WeRead Powered by ReaderPub
Keur van Nederlandsche Synoniemen / Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. cover

Keur van Nederlandsche Synoniemen / Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Chapter 81: 79. Dwars—scheef—schuin.
Open in WeRead

About This Book

The work offers a practical guide to Dutch synonyms, selecting common synonym sets and explaining subtle differences in meaning and usage, illustrated with example sentences and exercises for students. It emphasizes progressive difficulty, practice exercises, and an appendix of additional synonym groups, plus editorial notes on spelling and corrections. Intended for language study and exam preparation, it focuses on nuancing word choice, paronyms, and contexts where one term fits better than another.

76. Aanhouden—volharden—volhouden.

Een werking of toestand doen voortduren.

Aanhouden drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan, dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt. De regen blijft maar aanhouden; ik geloof niet, dat het vandaag nog droog wordt.

Volharden wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons aanlokken; bij volharden is dus een vaste wil noodig en het kan alzoo alleen van personen gezegd worden. De Nederlanders zijn langzaam in het ontwerpen, maar volhardend in de uitvoering (d.w.z. de Nederlanders willen een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven).

Volhouden duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). Hij hield zoolang vol met solliciteeren, tot hij geplaatst werd.


De — wint.

De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang —, totdat deze niet meer behoefde te trekken.

Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, — hij bij zijn plan.

Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging —, maar zijn patroon — in het weigeren.

De — drop holt den hardsten steen uit.

Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn broeder — en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond.

Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij — in zijn geloof.

De vorst blijft maar —, zoodat de scheepvaart gestremd is.

77. Dankbaarheid—erkentelijkheid—verplichting.

De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed maken.

Erkentelijkheid onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen wederdienst bereid is. Uit erkentelijkheid voor uw medewerking bied ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan.

Dankbaarheid heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog staat om hem met een wederdienst te beloonen. Men is God voor Zijn vele weldaden dankbaarheid verschuldigd.

Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: „Ik ben u dankbaar”; sprak men van „erkentelijkheid”, dan zou men de gedachte opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men haar waarde verminderen.

Verplichting gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid verplicht, d.i. gedwongen is. Daar ik aan hem zeer veel verplichting heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken.


Ik was mijn ouders zeer — voor het fraaie geschenk.

De — van een kind jegens zijn ouders is zeer groot.

Uit — voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den zeeheld op 's lands kosten begraven.

— bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar — voor die daad.

De drenkeling besefte diep de —, die hij jegens den redder zijns levens had.

Loof den Heer met — voor Zijn vele gaven.

Ik ben mijn leermeester nog altijd — voor de nuttige lessen, die hij mij gaf.

Ik gevoel levendig de —, die ik tegenover mijn pleegouders heb.

Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht.

78. Deemoedig—nederig—ootmoedig.

Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen dunk van zich zelven heeft.

Nederig zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat alle pracht en trotschheid verre blijft. Hij is nederig gekleed.—In een nederige woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch paleis.

Deemoedig onderstelt schuldgevoel, terwijl ootmoedig de bijgedachte heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. Hij smeekte God deemoedig om vergeving; hij onderwierp zich ootmoedig aan Zijn wil.


Met een — hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.

Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even —; ja van zijn grootste overwinningen gaf hij Gode — de eer.

De zondaar lag — in het stof gebogen en bad God — om vergiffenis.

In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: „Blijve UEd. — dienaar”.

Hij is te — om zich zóó te laten huldigen.

Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk — naar zijn ouders terug.

79. Dwars—scheef—schuin.

Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen.

Dwars duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander staat. Hij zwom dwars door de gracht.

Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men van scheef en schuin. Hierbij duidt men door scheef aan, dat de richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen schuin niet onderstelt. Dit pad loopt schuin door het bosch.—Deze regel staat erg scheef.—Deze letters staan schuin (d.i. cursief) en die staan scheef (dus verkeerd).


De storm wierp den boom — over den weg, zoodat het verkeer gestremd werd.

Pas op, de tafel staat —.

Sommige menschen hangen een schilderij — (met een hoek voorover) om het beter te belichten.

Deze schilderij hangt iets —; hang ze dus recht.

Ik geloof, dat gij mij den voet — wilt zetten.

Ik woon — over den smid (n.l. recht er over) en — tegenover den bakker.

Wat loopt hij zijn hakken —.

Hij trachtte in — richting de kust te bereiken.

Hij heeft den hoed — opgezet.

De stormen wierpen een zandbank — voor de haven.

