(2) Masa komt ook in het Maleisch voor in den zin van tijd, tijdperk, seizoen.
Soebatten.
Het is jammer dat Prof. Dozy zich omtrent den oorsprong van dit woord, dat hij in de voorrede zijner „Oosterlingen” als van Arabische herkomst vermeldt, niet nader verklaard heeft. Wij zouden dan wellicht meer zekerheid hebben van die afkomst, die mij wel zeer waarschijnlijk voorkomt, maar niet historisch kan bewezen worden. Maar het schijnt hopeloos een Germaanschen oorsprong voor het woord te ontdekken, en daar het toch den vorm heeft van een Nederlandsch werkwoord, ligt het voor de hand het te vergelijken met die menigte verbaalvormen, die, door toevoeging van de lettergreep en, al of niet door een verdubbeling der sluitconsonant van de vorige lettergreep voorafgegaan, dagelijks door de Europeanen in Indië van Javaansche en Maleische woorden gevormd worden. Men denke aan tombokken voor rijststampen, tandakken voor op Javaansche wijze dansen, batikken voor op Javaansche wijze katoenen stoffen verven, amokken voor amok maken, patjollen voor met de patjol bewerken, pikelen voor op de schouders dragen, pikeren voor denken, en ontelbare andere. Zoo er in het Maleisch of Javaansch een woord mocht gevonden worden dat op soebat gelijkt, kan daarvan, als de beteekenis voegt, zonder twijfel het werkwoord soebatten gevormd zijn.
Zulk een woord bestaat nu inderdaad, maar het is een woord dat, schoon in de genoemde talen zeer gebruikelijk, aan het Arabisch is ontleend. Het is het woord tsohbat, dat, in het Maleisch overgegaan, als sohbat, en in het laag Maleisch geheel als sobat wordt uitgesproken, waarvan soebat slechts een geringe wijziging is. Sobat beteekent eigenlijk vriendschap, maar wordt, door een in de Maleische taal zeer begrijpelijken overgang, ook in den zin van vriend gebezigd. Daar de Maleiers, wanneer zij iets te verzoeken hebben, veelal zeer mild zijn met vleiende vriendschapsbetuigingen, en daarbij, vooral in den aanvang hunner brieven, menigvuldig van het woord sobat gebruik maken, vormden de Europeanen daarvan het werkwoord sobatten of soebatten, met de beteekenis van steeds het woord sobat in den mond hebben, en vandaar, zooals van Dale het verklaart, vleiend vragen, aanhouden om iets door vleiende woorden gedaan te krijgen. Van soebatten of sobatten, heeft men dan verder soebatter, soebatster en soebattery afgeleid. Het gebruik in Indië is duidelijk uit het volgende, aan het Soerabajasch Handelsblad van 23 Aug. 1871 ontleende voorbeeld: „De hoofddjaksa is in zijne plaats tot ronggo benoemd, welke keuze men algemeen gunstig acht, daar deze ambtenaar bij de bevolking niet erg getapt is, waarvan men voor de politie meer goeds verwacht, dan van die sobattery tusschen hoofden en geregeerden.”
In Nederland behoort het woord soebatten met zijne derivata schier uitsluitend tot de volkstaal. Behalve bij die would-be komische schrijvers, die geestigheid in platheid zoeken, zal men het in gedrukte schriften zelden aantreffen. Prof. de Vries wees mij een voorbeeld in de „volgeestige werken” van S. van Rusting (Amst. 1712), waarin op bl. 97 de volgende woorden voorkomen:
Kras.
