voorname godheid van de, 72; dooden van de Galliërs naar Brittannië gevoerd, 115; Maon naar, gevoerd, 137.

Garach. Mac Roth beziet de Ulstermannen op de vlakte van, 204; slag van, 205, 206.

Gaulois, La Religion des”. Verwijzing naar, 39, 67.

Gauvain (Sir Gawain). Ridder, metgezel van Perceval, 376.

Gavrinis. Uit de hand lezen te, 48.

Geena Mac Luga. Zoon van Luga, een van Finn’s mannen, 240; Finn leert hem de grondbeginselen der Fianna, 241, 242.

Geise (enkelvoud, gaysh; meervoud gaysha). De wet van de, beteekenis van het Iersche woord, voorbeelden: Dermot, Conary Mōr en Fergus mac Roy, 148; Grania legt Dermot, op, 274

Gele Boek van Lecan. Verhaal van Cuchulain en Connla in, 175.

Gelon. Hamilcar te Himera door, verslagen, 6.

Genealogie. Conary Mōr van Eochy, 147; Conor mac Nessa van Ross de Roode, 164; Cuchulain en Conall van den Druïde Cathbad, 164; van Don, 320; van Llyr, 320; van Arthur, 321.

Geneeskunst. Zie Magie, 44; Plinius en, 45.

Geneir. Ridder aan Arthur’s hof, 369.

Geoffrey van Monmouth. Bisschop van St Asaph, zijn “Historia Regum Britaniae” geschreven om Arthur’s krijgsbedrijven te herdenken, 309.

Geraint. Verhaal van Enid en, 367.

Gerald, Graaf. Zoon van godin Ainé, 112.

Germaansche Woorden. Vele belangrijke, van Keltischen oorsprong, 15.

Germān. Diuran en, metgezellen van Maeldūn op zijn wonderreis, 288.

Germanen. Als Kimbren en Teutonen bedreiging voor de klassieke beschaving, 15; de Jubainville’s uitlegging betreffende, als onderworpen volk, 15; werpen de Keltische heerschappij omver, 17; hun begrafenisritus, 17; hun kuischheid, 25.

Germanië. Plaatsnamen van, Keltisch element in, 11.

Gesprek van de Ouden. Verzameling verhalen, waarin St. Patrick en Cascorach worden vermeld, 103, 258; gewicht er van, 261.

Gilla Dakar (de Harde Gilly). Verhaal van, 269271.

Gilvaethwy. Zoon van Dōn; neef van Māth, 348; zijn liefde voor Goewin en de gevolgen daarvan, 348350.

Giraldus Cambrensis. Getuigenis aangaande de blondheid van de Iersche Kelten, 4. Zie Bleheris.

Glen Etive. Woonplaats van Naisi en Deirdre, 181.

Gloucester. Mabon verlost uit de gevangenis in, 360; de negen toovenaressen van, 372.

Glower. De sterke man van het Kleine Volk, 225.

Glyn Cuch. Pwyll’s jacht in de bosschen van, 328.

Goban de Smid. Broeder van Kian en Sawan, komt overeen met Wieland de smid in de Germaansche legende, 95, 101; Ollav Fōla vergeleken met, 134.

God. Cythrawl en, twee primaire wezens in de Kimbrische cosmogonie, beginselen van leven en verwoesting, 306; de onuitsprekelijke Naam van, uitgesproken, en de “Manred” gevormd, 306.

Goden. De opvatting van het Megalitisch Volk omtrent hun, 71; van Arische Kelten door Caesar vergeleken met Mercurius, Apollo, Mars, etc., 72; Lugh of Lugus, de Licht-god, 73.

Godheden. Caesar over de Keltische, 72; hoe het volk en de barden zich de Danaan-, voorstelden, 110.

Godsdienst. De Keltische, 29; die der Magie, 45; in Perzië, door Zoroaster ingesteld, 46.

Goewin. Dochter van Pebin; Gilvaethwy’s liefde voor haar en de gevolgen er van, 348350.

Golasecca. Een groote kolonie van de Kelten uit de vlakten, in Cisalpijnsch Gallië, 40.

Goleuddydd. Vrouw van Kilydd; moeder van Kilhwch, 355.