80. Overwinning—zege—zegepraal.

De gunstige uitslag van den strijd.

Overwinning ziet meer op den goeden uitslag, zege meer op het moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men zege, dat meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning. Na de overwinning keerden de onzen met grooten buit terug.—Met groote dapperheid bevochten de onzen de zege.

(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning behalen, en de zege bevechten. En waarom spreekt men van een beslissende overwinning en van zegeteekenen?)

Zegepraal (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht, dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden; bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd1); thans duidt men met zegepraal meer den vreugdevollen optocht na de overwinning aan. (Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) Het houten paard der Grieken werd in zegepraal binnen Troje gebracht.1)


De onzen behaalden een beslissende — op den vijand.

Eindelijk werd de — door de onzen bevochten.

De gevangen vorst werd in — door de stad gevoerd.

Wie heeft in den wedstrijd de — behaald?

Het zegevierend leger trok in — naar de stad terug.

Iedere nieuwe — vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.

Hoe harder de strijd, hoe grooter de —. (Wat merkt gij hier op?)

Sommige hovelingen waren naijverig op de — van 's konings veldheer en gunsteling.

Onze waterbouwkundigen hebben menige — op de zee behaald.

81. Overrompelen—overvallen—verrassen.

Onverwachts aanvallen.

Bij verrassen komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt, waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet overgeven. (Ras = snel.) Het vijandelijk convooi werd door een paar in hinderlaag liggende Boeren verrast.

Overvallen ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog den aanval afslaan, wat verrassen niet onderstelt. De vijand werd bij nacht overvallen en verloor vele dooden. Figuurlijk: Wij werden door den regen midden op de heide overvallen.

Overrompelen heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen, en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. De Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het paleis Soestdijk te overrompelen, maar de bezetting werd nog tijdig gewaarschuwd.


De vijand heeft de vesting —. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)

Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm —.

De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de dieven —.

Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te —.

Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij weten te —. (Figuurlijk!)

Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch —.

Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door een bende Atjehers —.

82. Overtollig—overbodig—overdadig.

Meer dan noodig.

Overtollig (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat het min of meer met nutteloos gelijk staat of de beteekenis van hinderlijk nadert.—Gij kunt de overtollige exemplaren van dit boekje wel behouden (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). Zet deze drie overtollige stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen maar in den weg.

Overbodig noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht, noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is, maar komt vrijwel met onnoodig overeen. Ik bezit reeds een uitvoerig werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar overbodig zijn.

Overdadig (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het nadert den zin van onmatig of verkwistend. Het overdadig rooken benadeelt de gezondheid.—Zijn overdadige uitgaven zullen hem spoedig arm maken.


De stoommachines voeren het — polderwater in den boezem.

Zulke plichtplegingen zijn hier geheel —.

Gij moet de — gelden maar voor wat anders besteden.

Zijn woning is vol van — pracht.

De meeste ophelderingen in dit boek zijn — en hadden dus wel weggelaten kunnen worden.

Een — gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de gezondheid.

83. Mogelijk—misschien—wellicht.

Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is.

Misschien drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat. Misschien zal hij komen, misschien ook niet.

Wellicht (of: licht) nadert meer de zekerheid. Hij zal wellicht nog komen, al is het ook regenachtig.

Mogelijk onderstelt, dat de kans zeer groot is. Mogelijk zijn ze nu al in Amsterdam.


Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u — helpen (Troost: veel zekerheid geven!)

Ik zal eens even kijken; — kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is zeer gering!)

Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; — kan ik ook u helpen. (De zekerheid is groot!)

84. Nauw—eng—bekrompen.

Niet wijd of ruim.

Nauw drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een nauwe straat. Zie No. 50.

Eng voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt. De jas is mij te eng. Een landengte en in figuurlijken zin: Een eng gevoel.

Bekrompen duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt: Hij woont daar zeer bekrompen, en figuurlijk: Een bekrompen verstand.

Wat is sterker: Iemand in de engte, of iemand in het nauw drijven?


Deze gang is wel wat —.

Onze weg voerde door een — pas.

Een — corset is schadelijk voor de gezondheid.

Hij leeft in — omstandigheden.

In zoo'n — steeg komt nooit een zonnestraaltje.

Het werd hem — om het hart.

Deze kamer is voor al dat huisraad veel te —.

85. Lichtvaardig—lichtzinnig—luchthartig.

Niet geneigd tot ernstig nadenken.

Luchthartig is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot ernstig nadenken over zijn handelingen komt. Hij liep luchthartig over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk vermoedde, waartoe hij zich verbond.