De vrij talrijke woorden die in onze taal uit het Maleisch stammen, zijn deels namen van voorwerpen van natuurlijke historie, die in de Maleische landen te huis behooren, of handelswaren die vandaar worden uitgevoerd, deels woorden die betrekking hebben op het leven der Maleische bevolkingen, b. v. hunne woningen, kleeding, gebruiken en instellingen, vooral ook hunne scheepvaart; maar niet weinige ook zijn uitdrukkingen uit het dagelijksch leven, die, door matrozen of militairen overgebracht, zijn ingedrongen in de volkstaal en doorgaans in het geheel niet, of slechts in komische en satirieke geschriften, ingang hebben gekregen tot de schrijftaal. Deze laatste worden dikwijls miskend. Daar onze Germanisten zich niet veel met het Maleisch en verwante talen inlaten, denken zij er zelden aan daarin den oorsprong te zoeken van volksuitdrukkingen, waarvoor zij met veel moeite eene verklaring uit den Germaanschen taalschat trachten op te sporen, terwijl eene verklaring uit het Maleisch voor de hand ligt.
Een der meest gebruikelijke van die woorden is kras in de beteekenis van sterk, flink, krachtig. Is men geheel vreemdeling in het Maleisch, dan is men natuurlijk geneigd daarbij aan het Latijnsche crassus, dik, stevig, te denken, of met Franck, „Etymologisch Woordenboek der Ned. taal”, aan het Fransche crasse, een slechts in dezen vrouwelijken vorm gebruikelijk adjectief, dat geheel aan crassus beantwoordt. Het Maleische kras (eig. kĕras, in welk woord evenwel, gelijk in honderden andere, de toonlooze ĕ-klank tusschen de zich gemakkelijk vereenigende consonanten k en r in de uitspraak doorgaans verloren gaat), komt echter in beteekenis en gebruik veel meer met het Nederlandsche kras overeen, zoozeer zelfs, dat het volstrekt overbodige moeite schijnt naar een anderen oorsprong te zoeken. Men zie slechts het Maleisch Woordenb. van Pijnappel, waar de beteekenissen dus worden opgegeven: „hard, stijf, onbuigzaam; stevig, vast; sterk, ook zooals wij kras gebruiken, b.v. tjoekei di bĕnoewa Tjina itoe terlaloe kras”, d. i. de tollen zijn in het Chineesche rijk heel kras. Uitdrukkingen als een krasse kerel, een kras wijf, of „dat is wat kras, Keesje”, zooals Hildebrand in de „Camera obscura” tot het diaconiehuismannetje zegt, komen geheel met het Maleisch gebruik van kras overeen.
Daarbij bedenke men dat kras in dezen zin in geen andere Germaansche taal voorkomt, dat het geen oud woord schijnt te zijn (het ontbreekt o. a. bij Kiliaan), en dat het, in overeenstemming met hetgeen boven over woorden van Maleischen oorsprong werd opgemerkt, in deftigen stijl niet gebruikelijk is. Het Javaansch heeft hetzelfde woord en in dezelfde beteekenis.
Amper.
Evenals over kras denk ik over het bijwoord amper, thans gewoonlijk bij ons gebruikt in den zin van nauwlijks, ternauwernood. Ofschoon mij bekend is, dat prof. de Vries, onze groote taalkenner, na gezette overweging een ander gevoelen is toegedaan, schijnt mij toch zooveel voor de herkomst van dit woord uit het Maleisch te pleiten, dat het mij wenschelijk voorkomt mijne gronden aan de toetsing mijner lezers te onderwerpen.
