WeRead Powered by ReaderPub
Theaetetus cover

Theaetetus

Chapter 6: BEOORDEELING DER REDEKAVELING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The dialogue stages a systematic inquiry into the nature of human knowledge, opening with debates over whether knowledge reduces to perceptual experience and testing the consequences of perceptual relativism. The discussants then consider knowledge as true belief and subsequently as true belief accompanied by an account, probing what additional element would secure epistemic status. Mathematical examples and skeptical puzzles are deployed to expose problems about false judgment, the objectivity of definitions, and the demands of explanation. The interrogation proceeds by careful questioning and refutation, and it concludes inconclusively, underscoring the persistent conceptual difficulties in formulating a satisfactory theory of knowledge.

[Inhoud]

BEOORDEELING DER REDEKAVELING.

Hier kunnen wij ons twee vragen voorstellen, wier beantwoording ons in staat stelt, den Theaetetus te beoordeelen.

1. Wat was het doel van Plato met dit werk?

2. Heeft hij dat doel bereikt?

1. Bij het beantwoorden dezer vraag moeten wij vooral twee bijzonderheden in het oog houden. a. Plato stelt in het begin van deze zamenspraak de vraag: wat is kennis? b. aan het einde wordt deze vraag niet beantwoord, maar het werk eindigt met de bekentenis, dat het eigenlijke antwoord op die vraag niet gevonden is. Zoo nu het uitdrukkelijk beantwoorden der vraag zijn doel geweest ware, dan zouden wij met regt kunnen zeggen, dat zijn werk mislukt was; doch het is niet denkelijk, dat Plato het in dat geval zou in het licht gegeven hebben. Wij weten buitendien, dat Plato de kennis in een hooger gebied stelde, dan waarop hij zich hier beweegt, namelijk in de eeuwige ideën, en dat hij als een kenmerk der kennis de noodzakelijkheid en [220]algemeenheid beschouwde, zoodat hij daarover hetzelfde oordeel velde, als zijn leerling Aristoteles, wiens woorden wij op blz. 211 hebben aangehaald. Dit zijn gevoelen duidt Plato hier en daar aan, onder anderen in de met geweld bijgesleepte episode van den wijsgeer (zie blz. 101 volgg.), in zijne aanmerkingen over de begrippen, waarin de waarheid huisvest (zie blz. 144), in zijne aanmerkingen over de toevalligheid der ware meening (zie blz. 204). Hij had dus deze leer reeds voor zich zelven ontwikkeld, toen hij den Theaetetus schreef, en dat hij ze hier niet heeft uiteengezet, is met voordacht geschied. Daar nu deze aanmerkingen tegen het einde menigvuldiger worden, en daar in dit werk in de gemelde episode de ware wijsgeer geschilderd wordt, meen ik het er voor te mogen houden, dat Plato met den Theaetetus op het oog had, eene inleiding in de wijsbegeerte te geven, en zoowel den weg te wijzen en het pad te banen, waarop de wijsbegeerte zich moest voortbewegen, als den lust tot hare beoefening op te wekken. Hoe hij daarin geslaagd is, willen wij verder zien, en daartoe de tweede vraag beantwoorden.

2. Plato heeft a. zoeken aan te wijzen, dat de wijsgeerige kennis niet van buiten komt, maar uit den geest zelven moet ontwikkeld worden, en noch in zinnelijke waarneming, noch in meening, al is die ook waar en naauwkeurig, maar in de noodzakelijke en algemeene redewaarheden moet gezocht worden. b. Om dit te bereiken, heeft hij het begrip van kennis, van de eerste beginselen tot op het standpunt der redewaarheden, trapsgewijze zoeken te ontwikkelen. c. Hij heeft het verheven standpunt van den waren wijsgeer [221]geschetst, en aangetoond, dat opregte waarheidsliefde en geregeld redeneren voldoende is, om dat standpunt te bereiken.

