WeRead Powered by ReaderPub
Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten cover

Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten

Chapter 30: STEKELHUIDIGEN
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The book presents richly illustrated natural-history sketches of small aquatic animals, progressing from freshwater ponds, ditches and streams to coastal and oceanic habitats. Chapters examine major groups—crustaceans, mollusks, cnidarians, echinoderms, sponges and microscopic forms—outlining anatomy, behavior, feeding and reproductive habits, coloration and ecological roles. Descriptions emphasize the variety of forms and life strategies found in different water bodies and provide accessible, grouped accounts of notable species, supported by an alphabetical index for further reference.

PLAAT XIV.
EEN STEKELIGE FAMILIE.

Stekelig van uiterlijk, maar daarom niet altijd van inborst—velen integendeel goedmoedig en zachtaardig van natuur. Allen worden echter, met de zeesterren van de volgende plaat, samengevat onder die afdeeling van het dierenrijk, welke men de

STEKELHUIDIGEN

noemt, hoewel die naam niet bepaald aan allen toekomt, daar wel de meesten aan de oppervlakte met stekels bezet zijn, doch niet allen, zooals wij uit de figuren 2 en 9 zien. Toch hebben zij allen eenige kenmerken gemeen, die ons het recht geeft, ze onder één en dezelfde rubriek samen te vatten. Zoo bevat de huid bij al deze dieren steeds talrijke kalklichaampjes, die soms in de lederachtige huid verborgen liggen, doch bij de meesten, als puntige stekels, naar buiten uitstaan en dan het weerlooze dier tot beschutting dienen en soms ook wel tot een samenhangend pantser vergroeid zijn.

Verder is een algemeen kenmerk dezer groep, dat de onderdelen en organen van het lichaam niet meer paarsgewijs, tweezijdig, ten opzichte van de lengte-as van het lichaam geplaatst zijn, doch straalsgewijs rondom een middelpunt, zooals wij dit reeds bij de poliepen ontmoet hebben, die vroeger, met de stekelhuidigen, de sponsen en oerdieren, wel tot de algemeene groep: straaldieren samengevoegd werden. Terwijl echter bij de poliepen de getallen 6 of 8 den grondslag vormden voor dien straalsgewijzen bouw (zie bladz. 21), is bij alle stekelhuidigen 5 het typische getal voor de symmetrie. Zoo bestaat het zenuwstelsel eenvoudig uit een zenuwring om den slokdarm, waaruit zich 5 zenuwstammen straalsgewijs naar de verschillende organen begeven. Ook de rijen van kalkplaatjes en stekels vertoonen een straalsgewijze rangschikking, evenals vele andere organen.

Vooral merkwaardig is het bewegingstoestel, in verband staande met een eigenaardig vaatstelsel, dat tevens ook voor de ademhaling dient. Men noemt dit het ambulacraalstelsel (van het Latijnsche ambulare = wandelen) en het bestaat uit honderden kleine voetjes of pootjes, een soort van elastische blaasjes, die door het watervaatstelsel met water opgevuld en, tengevolge van de spanning van het water, door openingen in de kalkplaatjes van de huid naar buiten gedreven worden, terwijl zij zich weer intrekken, als het water terugvloeit. Deze doorboorde kalkplaatjes van de huid liggen ook weer in straalvormige rijen, de zoogenaamde „ambulacraalvelden” en daaronder liggen, insgelijks straalsgewijs, de talrijke zijkanalen, van wier wanden de blaasjes of pootjes aanhangsels zijn en er door met water opgeblazen worden.