Lichtzinnig heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. Hij is lichtzinnig genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te geven.

Lichtvaardig is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. Hij was lichtvaardig genoeg om zijn geld in die onderneming te steken. (Hij liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat de gevolgen konden zijn. Vaardig komt van varen = gaan.)


Het — gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan.

Hij is veel te — om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten brengen.

Hij heeft zich al te — laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen.

Het leven is veel te ernstig om het — op te vatten.

Gij moet nooit — oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf).

Door den invloed van dat losbandig en — gezelschap had de jonge student spoedig zijn gezondheid geknakt.

86. Duister—donker—somber.

Gebrek aan licht hebbende.

Somber geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; donker ziet meer op de onvoldoende belichting zelf. Een somber vertrek heeft door zijn bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige omstandigheden donker zijn. Bij regenachtig weer is het in de kamer vroeg donker.

Duister duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maansverdonkering, maar van maansverduistering.

Figuurlijk gebruikt wil somber zeggen: triestig, bijv. een sombere stemming; donker staat dan gelijk met zorgwekkend: een donkere toekomst, terwijl duister dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv. een duistere redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke beteekenis der 3 woorden.)


Het was zoo — in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.

Dit museum geeft van buiten den indruk een — gebouw te zijn.

Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk —.

Ik merkte terstond, dat hij — gestemd was en zocht hem wat op te vroolijken.

Het volk, dat in de — zit, zal een groot Licht zien.

In de — dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn partijschappen te vergeten.

Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog —.

Op een regenachtigen, — herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde besteld.

Met een — gemoed ging hij de — toekomst tegen.

„Uit het — van den nacht Moet de dag eens rijzen.”

87. Verlies—schade—afbreuk—nadeel.

Alles wat niet voordeelig voor ons is.

Verlies duidt een vermindering van bezit aan. Het verlies aan dooden bedroeg aan onze zijde 500 man.

Schade let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. De schade bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed groote schade aan de dijken. (Hun waarde als zeewering verminderde.)

Nadeel is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien. Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste nadeel gehad (de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv. minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van welstand). Misbruik van sterken drank doet nadeel aan onze gezondheid (of: benadeelt onze gezondheid). Men zegt: Door schade wordt men wijs, en niet: door nadeel wordt men wijs, immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden; in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen, dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: schade is altijd geen nadeel.

Afbreuk is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons recht. De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie afbreuk gedaan. Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: De Watergeuzen deden den Spanjaarden veel afbreuk.

De overstrooming richt groote schade aan; menigeen lijdt er zware verliezen door; ook kan zij nadeel doen aan de vruchtbaarheid van den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt; afbreuk evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)

Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers lijden verlies aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun schade; en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun klanten weglokt, waarop zij recht meenden te hebben, doet hij zijn collega's ook afbreuk. In ieder geval is die vestiging van een concurrent een nadeel voor de reeds daar wonende winkeliers: die vestiging strijdt n.l. met hun belangen.


De storm deed veel — aan de duinen.

Bij dien handel leed hij een groot — aan kapitaal.

Aan die betrekking is het — verbonden, dat men ook Zondags bezet is.

De —, die de koopman door het — van zijn schip leed, wordt door verzekering gedekt.

Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot — moeten verkoopen; doch dit —, aan de benoeming verbonden, wordt ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.

Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel —.

De engerlingen doen groote — aan de planten.

Men berekent het —, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden; want door de lage assurantie wordt de — slechts gedeeltelijk gedekt.

De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel —.

88. Nadoen—navolgen—nabootsen—naäpen.

Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan.

Nadoen zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. Wie kan mij dat kunstje nadoen? Achter zijn rug deden de deugnieten den onderwijzer alles na (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).

Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men van naäpen. Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze naäperij opofferen.

Navolgen geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is voorgegaan of voorgaat. Deze edele zelfopoffering werd door velen nagevolgd.

Terwijl navolgen uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil komen, wijst nabootsen aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). Navolgen ziet dus op het wezenlijke, het innerlijke, nabootsen meer op den schijn, het uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig. Wel zegt men: Hij weet precies mijn stem na te bootsen.


Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het straks eens —.

Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus —.

De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel —.

Een deugdzaam mensch mag men in alles —.

Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies zijn buurman —, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk —.

In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden —.

89. Bekoren—verrukken—vervoeren.

Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander komen.

Bekoren wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. De arme dwaas liet zich geheel door den schijn bekoren. Het gevolg van dezen toestand wordt aangeduid door verrukking en vervoering.

