Opnieuw moed en vertrouwen inboezemen.
Troosten is het geleden verlies helpen verlichten en vertrouwen op de toekomst opwekken; opbeuren (omhoog heffen): een door diepe droefheid terneergeslagen gemoed met nieuwen levensmoed bezielen.
Wat een werking in haar voortgang hindert.
Oponthoud is een hindernis, die de werking tijdelijk doet ophouden, stil doet staan; vertraging is alles, wat de werking trager, langzamer doet gaan.
Verstand en gemoed ontwikkelen en veredelen.
Verlichten is: lichter maken wat duister was, dus duidelijke begrippen aanbrengen om daardoor 't verstand en de kennis te vergrooten en tevens dwaalgrippen en bijgeloof te doen verdwijnen. Beschaven is: minder ruw, fijner, zachter maken, dus den geest in elk opzicht ontwikkelen, niet alleen in betrekking tot helderheid van kennis en denken, maar vooral ook met het oog op veredeling van zeden, smaak, gevoel en wellevendheidsvormen.
Wat voor anderen verborgen moet blijven.
Geheim is alles, wat de niet-ingewijde niet weet, wat met opzet verborgen wordt gehouden: een geheime vergadering; een geheime samenzwering. Heimelijk ziet op de wijze, de middelen, waarop of waarmee men iets geheim houdt: een heimelijke samenkomst (men komt zóó samen, dat het niet gezien wordt); zich heimelijk uit de voeten maken.
De waarde van iemand of iets erkennen.
Waardeeren zegt men van alles, wat waarde voor ons heeft, wat men op prijs wil stellen: iemands moeite waardeeren; gij moogt dit mooie weer wel waardeeren. Achten doet men alleen menschen en wel om hun zedelijke waarde of maatschappelijke betrekking. Men waardeert een hond om zijn waakzaamheid; men acht hem niet.
In deelen splitsen.
Verdeelen zegt dit meer in 't bijzonder: de erfenis wordt verdeeld (komt dus niet aan één persoon); een boek in hoofdstukken verdeelen; appels onder de kinderen verdeelen. Uitdeelen ziet op het uitreiken der deelen, waarin het geheel eerst verdeeld is: de aandeelen in de erfenis uitdeelen; of waarin het geheel meer toevallig gesplitst wordt: in 't wilde uitdeelen; aalmoezen uitdeelen.
In zijn macht brengen.
Bemachtigen zegt dit in 't algemeen; vermeesteren onderstelt uitdrukkelijk strijd en geeft tevens te kennen, dat men over iets meester wordt en dus naar willekeur er mee kan handelen. Een plaatsje bemachtigen. Een stad bemachtigen, en ook: vermeesteren (verschil!).
Beide woorden beteekenen, iets in eigendom hebben.
Hebben zegt dit in 't algemeen, zonder meer, terwijl bezitten gezegd wordt van redelijke wezens, om te kennen te geven, dat zij over hun bezitting vrijelijk kunnen beschikken en anderen daarvan uitsluiten. Een boom heeft bladeren.—Deze dame bezit veel huizen.
Het deel der plant, dat bloeit.
Bloesem zegt dit met het oog op de later voort te brengen vruchten; bloem is de bloesem, die door bijzondere schoonheid, geur of kleur zich onderscheidt en vooral daaraan zijn waarde ontleent, zoodat de vrucht niet de hoofdzaak is.
De gunstige meening van iemands voortreffelijkheid.
Eer geniet men als men door zijn medeburgers om zijn voortreffelijkheid hooggeacht wordt en daarom met onderscheiding wordt behandeld; roem is de bekendheid, die men om zijn groote daden of andere voortreffelijkheden geniet, tot zelfs in het buitenland en vaak nog bij het nageslacht. (In de uitdrukking: Eere zij God beteekent eer meer: lof, lofprijzing.)
Iets niet bezitten, wat men noodig heeft.