Het water stroomt binnen door een grootere, zeefvormig doorboorde, kalkplaat: de zeefplaat, die aan de oppervlakte van het lichaam ligt en waardoor het in een kanaal komt, dat uitmondt in een, als een ring om den slokdarm bij den mond gelegen, ringkanaal. Uit dit laatste ontspringen de genoemde zijkanalen, met hun pootjes als aanhangsels, en tevens monden er eenige grootere waterblazen, de Polische blazen, in uit, die hun water, door samentrekking, in het ringkanaal en van daar in de zijkanalen persen, waardoor de voetjes door de openingen naar buiten dringen. Langs denzelfden weg, doch in omgekeerden zin, kan het water uit de pootjes weer weggezogen worden, waardoor zij zich aan hun onderlaag vastzuigen en de voortbeweging tot stand brengen. Dit ambulacraalstelsel dient dus tegelijkertijd, waarschijnlijk met de huid, voor waterverversching en ademhaling.

Overigens bezitten deze dieren ook een tamelijk volledig spijsverteringstoestel, met mond en, in den regel, ook met aarsopening, alsmede een afzonderlijk bloedvatenstelsel met vaten. De voortplanting geschiedt door eieren, waaruit eerst larven, met een geheel anderen vorm en levenswijze, ontstaan en die zich, na een merkwaardige gedaanteverwisseling, tot volkomen dieren ontwikkelen.

Vele stekelhuidigen, zooals de zeeëgels en zeesterren, nemen, bij hun voortbeweging, een zeer bijzondere positie in, die voor onze begrippen het tegendeel van aangenaam zou zijn. Dikwijls kruipen zij, met den mond naar beneden en de aarsopening naar boven, over den zeebodem, terwijl velen, door het beurtelings vastzuigen en loslaten der zuigpootjes, dikwijls de meest gewaagde akrobatische voorstellingen geven, bijvoorbeeld, met het grootste gemak langs een gladden, volkomen vertikalen rotswand naar boven kruipen.

Men onderscheidt verschillende klassen, naar gelang van den lichaamsvorm, de plaatsing van den mond, en den aard en de ligging van de kalkplaatjes. Wij zullen eerst een paar voorbeelden bekijken uit de klasse der zeeëgels, die een bolrond of schijfvormig lichaam hebben, dat omgeven is door een kalkschaal, uit vergroeide hoekige plaatjes ontstaan, met naar buiten gerichte stekels, terwijl de mond aan de onderzijde van het lichaam ligt. Vier leden van deze klasse ontmoeten wij op de plaat, vooreerst:

de wrattige lans-tulband (Cidaris papillata), fig. 1; de grondvorm van het lichaam is die van een bol, welks beide polen worden ingenomen door den, aan de onderzijde gelegen, mond en de, ruggelings bovenaan geplaatste, aarsopening. De lichaamswand bestaat uit kalkplaten, die vast met elkaar vergroeid zijn en wier buitenzijde grootere of kleinere wratachtige uitwassen vertoont, waaraan, door een soort van gewricht, de zeer lange, lansvormige stekels beweegbaar verbonden zijn, die naar alle zijden uitsteken, doch ook omgelegd kunnen worden, hetgeen bij het doode dier van zelf geschiedt. Tusschen die stekels staan vele, eigenaardig gevormde grijptangen, gesteelde en van boven vertakte kleporganen, die zich kunnen openen en sluiten. De kleur van het dier is rood tot groenachtig bruin of bruinrood, de doorsnede der schaal zelf bedraagt ongeveer 3,5 centim., de lengte der stekels niet minder dan 9 centim.

Deze regelmatige, ongeveer ronde zeeëgels, waar de mond aan de onder-, de aars daartegenover aan de bovenzijde gelegen is, noemt men ook wel: zeeappels. Zij hebben, gelijk dus ook bij de beide volgende soorten het geval is, 20 zeer regelmatig straalsgewijs gelegen rijen kalkplaatjes en wel: telkens 2 rijen van doorboorde „ambulacraal-plaatjes”, die afwisselen met 2 rijen zonder die gaatjes. Deze soort komt in den Atlantischen oceaan, de Middellandsche zee en de Noord-Europeesche zeeën voor. Andere soorten van het geslacht Cidaris leven in de tropen, in grooten getale, gezellig bij elkaar op koraalriffen, waar zij zich met zeeplanten voeden. In vroegere geologische perioden waren zij echter veel talrijker, zooals trouwens met alle zeeëgels het geval is, waarvan de tegenwoordige vormen slechts een gering overschot eener uitgestorven, in de oudste tijden zeer talrijke, fauna zijn. In de oudere aardlagen vindt men dan ook tallooze versteende, zoogenaamde „fossiele” soorten, alleen van het geslacht Cidaris niet minder dan 200 verschillende.

