The Project Gutenberg eBook of Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Title: Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Author: Justus van Maurik
Release date: October 11, 2004 [eBook #13705]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.
NOVELLEN EN SCHETSEN
VAN
JUSTUS VAN MAURIK JR.
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF
INHOUD.
| Blz. | |
| MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG | 1 |
| I. BAL EN KERK AAN BOORD | 1 |
| II. COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD | 8 |
| III. IN DE ROOKKAMER | 12 |
| IV. EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN | 16 |
| V. AANKOMST TE PADANG | 19 |
| SINT-NICOLAASAVOND AAN BOORD | 28 |
| EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK | 40 |
| EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER | 49 |
| MULLER'S BUSTE | 56 |
| EEN LAUWERKRANS | 77 |
| EEN REGENACHTIGE DAG TE WIESBADEN | 90 |
| EEN WARME DAG TE WIESBADEN | 96 |
| DE LAATSTE DER OEMPAH'S | 103 |
| VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR | 113 |
| VROEG RIJPE JEUGD | 115 |
| EEN LANDGENOOT | 118 |
MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG.
I
Bal en kerk aan boord.
—Laat ze maar eens pret hebben; ze leven nu nog zonder zorg en hebben 't goed! zei de sergeant, die met mij stond te praten op 't voorschip van de Amalia, terwijl we van Genua af de Middellandsche Zee instoomden.
—Wie weet hoeveel er over zes of zeven maanden nog over zijn van ons detachement van 80 man. 't Kan best wezen, dat ze nooit Europa terug zien; ik heb de reis al vier maal heen en weer gemaakt, meneer. 'k Heb er heel wat zien gaan en ook terugkomen—maar hoe!
En 't ging intusschen vroolijk toe, vóóruit. Een Belg, een flinke jonge kerel, met een oolijk gezicht en een zwarten knevel, zat onvermoeid een groote drieklaviers harmonica te bespelen, een Hongaar begeleidde hem zoo goed het ging op de viool, een stoker sloeg flink in de maat groote trom en een matroos roffelde heel aardig op een kleine infanterietrommel. Tamboerijn, bekkens en triangel, door een paar soldaten met onmiskenbaar talent bespeeld, volmaakten het orchest dat onder de over de plecht gespannen zeilen allerlei populaire danswijsjes deed hooren.
—Danzen ze nich arg nètjes? vroeg de bootsman, terwijl hij den kop van "leelijkerd", zijn hond, streelde.
—'t Is volle liefhebberij om toe zien, hé? De man, een Noor, sprak met wonderlijk accent en speelde al pratend met zijn reiskameraad—een mormel zooals de dames verklaarden.—Hold je schtil, leelijkerd! hai wil wol 'r is janke, 't moesik vervèld 'm, maor hai zol dr'al aan gewoond konnen zain, want 't is zain vierte rais al; 'k habbe 'm van 't versoepe gered en noe is d'r so trouw. Oemdat 'r lilik was wolden ze hum versoepe—de bootsman lachte:—ik ben òk niet mooi oend ze versoepe main doch nich, zoo'n stomme dier wol doch ooch léve—hold dîn schnoet dan toch!
—Sei nich bös und schick digh d'rein!, speelden harmonica en viool; bomketel, trom en triangel hielden goed de maat en op die slepende wals uit "Der Obersteiger" walsten in langzaam deftig tempo de soldaten met de stokers en de matrozen. Stijf als staken, rechtop, elkander vasthoudende als waren zij van porcelein, draaiden ze langzaam en voorzichtig rond. Blijkbaar vonden de overigen dat spilmatig ronddraaien buitengewoon mooi, en een paar dansers, een jong soldaat en een stoker met opgestroopte mouwen, en-coeur gedecolleteerd, als dame, trok de algemeene aandacht. Een ander paar, even chic en netjes dansend, bestond uit twee slagers; de een had 's morgens een koe, de ander het varken, dat nog in 't want hing, geslacht.
—Zij doen 't netjes, arg fatsoenlijk, fain! zei de bootsman en met een goedig lachje:—zoo hold je die joengens bezig oend blijft 'r 't goed humeur in.
't Was waarlijk een alleraardigste groep, die soldaten van allerlei nationaliteit—er zijn Duitschers, Hongaren, Belgen en Zwitsers onder de aangeworvenen—babbelend, lachend, neuriënd, dansend en pretmakend niet de stokers en de Jantjes, die op dat oogenblik niets te doen hadden. 't Bal werd meer en meer geanimeerd. Een matroos danste gracelijk solo en de vroolijke tonen van 't primitieve orchest lokten de dames en de heeren van 't achterdek. 't Duurde niet lang of een groot aantal kijkers stond voor de afdeeling, bestemd voor de militairen. Zelfs de twee nonnetjes van de stichting "Le bon pasteur", die voor Suez bestemd zijn, de eene voor 't Lazareth, de andere voor de kleine kinderschool, stonden met lachende gezichten naar de vroolijke "jongens" te kijken.
—Pauvres gargons! zei de eene.
—Sont ils gais maintenant! que le Bon Dieu les protège zei de oudste die voor 't lazereth bestemd is.
—Er zit nu geen jenever in en toch hebben ze schik, zei de sergeant, met wien ik met veel genoegen had kennis gemaakt. 't Volk krijgt aan boord twee maal per dag een oorlam'en daarmee basta!
—'t Is een fatsoenlijk Zeedijkstafereel, lachte een toeschouwer en een ander beweerde: 't werkt aanstekend op de jonge dames, haar voetjes beginnen te trippelen. De zon was prachtig ondergaan en 't water bleef zoo glad en kalm, dat men zich nauwelijks verbeelden kon, de straat van Messina reeds te zijn gepasseerd. 't Blauwe water van de Middellandsche Zee was allengs grijs-groenachtig geworden en hier en daar gaf een blinkende ster reeds een lang wiebelend lichtschijnsel op 't even rimpelend zeevlak. Onze boot stoomde rustig en als glijdend voort en hoewel de wind wat koel begon te worden en soms een golfje deed ontstaan was 't heerlijk aan dek. De jonge dames, sommigen de kinderschoenen nog niet ontwassen, keken zóó verlangend naar die eenvoudige harmonica en de nog altijd op 't reeds duister geworden voorschip ronddraaiende mannen, dat de kommandant de hand over zijn goedig hart streek en een kwartiertje later zaten harmonicavirtuoos en violist op 't achterdek tegen de lichtkap van den grooten salon. In een ommezien zwaaiden en draaiden de jonge meisjes met een paar flinke luitenants en andere heeren, die de wals of den "pas de quatre" kenden.