Missen, dat van menschen en dingen wordt gezegd, onderstelt, dat men vroeger het gemiste gehad heeft; ontberen, dat alleen van belangrijke zaken wordt gebruikt, heeft de bijgedachte, dat het gemis zwaar gevoeld wordt, zoodat het soms gebrek-lijden beteekent.
Iets bereiken, wat vooruitgekomen is.
Achterhalen is: door grootere snelheid, dan het vooruitgekomene heeft, dit bereiken, meestal met vijandige bedoeling: Een dief achterhalen. Inhalen is: door langer loopen of werken, of wegens de langzaamheid of 't oponthoud van 't vooruitgekomene, dit bereiken: een wandelaar inhalen. Een mede-leerling in de klas inhalen.
Uit den slapenden toestand in dien van waken overgaan.
Ontwaken ziet op 't ophouden van den slaap; wakker worden is het beginnen van den wakenden toestand. Men kan dus niet „wakker worden uit den slaap”, maar wel „ontwaken uit den slaap”.
Zich snel verwijderen van iets, dat gevaarlijk is.
Vlieden is: vol angst zich snel verwijderen en is hoofdzakelijk tot den verheven stijl beperkt. Vluchten heeft meer de bijgedachte van in veiligheid trachten te komen.
Een zekere waarde hebben.
Gelden ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), kosten let meer op hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of wel voor iets in zijn geheel. De tarwe geldt ƒ 7. Mij kost deze koffie maar ƒ 1; zij geldt anders ƒ 1.20 (per K.G.).—Deze voorraad koffie kost ƒ 25. Dit huis kost ƒ 15000.
Figuurlijk is gelden: waarde hebben, waard zijn; kosten: betalen met; bijv.: Een geldige stem.—Dat zal moeite kosten.
Iets, wat niet waar is.
Onwaarheid zegt in 't algemeen, dat iets niet is, zooals men beweert; er behoeft dus aan geen kwade bedoeling gedacht te worden: Hij zegt, dat Urk onbewoond is; maar dat is een onwaarheid. Leugen is een opzettelijke afwijking van de waarheid.
Iets, wat aan 't vluchten is, trachten in te halen.
Vervolgen zegt dit in 't algemeen; nazetten voegt er de gedachte bij, dat het met groote snelheid geschiedt.
Zonder beweging of geluid.
Rust is de toestand, die intreedt, als een beweging of werking ophoudt; stilte is de toestand na 't ophouden van een heftige, van geluiden vergezeld gaande beweging, of wel: de afwezigheid van elk geluid. Vergelijk: Een welverdiende rust. Een rollend lichaam komt eindelijk tot rust.—De stilte na den storm. De stilte des grafs (des doods).
Iets (iemand) ergens heen laten gaan.
Sturen ziet vooral op het verwijderen: een bedelaar wegsturen; stuur de meid weg, zij beluistert ons; bij zenden denkt men meer aan een bepaald doel: Een afgevaardigde zenden. Een boek op zicht zenden. (Evenwel wordt zenden in de spreektaal meer door sturen vervangen.)
Zonder schuld.
Schuldeloos behoort meer tot den verheven stijl en beteekent: geheel zonder schuld of zonde zijn (dus meer in den zin der H. Schrift); onschuldig wil zeggen: geen schuld aan een bepaalde misdaad hebbende: Een onschuldige veroordeelen; verder beteekent het: menschelijkerwijze gesproken nog vrij van zonden of eenig kwaad: Een onschuldig kind.
Bereid of geneigd om vrede te houden.
Vreedzaam zegt, dat dit geschiedt zelfs met eenige opoffering van eigen rechten; verdraagzaam heeft de bijgedachte, dat men vrede houdt, door de meening van anderen te eerbiedigen.
Een persoon of zaak, die op iets naderends wijst.
Voorbode is die- of datgene, uit welks verschijnen men tot het naderen van iets anders mag besluiten; voorlooper is de persoon, die de komst en het werk van een ander voorbereidt en mogelijk maakt.
De persoon, die de bewering van een ander bevestigt.
