WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 381: P.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Nutt, Alfred. In verband met den “Heuvel van Ainé”, 113; in verband met de Oisīn-en-Patrick-dialogen, 266; bedoeling van het verhaal van Taliesin, 379.

Nynniaw. Peibaw en, broeders, twee Koningen van Brittannië, hun twist over de sterren, 327.

O.

O’donovan. Een groot Iersch oudheidkenner; volksverhaal gevonden door, 94104.

O’dyna, Cantred. Dermot’s erfgoed, 276.

O’grady. 1. Standish, Over de stichting van Emain Macha in zijn “Critical History of Ireland”, 104, 135; zijn “Masque of Finn”, 258. 2. Standish Hayes, “Silva Gadelica”, 229, 254, 258.

Oceaan-veger. Mananan’s tooverboot, 109.

Odyssée, De. Aanhaling uit Cotterill’s vertaling in hexameters, 64.

Offers. Van menschen door Caesar bij de Kelten opgemerkt, 68; in Ierland, ook in Mexico en Carthago, 68; van kinderen aan Crom Cruach, door Galen, 68; menschenoffers in Egypte zeldzaam, 69.

Ogma. Krijger van Nuada, 97, 103.

Oisīn. Anders: Klein Hert. Zoon van Finn, grootste dichter van de Kelten, vader van Oscar, begraaft Aideen, 240; wordt door Saba ter wereld gebracht, 24548; Niam met het Gouden Haar bemint hem, 24850; keert terug uit het Land der Jeugd, 251; Keelta en, besluiten van elkander te gaan, 259; helpt Keelta Oscar begraven, 283.

Ollav. Beteekenis van het woord, 133.

Ollav Föla. Achttiende Koning van Ierland na Eremon; de voornaamste Ollav van Ierland, 133; vergeleken met Goban de Smid en Amergin de Dichter, 134.

Olwen. Het verhaal van Kilhwch en, 355361; dochter van Yspaddaden, 356; hoe zij aan den bijnaam “Van het Witte Spoor” kwam, 358; vrouw van Kilhwch, 361.

Onderwereld. Keelta opgeroepen uit de, 65; Keltisch geloof aan, 66; Mercurius door de Galliërs beschouwd als gids der dooden naar de, 72; Dis, of Pluto, god van de, 72.

Onsterflijkheid. Oorsprong van zoogenaamd Keltische leer der, 60; Egyptische en Keltische begrippen over, 63, 64.

Onweerstaanbare (De). Tooverzwaard van Mananan, 110.

Oostenrijk. Ontwikkeling van vóór-Romeinsche doodenstad in, 12; overblijfselen gevonden in, tot de La Tène-cultuur ontwikkeld, 12.

Opperkoningen van Ierland. Steen van het noodlot, gebruikt bij kroning van, 90.

Orlam. Gedood door Cuchulain, 191.

Oscar. Zoon van Oisīn, doodt Linné, zijn vrouw Aideen, haar dood na den slag van Gowra, type van harde kracht, 240; dood in den slag van Gowra, 253; beschrijving van zijn dood, 281, 282.

Osiris. Voeten van, symbool van bezoek in Egypte, 61.

Ossian-genootschap. Verhandelingen van ’t, 25658; slag van Gowra beschreven in, 280.

Osthanes. Vroegste auteur over magie, 47.

Oude Keltische Verhalen. Van dr. P. W. Joyce, 279, 285, 288.

Overvloed. Zie Steen van Overvloed.

Owain. Zoon van Urien; speelt schaak met Koning Arthur, 361; de Zwarte Ridder en, 36467; gezien door Peredur, 369.

Owel. Pleegzoon van Mananan en een Druïde, vader van Ainé, 112.

Owen. Zoon van Duracht; doodt Naisi en andere zonen van Usna, 183.

Owens van Aran. Ailill van de, 286; Maeldūn gaat bij hen wonen, 287.

P.

Paarden van Mananan. Witgekuifde wolken, aldus genoemd, 110.

Patrick, St. Apostel in Ierland, 35; voet-symbool en, 62, 63.