In gemakkelijke schommelstoelen gezeten keken de oudere dames toe—muurbloemen kent men aan boord niet—sommige heeren maakten een partijtje hombre of whist in de rookkamer, anderen stonden rookend tegen de verschansing, sommigen met de verzuchting in den rook van hun sigaar: "ils sont passés ces jours de fête."
Soms is 't voor mijn oor alsof wals of "pas de quatre" maat houden met het stampen en dreunen der machine, met 't geruisch van 't water, dat opspat langs boeg en boord, vervloeiend tot een schuimend spoor achter 't schip, dat steeds onverpoosd voortstoomt, rustig zijn weg vervolgend, kalm en statig, als ware 't trotsch op zijn macht en bewust van de verantwoordelijkheid die het heeft. Soms wuift een zwarte rookpluim uit den schoorsteen omhoog naar achter, als een roet aan 't land, dat we heden morgen nog zagen; als een geruststellend teeken van kracht en volharding.
—Wanneer het zulk weer blijft, zegt onze vriendelijke kommandant, bereiken we Port-Said Dinsdag ongeveer tegen 6 uur n.m.
—En worden we nu niet meer zeeziek? vragen de dames, angstig en smeekend den kommandant aanziende.
—Neen, dames!—Zóó kort beleefd en zoo stellig is zijn toon, dat alle gezichten opklaren en zelfs de meest zenuwachtige dame met een gerust hart haar couchette opzoekt, in de hoop van beter te slapen dan den vorigen nacht, toen schier allen haar tol aan de Middellandsche Zee betaalden.
Maar 't kwam anders, want bij 't verlaten van de golf van Genua kwam de zee plotseling hevig in beroering en blies de wind zóó sterk uit het Zuiden, dat de zeeziekte eensklaps een aanval deed op de niets kwaad vermoedende passagiers.
—Sakit lout! Sakit kras! klaagde een Baboe, die door een familie als finaal vrij van zeeziekte was aangenomen, om op haar drie kindertjes te passen.
—'n Beroerd koopje! mopperde haar meester, die nu behalve op zijn vrouw en kinderen, ook op de Baboe moest passen, terwijl hij zelf nu en dan met doodsbleek gelaat een poosje over de verschansing ging hangen.
—'n Ganz verflixtes, unheimliches Gefühl zei een Oostenrijker, die geen goed Hollandsch en goed Duitsch meer sprak. Maar ich habe ein Üniversalmittel dagegen—namelich viel Gläscher Bier.
—Bier! ik kan 't niet zien, kreunde een ander die, een schokkende maagbeweging nauwelijks onderdrukkend, op een langen Singaporestoel uitgestrekt, klagend om 'n cognacje riep.
—Zeeziek wezen is bepaald een penitentie, die heel wat slechte daden uitwischt, klaagde een dame en met eau de cologne haar wangen en voorhoofd bettend, zuchtte zij:—man, lieve man, zou je niet even uit onze hut wat bruispoeder ... willen halen, zei ze niet meer, want als door een adder gestoken vloog zij op, om met een sprong de verschansing te kunnen bereiken. Haar lieve man keek met roerende overeenstemming van gedachten naast en met haar in de diepte en toen zij samen waggelend weer hun stoelen bereikten, waren ze voor eenige oogenblikken opgelucht en werden 't dadelijk oneens over hun kinderen.
't Schommelde, stapte, slingerde en dreunde dan ook geweldig, de slingerlatten kwamen op tafel en toen we, aan table d'hote gezeten, de warme spijzen onder den neus kregen, waren er nog verschillende passagiers en dames, die eensklaps de vlucht naar 't dek namen.
—Schade um's schöne Essen, zei de gemoedelijke Oostenrijker, die veel te dik en te stevig was om last te hebben van: ein schwankelender Magen im Leibe, zooals hij 't noemt.—Es ist eine dumme Idée, nichts zu essen, zei hij, smakelijk een vette kalfscarbonade verorberend;—de See-Krankheit kommt nur davon dass der Magen nicht fest liegt; volpropfen muss man ihn und viel Fett ...
—Och meneer, hou op asjeblieft! ik wou graag wat eten, maar 't idee van vet maakt me al wee!
—Was, wee! Fett schmiert der Magen und halt ihn fest im Corpus, ich esse für drei und mir bekommt alles gut.—Mefrou, doe so wie ich, dan soll je niks zu leiden hebben; hij klopte op zijn dikken gezelligen buik en lachte:—dáár sitz een laav Schpeck auf, die kan was gegenhalten.
Er waren slechts weinigen aan tafel en 't aantal der etenden verminderde al naar het slingeren en stampen der Amalia toenam. De Oostenrijker, een drietal oudgasten, een jong luitenant, die erg grootsch was op zijn immuniteit, twee heeren, die hoewel zeer bleek toch met verachting van alle gevaar dooraten en ik, bleven ten slotte over. De koffie werd gediend en door dat warme vocht bezweek nog een der bleekneuzen, die, alle vormelijkheid vergetend, met zijn hand voor den mond als een dolle naar boven stormde.
—Der junge Mann soll nur gleich wieder herunter kommen und sich den Magen wieder voll thun, zei hoofdschuddend de Wiener en terwijl hij hem naoogde:—dan hat er weinigstens etwas für den folgenden Anfall!
Die verzuchting klonk zoo komisch, dat zelfs een der Javaansche jongens, die wat Duitsch verstond, den mond een weinig vertrok, 't Zijn anders voorbeelden van onverschillige rust, die jongens; ze zien er zóó kalm en als uit chocolaad geboetseerd uit, dat 't me niet verwonderen zou, indien ze met dezelfde kalmte den ondergang der Amalia zouden aanzien, zonder zich naar de booten te reppen.
Sam, mijn hutjongen, is een van de mooisten, hij heeft een vrij fatsoenlijk gezicht en ik geloof dat hij, wanneer men hem langdurig kietelde, wel een begin van lachen zou vertoonen. Hij kwam met een ernstig gezicht vragen: "Meneer, stoeltje?" ik dacht dat hij 't vouwstoeltje dat in mijn hut stond wou hebben en gaf hem dat. Hij schudde 't hoofd en herhaalde: "meneer, stoeltje?"