Golf van Cleena. Zie Tonn Cliodhna.

Goll Mac Morna. Zoon van Morna, hoofdman van de Fianna van Erin, 236; zweert trouw aan Finn, 237; Finn herinnert aan zijn groot gezegde, 246; hij verlost Finn uit het tooverhol, 256; Keva met den Blanken Huid hem tot vrouw gegeven, 256; avontuur met den hamel, 268, 269.

Gonemans. Ridder die Perceval (Peredur) opvoedt, 372.

Gorboduc. “Historia Regum Britaniae” leverde stof voor, 311.

Gowra. Verwijzingen naar Oscar’s dood te, 240, 253; slag van, tusschen Clan Bascna en Clan Morna, 281; Oscar’s dood te, 282; dood van den Koning van Ierland te, 282.

Graal. Legenden van den, 368; verhaal van Peredur en den, 368; Chrestien de Troyes’ verhaal van den, 372; identisch met den Beker van het Laatste Avondmaal, 374; Wolfram von Eschenbach’s opvatting van het verhaal van den, 374; bewaard in het kasteel van Munsalvāsche, 375; talisman van overvloed, 376; verkeerde afleiding van gréable, 376; juiste afleiding, 377 noot; combinatie van Keltische poëzie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid en oude Zonne-mythen, 379.

Grania. Bemint Dermot, laat zich schaken door Dermot, 240; verhalen van Deirdre en, met elkander vergeleken, 273280; gevoerd naar den Heuvel van Allen, als Finn’s vrouw, 280.

Grieken. Kelten en, 1; oorlogen in bondgenootschap met Kelten, 5; maken einde aan het monopolie van den Carthaagschen handel met Brittannië en Spanje, 6; verzekeren zich van den weg over land door Frankrijk naar Brittannië, 6; Grieksche beschaving bewaard in Keltische landen, 6.

Griekenland. Dolmens gevonden in, 37; onderdrukking van de Firbolgs in, 37.

Gronw Pebyr. Bemind door Blodeuwedd, 352; gedood door Llew, 353.

Groot-brittannië. Westelijk uiteinde = Land der Dooden, 115.

Guairy, Hugh. Voor moord in hechtenis genomen, en te Tara door Dermot gevonnist, 31.

Guary. Opper-Koning, hoont Sanchan Torpest wegens het verlies van den “Tain”, 215.

Guest, Lady Charlotte. Verzameling van verhalen, 379. Zie “Mabinogion”.

Gwalchmai. Neef van Koning Arthur, 365, 369.

Gwalw. Dingt met Pwyll naar de hand van Rhiannon, 332, 333.

Gwenhwyvar. Vrouw van Koning Arthur, 357.

Gwern. Zoon van Matholwch en Branwen, 339; aanvaardt de heerschappij van Ierland, 341.

Gwion Bach. Zoon van Gwreang; Ceridwen laat hem in den tooverketel roeren, hij doet als vroeger Finn, 380.

Gwlwlyd. De bruine ossen van, 359.

Gwreang. Vader van Gwion Bach, 380.

Gwrnach. Reus; zwaard van, 359.

Gwyddno Garanhir. Paarden van, drinken van den vergiftigden stroom, vandaar de stroom “Vergif van de Paarden van”, 380; zijn zoon Elphin vindt Taliesin, 381.

Gwydion. Zoon van Dōn; zijn plaats in de Kimbrische mythologie later ingenomen door den god Artaius, 321; neef van Māth, 348; de zwijnen van Pryderi en, 34850.

Gwyn Ap Nudd. Een Kimbrische godheid, vergeleken bij Finn (Galisch) en Odin (Noorsch), 321; gevecht op elken Mei-dag tusschen Gwythur ap Greidawl en, 321, 356.

Gwynedd. Māth, heer van, 348.

Gwynfyd. Reinheid; de tweede van de drie concentrische cirkels die in de Kimbrische cosmogonie al het bestaande vertegenwoordigen, waarin het leven zich openbaart als een zuivere blijde kracht die over het kwaad zegeviert, 386.