Fig. 8 is een andere zeeappel: de eetbare zeeëgel of groote zeeappel (Echinus esculentus). Hij heeft een meer of minder bolvormige schaal, die steenrood of bruinachtig van kleur en met korte, wit met purper gekleurde, stekels bezet is. De ambulacraalvelden zijn breed, het mondveld (de platen om den mond) klein, met gladde platen, die overigens aan de onderzijde onregelmatig geschubd zijn. De middellijn kan tot 15 centim. bedragen. Deze soort, die eetbaar is, komt in de Noordzee, ook aan onze kusten voor; talrijke andere soorten leven in de warme en gematigde zeeën.

Tot een ander geslacht behoort de gekorrelde kogelegel (Sphaerechinus granularis), fig. 7, die een tamelijk bolvormige schaal heeft, doch van boven sterker gewelfd dan van onderen. Op elken straal van het mondveld staan slechts een paar groote ambulacraalplaten of mondplaten, en de ambulacraalvelden bestaan gewoonlijk slechts uit 4 tot 5 paren openingen. Op deze staan 2 tot 4, op de inter-ambulacraalvelden (de rijen platen zonder openingen) 12 rijen van wratten, met korte, spitse, donkerviolette stekels met witte punten; dikwijls zijn de stekels ook geheel wit. De schaal kan tot 15 centim. in middellijn zijn, de stekels worden niet veel langer dan 1 centim. De eieren van dezen zeeëgel worden gegeten en als „rizzo di mar”—zeerijst—in den handel gebracht.

Een geheel anderen vorm heeft de schaal van den vierden zeeëgel op de plaat: de hartvormige zeeklit (Echinocardium cordatum) van fig. 3. De schaal is hier, in hoofdzaak, wel bolvormig, vertoont echter, van boven gezien, geen cirkelvorm, doch een hartvormige gedaante. Ook liggen hier mond en aars niet onder en boven tegenover elkaar, doch beide aan de onderzijde, ieder aan een verschillenden kant. Wegens de overeenkomst in vorm met de stekelige vruchten van sommige distels, noemt men deze dieren ook „zeeklitten”. De hier afgebeelde soort, die in de Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan, ook aan onze kusten, voorkomt, heeft een dunne, geelachtig witte tot groenachtige schaal, van 3 tot 4 centim. middellijn. Het voorste ambulacraalveld is sterk ingezonken. Deze dieren komen algemeen op zandigen zeebodem voor en graven zich diep in het zand.

De stekelhuidigen van fig. 2, 5, 6 en 9 onderscheiden zich van de zeeëgels door een veel langer uitgerekte, rolronde gedaante en doen meer denken aan den inhoud van onze inmaakpotten met tafelzuur, zoodat deze klasse dan ook den naam draagt van zeekomkommers (Holothuriën), terwijl sommigen ook wel „zee-augurken” anderen „zeebeurzen” genoemd worden. Toch is ook hier de straalvormige bouw te herkennen, zooals in den krans van voelers om den mond, die ook als vangarmen dienen voor het grijpen van kleine diertjes, en verder in den zenuwring, met 5 zenuwtakken, het ambulacraalstelsel en de 5 spierbanden van de huid, die hier zeer krachtig zijn en het lichaam sterk kunnen doen samentrekken en uitzetten.