a. Wij zullen hier de bewijzen niet herhalen, die Plato zoo voor het een als voor het ander gegeven heeft, maar alleen aanmerken, dat zoowel zijne opmerking, dat de theorie, die alle kennis uit de zinnen afleidt, en beweert, dat alle meening subjectief waar is, zich zelve vernietigt, als die, dat de zinnen niet alle begrippen, die wij hebben, opleveren, en dat de eenheid, die hare verscheidenheid beheerscht, het bestaan van den geest waarborgt; benevens zijn oordeel over de ware meening en de ware meening met bepaling, dat zij het kenmerk der noodzakelijkheid missen, van blijvende waarde zijn; en dat hij geen beter bewijs van de mogelijkheid der ontwikkeling van de wijsbegeerte uit den geest kon geven, dan de Socratische vroedkunst, die door geregeld ondervragen de wijsgeerige denkbeelden als van zelve doet opkomen, waaruit de gelijkheid der denkwetten bij alle menschen en de algemeenheid harer toepassing op alle voorwerpen blijkt; terwijl het aanwijzen van begrippen in den geest, die niet uit de zinnen ontleend zijn, den geest zelven als de bron der ware wijsbegeerte doet kennen. Verder heeft hij op de reeds in 1 aangehaalde plaatsen in de eeuwige redewaarheden juist die eigenschappen laten opmerken, wier ontbreken het gebrekkige der zinnelijke waarneming en der ware meening uitmaakt, zoodat de gevolgtrekking, dat daarin de kennis moet gezocht worden, zich als van zelfs voordoet.

b. De ontwikkeling van de redekaveling in den [222]Theaetetus is allezins opmerkelijk. Wij behoeven dit slechts aan te wijzen, daar het uit ons overzigt genoegzaam blijken kan. Dat de kennis gevoel is, ligt het meest voor de hand, en dit antwoord zou waarschijnlijk door velen gegeven worden. Daarom moet het weêrlegd worden, en wordt door Plato alzoo weêrlegd, dat hij het laatst de tegenwerping bezigt, dat de algemeene redewaarheden voor de zinnen onbereikbaar zijn, waaruit van zelfs het volgende standpunt voor den dag komt, op hetwelk de geest als eigenaar der kennis erkend wordt. Nu wordt het gebied, waarop de kennis zich voordoet, naar het op dit standpunt het meest voor de hand liggende oordeel, als meening bepaald, doch, hetgeen ook door ieder zal erkend worden, de waarheid wordt als hare noodzakelijke hoedanigheid aangewezen. Daar nu echter in het vorige reeds veel over ware en valsche meening gesproken is, neemt Plato hieruit aanleiding, om de valsche meening te beschouwen, en de gevolgtrekking uit die beschouwing, namelijk, dat het gebrekkig denken of waarnemen de oorzaak der valsche meening is, baant den weg om de bepaling als vereischte der kennis te erkennen, terwijl de drie verklaringen dier bepaling: als uitdrukking der gedachten door woorden, hetgeen een blijk van helder bewustzijn van het gedachte is; als opgave der grondbestanddeelen, dat ons van zelfs op de eeuwige redewaarheden heenwijst; en als de opgave van het kenmerkend onderscheid, hetgeen in een geregeld stelsel van wijsbegeerte zulk een voornaam vereischte is; benevens de herhaalde aanmerking, dat hier nog de noodzakelijkheid, die bij [223]de kennis gevorderd wordt, ontbreekt, ons duidelijk heenwijst op het eigenlijke gebied der kennis, waar de algemeene noodzakelijke redebegrippen den scepter voeren.

c. Om dit doel te zekerder te bereiken, en tevens den lust tot de beoefening der wijsbegeerte op te wekken, heeft hij in de episode blz. 101 volgg. den waren wijsgeer geschetst, als bezitter van zuivere kennis, als verheven boven aardsche rampen, als toenemend in gelijkvormigheid aan God, als bezitter van gegronde verwachting der ware gelukzaligheid na den dood; en opdat niemand zou wanhopen, dit verheven standpunt te bereiken, heeft hij aan Socrates tot medespreker eenen knaap gegeven, die, hoewel niets bezittende dan een helder verstand en zuivere waarheidsliefde, door Socrates trapsgewijze, langs eenen weg, dien ieder volgen kan, tot aan de poort van den tempel der waarheid wordt voortgeleid.

Na deze opmerkingen twijfel ik niet, of ieder zal met Brandis (Handbuch der Geschichte der Griechisch-Römischen Philosophie, II. 1. blz. 192) erkennen, dat de Theaetetus als een van de meest volkomene Platonische gesprekken verdient beschouwd te worden.

EINDE.