—Ik heb geen ander stoeltje, kijk maar!
—Tida! Sam vragen, meneer, stoeltje, bopen?
Goddank, eindelijk begreep ik dat hij vroeg of ik mijn stoeltje, n.b. een ding van pl.m. 2 meter lengte, ook boven op dek wou hebben. Een vriendelijk medepassagier onderrichtte mij dat "de jongens" als ze erg fatsoenlgk willen zijn, de aan den Europeaan toebehoorende artikelen steeds met het verkleinwoord aanduiden.
"'t Stoeltje" werd op dek gezet naast al de anderen, waarop de arme zieken lagen te kreunen en te zuchten. Ik probeerde te zitten, half liggend, maar die houding beviel mij niet en daarom wandelde ik met den onverschrokken luitenant het dek op en neer, maakte mezelf compliment over mijn weerstandsvermogen en stak een nieuwe sigaar op. 't Begon harder te waaien, we zetten onze jaskragen op.
Nog een paar uur bleven we als zeehelden het ruwe element trotseeren en wat de arme zieken niet konden zien, zagen en bewonderden wij, die prachtig witte koppen op de donkere golven, aanrollend, statig en met onweerstaanbaar geweld. Dan, als bedwongen, brekend tegen boeg en boord, opspattend en verstuivend door den wind. De maan kwam op en verlichtte nu en dan de woelige schuimende zee; achter in 't zog phosphoreseerde het water.
—Präzis Klosterbräu, mooi wit sjuim! zei de Oostenrijker, over de verschansing kijkend.—Sepada, en met de hand over zijn maag strijkend tot den naderenden jongen: Minta bier! das Meer gibt mir Durst.
Wat 'n gelukkige vent, dacht ik, de poëzie van 't leven blijft hem zelfs in deze oogenblikken bij.
Eensklaps vlogen alle zieken op, rolden door elkander of namen de vlucht naar rookkamer en salon.
Er was een zeetje overgekomen van stuurboordzij. Een luitenant met een leege maag, die in zijn burnou gewikkeld, manhaftig wind en zee trotseerde, was doornat; een dame had een doorweekten hoed; ja zelfs een hooggeplaatst ambtenaar, die zijn waarde erg voelde, was niet gespaard en trad druipend af. De zee kent geen consideratiën! Nog een paar overslaande zeetjes en 't dek werd ontvolkt; ik zocht mijn hut op en begon me te ontkleeden.
'k Ben nooit dronken geweest maar nu weet ik, nu begrijp ik hoe iemand, die te diep in 't glas keek, zich gevoelen moet. Ik viel van rechts naar links, nu eens tegen de couchette aan, dan weer op mijn koffer of tegen den wand. 't Begon me akelig te draaien en ik geloof dat 't juist bijtijds is geweest, dat ik langscheeps lang uitgestrekt kon gaan liggen. Ik kreeg toen een aangenaam gevoel als werd ik zachtjes gewiegd en in slaap gezongen door 't geruisch der golven, 't gedruisch en gestamp der machine. Wél hoorde ik links, rechts, achter en voor mij allerlei verdachte en benauwde keelgeluiden, roepen om balies (bakjes).—O Gott, ein Nachtgeschirr!! en:—breng twee cognacjes. Soms zuchten en schreien van dames en kinderen, maagklanken, keelschrapingen en borrelend hoesten, maar deed mijn oogen toe en sliep in met de gedachte: de Amalia is een beproefde oude vrienden van de zee, kommandant Visman een ervaren bevelhebber en zijn officieren en manschappen doen hun plicht in ieder opzicht.
Er is iets geruststellends in te weten, dat er over u gewaakt wordt in den duisteren nacht, dat van af brug en voorsteven een flinke Janmaat met spiedend oog op den tuikijk staat en dat het schip, al kraakt en dreunt het ook geweldig, krachtig en sterk is, beproefd door vele reizen.
In de zwak belichte ruimte van 't logies voor Militairen staat de sergeant, die Bijbellezing zal houden. Hij is een fatsoenlijk uitziend, kalm, bedaard man, van middelbaren leeftijd, 't Licht uit de partrijspoorten schijnt op zijn gladgeschoren gelaat en kaatst fel terug op 't glimmend gepoetste expeditiekruis en de medailles, die zijn uniform versieren.
Hij is niet gekommandeerd tot de godsdienstoefening, de bijbellezing wordt door hem niet op bevel gehouden en de militairen zijn niet gehouden die aan te hooren.
—'t Is puur liefhebberij van weerskanten, zei een van de equipage die mij vertelde dat er 's morgens om negen uur godsdienstoefening zou worden gehouden.—De sergeant is een beetje in den Heere, maar—de man tikte even met de hand aan de uniformpet—alle respect voor hem, 't is een patente kerel, een vent, die orde onder zijn jongens weet te houden. Ze mogen hem allemaal even graag lijden, want hij is zooveel als 'n mensch, zie je? Hij weet te geven en te nemen en hij heeft hart voor z'n mannetjes. 'k Heb vroeger wel meer van die lui ontmoet, die 't erg van Onze lieve Heer beet hadden, maar die verveelden je satansch, met 'rlui gewauwel. Dat doet deze sergeant niet! Begrijp je, daarom kan ik hem velen, hij gebruikt z'n verstand en hij zeit bij z'n eigen: lust je niet van de kost, die ik oplepel, welaan zet er je mond dan niet aan, ik zal je niet forceeren. Dat's royaal gesproken en daardoor komt het dat de jongens Zondags naar hem komen luisteren; ik mag hem ook wel af en toe 'reis hooren. Hij kan 't zoo netjes zeggen, dat je dadelijk begrijpt wat hij meent en dat 't door je boddy en je ziel gaat. Vroeger heb ik, als ik niets beters te doen had, in de kerk naar den dominee geluisterd, maar dat was me gewoonlijk te machtig, hé? Die hemeldragonders maken meestal zoo'n herrie bij 't geen ze zeggen en schelden je reëel uit voor verdommelingen en meer rariteiten—daar moest ik niemendal van hebben. Maar deze sergeant mag ik wél, die meent wat ie zeit en hij zeit 't kort: pas op je plicht, doe je zaken, hou je neus uit de polletiek ga je niet te buiten aan de jandoedel en hou groot van Onze lieve Heer en bedank 'm voor al 't genige wat hij aan je doet. Zie je, meneer, dat is zoowat schering en inslag van z'n redenasies. Daar kan ik me best mee vereenigen en als je dan weet dat die sergeant geen slaapmuts is en op z'n tijd die bruine sloebers afgerazend op 'r falie heeft weten te spelen, dan zeg je: laat 'm z'n liefhebberij! 'n Mensch kan d'r altijd wat van leeren, 'n goed woord kun je altijd gebruiken. Ja, de sergeant is 'n aardige kerel. Je zult ze van avond reis hooren zingen, de jongens; hij heeft ze zooveel als gesorteerd, begrijp je, de moffen bij mekaar, de belsen ampart en de Hollanders sok op der eigen. De moffen zingen d'r lui eigen liedjes, de belsen en Hollanders laat ie samen die moppies van Sanky instudeeren; 't bennen liederen van godsdienstige aard, maar ze klinken mooi—nou, wat wil je meer? Om de klank is 't 'm toch maar te doen, hè! Begrijp je, meneer! als je zoo'n sergeant bij 'n detachement hebt is 't 'n pleizierig ding. Daar mag de kapitein net zoo blij mee wezen als met 'n goeie Baboe voor z'n kinderen; op reis is zoo'n onderofficier vrij wat beter dan 'n bullebak of 'n kerel die de jongens stijf vloekt. Wil je wel gelooven, meneer dat ik den sergeant nog nooit een onvertogen woord heb hooren zeggen—hij is altijd ferm bij de pinken, maar fatsoenlijk als een sjentelman....
't Is negen uur (twee glazen); in het logies zitten een groot aantal soldaten op de banken langs de eettafels, velen met een klein bijbeltje in de hand, anderen hebben plaats genomen op hun kist, op bankjes of op den grond. De sergeant staat voor de tafel en leest met duidelijke stem een kapittel uit den bijbel, hoe Johannes de Dooper kwam om den weg voor Jezus te bereiden. Met aandacht volgen de soldaten hem en als hij dan, het boek sluitend, in eenvoudige, duidelijke taal het gelezene toelicht en op de soberheid en matigheid wijst van Johannes, die zich met water, wilde honing en sprinkhanen voedde, zegt hij:—Zoo moet jelui nu bedenken, dat 'n mensch nooit matig genoeg kan wezen; jelui hebt het veel beter dan zoo'n man als Johannes, jelui hebt wat je hart begeert en wat je mond lust waarom zou je Gods goede gaven dan misbruiken, dat's nonsens! Maar je mag ze met dankbaarheid genieten, daar heeft God zelf vreugde in, maar 't is dom en onrecht om je te buiten te gaan en je zelf in een toestand te brengen, dat je niet meer weet wat je doet. Dan stel je je nog lager dan 't reddelooze vee; 'n beest gebruikt nooit meer dan ie noodig heeft, daar kon jelui nog een exemplaar aan nemen. Johannes zag de geest Gods neerdalen in den vorm van een duif op 't hoofd des Heeren, dat beduidt zoo veel, alsdat hij begreep dat de Heer Jezus zóó veel hooger en beter was dan alle andere menschen dat hij een gezant was, van God gesteld tot een voorbeeld voor anderen. Jezus was de man niet om opzet of oproer te prediken, integendeel, hij spoorde de menschen aan om den Keizer te geven wat des Keizers was, maar hij leerde de menschen dat ze d'r eigen waarde moesten kennen, dat ze in zichzelf de overtuiging moesten krijgen, dat ze goed moesten wezen omdat goed, goed en kwaad altijd kwaad is, enz. enz.
Allengs spreekt de sergeant met meer vuur en vloeiender. Hij wordt warm voor zijn onderwerp en hij weet zijn eenvoudige woorden ingang te doen vinden bij zijn hoorders. Hij weet ze zelfs zóó te boeien dat de noodkreten van een varken, dat aan dek ruzie heeft met zijn hokgenoot geen hilariteit te weeg brengen. 't Kakelen van de kippen en 't kraaien van een paar vechtlustige hanen werkt evenmin storend op de aandacht als het jammerend geluid van den ulmerdog, die naast zijn hok een solo huilt.
Met 't lezen van een paar verzen, uit een psalm en een kort gebed, waarin Koningin en Vaderland hartelijk in Godes bescherming worden aanbevolen, sluit de sergeant de godsdienstoefening die een groot half uur geduurd heeft. De soldaten gaan weer aan dek en ik verlaat hun logies. Inderdaad, ik heb gesticht deze godsdienstoefening verlaten!
II.
COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD.
Sedert eenige dagen zweefde er aan boord van de Amalia een zekere geheimzinnigheid door de warme, loome lucht in salon en rookkamer. Wat er op til was, wist eigenlijk nog niemand, maar uit verschillende voorteekenen was toch op te maken, dat er spoedig iets bijzonders gebeuren zou. Verschillende jonge dames en luitenants waren, in een hoekje, bezig met schrijven en bedekten, zoodra iemand naderde, 't geen zij schreven met hun vloei of hun hand. Zelfs in de kinderkamer had men een paar oudere dames fluisterend zien praten met een sergeant van het detachement en een nieuwsgierig jongmensch, die haar van uit zijn hut bespied had, kwam in de rookkamer de tijding brengen: "Verbeeldt je, ze hebben een groote blauwe hansop, een zoogenaamden apenbroek voor den sergeant gemaakt; ik heb gezien dat ze hem 't ding aanpasten!"
Van 't voorschip waaiden herhaalderlijk melodieën over, door mannenstemmen gezongen en boven op de groote kap der rookkamer, klommen dagelijks heimelijk vier man en een sergeant, met stokken gewapend, om zonnehitte of wind trotseerend, dáár een oefening in 't schermen te houden. Er was dus, zoo veronderstelde men, een verrassing in aantocht; niemand wist er evenwel het rechte van, vóór den 13en Mei, toen men bij de lunch naast zijn bord een net geschreven kaart vond, luidende:
van de Uitvoering der Soldaten-Vereeniging
"Wilhelmina," op 13 Mei 1896,
's avonds 8-1/2 uur.
Verschillende voordrachten en zangnummers beloofden een waar kunstgenot en een pantomime zou den avond besluiten.
Het raadsel was dus eensklaps opgelost. Iedereen prees de vlijt der jonge dames, die, met de luitenants, meer dan zeventig maal den tekst der zangnummers, welke ten gehoore zouden worden gebracht, hadden uitgeschreven en men lachte over het feit, dat een paar andere dames van een harer kleeding stukken een klowns-pak hadden geknutseld voor den sergeant, die in de pantomime zou optreden. 't Werd verder ruchtbaar dat verschillende heeren stukken van hun garderobe in bruikleen hadden afgestaan aan sommige medespelers.—Ja! 't verluidde zelfs, dat een der officieren zijn uniform en sabel voor dien avond had beschikbaar gesteld.
De kinderen juichten van vreugd in 't voor uitzicht den heelen avond te mogen opblijven en naar de komedie te zullen gaan en de ouderen vonden zoo'n afwisseling op de vrij eentoonige reis niet onaardig.
Intusschen begon Kees, de kwartiermeester, die behalve zijn betrekking, ook nog de functiên van politieagent over de lieve jeugd, van opredderaar en schoonmaakster uitoefent, met een paar van 't volk en den bootsman het tooneel op te slaan.
De administrateur, aan wiens groote bekwaamheden als tooneeldirecteur-decorateur-tooneelmeester-inspicient ik een woord van lof niet kan en mag onthouden, nam de generale leiding op zich en de eerste machinist zorgde voor de electrische verlichting.
Het stoomschip "de Amalia" bezit een eigen tooneel-decoratief, indertijd vervaardigd door een passagier, een photograaf-artist, die zich door het scheppen van dit kunstgewrocht een onsterfelijken roem heeft verworven.
Het voorscherm, dat echt oprollen kan, even als in een heusche komedie, is ontwijfelbaar geniaal ontworpen en magistraal uitgevoerd.
Twee figuren, waaronder de artist, om mogelijke verwarringen te voorkomen, de namen Apollo en Erato schreef staan in dansende houding op een nogal soliede, vettige wolk.
Klokslag half negen waren alle plaatsen bezet—ook op 't schellinkje zat een gedistingeerd publiek, n.l. de eerste officier en de eerste machinist met andere officieren en gewone stervelingen. Zelf "leelijkerd" de hond van den bootsman, had daar een plekje gevonden, van waar hij met den ruigen kop op de voorpooten, met zijn verstandige oogen het schouwspel kon aanzien.
Het was heerlijk weer, erg warm, maar daaraan raakt men op 11°.38 NB. en 53°.40 OL. wel gewoon. De boot slingerde niet zoo veel als 's morgens, toen er zelfs nog even sprake van was, dat de voorstelling niet zou doorgaan, maar onze komandant had gezegd: "'t zal wel losloopen van avond"—en 't liep los!
Na een schitterende ouverture, door "de gloeiende pook," het puik-muziek-corps der stokers, met veel brio gespeeld, begon de voorstelling.
't Publiek had bepaald plezier—er heerschte een echt prettige toon en van 't schellinkie af werd met stalles en ander publiek menig hartig woordje gewisseld. Soms klonk het heel familiaar—"O! Hein geef de flesch reis an, we zullen 'n krakertje nemen!"
De voordrachten slaagden uitmuntend en eenige millitairen, die acrobatische toeren en platische standen ten beste gaven werden uitbundig toegejuigd.
De entre-actes werden verdienstelijk aangevuld door Soli op groote trom, triangel, harmonica of tamboerijn of ensemble nummers van "de gloeiende pook." Trots het slingeren van 't schip slaagden de gymnastische standen van twee en drie hoog menschen op elkaar vrij goed en toen ze éénmaal door de zee werden omgeworpen lachten de executanten het hardst.
De kommandant, die zeer bescheiden, achter de stalles een plaatsje had gezocht, om meteen een oogje te kunnen houden over 't publiek daar achter, dat nog al gemengd was, deed intusschen met groote vrijgevigheid allerlei versnaperingen ronddienen.
Hij blijft altijd even kalm en vriendelijk, maar toch ziet men het hem aan, dat hij schik heeft in zóó'n uitvoering, al zou 't maar alleen zijn, omdat zijn passagiers er een aardige afleiding door hebben.
't Was heel eigenaardig, zoo'n voorstelling bij te wonen, terwijl de boot, nu en dan sterk overhellend, gedurig zachtkens schommelend door de deining van den Indischen Oceaan, met den gewonen spoed van 70 mijlen per etmaal door de golven sneed.
't Gedruisch van 't water, 't gedreun en gestamp der onvermoeid, onophoudelijk doorwerkende machine merkte men nauwelijks meer,—men raakt allengs aan die geluiden gewend. Alle aandacht was op tooneel en spelers gevestigd. Men vergeet feitelijk voor enkele oogenblikken, dat men zich op een bodem bevindt, die, hoe groot en stevig ze ook moge zijn, toch als een notendop kan worden heen en weer geslingerd, zoodra het verraderlijk element zich weren wil.
't Moet, dunkt mij, voor den kommandant aangenaam zijn om te zien, te ervaren, hoe gerust al die menschen daar te samen zijn. Hij moet juist in zulke oogenblikken gevoelen dat men het volste vertrouwen in zijn kunde en ondervinding heeft,—maar tegelijk zal hem ook zijn groote verantwoordelijkheid te binnen schieten, als hij zóó veel menschen voor zich ziet, die aan niets anders denken dan aan hun amusement.
Op 't achterdek klinkt vroolijk het orkest van "de gloeiende pook"; wals, mazurka en pas de quatre wisselen elkander af, luchtig en jolig draaien de paartjes rond, puffend van de warmte, met wangen rood en gloeiend van pret en vóór in 't logies der Javanen ligt Sariman, de jongen van den kommandant, te sterven. Niemand weet het, want niemand heeft opgemerkt, dat Sariman vroeg ter kooi is gegaan.
Voormiddags had de kommandant hem nog laten roepen om iets voor hem te doen—een kleine reparatie aan een kleedingstuk.
Sariman had de jas gehaald en was er zwijgend mee naar beneden gegaan.
Een inlander zegt altijd zoo weinig mogelijk en Sariman was een dergenen, die nog minder zei: hij was niet jong meer en had reeds herhaalde malen op vroegere reizen kleine ongesteldheden gehad. Wat een Javaan scheelt, komt men bezwaarlijk te weten; hij klaagt zelden en zegt alleen wanneer hij zich niet wel gevoelt "Sakit!" Is 't heel erg dan noemt hij 't "Sakit kras," meer kan men niet van hem te weten krijgen en obat-blanda (geneesmiddelen) neemt hij hoogst ongaarne in.
Zóó had ook Sariman gedaan. In 't begin van den avond had hij gezegd "Sakit!" en tegen 't vallen van den nacht "Sakit kras!" Meer niet. Hij was gedurende de feestvoorstelling ongemerkt ter kooi gegaan en toen de Mandoer (de opperkellner) hem 's morgens om 5 uur, als naar gewoonte wilde wekken, vond hij hem dood en reeds verstijfd.
Arme kerel! misschien had hij daar in zijn donker benauwd logies nog een oogenblik gedroomd van zijn land—hij was een Orang-Soerabaia—van de groene bergen van Java, van den Klapperboom, die bij zijn geboorte was geplant en zijn ouderdom vertegenwoordigde. Wellicht was hij nog in gedachten bij zijn vrouw en kinderen geweest, terwijl hij zich "sakit kras" voelde—en misschien ook niet, want een Javaan, zegt men, denkt zeer weinig, niet verder dan 't oogenblik. Ik wil voor Sariman hopen, dat hij een dier gelukkigen was!
De dokter constateerde den dood en uitte als zijn meening dat de Javaan ingeslapen en in den slaap door stilstand van het hart gestorven was. 't Lijk werd dadelijk in een zak genaaid, gezwaard met een aantal zware ijzeren roosterbaren en op de plank gelegd.
Eén glas aan de klok!—half negen.
Op 't voorschip is 't plechtig stil, de soldaten zitten in afwachting, hier en daar op den bak of tegen de verschansing. De Javanen, die op het schip in dienst zijn, naderen in hun witte baadjes met den hoofddoek om, de Mandoer gaat voorop. Midden op 't schip ligt het lijk van Sariman op de plank, overdekt met een vlag; de kommandant staat aan stuurboord bij de verschansing en wenkt.
De eerste officier in groot tenue, met witte handschoenen aan, geeft een teeken en de Javanen vatten de plank aan de touwen hengels op. Zij dragen hun gestorven makker langzaam het voorschip rond.
Voorop gaat de eerste officier met den dokter, dan volgen twee matrozen in 't wit, hun zondagspak, en daarna komt het lijk, twee matrozen sluiten den kleinen stoet.
Met korte doffe slagen luidt de scheepsklok. 't Is nu de doodsklok; men hoort dat onmiddellijk! Er klinkt een eigenaardig-droeve sombere toon uit die groote metalen bel, die anders zoo vroolijk klinkt.
Bom! Bam! Bom! Bam! in een langzaam en getrokken tempo galmen de slagen door de zuivere heldere lucht.
Ernstig kijken de militairen en matrozen naar den omgaanden stoet; de enkele passagiers, die zich haastig hebben aangekleed, staan van verre en de sergeants salueeren als 't lijk hen voorbij gaat.
Driemaal is de doode rondgedragen. Bom-bam! Bom-bam! luidt de klok, iets minder krachtig, terwijl de plank bij de verschansing wordt neergelegd.
De Javanen laten de touwen los en de vier matrozen, twee voor, twee achter, grijpen de plank aan.
—Stoppen! beveelt de kommandant.
De machine komt een oogenblik in rust. Zonderling stil is het eensklaps geworden, men hoort alleen 't zacht ruischen van de golven en 't langzame kleppen van de klok, die steeds zachter schijnt te klinken: Bom-bam!
—Mannen doet uwen plicht!—de kommandant neemt na die woorden zijn uniformpet af, en wacht een oogenblik, totdat hij ziet dat het lijk met de voeten over de verschansing ligt. Dan zegt hij duidelijk en langzaam, plechtig, met vaste stem, op ieder woord klem leggend:
Bom—bam!... Bom—Bam! doet nog zachter en weemoediger de klok—de plank wordt aan de achterzijde opgelicht, het lijk glijdt er af, plonst in de golven en is in 't zelfde oogenblik in de diepte verdwenen.
Bom—Bam! heel zacht sterft tegelijk met het wegzinken van het lijk de galm van de klok, die over een kwartier twee heldere slagen, de glazen van negen uur zal doen hooren.
Er is een ziel minder aan boord—de meesten hebben het niet gemerkt, want door de pret van den vorigen avond zijn bijna allen laat opgestaan.
Zóó is het leven!—Komen en gaan—onopgemerkt en stil of met groote staatsie en ophef. 't Is maar de vraag wie—wat men is!
III.
IN DE ROOKKAMER.
—Minta ajer djeroek! riep ik den tegen de kajuitskap leunenden Javaanschen jongen toe.
Kròmò hief slaperig het hoofd op, antwoordde half luid:—Saja toewan! en staakte de regelmatige beweging van zijn bijzonder ontwikkelde groote teenen, waarmee hij, als met vingers, de maat sloeg van het liedje, dat in de rookkamer op een accoord-cither werd gespeeld.
Een oogenblik later dronk ik het glas verfrisschend citroenwater waarom ik gevraagd had en vroeg:—Siapa bekin sitoe moesiek? (Wie maakt daar muziek)?
—Toewan dokter, di roemoh roko! en Kròmò, die voor een inlander bijzonder veel en lang gesproken had, keek weer onverschillig in zalig dolce far niente naar zijn bloote voeten, leunend tegen de witte kap, waarop de heete zonnestralen brandden.
De meeste passagiers, die de warmte in de Roode Zee ondragelijk vonden, deden, in hun hutten, een middagslaapje, of lagen puffend en duttend op hun lange stoelen onder de zonnetent.
't Was stil aan dek, want de lieve kindertjes, die anders door hun stoeien en gejoel er wel voor zorgden dat de rust der passagiers niet al te diep werd, waren beneden. De klanken van de accoord-cither bereikten ongehinderd mijn oor, zelfs het ruischen van het water en het gedreun der machine schenen mij minder luid en krachtig dan gewoonlijk.
Ik luisterde, evenals Kròmò, naar de zacht trillende tonen, die aan het instrument werden ontlokt.
Nieuwsgierig keek ik even in de rookkamer.
Kom binnen, meneer van Maurik, zei de dokter en wendde zijn, door de tropen gebruind, gelaat vriendelijk naar mij toe.
Ik wil u niet hinderen: u is zeker aan 't studeeren?
—Och ja! ik neem de gelegenheid waar; nu hinder ik niemand door mijn getjingel.
—Hoe bescheiden dokter! u speelt heel goed.
—'t mocht wat, ik probeer het, maar het is nog lang niet gemakkelijk om op zoo'n machine te spelen. 'k Heb het even voor mijn afreis in Holland gekocht en oefen me nu een beetje, volgens de methode, die er bij is.
't Klinkt al heel lief, dokter.
—Ja, dat is het woord, het geluid is nog al sympathiek, maar mijn spel is alles behalve artistiek, Betoel!
—Al doende leert men!
—'t Is in ieder geval muziek; ik weet niet in welk garnizoen, op welken buitenpost ze mij misschien stoppen zullen. Een pianino heb ik niet en ik ben een liefhebber van muziek, ja! Bij gebrek aan brood eet men de kruimels!
—Is 't moeielijk om op zoo'n cither te spelen?
—Volstrekt niet, met 'n beetje oplettendheid en wat maatgevoel breng je het een heel eind ver. Kijk maar! al de snaren en toetsen zijn genummerd en de muziek ook.
De dokter sloeg een paar bladen om van het muziekboekje, dat op 't lessenaartje lag en speelde à prima vista "Freude schöner Götterfunken!"
—Zie je wel dat 't goed gaat, als je maar oplet, het klinkt, betoel, heel aardig!
Weer sloeg hij een blaadje of wat om, maar toen hij het daarop staande lied, "Leise, leise, frommer Weise," Agathens gebed uit der Freischütz, begon te spelen, trilden zijn vingers en zuchtte hij een paar maal. Hij hield eensklaps op en zei, met een min of meer vreemden blik mij aanziende:
—Ik kan dat ding nooit hooren zonder beroerd te worden, ik wist niet dat het in dit boekje stond. Ik heb het in lang niet gehoord. Vroeger was het een aria, die ik machtig graag hoorde, maar later ging het me altijd koud door de leden als iemand ze speelde. Zelfs nu nog word ik er zenuwachtig van.
—Hoe zoo dokter?
—Hij zag me een oogenblik aan.—'k Wil het toch uitspelen, zei hij zacht, maar zijn lippen beefden. Nog een paar maten van de liefelijk-melancholische melodie trilden uit de snaren, toen hield hij op:—Arme kerel! zei de dokter binnensmonds—'t is eeuwig zonde en jammer geweest!
Met nerveus bewogen vingers speelde hij tot het einde en toen, terwijl hij het boekje haastig dichtsloeg, als wilde hij die noten niet meer zien, vroeg hij:—vindt u me niet kinderachtig?—maar het was ook zoo'n trouwe kameraad, zoo'n beste jongen!
Zijn goedige bruine oogen werden vochtig en ik zag hoe zijn onderlip beefde, hij beet een paar maal op zijn knevel, voor hij vertelde:
—Dat eenvoudig stukje muziek brengt me altijd een treffende episode voor den geest, uit den tijd toen ik in Atjeh was. 't Waren moeielijke dagen, die we er doorbrachten, menig makker heb ik daar verloren, gedurig hadden we te lijden van de verraderlijke overvallen van de Atjehers. Je was geen oogenblik zeker, ze beschoten ons, waar en wanneer ze maar konden. Soms lieten ze ons weken achtereen met rust, maar je bleef natuurlijk altijd in spanning.
Ik ben wel dikwijls 's nachts plotseling uit mijn bed geblazen. 't Is een angstig gehoor zoo'n signaal. "Om den dokter!" het klinkt onheilspellend uit de verte, van de posten.
Destijds had ik een goed vriend, een tweede luitenant, jong en opgeruimd evenals ik. 't Was een kranig officier, een kerel als een boom en kern gezond. Hij had altijd schik in zijn leven, geestig en grappig was hij de ziel van onze gezellige bijeenkomsten. Als hij er maar bij was, kon je zeker zijn dat een fuif goed afliep. En een hartelijke jongen!—uitstedend, humaan, goed voor iedereen. 'k Herinner me nog dat ik eens van een rit langs de posten terugkwam in een hevige koorts—ik voelde dat ik wat onder de leden had. 'k Zag geen kans meer om mijn huis te bereiken—'k viel dus bij hem binnen. Kerel! riep ik, geef me gauw wat brandy-soda, 'k ga anders van m'n stokje. 'k Had nog juist de kracht om dat te zeggen. Hij heeft me verpleegd, totdat er andere hulp was; hij holde zelf naar de Soos om champagne en ijs.—Enfin! hij heeft alles voor me gedaan, alles beredderd, want ik werd zwaar ziek en de champagne—ik heb heel wat fleschjes gebruikt—kostte zijn lieve duiten, het tractement van 'n luitenant permitteert anders zoo'n luxe niet, ja?—Maar hij was van die kracht, weet je, dat hij zei:—'t moet er wezen en dan kwam het er!
In één woord: hij was een kerel met een hart als van goud, 'n beetje zieltje zonder zorg, die soms dacht dat een dubbeltje twintig centen had, maar overigens een officier, die hoog stond aangeschreven; een vent waar ze op aan konden. Hij had verbazend goed slag om met de soldaten om te springen, hij kreeg alles van ze gedaan, want hij behandelde ze als menschen, zie je? Ze vlogen voor hem en toch was hij streng, hard als 't noodig was. Van tijd tot tijd had hij, wat hij zelf noemde, "zwarte buien." Dan was hij somber en in zichzelf gekeerd, soms dagen lang. Meestal hield hij zich dan schuil en wou niemand zien:—"hij wou geen mensch met zijn mistroostig bakkes vervelen," zei hij en piekerde liever alleen.
Wonderlijk genoeg had hij dan, na zoo'n bui, altijd een voorgevoel. Soms zei hij dan plotseling: "Over een paar maanden is die of die er geweest. Zeg 'm maar goeien dag, als je 'm nog ontmoet!" In den beginne lachten we hem uit, we noemden hem de ongeluksraaf en ik zei: "ik zal je 'ris wat geven, kameraad, je digestie is bepaald weer niet goed."
Maar toen zijn profetiën een paar malen waren uitgekomen, konden we er den draak niet meer mee steken. 't Was te akelig. We zeien dus: "Amice, hou die dingen liever voor je." Dan keek hij je meestal zoo zonderling aan en zei: "'k Wou dat ik het kon!"
't Was alsof langzamerhand die eigenaardigheid bij hem uitsleet, want hij zei niets van dien aard meer en was de joligste, prettigste makker, dien we verlangen konden, maar eens op een avond, wel een jaar later, begon hij weer. We hadden met een clubje makkers in zijn voorgalerij gezeten, heel gezellig bij mekaar. We dronken brandy-soda en zetten een boom op, over allerlei dingen. Hij was de gezelligste van allen, tapte de eene ui na de andere en was nog moppiger dan anders. We soupeerden wat, staken lekkere Havana's op, die ze hem van huis, uit Holland, hadden gezonden en toen we eindelijk opstapten, hield hij mij terug en zei:
"Doktertje, jou moet ik nog even apart spreken."
Ik dacht dat hij een of andere kleinigheid mankeerde en ging weer zitten, de anderen marcheerden af, lachend en zingend.
—Wel, wat is er? vroeg ik, pillen, poeiers of drankjes noodig?
—Neen! antwoordde hij kalm, ik heb geen van je viezigheden meer noodig. Steek nu eerst nog een van die lekkere Havana's op en luister dan even met attentie, ja?
—Kerel wat ben je opeens ernstig geworden; ik zei het, omdat ik min of meer ontstelde toen ik hem goed aankeek. Hij was bleek, met blauwe kringen en dikke wallen onder de oogen. Was dat zoo opeens gekomen of had ik 't niet eerder opgemerkt, door de jool die we samen hadden gemaakt. Ik wist het niet, maar ik kreeg een koude rilling over mijn rug toen hij, met een flauw glimlachje zei:—Steek nog wat van die sigaren bij je, doktertje! Jou smaken ze en ik ... zal ze niet meer noodig hebben. 'k Heb weer een voorgevoel gehad....
—Och, Soedah!—malle dwaasheid!
—...over me zelf, ging hij, kalm en ernstig sprekend voort, zonder zich aan mijn uitroep te storen.—'k Heb me zelf gezien—dood! Over een paar dagen ga ik er van door!
—Dolligheid! riep ik, maar ik kòn niet lachen. Hij nam er geen notitie van en zei eenvoudig:
—Je weet, het is weer gedurig mis aan de buitenlinie, dáár zullen ze me te pakken nemen, let maar op! Overmorgen ga ik er zeker met mijn compagnie heen—gisterennacht wist ik het in mijn slaap.
—Haal je toch zoo'n dwaasheid niet in je hoofd, je hebt misschien te zwaar gesoupeerd en benauwd gedroomd, dat is een gewoon gastrisch verschijnsel! Ik wou hem van dat denkbeeld afbrengen, maar het lukte me niet.
Hij lachte weemoedig en zei:—Je bent een goeie vent, doktertje! Je wilt het me uit mijn hoofd praten, maar dat kun je toch niet. Ik weet, wat ik weet—och! jij kunt dat zoo niet begrijpen, maar het is zóó en niet anders.
Een oogenblikje keek hij naar buiten, waar de boomen en struiken zoo mooi in het heldere maanlicht stonden.—'t Is toch wel mooi en en lekker hier, ja? Jammer dat we niet langer bij mekaar zullen blijven. Wil jij—juist terwijl hij weer naar mij omkeek begon op tafel een speeldoos, die er stond, te spelen. Al pratend had hij, zonder er bij te denken, zijn hand op de doos gelegd en 't knopje van de mechaniek aangeraakt.
—"Leise, leise, frommer Weise!" speelde de doos. Zuiver en helder klonk het eenvoudige lied in den stillen nacht. 't Kan in Indië zoo doodstil zijn 's nachts, dat het schijnt alsof ons gehoor dubbel scherp wordt.
Hij luisterde zwijgend en toen het air uit was zette hij de doos op een aantal waterglazen en deed haar het stuk herhalen.
—Dat is een van de mooiste melodiën, die ik ken, zei hij zacht; ze is zoo innig aangrijpend eenvoudig en lief ... en nu, Soedah: Hij liet de speeldoos ophouden.
—Luister nu even doktertje! Wat ik je zeggen wou is dit: jij bent hier altijd mijn intimus geweest, ja? Doe je me nu ook pleizier en regel mijn boeltje, als ik er niet meer ben. Ik heb nog een paar beertjes, die moet je maar zien te temmen, zoo goed en kwaad als 't gaat, in mijn cassette liggen nog een paar brieven, die moet je maar verbranden en jij, niemand anders dan jij, hoor—moet aan mijn familie schrijven, hoe alles is gebeurd!...
—Maar beste kerel!...
—Neen, val me nu niet in de rede—laten we alle discussie maar staken, 't is tijd verspillen. Geef me nu maar een hartelijken handdruk. Zoo!—flink zóó! nog eens!—Je belooft me alles, ja? En zeg me nu eens ferm goeden dag. Hij omarmde mij en kneep mijn handen bijna fijn—'t was zoo'n krachtige kerel! Toen duwde hij mij vooruit, het erf op en zei:—En nu naar huis, 't is laat! nog eenmaal greep hij mijn handen, drukte die en zei: God zegen je makker, Slamat tidor! en keerde in huis terug.
Twee dagen later klonk van een van de posten, tegen het vallen van den avond, het hoornsignaal "om den dokter!"
Daar lag hij, mijn arme, brave makker. Zoo'n vuile sloeber had hem een kogel midden door het voorhoofd gejaagd. Morsdood! meer kon ik niet zeggen, mijn hart zat me in de keel.
—Hij heeft gevochten als een leeuw, zei een luitenant, die zwart van rook en stof kwam aanloopen.
—Hij viel vlak naast me neer en vóór hij stierf kon hij nog even zeggen:—neem het bevel over, ik heb mijn portie!
De dokter pakte zijn accord-cither in de doos, lei 't muziekboekje er boven op en zei:
—We zullen 't er voor van daag maar bij laten—en in zichzelf, even zuchtend,—'t was een beste jongen, Kasian!