Verrukken wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen toestand brengt, terwijl vervoeren te kennen geeft, dat wij ons tot buitensporigheden laten verleiden. Hij was geheel en al verrukt door de voorkomende behandeling.—Door zijn onbegrensde heerschzucht liet Napoleon zich vervoeren den tocht naar Rusland te ondernemen, niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was.


Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet —?

In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer —, dat hij onwellevend werd.

Ik was zeer — door dit onverwachte succes.

Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen —.

De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze dingen —.

Geheel — staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan.

„Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep —, van hunnen top.”

90. Gebieden—gelasten—bevelen.

Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich daardoor bij hun handelingen laten leiden.

Gebieden wordt gezegd van den machthebber en doet dus onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. De koning gebood den edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen.

Bevelen drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt, wat zij doen moeten. De veldheer beval zijn manschappen tot den aanval over te gaan.

Gebieden is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan bevelen. Ik gebied u heen te gaan is sterker dan: ik beveel u heen te gaan. Bovendien ziet gebieden meestal op een voorschrift van blijvenden en bevelen op een van tijdelijken aard. God heeft ons geboden niet te stelen. De veldheer beval, dat de soldaten niet zouden plunderen.

Gelasten onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht geeft, om dien te vervullen. De generaal gelastte den koerier, onmiddellijk versterking te gaan ontbieden. Ook ziet gelasten soms op bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: De boschwachter gelastte den houtdief het gestolene af te geven.


De regeering heeft —, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle klokken geluid moeten worden.

De regeering heeft den burgemeesters —, ten spoedigste het aantal scholen in hun gemeenten op te geven.

Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en — u dus voortaan buiten het hek te blijven.

De Burgemeester heeft —, dat niemand meer vuilnis op de straat mag werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding gedacht.)

De naastenliefde —, onze vijanden lief te hebben.

De heer — den koetsier, wat zachter te rijden.

De heer — den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.

De onderwijzer — den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te spelen.

De officier —, dat de troepen zich zouden terugtrekken.

De spreker wenkte met de hand en — stilte.

91. Armzalig—ellendig—kommervol.

In deerniswaardigen toestand verkeerende.

Bij ellendig denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand, waarin iemand verkeert. De rijke man leed aan een verschrikkelijke kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ellendig leven. („Ellendig” beteekent letterlijk „anderlandig”, d.i. de toestand van een balling; el vindt men ook nog in elders.)

Armzalig wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden opwekt. Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond om zijn armzalig bestaan te rekken.

Ellendig en armzalig zien op personen, zaken of toestanden, kommervol wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft. Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een kommervol leven, daar zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde.

Figuurlijk gebruikt duiden armzalig en ellendig ook personen of zaken op minachtende wijze aan. Dat ellendig gehaspel moet nu maar uit zijn. Voor een armzalige duizend gulden heeft hij zijn vriend verraden.


Bij dien brand verloren drie menschen — het leven.

Wij traden de — hut binnen en vonden den zieke in een — toestand.

Zijn — leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt.

Die — kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen.

Voor een paar — guldens zou hij een moord plegen.

92. Mistrouwen—wantrouwen—verdenken.

Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is.

Mistrouwen wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen, daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. „O, mistrouw 't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!” Het is beter iemand, die men niet kent, te mistrouwen dan te vertrouwen.

Wantrouwen is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter, maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde. Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, wantrouw ik hem.Wantrouwen en mistrouwen zien op toekomstige handelingen, verdenking daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. Daar hij onder verdenking stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in hechtenis genomen.


Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid betrapt heb, — ik hem.

Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het werd echter slechts „onder voorbehoud” opgenomen, daar men mij als een onbekende —.

Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te —.

De staatsman stond onder —, dat hij met den vijand was gaan heulen; daarom — men alles, wat hij aanried.

Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem te —, — ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.

93. Argwaan—achterdocht—kwaad vermoeden.

Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt.

Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen wil. Argwaan duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands karakter. Achterdocht onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van kwaad vermoeden. Een gierigaard koestert tegen iedereen argwaan; hij wordt achterdochtig, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent—in zijn gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan—en hij vat een kwaad vermoeden tegen iemand op, als hij dezen meent betrapt te hebben op een oneerlijkheid.


Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, —.

Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond — tegen hem op.

Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem — rees.

94. Arm—armoedig—behoeftig—nooddruftig.

Gebrek aan het noodige hebbend.

Arm duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan: arm aan woorden, arm aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van armoedig. Een armoedige hut, een armoedig gekleed man.