Getuige is hij, die bij het voorval tegenwoordig was, en dus het beweerde heeft gezien of gehoord. Zegsman onderstelt, dat wij voor de waarheid van het beweerde zelf niet kunnen instaan, maar ons beroepen op den persoon, die het ons verzekerd heeft.
Met iets te maken hebben.
Aangaan onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als van een ander. Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker daar zegt, gaat ook mij aan.—Loop maar door, het gaat jou niet aan.—Betreffen is als 't ware meer een treffen, een mikken, een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: Die vermaning betreft mij. (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar bepaaldelijk mij; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet uitdrukkelijk.) Raken is de platte uitdrukking voor aangaan: Raakt jou dat? Dat raakt je niet.
De voortreffelijke eigenschappen van iets of iemand opnoemen.
Prijzen zegt, dat dit in woorden geschiedt en als gevolg van groote tevredenheid: hij prijst zijn knecht altijd. Aanprijzen heeft het bijdenkbeeld, dat men den hoorder gunstig wil stemmen om hem tot koopen of aannemen aan te sporen. Zijn waren aanprijzen.
Aanbevelen heeft de bijgedachte, dat men voor de aanbeveling zich op eigen ondervinding of inzicht mag beroepen, en zich eenigszins borg stelt: Een onderwijzer aanbevelen.—Een plan aanbevelen.
(In de uitdrukking: Prijs den Heer! is prijzen meer: lofzingen; en aanbevelen kan ook beteekenen: iemands gunst of zorgen inroepen: Ik beveel mijn zoon in uw hoede aan.)
Uit een neteligen toestand vrij maken.
Bevrijden en verlossen wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate dan bevrijden. Immers bevrijden onderstelt wel, dat de vrijheid is verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn vrijheid kwijt. Hij kan dan ook, krachtens die vrije beweging, zich zelf bevrijden, terwijl zich zelf verlossen onbestaanbaar is. Immers verlossen onderstelt een gebonden zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist wordt. (Verlossen = los maken, n.l. de banden of boeien.)
Redden ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders zou omkomen: van den dood redden; uit den brand redden.
Verlossen ziet alleen op menschen, bevrijden op alle levende wezens, en redden ook op zaken.
In hooge mate de aandacht waard.
Merkwaardig: wat zich in dit opzicht bijzonder van andere gelijksoortige dingen (menschen) onderscheidt en daarom licht onthouden („gemerkt”) wordt: „Merkwaardige personen uit ons verleden”.—Gedenkwaardig is datgene, wat wegens zijn groote beteekenis onze aandacht verdient en daarom waard is herhaaldelijk herdacht te worden: De gedenkwaardige slag bij Waterloo. (Alleen van zaken!) Belangrijk is alles, wat van veel belang is vooral in de gevolgen en daarom niet over 't hoofd gezien mag worden: De belangrijkste feiten opnoemen.
Een onbewoonde landstreek.
Een woestijn is een landstreek zonder bewoners of plantengroei tengevolge van watergebrek; een wildernis is een onbewoonde streek, waarin alles in natuurstaat wild dooreengroeit; zij kan zeer wel vruchtbaar en dus voor ontginning geschikt zijn: de wildernissen van Afrika; en woestenij onderstelt, dat de plek grond vroeger bebouwd was, maar thans verwilderd is: Duitschland geleek na den 30-jarigen oorlog op vele plaatsen een woestenij.
Een hoogen temperatuurgraad hebbende.
Warm zegt dit in 't algemeen, vooral van een aangename temperatuur: 't Is hier lekker warm. Heet is veel sterker, en zwoel is: afmattend, drukkend warm. (Zwoel wordt alleen van de lucht gezegd.)
Alle hoop opgeven.
Versagen is: zijn hoop in moeilijke omstandigheden verliezen door gebrek aan moed en daardoor het begeerde doel laten varen: Komt, mannen, niet versaagd, den vijand aangevallen!—Wanhopen is: geen of weinig hoop meer hebben op een goeden uitslag, niet door gebrek aan moed, maar door tegenwerking: Ik wanhoop aan den goeden afloop.—Vertwijfelen is veel sterker; het heeft de bijgedachte: door het ongeluk als gebroken zijn, verward en zonder overleg handelen en zich zelf in het gevaar storten, daar men zich geheel verloren waant.
Reeds lang bestaan hebbende.
Bejaard en bedaagd worden alleen van menschen gezegd; oud en afgeleefd ook van dieren, en oud óók van dingen. Oud drukt dan ook het genoemde begrip het algemeenst uit; bejaard is niet zoo sterk als bedaagd3), terwijl afgeleefd meer doet denken aan groote uitputting (niet altijd echter door ouderdom).—
Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt.
Deel stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond: dat is maar een deel van de waarheid; het zesde deel. Bij gedeelte denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met een ander: Het eerste gedeelte van den weg is zonnig; het volgende gedeelte niet. Stuk zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt, 't zij door toeval of met opzet: een stuk van een vaas; een stuk vleesch. Aandeel beteekent het deel, dat iemand toekomt, en onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen.
De verrichting van een werking.
Arbeid gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets, waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: Een vermoeiende arbeid.—Werk eischt niet bepaald groote krachtinspanning maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: zijn verbeelding is weer aan 't werk; dat is het werk zijner verbeelding; dagelijksch werk; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch werk (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk vernuft).—Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking; bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens terugkeerende handeling. Bezigheid onderstelt een voortdurend werken zonder zware inspanning: hij zoekt bezigheid; ook wordt het gezegd van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: wegens ambtsbezigheden verhinderd. Werkzaamheid is sterker en onderstelt meer een bedrijvig werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de handelingen zelf.
Een werking ten einde brengen.
Uitvoeren zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt, om het beoogde doel te bereiken: een plan uitvoeren. Volbrengen en volvoeren wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk: volbrengen let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: de aarde volbrengt haar loop om de zon in een jaar, terwijl volvoeren meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: Een grootsch werk volvoeren. Voleindigen beteekent: het werk ten einde brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid geven: Na twee jaar had de schilder het altaarstuk voleindigd.
De beteekenis van iets, dat onduidelijk is, volkomen duidelijk maken.
Uitleggen is: de beteekenis in woorden aangeven: droomen uitleggen; een tekst uitleggen (als 't ware de deelen uiteen-leggen en ze goed bekijken); verklaren is: wat niet helder of klaar is en dus moeilijk begrepen kan worden, duidelijk maken: Het ontstaan van dag en nacht verklaren. Den oorlog verklaren (= de redenen duidelijk maken). Verduidelijken zegt meer, dat iets al wel duidelijk is, maar dat men het toch nog duidelijker wil maken: Een voordracht door lichtbeelden, een beschrijving door afbeeldingen verduidelijken.—
Uiteenzetten is: de deelen van een ingewikkelde zaak, te groot om voor 't eerst in ééns te worden overzien, uit elkaar zetten en den onderlingen samenhang verklaren, zoodat men een juist begrip van het geheel verkrijgt; letterlijk: een stoommachine uiteenzetten; fig.: de beteekenis van een historisch feit uiteenzetten (= de oorzaken aangeven, andere er mee in verband staande feiten noemen, de gevolgen opsommen, enz.).
De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere begeeft.
Weg zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop men iets bereikt of tracht te bereiken. Straat is een geplaveide weg met eenige breedte; pad is een smalle weg, vooral voor voetgangers. Baan is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg: kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een weg door de sneeuw banen. Ook is baan de vaste weg van hemellichamen.
Kleiner worden.
Verminderen ziet op het kleiner worden van omvang of grootte, vergeleken bij een vroegeren toestand en heeft meer bepaald op één geval betrekking: Door den brand is zijn rijkdom verminderd. Afnemen is het langzaam minder worden en stelt vooral dat minder worden op dit oogenblik op den voorgrond: zijn aanzien neemt af. Vervallen is: de vroegere kracht of beteekenis verliezen, zoodat de ondergang onvermijdelijk wordt: Verval van krachten; een vervallen grootheid.
Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden.
Lijden zegt dit op de meest algemeene wijze: pijn lijden, dorst lijden. Dulden heeft de bijgedachte, dat men het onaangename wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: Moet ik dat lasteren nog langer dulden? Verdragen wijst er op, dat men iets, wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. Gelaten verdroeg hij den smaad, waarmee men hem overlaadde.—Uitstaan ziet op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt, terwijl doorstaan beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed, gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt. Hevige pijnen zonder smartkreten uitstaan; een zware ziekte, de vuurproef doorstaan.
Iets in het bezit van een ander brengen.
Geven is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van afstaan. Mededeelen is: iets, wat men bezit, met een ander deelen. Schenken is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat het voor den ontvangende vereerend is: Ik schenk u dit boek op uw verjaardag. Hij schonk mij zijn vertrouwen. Vereeren is: schenken in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of vereering te toonen: De koning vereerde den dichter met een bezoek. Verleenen zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: De koning verleende den veroordeelde gratie. Aanbieden is: iets willen geven, zonder te weten of het aanvaard zal worden.
Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen.
Ontkomen zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. Ontwijken zegt, dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt. Ontvluchten is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: het gevaar ontvluchten; het ouderlijk huis ontvluchten. Ontloopen is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel loopen. De deserteur ontliep zijn vervolgers. Ontgaan zegt, dat het ontkomen meer kalmer geschiedt, nl. door gaan, bijv. door eenvoudig weg te gaan. De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op zijn 70sten verjaardag te ontgaan; of meer door een toeval: Door 's Konings dood ontging de veroordeelde de doodstraf. Ontsnappen is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: Hij ontsnapte uit de gevangenis (de bewaker zag het niet).
Geen aanzienlijke grootte hebbende.
Klein let hierbij vooral op de afmetingen; gering op de waarde, 't aanzien of 't belang; weinig op de hoeveelheid, terwijl nietig beteekent: zoo klein, dat het bijna niet opgemerkt wordt.
In het bezit van veel geld of goed zijnde.
Bemiddeld beteekent: van vele middelen voorzien, om een gemakkelijk leven te kunnen leiden. Gegoed wil zeggen: veel goed bezittende (nl. roerende en onroerende goederen), zoodat men meer bezit, dan men noodig heeft; het is dus sterker dan bemiddeld. Welgesteld is hij, die zooveel bezit, dat hij wèl (ruim) kan leven (hij is wèl gesteld = goed geplaatst in de maatschappij); het is nog iets sterker dan gegoed. Rijk is: een grooten overvloed van iets bezittende, ook fig.: een rijke oogst, rijk aan verstand. Vermogend zegt, dat men een groot vermogen (kapitaal) bezit. (Het kan ook beteekenen veel invloed uitoefenende, doch dan is 't afgeleid van vermogen = kunnen: een veelvermogend minister.)
Gaarne in het bezit of genot van iets komen.
Begeeren zegt, dat men naar dat bezit of genot vrij sterk streeft: Gij zult niet begeeren uws naasten huis4). Verlangen heeft de bijgedachte, dat iets nog ver is, en dus op dit oogenblik nog niet vervuld kan worden (langen is: naar iets reiken): hij verlangt er nu reeds naar, om naar 't vaderland terug te keeren. (Zie ook een andere beteekenis in no. 183.) Wenschen is: iets gaarne willen hebben, zonder te weten of de vervulling wel mogelijk is: hij wenscht in het vaderland te sterven. Smachten is zeer sterk verlangen, zoodat het min of meer onaangenaam valt, evenals iemand, die naar water smacht: Zij smachten naar het uur, waarop zij henensnellen (Tollens: Nova-Zembla); vandaar ook: smachten van verlangen. Haken is een sterk verlangen om iets naar zich toe te halen, als met een haak: hij haakt naar eer en roem. Reikhalzen is een min of meer ongeduldig sterk verlangen; het wachten valt bijna te lang (men rekt den hals uit om iets eerder te kunnen genieten): hij ziet reikhalzend naar uw komst uit.
Meewerken, dat iets zijn doel nader komt.