Het Maleische woord dat ik op het oog heb, is hampir of ampir, waarvan de beste woordenboeken dier taal de beteekenissen dus opgeven: nabij, dichtbij, naast, bijna, of als werkw. nabijkomen, naderen. Het woord schijnt het eerst, en geheel in de oorspronkelijke beteekenis, naar de Kaap de Goede Hoop te zijn overgebracht, hetzij door de matrozen in dienst der Compagnie, die de Kaap als ververschingsplaats bezochten, hetzij door de Maleiers, als kolonisten, die op last der Compagnie naar Afrika werden overgebracht om er den bodem te helpen ontginnen. Die Maleiers, die nog eene vrij talrijke en de meest geachte klasse onder de gekleurde rassen in de Kaapkolonie vormen, hebben, ofschoon zij meerendeels aan den Islam zijn getrouw gebleven, de Hollandsche taal en vele Hollandsche gebruiken aangenomen. Hunne taal is ongeveer als die der Hollandsche boeren van Zuid-Afrika. Onze reiziger in Oost-Afrika, de heer Hendrik P. N. Muller, ontmoette er eenige in de Nederlandsche faktorie te Zanzibar, die voornemens waren de bedevaart naar de Kaʾba te verrichten. Toen zij hem met zijn gezelschap Hollandsch hoorden spreken, toonden zij zich geneigd tot een praatje en verzekerden hem: „ons is slamsche menschen; ons wil na Mekka, maar ons hèt geen geld nie.” (Zie zijn „Bezoek aan de Delagoa-baai en de Lydenburgsche goudvelden,” in Eigen Haard voor 1887(3).) De wegen waarlangs Maleische woorden naar Zuid-Afrika konden komen, zijn ons dus goed bekend, en het behoeft ons niet te bevreemden in de taal der Boeren Maleische woorden, zooals banjak (veel), tjambok (zweep of karwats) en andere, aan te treffen. Van amper, en wel uitdrukkelijk in de beteekenis van bijna, zijn de volgende voorbeelden aan de Afrikaander literatuur ontleend: „Van Engels en Frans, wat een mensch dit zou verwag, krij jij amper gen woorden in ons taal nie.” (Th. Tromp, Herinneringen uit Zuid-Afrika, bl. 173). „Hulle kan amper net so vinnig loop a's een pert.” (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, bl. 181).
Naar Europa overgebracht, schijnt het woord zijn beteekenis allengs eenigszins gewijzigd te hebben, ofschoon het aan sporen van de oorspronkelijke beteekenis bijna niet geheel ontbreekt. Nog zeer onlangs hoorde ik eene dame het woord in dien zin bezigen, en daar dit mijne aandacht trok, vroeg ik haar wat zij er mede bedoelde, waarop zij onmiddellijk bijna ten antwoord gaf. Van Dale geeft in zijn Ned. Woordenboek zoowel bijna als nauwelijks op en Heremans in zijn Ned.-Fr. Woordenboek onderscheidt uitdrukkelijk twee beteekenissen: 1o. nauwelijks, à peine; 2o. bijna, presque. Ik merk hierbij op, dat Heremans als Vlaming en van Dale als bewoner van Staatsvlaanderen ook voor het Zuid-Nederlandsch goede autoriteiten zijn.
De overgang der beteekenis van bijna tot nauwelijks, is zeker niet van dien aard, dat zij ernstigen twijfel aan de juistheid mijner verklaring kan wekken. Er bestaat ongetwijfeld verschil, maar hoe de eene soms schier onmerkbaar in de andere overgaat, blijkt b. v. uit eene phrase als ampir siang, „even voor den dageraad”, die ons „als 't amper dag is” al zeer nabij komt. De bezwaren van prof. de Vries tegen mijne verklaring betreffen dan ook minder deze wijziging van beteekenis, als het menigvuldig gebruik dat van amper en amperkens overal in Zuid-Nederland gemaakt wordt. Dat algemeen gebruik in België acht hij met een Maleischen oorsprong moeilijk vereenigbaar en brengt hem tot de meening dat amper op Nederlandschen bodem ontstaan is. Hoe hij zich het ontstaan voorstelt, zal men weldra kunnen lezen in de nieuwe aflevering van het groote Woordenboek der Nederlandsche taal, die thans op de pers is.
Ik ontveins niet dat ook mij het algemeen gebruik van amper in Zuid-Nederland, als het werkelijk Maleisch is, zeer bevreemdt; maar veroorloof mij toch nog eene kleine opmerking, die de waarde der tegenwerping wel eenigszins vermindert. In het „Dictionarium Teutonico-Latinum”, van Kiliaan, waarvan de eerste uitgave in 1574 te Antwerpen verscheen, komt amper als bijwoord, hetzij in den zin van bijna of van nauwelijks, nog niet voor. Mag men hieruit niet opmaken, dat het gebruik van dit woord in België niet oud is, en in verband daarmede de gissing wagen, dat het door Antwerpsche of andere Vlaamsche matrozen, die aan de eerste tochten der Nederlanders naar Oost-Indië hebben deelgenomen, daar het eerst is in zwang gebracht?