De mond, met de straalsgewijs daaromheen staande, mondvoelers, ligt hier aan het ééne uiteinde van het lichaam, de aarsopening aan het andere; tusschen deze beide liggen 5 overlangsche, straalsgewijs gelegen, ambulacraalstrepen en, evenwijdig daarmede, even zooveel inter-ambulacraalstrepen. Verder is hier het lichaam veel zachter dan bij de zeeëgels, daar het niet met een samenhangende kalkschaal bedekt is, doch alleen in de weeke huid vele losse, dikwijls zeer sierlijke, kalklichaampjes gelegen zijn. De huid is hier weer leerachtig. De pootjes voor de beweging zijn meestal voorhanden, hoewel daarin de huidspieren voor een groot deel voorzien. Ook de ademhaling heeft grootendeels door de huid plaats, doch sommigen hebben bovendien nog twee of vier bijzondere ademhalingsorganen, „waterlongen” genaamd, die aan het achterste uiteinde van het lichaam gelegen zijn en door de aarsopening met water gevuld worden en zich door het geheele lichaam vertakken. Men vindt die longen, alsmede de ambulacraalpootjes, bij de drie volgende soorten.

De buisvormige zeekomkommer (Holothuria tubulosa), fig. 6, is op den rug met talrijke kleine torenvormige verhevenheden bezet, waarin kalkstukjes zitten en aan den buik bevinden zich de pootjes dicht opeengehoopt. De rug is donkerbruin, de buik vuilwit. Om den mond staan 20 voelers, die uit een steel en een schildvormig, doch niet vertakt, aanhangsel bestaan. Zij liggen bij eb, met ingetrokken voelers, als onsmakelijke worstjes op het strand of zij kruipen langzaam voort, terwijl zij zich hun worst, door middel van de voelers, volstoppen en den darm geheel opvullen met zand en slib, ten einde de daarin voorhanden organismen te verteren, waarna zij de resten, met behulp van den waterstroom uit de longen, van achteren weer door de aarsopening uitspuiten.

Overigens zijn het rustige en vreedzame dieren en daarom te meer doet het ons leed, van hen een onhebbelijke gewoonte te moeten vermelden. Raakt men zulk een dier op het strand aan, ook onder den geringsten druk, dan spuit het niet slechts water uit de aarsopening; doch het spuwt eenvoudig ook zijn ingewanden uit. Zulk een zachte liefkozing vatten deze dieren buitensporig tragisch op: zij trekken de huidspieren dan zoo geweldig samen, dat de ingewanden door den mond en de aarsopening naar buiten geperst worden, já zelfs het geheele lichaam niet zelden in tweeën gescheurd wordt.

Een interessant punt in de ontwikkeling der holothuriën is verder, dat de jonge dieren, die uit de eitjes komen, in ’t geheel niet op de ouden gelijken. Het zijn larven, die vrij rondzwemmen en zoozeer van de volwassen dieren verschillen, dat men ze vroeger voor een geheel andere diersoort hield, die men Auricularia noemde.

De zeekomkommer van fig. 6 wordt 30 centim. lang en leeft, met vele andere soorten van dit geslacht, in de Middellandsche zee. Andere soorten, ook tot het volgende geslacht, Stichopus behoorende, leven in de tropische zeeën en zijn eetbaar. Zij worden in Indië door Maleiers en Chineezen op groote schaal gevangen, gezouten en als een smakelijk gerecht, „trepang” genaamd, gegeten.

Van laatstgenoemd geslacht, insgelijks een longkomkommer, zien wij in fig. 9 de koninklijke rijenvoet (Stichopus regalis), die ook weer onvertakte mondvoelers bezit, ten getale van 20. Het lichaam is plat, eenigszins vierhoekig op de doorsnede, met scherpe kanten en het is bezet met groote kegelvormige tepeltjes. De huid is dik en bevat ronde, doorboorde, een kroonvormigen stempel dragende, kalklichaampjes; naar deze „koningskroontjes” is het dier genoemd. De kleur is bruinachtig tot okergeel, op het midden van den buik dikwijls roodachtig; de lengte ongeveer 9 centim. Deze soort leeft in de Middellandsche zee en hangt zich aan rotsen op. Eenige tropische soorten, vooral bij de Philippijnen, worden meer dan een meter lang.