Gwythur Ap Greidawl. (Victor, zoon van Schroeier). Gevecht elken Mei-dag met Gwyn ap Nudd, 321, 356.

H.

Hades. (of Annwn). De Tooverketel maakt deel uit van den buit van, 378

Hamilcar. Wordt te Himera door Gelon verslagen, 6.

Hamitisch, Het. Bewaard in de syntaxis bij de Keltische talen, 63.

Havgan. Mededinger van Arawn; doodelijk gewond door Pwyll, 329.

Hecathaeus van Abdera. Beschrijft muzikale diensten der Kelten (vermoedelijk van Groot-Brittannië), 42.

Hecathaeus van Miletus. Eerst bestaande vermelding van “Kelten” door, 1.

Heilyn. Zoon van Gwynn, 342.

Heinin. Bard aan Arthur’s hof, 383.

Hellanicus van Lesbos. Kelten en, 1.

Herodotus. Kelten en, 1, 40.

Hert van Redynvre, Het, 360.

Heuvel van Ainé. De naam van de godin Ainé verbonden aan den, 112; Ainé verschijnt in een St. Jan’s nacht onder meisjes op den, 113.

Heuvel van Allen. Finn’s honden herkennen Saba, als zij terugkeeren naar den, 245; Oisīn keert terug naar den, 253; Finn keert terug naar den, 258; terugkeer van de Fianna naar den, om de bruiloft te vieren van Finn en Taska, 272; Finn voert Grania als zijn vrouw naar den, 280.

Heuvel van Keshorran. Finn behekst op den, 254.

Heuvel van Macha. Beteekenis, 230.

Hevydd Hēn. Vader Rhiannon, 331.

Historia Britonum”. Zie Nennius.

Historia Regum Britaniae. Zie Geoffrey van Monmouth, 309; Leverde stof voor “Gorborduc” en “Koning Lear”, 311; verbazend succes van, vertaald door Waca in het Fransch, door Layamon in het Angel-Saksisch, 311.

Homerus. Zijn sombere schildering van de zielen der afgestorvenen gevoerd naar de onderwereld, 64; verwijzing naar, 131.

Hond van Ulster. Zie Cuchulain, 199, 215; element in Galische namen, 167.

Hongarijë. Miled’s naam als god in een Keltische inscriptie uit, 115.

Hoogte van de Doode Vrouw. Vivionn begraven op de, 264.

Hugh. Een van de kinderen van Lir, 126.

Hull (Miss). Verwijzing naar, 108 noot, 186 noot.

Hyde, Douglas. Verwijzing naar zijn volksverhaal over Dermot, 268.

Hyperboreërs. Equivalent van Kelten, 1.

I.

Iberiërs. Aquitaniërs en, overeenkomst tusschen, 43.

Ierland. Eenige historische positie van, 19; Dermot mac Kerval, Opper-Koning van, 31; St. Patrick als apostel in, 35; Kelten van de vlakten bouwden paal-woningen in de meren in, 40; heilige bronnen van, 50; tumulus en symbolische insnijdingen te New Grange in, 5356; bekeering tot het Christendom vermeld, 68; Lugh of Lugus, god van het Licht in, 73; geschiedenis van, verhaald door Tuan, 8385; Nemed neemt, in bezit, 83; Fomorianen tiranniseeren, 86; Standish O’Grady’s “Critical History of”, 104; verdringing van Danaans door Milesiërs, 115; Ith komt in, 115120; naam Eriu (datief Erinn) de poëtische naam van, 117; lied van Amergin gezongen bij het landen in, 119; Milesisch leger doet inval in, 120; de kinderen van Miled heerschers over, maar voortaan zijn er twee Ierlands: het geestelijke bezet door de Danaans, het wereldsche door de Milesiërs, 120128; Eremon, eerste Milesisch koning van geheel, 127; Christendom en paganisme in, 129; Milesische verdeeling van, 132; Ollav Fola, de voornaamste Ollav van, 133; Maon regeert over, 138; inval van Conary’s pleegbroeders in, 181; De Verschrikkelijke beslist over het Kampioenschap van, 178; Naisi en Deirdre landen in, 181; Cairbry, zoon van Cormac mac Art, Opper-Koning van, 280; Maeldūn en zijn metgezellen keeren terug naar, 304; de Arthur-sage drong nooit door in, 316; inval van Bran, 339; Matholwch draagt op Gwern de heerschappij over, 341.