Behoeftig duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl nooddruftig aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist. Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord, nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.


Wie rijk is aan goederen, is soms — aan geluk.

Al zijn deze menschen ook —, toch zien zij er niet — uit.

In den winter lijden de — veel gebrek. Dan echter gaat de engel der weldadigheid in stilte rond, om de — te helpen.

Soms treft men in een — hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.

De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens — is geweest; vaak is hij hardvochtig genoeg om de — ongetroost weg te zenden.

95. Afnemen—afbeuren—aflichten—afzetten.

Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen.

Afnemen heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de bedoelde werking plaats heeft: den hoed afnemen.

Afbeuren onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling dus moeite kost: een zak koren van de weegschaal afbeuren; bij aflichten is dat niet het geval: bijv. den hoed aflichten. Afzetten onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft: hij zette den hoed af en hing hem aan den kapstok; licht men den hoed af, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed afnemen laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel eenigen tijd in de hand houdt.


Help de meid even het stof —!

De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk alleen —.

Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even —.

Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed —.

Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en — uw hoed af.

Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig de pendule er —.

Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes —.

96. Pracht—praal—pronk—luister.

Uiterlijk vertoon van grootheid.

Bij pracht staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op den voorgrond. Het paleis werd met groote pracht opnieuw gemeubeld.—In dezen tuin vindt men een pracht van bloemen.

Luister geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet afdwingen. De generaal werd met grooten luister begraven.

Pronk is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. Ik had niet gedacht, dat hij zoo op pronk gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig en eenvoudig man. Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: Dit gebouw is de pronk der stad.

Praal ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de ijdelheid niet vreemd is. De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit ongelukkige kind met groote praal begraven.


Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote — ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij —ziek van aard was.

De — van een ware heldendaad gaat nooit verloren.

Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op — gesteld.

Hang uw hart niet aan 's werelds —, maar streef naar ernstiger dingen.

Met veel — werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd, niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten.

De zomerzon straalt thans in haar vollen —.

„Zulk een deken is een — voor uw bed.” (Advertentie.)

De — der Alpenmeren laat zich niet beschrijven.

De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n) — gevierd.

„Ziet gij ginds dien — der dalen, dien verheven eikeboom?”

97. Barsch—stug—stuursch—norsch.

Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen.

Stug is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. Een stugge Fries.

Stuursch is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden van zijn karakter zulks meebrengen. Hij ziet altijd even stuursch. Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men norsch. Hij behandelt zijn bedienden altijd even norsch.

Barsch duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. Hij is wel wat barsch in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet.


De Veluwsche boer is meestal — in den omgang.

Hij sprak op zulk een — toon, dat de kleinen bang voor hem werden.

Wat is hij vandaag weer —: op iedereen heeft hij wat aan te merken.

Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo — ziet; ik heb haar toch niets misdaan.

Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een — antwoord, alsof ik hem diep beleedigd had.

Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen weer — en — zijn.

Hoewel hij er — uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.

98. Afslaan—afhakken—afhouwen—afkappen.

Met kracht een deel van het geheel scheiden.

Afslaan gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). Afhakken, afkappen en afhouwen onderstellen, dat de werking met een scherp werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. Afhakken duidt aan, dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl afhouwen aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij afkappen ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen van het voorwerp worden gescheiden: bijv. de takken afkappen.


Wie heeft de vergulde knoppen van het hek —?

In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers —.

Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde het hoofd —.

Gij moet deze dikke takken laten —, zij benemen u te veel licht.

Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels —.

Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen moedwillig te hebben —?

99. Gooien—werpen—smijten.

Iets met kracht van zich slingeren.

Werpen behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl gooien en smijten gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. Werpen heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; gooien en smijten daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. Gooien en smijten geschieden uitsluitend met de hand, werpen kan ook plaats hebben met werktuigen.

Gooien en smijten verschillen onderling zeer weinig en worden dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt smijten minder onbesuisd te zijn dan gooien (met gauw verwant), en nadert het dus eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: Hij heeft mij een beleediging voor de voeten gesmeten.

Daar werpen meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het in vele uitdrukkingen voor, waar gooien en smijten gebruikt moesten worden.


Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd —.

Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in—.

De golven — een lijk aan het strand.

Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar —.

Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe—.

Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog bezetting —.

De ouden — met blijden groote steenen in de stad.

Van kwaadheid — hij mij de trappen af.

Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis —.

Hij heeft den boel in het honderd —.

Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen —?

Men moet geen goed geld naar kwaad geld —.