(3) De geschiedenis der Maleische kolonie aan de Kaap, die oorspronkelijk uit slaven en ballingen schijnt bestaan te hebben, is zeer merkwaardig en verdiende wel eens een opzettelijk onderzoek. Men vindt daarover een en ander in Wilmot's History of the Cape colony (Capetown, 1869), p. 116, en Noble's Descriptive Handbook of the Cape colony (Capetown, 1875), p. 44.
Bakkeleien.
Bekend, ook door van Dale en Franck opgenomen, en door laatstgenoemde als Maleisch erkend woord uit de volkstaal, dat vechten, plukharen beteekent. Voorbeelden uit onze schrijvers, zal men echter vermoedelijk niet kunnen bijbrengen, tenzij men ze mocht vinden in eene of andere klucht of blijspel, of bij komische schrijvers en rijmelaars als Focquenbroch, Rusting en dergelijke. Aan den oorsprong van het woord uit het Maleisch kan niet getwijfeld worden en men mag dus ook stellig aannemen, dat het door Janmaat onder het volk is gebracht. Het is het Maleische berkĕlahi, dat in het laag-Maleisch, met assimilatie van de r aan de volgende letter, bekkĕlahi wordt uitgesproken. De beteekenis is in Maleisch en Hollandsch geheel dezelfde.
Fezikken.
Fezikken schrijf ik met Weiland, en niet feziken, zooals de Vries en te Winkel en ook van Dale hebben, omdat het woord mij gevormd schijnt naar de analogie van amokken, batikken, tandakken, en dergelijke.
Ik houd namelijk fezikken voor eene gewijzigde uitspraak van bisikken, dat men in Indië zal gevormd hebben van het Maleische bisik, in 't Javaansch ook wisik, een zeer gewoon woord, dat fluisteren, stilletjes of heimelijk praten beteekent, en waarvan ook vooral de geredupliceerde vorm bisik-bisik in gebruik is. De beteekenis van fezikken is geheel dezelfde. Ik kan van Dale niet toegeven dat dit woord verouderd is, want ik heb het, vooral te Dordrecht, dikwijls hooren gebruiken, ook in het afgeleide gefezik. Ik kan er echter vrede mede hebben, als dat „verouderd” alleen slaat op de schrijftaal. Trouwens daarin is fezikken zeker, evenals andere dergelijke woorden uit de volkstaal, altijd zeer zeldzaam geweest. Weiland haalt echter een voorbeeld aan van Westerbaen: „ick sat... te fesikken van u.”
Dr. Franck heeft in zijn Etymologisch Woordenboek eene afleiding uit het Germaansch beproefd, namelijk als verbaal afleidsel met iteratief-diminutive beteekenis van het oude fezen of vezen (met vergelijking, wat den vorm betreft, van hinniken en ginniken of grinniken). Dat zijne afleiding mogelijk is, geef ik toe; daar echter het woord fezikken in het oud-Nederlandsch niet voorkomt, waag ik het ook de mijne, die stellig eenvoudiger is, daarnevens te stellen. Misschien ben ik geneigd den invloed van het Maleisch op het Nederlandsch te overdrijven; maar dit is een natuurlijk gevolg daarvan, dat die gewoonlijk schier geheel wordt voorbijgezien. Om duidelijk te bewijzen hoe verkeerd men daarin handelt, laat ik thans een woord volgen, waarvan de oorsprong uit het Maleisch volstrekt onbetwistbaar is.
Pitsjaren.
Pitsjaren is thans bij ons alleen gebruikelijk als zeewoord en beteekent door middel van een sein aan boord roepen. Het wordt ook wel gebruikt wanneer de bevelhebber van een schip het afwezige scheepsvolk door zulk een sein terugroept; maar oorspronkelijk schijnt het slechts gebezigd te zijn van een vlootvoogd, die de bevelhebbers der schepen van zijn eskader bij zich aan boord laat komen, om zich met hen te beraden. De vlag die daarvoor dient, heet de pitsjaar-vlag.