Iersch(e). Element van plaatsnamen gevonden in Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, enz., 11; Spenser’s opmerking over nieuwsgierigheid, 21; tooverritus van de Druïden overgebleven in vroege-Christendom, 68; vier hoofdafdeelingen in cyclus van, legenden, 80; de Coulin, een van de mooiste, volksmelodieën, 104; Angus Ōg de, Iersche god der Liefde, 106; de Jubainville’s verwijzing naar den Mythologischen Cyclus, 117; beteekenis van, plaatsnamen, 229; St. Patrick en, legende, 260; invloed van Christendom op, literatuur, 272.

Ildanach (Man van alle ambachten). Bijnaam van Lugh, den Zonnegod, 97.

Illyriërs. Kelten overwinnen de, 6.

Indië. Dolmens gevonden in, 37; voetsymbool gevonden in, 61; gebruik in, om aan de seizoenen van het jaar toonsoorten te verbinden, 103.

Indra. Indische hemellucht-godin overeenkomende met den Bruinen Stier van Quelgny, 185.

Ingcel. Eenoogig hoofdman, zoon van den Koning van Groot-Brittannië, een balling, 152, 53.

Invasie-mythen (Iersche). Zie Mythen.

Inverskina. Oude naam van de Kenmare-rivier, zoo genoemd naar Skena, 117.

Irnan. Legt Finn geise op tot tweegevecht, 255; gedood door Goll, 256.

Italië. Noord, Kelten veroveren, op de Etruskers, 5, 9; Sanchan Torpest zendt Murgen en Eimena naar, om de “Tain” op te sporen, 216.

Ith. Zoon van Bregon, grootvader van Miled, 115; gaat naar Ierland, ziet van Bregon’s toren de kusten van Ierland, verneemt dood van Neit, verwelkomd door mac Cuill en zijn broers, ter dood gebracht door de drie Danaan Koningen, 115120.

Iubdan. Koning van het Kleine Volk, 225; Bebo, vrouw van, 226; Bebo en, bezoeken Koning Fergus in Ulster, 227.

Iuchar. Een van drie zonen van Turenn, 99; Brigit, moeder van, 110.

Iucharba. Een van drie zonen van Turenn, 99; Brigit, moeder van, 110.

J.

Japan. Dolmens gevonden in, 37.

Jerome, St. Verklaring van, over den Keltischen Staat Galatia, 18.

Jeugd. De maagd die aan Dermot de Liefde-Vlek gaf, 269.

John, Ivor B. Zijn meening over Keltische mystieke geschriften, 305.

Jones, Brynmor. Bevindingen over oorsprong van bevolkingen van Groot-Brittannië en Ierland, 62.

Joyce, Dr. R. W. Verwijzing naar zijn “Old Celtic Romances”, 279, 285, 288.

Jubainville, D’arbois de. Groot kenner van het Keltisch, 27; beschouwt Germanen als een onderworpen volk, 15; bericht betreffend Megalithisch Volk, 39; houdt Taranus (? Thor) voor god van den Bliksem, 71; meening over Dis, of Pluto, als vertegenwoordigend duisternis, dood en kwaad, 72; verwijzing naar den Gallischen god dien Caesar gelijk stelt met Mercurius, 98; hij acht Brigit identisch met Dana, 110; beschrijft Ith’s landing in Ierland in zijn “Iersche Mythologische Cyclus”, 115; vertaling van Amergin’s vreemd lied, 118.

K.

Kai. Koning Arthur’s hofmeester, 356; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357; wijst Peredur af, 369.

Kampioen van Ierland. Proef op het feest van Briccriu, om te beslissen over den, 178; Chuculain als zoodanig uitgeroepen, 179.

Karpathen. Vroegste woonplaats van de berg-Kelten waren ketens van de, 41.

Kasteel der Wonderen. Peredur in het, 370, 371.

Katholieke Kerk. Middeneeuwsche verboden der, 30.