Ook dit dier is zoo ongemanierd, om, bij de minste aanraking, zijn ingewanden uit te spuwen, anderen werpen eenvoudig de geheele huid af. Daarentegen heeft het dikwijls de beleefdheid, om vrije inwoning te verschaffen aan een zonderling vischje: het slangenaaltje (Fierasfer acus), dat hem in de aarsopening kruipt, om zich metterwoon in zijn waterlongen te vestigen, zonder echter ook vrijen kost en gratis pension te verlangen. Want het diertje voorziet zelf in zijn eigen menage: de kop steekt buiten de aarsopening van den gastvrijen komkommer uit en vangt allerlei kleine schaaldiertjes.

De klimmende zee-augurk (Cucumaria doliolum), fig. 5, onderscheidt zich van de vorige soorten door het bezit van boomvormig vertakte voelers, die, ten getale van 10, straalsgewijs om den mond geplaatst zijn. Het cylindervormig uitgerekte, naar voren en achteren smaller toeloopende, lichaam is ongeveer 15 centim. lang, grijsachtig bruin van kleur, dikwijls met donkere vlekken; de huid is glad en daarin liggen talrijke rondachtige, knobbelige, doorboorde kalkplaatjes. Het lichaam is vijfkantig en de zuigpootjes zijn regelmatig in 5 stralen gerangschikt. De, uit het ei komende, larve gaat hier niet eerst in een bijzonderen auricularia-vorm over, doch ontwikkelt zich dadelijk tot een tonvormige, jeugdige augurk. De dieren hechten zich vast aan planten en steenen. Deze soort komt zeer veel in de Middellandsche zee voor, vele andere leven in de tropische en Europeesche zeeën en in het aquarium te Amsterdam is een andere soort: Cucumaria planci te zien, die veel op die van fig. 5 gelijkt.

Van de holothuriën zonder longen en zonder ambulacraal-pootjes vinden wij op de plaat de klevende klitkomkommer (Synapta inhaerens), fig. 2, ook wel „zeebeurs” genoemd, want de vorm is sprekend die van een ouderwetsche heerenbeurs, met afsluitringen. Het lichaam is zeer uitgerekt wormvormig, rond en aan alle zijden gelijk, zoodat er niet van een buikvlakte gesproken kan worden. De kleur is roodachtig tot bruinachtig, de lengte van het lichaam kan tot 20 centim. bedragen. Om den mond staan 12 voelers, die aan weerszijden 5-7 kleine zijtakjes hebben. De huid is leerachtig, eenigszins doorschijnend en bevat talrijke rad- of ankervormige, deels zeer fraaie kalklichaampjes. De punten van deze ankertjes steken dikwijls een weinig buiten de huid uit en haken zich dan, bij aanraking of als wij de dieren aanvatten, in onze huid vast, op dergelijke wijze als de haakjes van een klit, zoodat het dier aan de hand blijft vastkleven. Daarvan is de naam afgeleid.

Deze ankertjes dienen ook, om het lichaam te steunen bij de zeer langzame beweging. Deze geschiedt, bij het gemis der pootjes, deels door vastgrijpen met de voelers, doch hoofdzakelijk door de kronkelingen van het lichaam, tengevolge van de samentrekking der huidspieren, waarbij dus de ankertjes houvast en steun verleenen. Ook bij dit dier ziet men dikwijls sterke staaltjes van de buitengewone krachtsontwikkeling dier huidspieren. Zij zijn weer erg kitteloorig op het punt van aanraken door mensch of dier; zij laten dan het lichaam, door hevige spierbewegingen, eenvoudig door midden breken, waarna het voorste uiteinde zich uiterst snel en behendig onder het zand graaft. Blijkbaar heeft de natuur dit middel aan de dieren verleend als bescherming tegen gevaar, ten einde dit spoedig te kunnen ontvlieden. Het is althans hoogst merkwaardig, dat het dier ook dikwijls, schijnbaar zonder eenige aanleiding, op eigen gelegenheid in tweeën valt, alsof het zich in die kunstbewerking „traint”, of de „zelf-verminking” als sport beoefent.