Partholan. Komt in Ierland uit het Westen; zijn afkomst, 81.

Partholaniërs. Slag tusschen Fomoriërs en,; eind van het ras door pest op de Oude Vlakte, 82; Nemediërs verwant met, 86.

Peibaw. Nynniaw en, broeders, Koningen van Brittannië, hun twist over de sterren, 327.

Penardun. Dochter van Dōn, vrouw van Llyr, ook van Eurosswyd, zuster van Māth, 322, 336; moeder van Bran, ook van Nissyen en Evnissyen, 336.

Perdiccas II. Zoon van Amyntas II, gedood in den slag, 6.

Peredur. Het verhaal van, en de oorsprong van de Graal-legende, 368, 374; komt overeen met Perceval van Chrestien de Troyes, 368.

Pergamos. Zwarte Steen van, waarvoor een gezantschap uit Rome werd gezonden, tijdens den tweeden Punischen oorlog, 50.

Peronnik”. Volksverhaal, 368, noot.

Perzië. Godsdienst der magie door Zoroaster ingesteld in, 46.

Petrie, Flinders. Ontdekkingen van, 62; over den Egyptischen oorsprong van het symbool van moeder en kind, 63.

Philip. Jongere broeder van Perdiccas, 6.

Philostratus Over emailleerkunst van de Britten, 13.

Plato. Kelten en, 1; zijn getuigenis over Keltische kenmerkende eigenschappen, 20.

Plinius. Over den godsdienst der magie, 45.

Plutarchus. Over het Land van de Dooden als westelijk uiteinde van Groot-Brittannië, 115.

Pluto (Pluton). Equivalent Dis; god van de Onderwereld, 72; in verband gebracht met rijkdom, 321.

Polybius. Beschrijving van de Gaesati in den slag van Clastidium, 24.

Polynesisch. Het, gebruik genaamd “tabu”, overeenkomst met de Iersche geis, 149.

Portugal. Keltisch element in plaatsnamen van, 11.

Posidonius. Over barden-instelling onder de Kelten, 41.

Procopius. Spreekt van Land van de Dooden als westelijke uithoek van Groot-Brittannië, 115.

Provincie van de Speermannen (Iersch Laighin). Zie Leinster, 138.

Pryderi (Onrust). Zoon van Pwyll en Rhiannon; hij wordt vermist, 334; Teirnyon brengt hem terug, 335, 36; Kicva zijn vrouw, 336; het verhaal van Manawyddan en, 34348; Gwydion en de zwijnen van, 348; zijn dood, 349.

Pwyll (modern Powell). Prins van Dyfed; hoe hij aan zijn titel kwam Pen Annwn, of “Hoofd van Hades”, 32831; zijn avontuur op den Berg van Arberth, bij het Kasteel van Narberth, 33136; kiest Rhiannon tot vrouw, 332; Gwawl’s streek tegen hem, 332; Rhiannon’s plan om hem uit Gwawl’s macht te verlossen, 333; huwt Rhiannon, 334; legt zijn vrouw een boete op, 334; zijn zoon Pryderi gevonden, 336.

Pythagoras. Keltisch begrip van zielsverhuizing en, 65.

Pytheas. Vermeldt de Duitsche stammen omstreeks 300 v. Chr. 15.

Q.

Quelgny, of Cuailgné. Vee-strooptocht van, door Koningin Maev, 163; Bruine Stier van, eigendom van Dara. Het onderwerp van de “Tain Bo Cuailgné” is de Bruine Stier van,; Bruine Stier van, de Keltische tegenhanger van de Indische hemel-godheid, Indra, 185; Bruine Stier van, gevangen te Slievegallion, gr. Armagh, door Maev, 195; witgehoornde Stier van Ailell gedood door Bruine Stier van, 206; Fergus mac Roy gaat door voor den schrijver van de “Tain”, 215; Sanchan Torpest zoekt naar het verloren lied van, 21517.

R.

. Egyptische Zonne-god; schipsymbool in de Egyptische begraafplaats-kunst in verband met den eeredienst van, 58, 59.

Rath Grania. Koning Cormac en Finn onthaald in, 277.