100. Voorgeven—beweren—voorwenden.

Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de waarheid, van hetgeen een ander zegt.

Beweren geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden; zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als waarheid aannemen. Hij beweert, dat hij in een half uur van Baarn naar Amersfoort kan fietsen (d.w.z. ik beschouw het wel niet als onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van 12 K.M. in een half uur gedaan heeft). De dagbladen beweren, dat de vrede gisteren geteekend is (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid, zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).

Voorgeven drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij onwaarheid spreekt. Zij gaf voor, hoofdpijn te hebben en mij daarom niet te kunnen ontvangen.

Zegt men van iemand, dat hij iets voorwendt, dan geeft men te kennen, dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken; hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. Zij wendde hoofdpijn voor, teneinde mij niet behoeven te ontvangen.

Beweren onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is, voorgeven, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en voorwenden, dat de waarheid geheel buitengesloten is.


Ik hoorde zooeven —, dat het ministerie zal aftreden.

Dit dagblad —, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is uitgevonden.

Deze dame —, nog geen 25 jaren oud te zijn.

De koning heeft een lichte ongesteldheid —, om van de feestelijkheden bevrijd te zijn.

De moordenaar bleef —, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.

Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet voldoen onder —, dat hij zelf kort bij kas was.

Al zijn kwalen zijn slechts —, om van werken ontslagen te zijn.

101. Regeeren—besturen—heerschen.

Gezag over een ander uitoefenen.

Heerschen duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op „heer” zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan handelen. God heerscht als aller koning. De Czaar heerscht onbeperkt.

Regeeren is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het gezag-uitoefenen van vorsten (rex, 2e naamv. regis = koning). In figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: Deze vrouw regeert haar man.

Besturen doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten. Jan de Witt bestuurde de Republiek met groot beleid. Overdrachtelijk duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: Deze vrouw bestuurt haar man = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: Deze vrouw regeert haar man).

Waarom zegt men: de pokken heerschen? en niet: regeeren of besturen?

Vergelijk nu: heerschappij—bestuur—regeering.


Onder de — van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.

De mazelen — epidemisch.

Men moet — over zijn hartstochten hebben.

De Burgemeester — de gemeente.

Men zegt wel eens: Het blinde toeval — de wereld.

Er — over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.

Deze vereeniging wordt goed —.

In Rusland — een vastlandsklimaat.

102. Aandachtig—oplettend—opmerkzaam.

Zijn gedachte op iets gevestigd hebben.

Aandachtig zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft, dat men dus niet aan iets anders denkt.

Oplettend is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt, maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig is.

Men luistert aandachtig naar een verhaal, d.w.z. men heeft zijn gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. Men is oplettend, als er iets geleerd moet worden; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen.

Opmerkzaam wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan, opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en verwerkt. Men zoekt als het ware merkteekens, die ons later den gang der zaak gemakkelijk doen terugvinden.

De aandachtige luistert; de oplettende tracht het gehoorde te begrijpen; de opmerkzame neemt het in zijn geest als eigendom op. De aandachtige wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en vergeet alles om zich heen; de oplettende tracht bijv. de verklaring van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de opmerkzame zal bijv. een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen.


De vergadering luisterde — naar de voorlezing der notulen.

Hij beschouwde het gebouw zoo —, dat hij er thuis een welgelijkende schets van maakte.

Hij bekeek het gebouw zoo —, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte. (Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het gebouw gericht waren.)

Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij ingewikkeld; gij moogt dus wel — zijn.

Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo — rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden.

Hij was onder de rede van den voorzitter zoo — geweest, dat hij haar bijna woordelijk kon opzeggen.

103. Bouwen—opslaan—oprichten—stichten.

Uit bouwstoffen een geheel vormen.

Oprichten (letterlijk „omhoog heffen”) gebruikt men, om aan te duiden, dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: een standbeeld oprichten.—Opslaan zegt men van tijdelijke verblijven, die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: tenten opslaan.—Bouwen gebruikt men van blijvende woningen, die uit duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: een school bouwen.—Stichten zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen: een kerk stichten. (Een stift, d.i. sticht, heet een groot gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men stichten ook voor grondvesten: een stad stichten, een fonds voor ouden van dagen stichten; liefdadige stichtingen. Van vereenigingen zegt men meer oprichten.


Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken —.

Ons huis is in 1870 —.

De Handelsmaatschappij werd in 1824 —.

Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap —.

Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning sneuvelde, een gedenkteeken —.

De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus —.

Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht —.