Kenmare, Rivier. In graafschap Kerry; oude naam Inverskena, naar Skena, 117.
Kennis. Noten van, 235; de Zalm van, 235.
Kenverchyn. De drie honderd raven van, 367.
Kerry. Murna huwt den Koning van, 235.
Kesair. Gallische prinses, vrouw van Koning Ugainy de Groote, grootmoeder van Maon, 136.
Ket. Zoon van Maga; doet mee aan Maev’s aanval tegen Ulster, 187; werpt Conall’s “hersen-bal” tegen Conor mac Nessa, wat zeven jaren later diens dood veroorzaakt, 219, 220; “het Zwijn van mac Datho” en, 220–23; dood van, verhaalt in Keating’s “Geschiedenis van Ierland”, 123.
Ketel van Overvloed. Zie equivalent = Steen van Overvloed; zie ook Graal.
Keva met den Blanken Huid. Dochter van Finn, aan Goll tot vrouw gegeven, 256.
Kian. Vader van Lugh, 95; broeder van Sawan en Goban, 95; einde van, 99.
Kicva. Dochter van Gwyn Gohoyw, 336; vrouw van Pryderi, 343.
Kilhwch. Zoon van Kilydd en Goleuddydd; verhaal van Olwen en, 355–60; bij zijn zoeken (naar Olwen) vergezeld door Kai, enz., 357–60.
Killarney, Meren van. Oude naam Locha Lein, door Len gegeven aan, 107.
Kilydd. Echtgenoot van Goleuddydd, vader van Kilhwch, 355.
Kimbay (Cimbaoth). Iersche Koning; regeering van, en de stichting van Emain Macha, 134; broeder van Rooden Hugh en Dithorba, gedwongen Macha te huwen, 135.
Kimbrisch(e). 1. Volken; werking van legenden van, op continentale dichters, 33. 2. Mythen; Druïdsche gedachten in Llewellyn Sion’s “Barddas”, uitgegeven door J. N. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap van Wales, 305; cosmogonie, de, 306–8; God en Cythrawl in, 306; waarom zoo weinig van Arthur-sage in, 316; vergelijking tusschen Galische en, legenden, 316 enz.
Kinderen van Lir. Verwijzing naar, 106.
Kingsborough, Lord. Staaltjes van beker-en-ring-insnijdingen gereproduceerd in zijn “Oudheden van Mexico”, 52.
Kleine Volk, Het. Fergus mac Leda en, 225–28; Iubdan, Koning van, 225.
Koning Lear. “Historia Regum Britaniae” leverde de stof voor, 311.
Kroningssteen. Thans in de Westminster Abdij, is de beroemde Steen van Scone, 90.
Kymideu Kymeinvoll. Vrouw van Llassar Llaesgyvnewid, 339.
Kymon. Ridder aan Arthur’s hof; het avontuur van, 362–65.
Kynddelig. Een van Arthur’s dienaren; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357.
Kyot (Guiot). Provencaalsch Dichter; Wolfram van Eschenbach en, 375.
L.
La Tène-cultuur. Overblijfselen in Oostenrijk gevonden ontwikkelen zich tot, 13.
Labra de Zeeman. Zie Maon, 137.
Laeg. Cuchulain’s vriend en wagenmenner, 168; door Cuchulain gezonden om de mannen van Ulster op te wekken, 195; bezoekt Tooverland om bericht uit te brengen over Fand, 208; de Schimmel van Macha wil niet worden opgetuigd door, 211; gedood door Lewy, 213.
Laery. 1. Zoon van Koning Ugainy de Groote; verraderlijk gedood door zijn broeder Covac, 136. 2. De Zegevierende; deinst terug voor de Kampioen-proef, 178; mac Datho’s Zwijn en, 222. 3. Zoon van Neill; heeft een vizioen van Cuchulain, 218.
Lavignan. Hoofd in Connacht, verloofd met Deoca; maakt zich meester van de kinderen van Lir, 126.
Land der Dooden. Synoniem met Spanje, 115; het westelijk uiteinde van Groot-Brittannië is, volgens een oud schrijver door Plutarchus geciteerd, en ook volgens Procopius, het, 115.
Land der Levenden = Land van de gelukkige dooden, 81; geschenken die Lugh bracht uit het, 98.
Land der Schimmen. Woonplaats van Skatha; Cuchulain in het, 169–71.
Land van het Kleine Volk. Zie Kleine Volk (of Faylinn), 225, etc.
Land der Jeugd. Identisch met “Land der Dooden”, “Land der Levenden”, zie Mananan, 93, 109; Cleena woonde eens in, 111; nog levend in de verbeelding van den Ierschen boer, 121; mystisch land van het Volk van Dana, nadat dit door de Kinderen van Miled was verdreven, 140; heidensche voorstelling van, 144; minnaar uit het, bezoekt Messbuachalla, dien zij een zoon baart, 150; Oisīn ziet wonderen van, Oisīn keert terug uit, 250; de “Vrouw van de Bron” en het, 363.
Layamon. Vertaler. Zie “Historia Regum Britaniae”.
Legende(n). Cyclen van Iersche, 80.
Leicester. Zie Llyr.
Leinster. Boek van, en de Jubainville, 8; oude verhandeling, de “Dinnsenchus”, bewaard in, 69; traditioneele afleiding van den naam, 138; mannen van, doen mee aan Maev’s aanval op Ulster, 187; Mesroda, zoon van Datho, woonde in de provincie, 220.
Leix. Roovers uit, dooden Ailill van den Rand van den Slag, 286; Maeldūn’s reis naar, 287–304.
Len. Goudsmid van Bōv de Roode; gaf ouden naam Locha Lein aan de meren van Killarney, 107, 108.
Levarcam. Deirdre’s voedster, 179; Conor ondervraagt haar, 180.
Lewy. Zoon van Curoi, Cuchulain’s vijand, 210; gedood door Conall, 215.
Lia. Heer van Luacher, schatmeester van de Clan Morna, 234; gedood door Finn, 235; vader van Conan, 237.
Lia Fail, De. De Steen van het Noodlot, 105.
Liagan. Zeeroover gedood door Conan mac Morna, 239.
Licht van Schoonheid. Zie Sgeimh Solais.
Lir. 1. Zeegod, vader van Mananan, 98–123; Mananan en Lir, 109; identisch met het Grieksche Oceanus, 109; vader van Lodan en grootvader van Sinend, 114; komt overeen met de Kimbrische godheid Llyr, 323. 2. De Kinderen van, hun gedaantewisseling, hun dood, 123–26.
Lismore. Beschrijving van het boek van James Mac Gregor, deken van, 265.
Llassar Llaesgyvnewid. Echtgenoot van Kymideu Kymeinvoll, geeft den tooverketel aan Bran, 339.
Llevelys. Zoon van Beli; verhaal van Ludd (Nudd) en, 354, 55.
Llew Llaw Gyffes. Of “de Leeuw met de Vaste Hand.” Een held, onderwerp van het verhaal “Māth Zoon van Māthonwy”, 319, 20; identisch met de Keltische godheid Lugh met den Langen Arm, 320; hoe hij aan zijn naam kwam, 350, 51; zijn bloem-vrouw genaamd Blodeuwydd, 352; doodt Gronw Pebyr, die hem had bedrogen, 353.
Lludd. Zie Nudd.
Llwyd. Zoon van Kilcoed, een toovenaar; heft de betoovering op van zeven gebieden van Dyfed en van Pryderi en Rhiannon, 347.
Llyr. In legenden van Wales vader van Manawyddan; Iersche equivalenten Lir en Mananan, Llyr-cester (nu Leicester) vroeger een centrum van den eeredienst van, 319; Huis van, komt overeen met Keltische Lir; Penardun, dochter van Dōn, vrouw van, stamboom, 323.
Loch. Zoon van Mofebis, kampioen door Maerr uitgezonden tegen Cuchulain, wondt Cuchulain, maar wordt door hem gedood, 194, 195.
Loch Gara. Meer in Roscommon; mac Cecht’s bezoek aan, 159.
Loch Rury. Fergus mac Leda’s avontuur te, 328.
Loch Ryve. Maev trekt zich terug op het eiland op, en wordt daar gedood door Forbey, 224.
Lodan. Zoon van Lir, vader van de godin Sinend, 114.
Loherangrain. Ridder van de Zwaan, Zoon van Parzival, 375.
Loughcrew. Groote tumulus te, vermoedelijk de begraafplaats van Ollav Fōla, 134.
Lourdes. Vereering van de wateren van, 51.
Lucanus. Vermeldt trias van godheden, 71.
Luchad. Vader van Luchta, 97.
Luchta. Zoon van Luchad, 97; de timmerman van de Danaans, 101.
Ludgate. Voor afleiding zie Nudd.
Lugh, of Lugus. 1. De god van het Licht in Gallië en Ierland, 73. 2. Zoon van Kian, de Zonne-god per exellence van alle Keltische landen, komst van, 94–98; andere namen Ildánach (“De Man van alle ambachten”) en Lugh Lamfada (Lugh met den Langen arm), 97; zijn losprijs van de Zonen van Turenn voor den moord van zijn vader Kian, 100, 101; doodt Balor en wordt in zijn plaats koning, 102; vurige speer van, 105; zijn eeredienst wijd verspreid over ’t Keltisch vasteland, 108; verzoekt Cuchulain bij Dectera, 108, 165; Kimbrische godheid Llew Llaw Cyffes komt overeen met, 320.
Lugh met den Langen Arm. Zie Lugh. Zijn onoverwinlijk zwaard, 90; Bres, zoon van Balor, en, 108; echtgenoot van Dectera en vader van Cuchulain, 165; verschijnt aan Cuchulain en beschermt de rivier terwijl zijn zoon rust, vecht aan de zijde van zijn zoon, 196; Kimbrische held Llew Llaw Gyffes komt overeen met, 320.
Luned. Maagd die Owain bevrijdde, Owain bevrijdt haar, 365–67.
M.
“Mabinogion” De (enkelvoud Mabinogi). Verwijzing naar het verhaal van Kilhwch en Olwen in, 315; “Het Roode Boek van Hergest”, de voornaamste bron van de verhalen van, 316; “Māth zoon van Māthonwy”, verhaal in, 319; Alfred Nutt’s uitgave, 328; Vier Takken van de Mabinogi vormen het belangrijkst deel van, 353; Peredur’s verhaal in, en Fransche lezing, 373; het verhaal van Taliesin en, 379.
Mabon. Zoon van Modron, verlost door Arthur, 360.
Maccecht. Danaan Koning, echtgenoot van Fohla, 116; behoort tot Conary’s gevolg in Da Derga’s verblijf, 156; hij zoekt naar water, 158, 159.
Maccuill. Danaan Koning, echtgenoot van Banba, 116; in de vesting van Aileach, 117.
Macgrené. Danaan Koning, echtgenoot van Eriu, 116; mythische naam Zoon van de Zon, 116.
Mac Indoc, De Vlakte van. Laery en St. Benen op, 218.
Mackerval, Dermot. Regeering van, in Ierland, de verwensching van Tara, 31, 32. Zie Dermot.
Macpherson. Pseudo-Ossian’sche poëzie van, 265.
Mac Roth. Opzichter van Maev, en de Bruine Stier van Quelgny, 185; gezonden om te zien naar het leger van mannen van Ulster, 204.
Macedonië. Aangevallen door Thracische en Illyrische horden, 6.
Macha. Dochter van Rooden Hugh, doodt Dithorba en dwingt Kimbay haar te huwen, neemt vijf zonen van Dithorba gevangen, is een voorbeeld van de vereeniging van de eigenschappen van het Danaan- en het menschelijk geslacht, 135–36; bovennatuurlijk wezen, gaat bij Crundchu wonen, 161; haar wedren tegen paarden van Ultoniërs, brengt tweelingen ter wereld, en vloekt de Ultoniërs, 162, 163; haar vloek over de mannen van Ulster, 187–203; de vloek over de mannen van Ulster weggenomen, 204.
Maeldun. Zoon van Ailill, 286; gaat naar zijn eigen bloedverwanten, 287; zijn wonderreis, 287–304; Dr. Whitley Stokes’ vertaling van het reisverhaal voorkomend in het “Boek van de Berg Koe” (manuscript) in de “Revue Celtique”, stof voor Tennyson’s “Reis van Maeldune”, geleverd door Joyce’s lezing in “Oud-Keltische Vertellingen”, 285.
Maen Tyriawc. Begraafplaats van Pryderi, 349.
Maev. Koningin van Connacht, Angus Ōg zoekt haar hulp, 106; zwakheid der Ultoniërs gebleken bij den strooptocht van vee te Quelgny, 163; Fergus zoekt haar hulp, haar beroemde stier Finnbenach, 184; haar pogingen om den Bruinen Stier van Quelgny meester te worden, 186–210; haar leger richt verwoestingen aan in de gebieden van Bregia en Murthemney, 191; biedt Ferdia haar dochter Findabair met de Mooie Wenkbrauwen aan, zoo hij met Cuchulain wil vechten, 198; Conor roept mannen van Ulster op tegen, 204; wordt achterhaald, maar door Cuchulain gespaard, 206; sluit vrede voor zeven jaar met Ulster, 207; wraak op Cuchulain, 309–14; mac Datho’s hond en, 320–22; trekt zich terug op Loch Ryve, gedood door Forbay, 224.
Maga. Dochter van Angus Ōg, vrouw van Ross de Roode, ook gehuwd met den Druïde Cathbad, 164.
Magi. Woord magie afgeleid van, 44; Plinius, over, 45.
Magie. De Godsdienst van het Megalitisch volk, 43; oorsprong van het woord, Plinius over; oorsprong in Perzië, door Zoroaster bedacht, 44, 45; sporen in Megalithische gedenkteekenen, 47; de Clan Calatin leert in Ierland, Alba en Babylon magie, om tegen Cuchuiain op te treden, 209–213.
Maitre, Albert. Inspecteur van ’t Musée des Antiquités Nationales, 48.
Malory. Wace is hem vóór, 311; Kimbrische mythen en, 357.
Mananan. Zoon van den Zee-god Lir, 98, 123; Luch brengt zijn magische boot en zijn paard, benevens het zwaard Fragarach uit het Land der levenden, 98, 105; eigenschappen van den Zee-god meestal toegeschreven aan, de meest populaire godheid in de Iersche mythologie, heer over de zee waarachter het Land der Jeugd, of de Dooden-eilanden werden geacht te liggen; kende tooverkunsten, bezitter van tooverboot, tooverros en tooverzwaard, 109, 110; dochter van, gegeven aan Angus, een Danaan prins, 127; zijn vrouw Fand zet haar zinnen op Cuchulain, 207; hij krijgt Fand terug, zwaait zijn mantel tusschen Fand en Cuchulain, 209; Kimbrische godheid Manawyddan komt overeen met, 319.
Manawyddan. In de mythologie van Wales, zoon van Llyr; Iersche aequivalenten, Mananan en Lir, 319; Bendigeid Vran (“Bran de Gezegende”), zijn broeder, 336; verhaal van Pryderi en, 344–48; huwt Rhiannon, 343.
Mané-er-hoeck. Merkwaardige tumulus in Bretagne, 47.
Manes. Zeven verbannen zonen van Ailell en Maev, 153; doen mee aan Maev’s tocht tegen Ulster, 187.
Manessier. Zet Chrestien de Troyes voort, 376.
Manetho. Egyptisch geschiedschrijver, spreekt van menschenoffers, 10.
Manred. De onuitsprekelijke naam van God uitgesproken en zoo werd de primaire stof van het heelal gevormd, 306.
Maon. Zoon van Ailill; zijn ruwe behandeling door Covac, 136–38; wraak op Covac, 137; huwt Moriath en regeert over Ierland, 138; equivalent “Labra de Zeeman”, 138; zonderling verhaal omtrent zijn haar, 138, 139.
Marcellinus, Ammianus. Beschrijft de Galliërs, 26.
Marie de France. Anglo-Normandische dichteres; bronnen betreffende de Arthur-sage in haar geschriften, 311.
Māth zoon van Māthonwy. Titel van verhaal in de “Mabinogion”, 319; Llew Llaw Gyffes komt daarin voor, 319; broeder van Penardun, 320; het verhaal van, 347–52; Gwydion en Gilvaethwy, neven van, 348; zijn verwonderlijk gehoor, 355.
Matholwch. Koning van Ierland, komt Branwen ten huwelijk vragen, huwelijk voltrokken te Aberffraw, Evnissyen verminkt zijn paarden, 337; Bran geeft hem o.a. een tooverketel, 338; vader van Gwern, 339; verneemt Bran’s inval, 340; draagt de heerschappij over Ierland op Gwern over, 341.
Māthonwy. Voorvader van het Huis van Don, 321.
Matière de France. Bron voor de Tafelronde en ridderlijke instellingen aan Arthur’s hof toegeschreven, 313.
Maxen Wledig. Keizer van Rome; zijn droom, 353, 54.
Meath. In zijn vecht-woede slaat Fergus de toppen af van de drie Maela van, 206; St. Patrick en het volk van, 259.
Meer van den Ketel. Plaats waar Matholwch Lassar en Kymideu ontmoette, 339.
Meer van den Drakenmuil. Verblijfplaats van Caer; Angus Ōg vindt daar Caer, zijn geliefde, 106, 107.
Megalithisch Volk. Bouwt dolmens, cromlechs, 36–77; oorsprong van het, 38–42; Ridgeway’s bewering, 40; hun godsdienst die der magie, 43; voorstellingen van de goddelijke machten in menschelijke gedaante geheel onbekend bij, 60; het dwingt den Kelten het Druïdisme op, 67; menschenoffers een overblijfsel van het, 69; hun opvatting van hun godheden, 70.
Meidag. Gewijd aan Beltené, dag waarop de Zonen van Miled de verovering van Ierland begonnen, 118; elken Meidag gevecht tusschen Gwythur en Gwyn, 321; vreemde gil in Brittannië elken avond vóór Mei, 354.
Mercurius. Door de Galliërs beschouwd als hoofd der Goden, 72; Lugh Lamfada geïdentificeerd met, 98.
Merlin. Zie Myrddin. Zijn tooverkunsten 310; equivalent Myrddin, Geoffrey van Monmouth gelooft dat hij Stonehenge oprichtte, zijn verblijf, 326.
Mesgedra. Zijn wraak volbracht, 220.
Mesroda, Mac Datho. Zoon van Datho, 220; het voorsnijden van het zwijn, 221–22; Conor en Maev beiden gezonden om zijn hond te koopen, 220.
Messbuachalla. Eenige dochter van Etain Oig, beteekent “des koeherders pleegdochter”, 149; de aan Koning Eterskel beloofde zoon en, wordt bezocht door een Danaan minnaar, geboorte van Conary, 150.
Mexico. Beker- en ring-insnijding in, 52; voetsymbool gevonden in, 62; kruislings gezeten Buddha herhaaldelijk aangetroffen in de godsdienstige kunst van, 72.
Midir, De Trotsche. Een zoon van den Dagda; type van praal, verschijnt voor Koning Eochy, 108; zijn vrouw Fuamnach, zijn tweede vrouw Etain, 140; neemt zijn vrouw terug van Eochy, 144–46; staat Etain af, 147.
Miled. 1. Zonen van; overwinnen het Volk van Dana, 85; hun komst om de Danaans in Ierland te verdringen, 114, 115; Bregon, zoon van, 115; Amergin, zoon van, 117; beginnen de verovering van Ierland op 1 Mei, 118. 2. Als Godheid voorgesteld in een Keltische inscriptie uit Hongarije, zoon van Bilé, 115. 3. Kinderen van, besluiten wraak te nemen voor het dooden van Ith, 117; heerschers over Ierland, 120.
Milesiërs. Zie Zonen van Miled, 114; beteekenis van mythe, 122–28; eerste koningen, 132–133.
Minorca. Voorstellingen van schepen analoog met die in Ierland gevonden, 60.
Mochaen. Heuvel van, en Lugh’s losprijs, 100.
Modred. Koning Arthur’s neef; maakt zich meester van de kroon van zijn oom en huwt zijn vrouw Guanhamara, Arthur verslaat en doodt hem, 318.
Mongan. Iersch hoofd, reïncarnatie van Finn, weddenschap omtrent de plaats waar Koning Fothad stierf, 65.
Montelius, Dr. Oscar. Het schipsymbool, 56.
Moonremur. Een edele uit Ulster; mac Datho’s zwijn en, 222.
Morann. Druïde; zijn voorspelling betreffende Cuchulain, 166.
Morc. Fomorische koning, 86.
Morda. Een blinde door Ceridwen aangesteld om het vuur te onderhouden onder den tooverketel, 380.
Moriath. Dochter van Scoriath, Koning van Feramore; haar liefde voor Maon en wat ze deed om hem weer naar Ierland te lokken, 137, 138.
Morna. Vader van Goll, 236.
Morrigan, De. Buitengewone godin, belichamend al wat van bovennatuurlijke machten verdorven en verschrikkelijk is, haar liefde en vriendschap voor Cuchulain, 111; haar bezoek aan Conary Mōr in Da Derga’s verblijf, 155; verschijnt aan Cuchulain en biedt hem haar liefde aan, haar bedreiging, valt Cuchulain aan die haar wondt, 194; krast in den vorm van een kraai van oorlog en slachting voor Cuchulain, 211; gaat als kraai op den schouder van den dooden Cuchulain zitten, 214.
Moyrath. Slag van, maakte einde aan verzet van Keltische hoofden tegen het Christendom, 35.
Moyslaught. (“Vlakte der aanbidding”). Afgodsbeeld van Crom Cruach opgericht op, 69.
Moytura, Vlakte van. 1. Tooneel van eersten slag (graafschap Sligo) tusschen Danaans en Firbolgs, 91; 2. Tooneel van tweeden slag (graafschap Mayo) tusschen Danaans en Fomoriërs, 101, 114; de Dagda en, 105.
Munsalväsche (Montsalvat). Kasteel van, waar, in W. von Eschenbach’s gedicht, de graal wordt bewaard, 375.
Munster. Ailill Olum, Koning van, 112; “Heuvel van Ainé” en godin Ainé, 112, 113; oorsprong van naam, 138.
Murias. De Stad (zie Dana), 90.
Murna met den Blanken Hals. Vrouw van Cumhal, moeder van Finn, 234, 244; neemt de wijk in de bosschen van Slieve Bloom en brengt Demna (Finn) ter wereld, 234, 235; huwt den Koning van Kerry, 235.
Murtagh Mac Erc. Koning van Ierland, broeder van Fergus de Groote; leent den beroemden Steen van Scone aan Schotland, 90.
Murthemney. Kian gedood op de vlakte van, 99; Cuchulain van, in een visioen gezien door de profetes Fedelma, 188; de slachting van, 196; leger van Ulster verzamelt zich op de vlakte van, 210; Cuchulain in zijn burcht van, 212.
Mycenae. Een dolmen staat nog naast de begraafplaats der Atriden te, 37.
Myrddin. Zie Merlin. Godheid in Arthur’s mythologischen cyclus, komt overeen met den Zonne-god Nudd, professor Rhys meent dat hij de voornaamste godheid was te Stonehenge aangebeden, neemt de “Dertien Schatten van Brittannië”, 326.
Mythologische Cyclus, De, 80, 81.
Mythologie. Vergelijking tusschen Keltische en Kimbrische, 318; vergeleken met folklore, 384, 85.
Mythen. Beteekenis der Danaan-, 121; beteekenis der Milesische, 122; dringen in Ierland door, 122.
N.
Naisi. Zoon van Usna, bemind door Deirdre, ontvoert Deirdre, zijn broeders Ardan en Ainlé, Conor verzoekt hem terug te keeren, 180; zijn terugkeer onder bescherming van Fergus, 181; gedood door Owen zoon van Duracht, 181–83.
Naqada. Teekens op ivoren tafels door Flinders Petrie ontdekt op het kerkhof te, 62.
Narberth. Kasteel waar Pwyll zijn hof hield, 331; Pwyll’s avontuur op de Hoogte van Arberth bij Narberth, 331, 36; Pryderi en Manawyddan en hun vrouwen treurig achtergelaten in het paleis van, 343.
Natchrantal. Beroemd kampioen van Maev; helpt den Bruinen Stier pakken, 193.
Nechtan. Burcht van de Zonen van, 176; Cuchulain lokt een gevecht uit met de zonen van, zij worden gedood, 176, 77.
Nederlanden. Keltisch element in plaatsnamen van de, 11.
Neit. Danaan koning, gedood in slag met de Fomoriërs, 117.
Nemed. Zoon van Agnoman, neemt Ierland in bezit, 83; vecht zegevierend tegen de Fomoriërs, zijn dood, 86.
Nemediërs. Zeilen naar Ierland, 84; verwant met de Partholaniërs, 86; strijden zegevierend tegen de Fomoriërs, verslagen door de Fomoriërs, 86, 87.
Nemglan. Gebiedt Conary naar Tara te gaan, 151; bepaalt Conary’s geise, 151, 52.
Nennius. Britsch geschiedschrijver in wiens “Historia Britonum” (A.D. 800) de eerste vermelding van Arthur is gevonden, 309.
Nessa. Dochter van Echid Geel-hiel, vrouw van Fachtna, moeder van Conor, bemind door Fergus.
New Grange. Tumulus te, beschouwd als woonplaats van ’t Toovervolk, 53, 54; symbolische insnijdingen te, 55, 57; Angus Ōg’s paleis te 106; Angus’ tooverslot te Brugh na Boyna identisch met, 127.
Niam. 1. Vrouw van Conall; verpleegt Cuchulain, 211; Bave doet haar onder betoovering dwalen, 211, 2. Met het Gouden Haar; dochter van den Koning van het Land der Jeugd, 248; Oisīn vertrekt met, 249, 50; vergunt Oisīn het Land van Erin te bezoeken, 250.
Nissyen. Zoon van Eurosswyd en Penardun, 336.
Nodens. Zie Nudd.
Noten van Kennis. Vallen van hazeltakken in het meer waarin de Zalm der Kennis leefde, 235.
Nuada met de Zilveren Hand. Koning van de Danaans, 91, 92; zijn ontmoeting met Balor, kampioen der Fomoriërs, 102; behoort tot Finn’s voorouders, 234; identisch met de zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, zie Nudd of Lludd, 319.
Nudd of Lludd. Romeinsch equivalent Nodens. Een zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, identisch met Nuada, 319; had onder den naam Lludd, naar men zegt, een tempel op de plaats van St. Paul, 319; ingang van Lludd’s tempel geheeten Parth Lludd (Britsch), wat de Saksers vertaalden met Ludes Geat, het tegenwoordige Ludgate, 319; verhaal van Llevelys en, 355; steekspel van Edeyrn, zoon van, met Geraint om Enid, 367.