Rath Luachar. Lia thesaurier te, 234.

Rathcroghan. Maev’s paleis te Roscommon, 184.

Revue Celtique. Dr. Whitley Stokes’ vertaling van de “Reis van Maeldūn” in, 285.

Rhiannon. Dochter van Hevydd Hēn; zet haar zinnen op Pwyll, 331, 32; huwt Pwyll, 333; de straf haar opgelegd, 334; haar zoon gevonden, 336; huwt Mannawyddan, 343.

Rhonabwy. De droom van, 361, 362.

Rhun. Van Koning Arthur’s Hof gezonden tot Elphin’s vrouw, 381, 382.

Rhys Ap Tewdwr. Prins uit Zuid-Wales; maakte de Tafelronde in Wales bekend, 315.

Rhys, Sir J. Zijn denkbeelden over den oorsprong der bevolking van Groot-Brittannië en Ierland, 62; over Myrddin en Merlin, 326, 327.

Ridderverhalen. Galische en continentale, 317.

Roc. Angus’ hofmeester, zijn zoon wordt dood gedrukt door Donn, daarna in een zwijn veranderd met opdracht Dermot ten slotte ter dood te brengen, 267.

Rome. Kelten trekken naar en plunderen, 9, 10; Brittannië en Gallië onder juk van, 18; Maxen Wledig’s rijk in bezit genomen, 354.

Romeinen. Arthur weigert schatting aan de, 310.

Roode Hugo. Vorst van Ulster, vader van Macha, broeder van Dithorba en Kimbay, 135.

Roode Ruiters. Conary’s reis met de, 153, 154.

Roode Tak. Bond van ridders, die zijn zetel had in Emain Macha, 161; zijn roemrijke tijd onder de regeering van Conor, 164; helden van de, en Cuchulain vechten om het kampioenschap van Ierland, 178, 179; Naisi en Deirdre in het Huis van de, 181; met Cuchulain en Conor gaat de roem van de, verloren, 220. Ross de Roode. Koning van Ulster, echtgenoot van Maga, een dochter van Angus Og, Roy zijn tweede vrouw, de Roode Tak stamt af van, 164.

Roy. Tweede vrouw van Ross de Roode, 164.

Ruadan, St. Verwensching van Tara door, 32.

Russell, G. W. Iersch dichter; mooie behandeling van de mythe van Sinend en Connla’s bron, 114.

S.

Saba. Vrouw van Finn, moeder van Oisīn, 245248.

Samnieten-oorlog, Derde. Valt samen met instorten van het Keltisch Rijk, 10.

Sanchan Torpest. Voornaamste bard van Ierland;, en de “Tain”, 215217.

Sawan. Broeder van Kian en Goban, 95.

Scandinavië. Dolmens gevonden in, 37; voetsymbool gevonden in, 61.

Schimmel van Macha. Cuchain’s paard bereden door Sualtam, 203; weigert zich door Laeg te laten inspannen, 211; doodelijk gewond door Erc, 213; verdedigt Cuchulain, 214.

Schip-symbool, Het. 5661.

Semion. Zoon van Stariat, vestigt zich in Ierland; Firbolgs stamden af van, 85.

Sera. Vader van Partholan, 81; vader van Starn, 83.

Setanta. Vroegste naam van Cuchulain, 165; de “kleine leerling”, bemoeilijkt Maev’s troepen, 190.

Sgeimh Solais (Licht van Schoonheid). Dochter van Cairbry, door den zoon van den Koning der Decies ten huwelijk gevraagd, 280.

Shannon, De rivier. Mythe van Sinend en de Bron van Kennis verklaart den naam van, 113; Dithorba’s vijf zonen vluchten over de, 135; mac Cecht bezoekt, 159; Dermot en Grania steken bij Luan de rivier over, 275.

Siculus, Diodorus. Tijdgenoot van Julius Caesar, beschrijft de Galliërs, 25.

Sidhe (of Sprookjesvolk). Tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als woonplaats van, 53.

Silva Gadelica. Verwijzing naar S. H. O’Grady’s werk, 229, 254, 258.