Keating. Verwijzing naar zijn “Geschiedenis van Ierland”, 134; zijn vermelding van Maon, 137; verhaalt Ket’s dood, 223; verhaalt Maev’s dood, 224.

Keelta Mac Ronan. Door Mongan van de dooden opgeroepen, 65; krijgsman en voordrager, een van Finn’s voornaamste mannen, 240; St. Patrick en, 243, 244, 266; Finn fluistert hem het verhaal van zijn betoovering toe, 257; Oisīn en, besluiten van elkander te gaan, 259; ontmoet St. Patrick, 259; helpt Oisīn Oscar begraven, 283.

Keevan met de Krullende Lokken. Minnaar van Cleena, 111.

Keltae. Een van drie volken die Gallië bewoonden toen Caesar’s verovering begon, 42.

Keltchar. Een edele uit Ulster; mac Datho’s zwijn en, 222.

Kelten. Woord het eerst gevonden bij Hecataeus, equivalent. Hyperboreërs, Herodotus en de woonplaats der, Aristoteles en, Hellanicus van Lesbos en, Ephorus en, Plato en, hun aanval op Rome, een mylpaal in de oude geschiedenis, 1; beschreven door dr. T. Rice Holmes, 2, 3; heerschappij over Midden-Europa, Gallië, Spanje, en de Britsche eilanden, hun plaats onder de rassen, Giraldus Cambrensis en, Spanje veroverd op de Karthagers, Noord-Italië veroverd op de Etruskers, Vergilius en de, overwinnen de Illyriërs, verbond met de Grieken, veroveringen in de dalen van Donau en Po, 46, Alexander sluit verdrag met, nationale eed van de, 6, 7; tot eenheid gebracht door Ambicatus, 8; verslaan de Romeinen, 10; Germaansche volken en, 10, 17; decoratieve motieven ontleend aan Grieksche kunst, 12; emailleerkunst door de klassieke volken geleerd van de, 13, 14; begrafenisritus, 17; karakterelementen, 20; Strabos beschrijving, 22, 23; praallievendheid en oorlogvoering, 23; Polybius’ beschrijving van krijgers in den slag van Clastidium, 24; invloed op Europeesche literatuur en philosophie, 33, 34; godsdienst van de, 3574; ketens van de Karpathen hun oudste thuis in de bergen, 41; met muziek gepaarde plechtigheden, beschreven door Hecataeus, 42; Zwitserland, Bourgondië, het Palatinaat en Noord-Frankrijk, gedeelten van Brittannië, bezet door berg-, 42; oorsprong van onsterflijkheidsleer, 60; begrip van onsterflijkheidsleer en leer der zielsverhuizing, 65, 66; de tegenwoordige, 75, 76; geen niet-Christelijke opvatting van oorsprong der dingen, 79; overwinningen bij de Allia en te Delphi toegeschreven aan Brenos (Brian), 110; ware aanbidding der, van elementaire krachten vertegenwoordigd door werkelijke natuur-verschijnselen, 131.

Keltendom. De Gouden Eeuw van ’t, in continentaal Europa, 5.

Keltica. Nimmer bewoond door een enkel zuiver, homogeen ras, 2; Grieksch type van beschaving bewaard door, 6; emailleer-kunst had haar oorsprong in, 13, 14; de Druïden waren de hoogste macht in, 30; Brigitta (Dana) meest algemeen aangebeden godin in, 110.

Keltisch(e). Verbreiding van, macht in Midden-Europa, 10; plaatsnamen in Europa, 10, 11; wat overblijfselen van kunstwerken vertellen, 12; Keltisch element in Germaansche woorden, 15, 16; ondergang van, Rijk, 18; zwakke politiek der, volkeren, 28; De, godsdienst, 29; traditioneele begraafplaatsen der, Opper-Koningen, 53; oorsprong der zoogenaamde Keltische onsterflijkheidsleer, 60; begrippen over onsterflijkheid, 63, 64; godheden, namen en eigenschappen van, 70, 71; opvatting van den dood, 73; vijf factoren in, cultuur, 74; tegenwoordige bevolkingen, 7577; cosmogonie, 79, 80; “Barddas”, werk van belang voor den beoefenaar van ’t Keltisch, 305.