Bevorderen heeft de bijgedachte, dat de medewerking geschiedt om het doel zoo spoedig of volkomen mogelijk te bereiken (vorderen = verder gaan). Helpen is meer zijn kracht met die van een ander vereenigen; op den uitslag wordt niet zoo zeer gelet. Bijdragen beteekent bij de reeds gebruikte middelen nog een ander voegen: „Op alle wijzen moest dus de vorst de studie der rechtswetenschap bevorderen.” Matigheid bevordert de gezondheid. Ik zal u gaarne bij dat werk helpen. „De partijschap doofde allengs uit, waartoe de nieuwe regeeringsvorm niet weinig bijdroeg.”
Bloedverwantschap in betrekking tot de voorouders.
Geslacht is de geheele reeks van afstammelingen van den stamvader der familie tot op heden toe.—Afstamming is de verbinding met voorouders door tusschenleden: Kent gij de afstamming onzer Koningin van Willem van Oranje?—Afkomst beteekent de afstamming in betrekking tot den rang of stand van zijn stamvader of ook van zijn vader of moeder; geboorte heeft alleen betrekking op zijn ouders of ook op de plaats (of het land), waar men ter wereld gekomen is.
Vergelijk: Iemand, die van geboorte van adel is, kan van moederszijde van burgerlijke afkomst zijn. Een Nederlander van geboorte kan van Duitsche afkomst zijn, als zijn voorouders of zijn ouders Duitschers zijn en bij zijn geboorte in Nederland woonden. Zijn afstamming kan hij misschien tot in de middeleeuwen nagaan, en hij kan wellicht tot een beroemd geslacht behooren.
De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt.
Uitweg is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig. het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden: In een dicht bosch een uitweg zoeken. Dit is de eenige uitweg voor hem, om zich nog te redden.—Zijweg is de weg, die van den hoofdweg afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als niet gezien wordt; vandaar: langs zijwegen zijn doel bereiken (men wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan zijweg het begrip verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg in, in plaats van den hoofdweg te houden: de politie op zijwegen lokken. Een omweg voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg meer geheim houdt: Langs omwegen achter het geheim komen.
Begrippen van veelheid.
Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men nog niet geteld heeft, dan zegt men: hoeveelheid. Is de hoeveelheid geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van getal.—De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde hoeveelheden te kennen. Aantal kan zoowel veel als weinig aanduiden en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: een groot aantal werkloozen trokken (liefst meerv.!) door de straten. Menigte daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een samenhangende massa voor: Een dichte menigte wachtte op de komst des konings.—Het woord tal beteekent een groot aantal: De jenever maakt tal van slachtoffers.
Onder lichtverschijnselen verbranden.
Branden zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte ontwikkeld wordt; dus ook fig.: brandend heet. Flikkeren ziet op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en hoog, dan spreekt men van laaien: een laaiende brand; gloeien is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: een gloeiend voorhoofd.—Glimmen is zwak gloeien: glimmende kolen, een glimworm.
Een hooge mate van kracht uitende.
Heftig: de snelle, opgewonden, soms toornende beweging; onstuimig: een groote kracht op heftige wijze laten voelen; wild: tevens ruw en zonder regelmaat handelend.
In een andere taal overbrengen.
Vertalen zegt dit wel in 't algemeen (uit het Fransch in het Duitsch vertalen), doch heeft meestal de bijgedachte: uit een vreemde taal in de moedertaal overbrengen, of omgekeerd: Een roman uit het Duitsch vertalen (dus in 't Nederlandsch). Overzetten is gewoonlijk hiervoor 't deftige woord: „Het N. T. getrouwelijk in de Nederduitsche taal overgezet”.—Vertolken onderstelt feitelijk een tusschenpersoon, een tolk, die voor een ander het gesproken woord vertaalt. Vandaar figuurlijk: iemands gevoelen vertolken; de tranen vertolkten, wat er in zijn hart omging (de tranen zijn de tusschenpersoon, de tolk).
(De cijfers wijzen het nummer der reeksen aan;
de schuingedrukte woorden komen in het Aanhangsel voor.)