Sinend. Godin, dochter van Lir’s zoon, Lodan; haar noodlottig bezoek aan de bron van Connla, 114.

St. Benen. Een metgezel van St. Patrick, 218.

St. Finnen. Iersch abt; legende betreffende Tuan mac Carell en, 82.

St. Patrick. Bericht over zijn zending naar Ierland, 35; het “Gesprek van de Ouden” over Cas’corach en, 103, 104; Brogan, zijn schrijver, 104; Ethné vijftienhonderd jaar oud toen Patrick kwam, 127; hij doopt Ethné, 128; roept Cuchulain uit de Hel op, 218; naam Talkenn door de Ieren gegeven aan, 253; hij ontmoet Keelta, 260; Iersche legende en, 261.

Sion, Llewellyn. Bard uit Wales, samensteller van “Barddas”, 305.

Skata. Een machtige amazone van het Land der Schimmen, 169; zij onderwijst Cuchulain haar twee bijzondere kunsten: over de Brug van de Sprongen te komen en de Gae Bolg te gebruiken, 170, 171.

Skena. Vrouw van den dichter Amergin; haar ontijdige dood, 117.

Slayney, De rivier. Bezocht door mac Cecht, 159.

Slieve Bloom. Murna neemt de wijk in de bosschen van, en daar wordt Demna (Finn) geboren, 234.

Slieve Fuad (later Slievegallion). Lir’s onzichtbare woning op, 109; Cuchulain vindt zijn vijand op, 213; Finn doodt den boozen geest op, 237. Slievegallion. Een tooverberg; de Jacht van, 2568. Zie Slieve Fuad.

Slievenamon. De Brugh (paleis) van, Finn en Keelta jagen op, 26162.

Sluier der illusie. Over Caradawc geworpen, 342.

Sohrab en Rustum. Verwijzing naar verhaal van, 175.

Spanje. Door de Kelten veroverd op de Carthagers, 5; de Grieken maken een eind aan den handel van Carthago met, 6; Keltisch element in plaatsnamen van, 11; dolmens gevonden aan de kust van de Middellandsche Zee, 37; equivalent: Land van de Dooden, 87.

Sprookjesvolk (het). Equivalent, Sidhe. De tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als verblijfplaats van, 53; de Coulin afgeluisterd door, 104; Conary Mōr door, verlokt om zijn geise te breken, 153; sluit alle waterbronnen voor mac Cecht af, 159; Fergus mac Leda en, 22527; Conan mac Morna en, 231; Keelta en, 244; Gwyn ap Nudd, Koning van, in Wales, 325.

Sprookjesland (het). Land van de Dooden, 81; Cleena door een golf teruggevoerd naar, 111, 112; Connla’s bron in, 114; oorlog gevoerd tegen Eochy, die ten slotte zijn vrouw Etain terug krijgt, 146, 147; Cuchulain in, 207209; Laeg’s bezoek aan, 207; Fergus mac Leda en, 22527; verhalen van de Fianna betrekking hebbend op, 231; Oisīn’s reis naar, 250; de bevrijding van, door Finn en de Fianna, 27071; bevrijding van, door Pwyll, 328, 29.

Squire. Schrijver van de “Mythologie der Britsche Eilanden”, 320, 325, 378.

Sreng. Gezant van de Firbolgs bij Volk van Dana, 91.

Starn. Zoon van Sera, broeder van Partholan, 83.

Steen (Kronings). In de Westminster Abdy, identiek met den Steen van Scone, 90.

Steen van overvloed. Equivalent: Ketel van Overvloed; de Graal in Wolfram’s gedicht als een, een dergelijke steen in “Peredur”, 377; hiermee overeenkomend: de Keltische Ketel van den Dagda, Bran krijgt den Ketel, 378; in een gedicht van Taliesin maakt de Ketel deel uit van de schatten van Hades, 383.

Steen van het Noodlot. Anders Lia Fail. Een van de schatten der Danaans, 90.

Steen van Scone. Fabelachtige oorsprong van, tegenwoordige bewaarplaats, 90.

Steen-aanbidding. Vermoedelijke aanleiding tot, de Synode van Arles verbiedt die, Karel de Groote verbiedt die, 50; Zwarte Steen van Pergamos en de tweede Punische oorlog, 50; de Graal een overblijfsel van de oude, 377.

Stokes, Dr. Whitley. Verwijzing naar, 149; zijn vertaling van de “Reis van Maeldūn” in de “Revue Celtique”, 286.

Stonehenge. Megalithisch gedenkteeken te, 38; volgens prof. Rhys werd Myrddin te, vereerd, Geoffrey van Monmouth en, 326.

Straat van Moyle (tusschen Ierland en Schotland). Aoife’s wreedheid jegens haar stiefkinderen, 124.

Strabo. Over kenmerkende eigenschappen van de Kelten, 22, 23.

Strand van de Voetafdrukken. Oorsprong van den naam, 174.

Sualtam. Vader van Cuchulain (zie Lugh), 188; tracht Ulster tot oproer te brengen, zijn dood, 203.

T.

Tafelronde, De. Zie 308, 310, 312, 314.

Tain Bo Cuailgné. Beteekenis, 185; verhaal van, geheel opgeschreven door Finn mac Gorman, Bisschop van Kildare, in 1150, 207; het terugvinden van de, als schrijver genoemd Fergus mac Roy, Sir S. Ferguson behandelt dat terugvinden in de “Liederen van de West-Kelten”, Sanchan Torpest, door den Opper-Koning Guary getart, besluit de verloren, te vinden, 215; oude Keltische handschriften en de, 272.

Taliesin. Een mythische bard; zijn voorspelling betreffende de gehechtheid van de Kimbren aan hun taal, 354; het verhaal van, 37984; gevonden door Elphin, zoon van Gwyddno, 381; wordt hoofdbard van Brittannië, 384.

Talkenn. Naam door de Ieren aan St. Patrick gegeven, 253.

Taltiu of Telta. Dochter van den Koning van de “Groote Vlakte” (het Land van de Dooden), gehuwd door Eochy mac Erc, 88.

Tara. Zetel van de Opper-Koningen van Ierland; de verwensching van, 31, 32; Steen van Scone, naar Schotland gezonden, uit, 90; Lugh beschuldigt te, de zonen van Turenn van den moord van zijn vader, 100; Midir de Trotsche verschijnt voor Eochy op den Heuvel van, 108, 145; Milesisch leger te, 119; instelling van driejaarlijksch feest te, 133; stierenfeest te, om door raden te beslissen wie koning zou zijn in plaats van Eterskel, 150, 151; Nemglan beveelt Conary te gaan naar, 151; Conary tot Koning van Erin uitgeroepen te, 151; wordt aan Cuchulain gewezen, 176; Cuchulain’s hoofd en hand begraven te, 214; Finn te, 236, 237.

Taranus (?Thor). Godheid door Lucanus vermeld, 71.

Tegid Voel. Een man uit Penllyn, echtgenoot van Ceridwen, vader van Avagddu, 380.

Teirnyon. Een man uit Gwent Is Coed, hij vindt Pryderi, 334, 335; brengt Pryderi terug, 336.

Telltown (Teltin). Paleis te, van Telta, de vrouw van Eochy mac Erc, 88; groote slag te, tusschen Danaans en Milesiërs, 120; Conall begeeft zich na den dood van Conary naar, 160; wordt Cuchulain aangewezen, 176.

Tennyson, Lord. Bron voor zijn “Reis van Maeldune”, 285; Kimbrische mythen en, 357; zijn Enid, 367.

Teutates. Godheid door Lucanus vermeld, 71.

Teutonisch(e). Trouw van de, stammen, 29.

Tezcatlipoca. Zonne-god; feest van, in Mexico, 62.

Thomas van Bretagne. Zie Bleheris.

Tiberius, Keizer. Weert Druîden, profeten en bezweerders, 46.

Tierna. Abt van Clonmacnois, geschiedschrijver uit de elfde eeuw, 134.

Tiernmas. Vijfde Iersche Koning, die Eremon opvolgde, afgodsbeeld Crom Cruach en, zijn dood, 133.

Tonn Cliodhna. Of “Golf van Cleena”. Een van de voornaamste bakens van Ierland, 111.

Tor Mōr. Steil voorgebergte op Tory Eiland; Balor houdt Ethlinn gevangen in een toren op, 95, 96.

Tory Eiland. Versterkte plaats der Fomoriërs; door Nemediërs genomen, 86.

Tradaban, De bron van. Keelta’s lofzang op, 260.

Trendorn. Conor’s dienaar, bespiedt Deirdre, Naisi slaat hem een oog uit, hij maakt Deirdre’s schoonheid aan Conor bekend, 182.

Treon. Vader van Vivionn, 264.

Tristan en Isolde. Verhaal van Grania en Dermot komt overeen met de geschiedenis zooals die verteld is door Heinrich von Freiberg, 275.

Troyes. Zie Chrestien de Troyes.

Tuan mac Carell. De legende van, verhaald in het manuscript “Boek van de Berg Koe”, 81; koning van alle herten in Ierland, 84; naam van “goden” gegeven aan het Volk van Dana, door, 89.

Tuatha de Danann. Letterlijk: “Het volk van den god wiens moeder Dana is”, 88.

Tumuli. Zie dolmens, 37.

Turenn. De tocht van de zonen van, 98101; Lugh en de tocht van de zonen van, 108.

Twrch Trwyth. Een koning in de gedaante van een monsterachtig zwijn, 359.

Tyler. In zijn “Primitive Culture”, gewaagt hij van het feest van den Zonne-god, Tezcatlipoca, 62.

Tylwyth Teg. Feeën in Wales; Gwyn ap Nudd, Koning van de, 325.

Tyren. Zuster van Murna, Ullan, echtgenoot van, door een vrouw van het Toovervolk in een hond veranderd, 244, 245.

U.

Ugainy de Groote. Heerscher over Ierland, echtgenoot van Kesair, vader van Laery en Covac, 136.

Uil van Cwm Cawlwyd. De, 360.

Ulster. Koningrijk van, gesticht onder de regeering van Kimbay, 134; Dithorba’s vijf zonen verdreven uit, 135; Dectera schenkt Cuchulain aan, 165; Conor, Koning van, 164173; Felim, zoon van Dall, een edele van, 179; Maev’s oorlog tegen, om den Bruinen Stier van Quelgny meester te worden, 185233; onder den vloek van Zwakheid, 187; bergpassen van, bewaakt door Cuchulain van Murthamney, 188; tot opstand gebracht door Sualtam, 203; Macha’s vloek weggenomen van de mannen van, 204; Ailell en Maev sluiten voor zeven jaar vrede met, 207; vloek van Macha andermaal over de mannen van, 210; het Kleine Volk in grooten getale in, 227, 228.

Ultoniërs. Crundchu bezoekt de groote jaarmarkt der, 161; hij pocht op Macha’s vlugheid, 162; zwakheid der, veroorzaakt door Macha’s vloek, 163; de zwakheid der, komt over Ulster, 187; gebeurtenissen van den Ultonischen cyclus, ondersteld te hebben plaats gehad omstreeks den tijd van Christus, 231.

Usna. Vader van Naisi, 180; Conor vraagt naar de zonen van, 181.

Uther Pendragon. Vader van Arthur, 310.

V.

Vercingetorix. Keltisch hoofd; wordt verslagen door Caesar, zijn dood, 24.

Vergilius. Getuigenis van Keltische afkomst in naam, 5. Zie Feryllt, 380.

Verschrikkelijke, De. Een demon, die door een zonderlinge proef over het Kampioenschap van Ierland beslist, 178.

Vitra. De God van het Kwaad in de Veda-mythologie, verwant met Cenchos, de Voetlooze, 82.

Vivionn. Jonge reuzin, dochter van Treon, uit het Land der Maagden, gedood door Aeda, en begraven op de plaats geheeten de Heuvel van de doode vrouw, 264.

Voet-symbool. De twee voeten, 61.

Volk van de Sidhe. Toovervolk, 53.

Voyage van Maeldūn. Zie Maeldūn.