De hier afgebeelde soort komt in Europa, ook in de Noordzee, voor. Talrijke soorten van klit-holothuriën leven in de tropen op koraalriffen, vooral bij de Philippijnen. Sommige daarvan bereiken wel een lengte van 2 meters en worden door de inboorlingen „zeeslangen” genoemd.

Thans blijft ons nog een voorbeeld te bespreken over van een geheel andere klasse, de derde der stekelhuidigen, namelijk: die der haarsterren of zeeleliën (Crinoïeden), wezens, die eigenlijk niet meer van onzen tijd zijn, zoodat men er hoofdzakelijk slechts fossielen, versteeningen van uitgestorven soorten uit vroegere aardperioden, van aantreft. Want in het leven der vóórwereld, zelfs in dat van de oudste perioden, speelden deze dieren een groote rol en kwamen zij zeer menigvuldig voor. Slechts weinige levende soorten zijn nog overgebleven en daarvan komen de gesteelde, vastgehechte vormen alleen op zeer groote diepten en op weinig toegankelijke plaatsen voor. Het zijn kelk- of bekervormige dieren, die van vangarmen voorzien zijn. Die uit de vóórwereld waren altijd met een steel aan den zeebodem vastgehecht en deze kunnen dus alleen leven van organischen afval en mikroskopische wezens, die zij zich met hun vangarmen toeroeien. Bij de thans levende soorten is dit veelal slechts in de jeugd het geval, terwijl slechts enkele soorten gedurende haar gansche leven door den steel vastgehecht blijven.

De steel bestaat uit een groot aantal, op elkaar gestapelde, vijfhoekige leedjes en hij draagt hier en daar, eveneens gelede, zijdelingsche ranken, doch al die leden zijn door weeke verbindingsstukken vereenigd, door welke ook een voedingskanaal loopt, zoodat de steel beweeglijk en buigzaam blijft. Daar hier bovendien de ambulacrale buikzijde, in wier midden de mond met de vangarmen ligt, niet naar beneden gekeerd is, zooals bij de zeeëgels, doch naar boven en de rugzijde naar beneden, heeft de lichaamsvorm veel van een kelk en zijn het uiterst sierlijke dieren, die niet ten onrechte „zeeleliën” genoemd worden, daar zij, ook door de fraaie kleuren, inderdaad veel op gesteelde bloemen gelijken. Van deze gesteelde soorten zullen wij op Plaat XV, bij fig. 2, een voorbeeld leeren kennen.

Op onze Plaat XIV is alleen één der haarsterren afgebeeld, gelijk men die soorten noemt, welke in volwassen staat van den steel loslaten. Het is de rozeroode haarster (Antedon of Comatula rosacea), fig. 4, die alleen in de jeugd vastgegroeid is, doch in volwassen toestand loslaat en dan dus aan de rugzijde geen steel vertoont. Daarentegen zien wij om den, naar boven gerichten, mond van het vrij levende dier een groot aantal: 5, 10, 20 of meer, rankvormige, van veervormige aanhangsels voorziene, vangarmen, die tot den naam haarsterren aanleiding gegeven hebben. Deze dieren, die 15 centim. groot worden en een fraaie roode kleur hebben, komen in Europa, van de Middellandsche zee tot Noorwegen voor en houden zich, in tegenstelling van de gesteelde, vastzittende zeeleliën, bij voorkeur in ondiepere plaatsen op, waar zij met hun ranken tegen zeewieren en zeegras opklimmen en zich daar aan vasthechten.