Van Dale vergelijkt het Eng. pitch-yard, maar verzuimt ons te zeggen wat dit woord beteekent. Ik heb het tevergeefs gezocht, maar indien het werkelijk onder de zeelieden in gebruik is, schijnt het mij een verbastering van pitsjaar, zoodat het door dit laatste moet worden opgehelderd, en niet omgekeerd.
Pitsjaar nu is stellig niets anders dan het Maleische bitjára (door sommigen bitsjára uitgesproken), dat, zelf uit het Sanskriet stammend, overlegging, raadpleging, raad, raadsvergadering beteekent. Wanneer de admiraal met de kapiteins een raad, een bitjara, wilde houden, seinde hij met de pitsjaar, d. i. de bitjara-vlag. Door misverstand heeft men later dit pitsjaren in den zin van seinen om aan boord te komen opgevat.
Dat pitsjaren werkelijk moet verklaard worden zooals ik hier heb voorgesteld, blijkt uit het gebruik van dat woord in oude Indische stukken. Een duidelijk voorbeeld is het volgende uit een brief van den Gouverneur-Generaal aan Pieter Fransen te Bantam, dd. 17 April 1630, bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in O.-Indië”, D. V, bl. 187: „Sult den Tommogon bij eene goede gelegentheyt voorhouden en te verstaen geven, dat het goed waare syn E. met ons daarover eerst hadde gepitschaert.” Zoo ook leest men in een rapport van Couper, dd. 25 Maart 1677 (Ald. D. VII, bl. 103): „waerover seyden eerst te moeten pitsjaren.”
Men heeft van pitsjaren ook een naamwoord, pitsjaring gemaakt. Zoo bij de Jonge, D. V, bl. 105: „Off dit een Gabangsche pitsjaringh sy sal ons den tyt leeren”, en D. VI, bl. 32: „dat onder ons geen gebruick was, bij de eerste bejegeninge van eenige pitsiaringen te spreecken.”
Pidjetten.
Van het Maleische en Javaansche pidjet, en dus minder juist dikwijls pitjitten geschreven. Door dit woord worden zekere manipulatiën in de inlandsche geneeskunde aangeduid, bestaande in wrijvingen en drukkingen met de volle hand en zachte knepen met duim en vinger. Strikt genomen is pidjet de speciale naam voor het knijpen, terwijl het wrijven oeroet heet; doch dit laatste woord is minder bekend, terwijl pidjetten, zoo gebruikt dat het beide omvat, een woord is dat door de Europeanen in Indië dagelijks gebezigd en ook in Nederland niet zelden gehoord wordt. Dr. van der Burg zegt van het pidjetten in zijn klassiek werk „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 249: „Dat systematisch knijpen en wrijven nuttig kunnen zijn, ook bij abnormale toestanden van het lichaam, is bekend, en dat beide als aangename prikkels reeds bij de volkeren der oudheid in zwang waren, behoeft niet herinnerd te worden. Zeer zeker zijn die bewerkingen hoogst aangenaam bij groote spiervermoeidheid, en hoewel somtijds zeer pijnlijk onder de operatie, is het effect er van uitstekend. Nadeelen van de behandeling zijn alleen waarneembaar bij menschen, die er om zoo te zeggen misbruik van maken en er zoo door verwend zijn, dat zij er niet meer buiten kunnen, en b. v. niet kunnen slapen zonder geknepen en gewreven te worden. Men zou de gewoonte bijna onder de middelen tot genot kunnen brengen.” Verg. ook wat ik over het pidjetten en de pidjetsters van beroep gezegd heb in mijn „Java”, D. I, bl. 487.
De methode om voor zekere kwalen en lichaamsgebreken het knijpen en wrijven als geneesmiddelen aan te wenden, is in ons land in groot aanzien gekomen door de voortreffelijke resultaten, daarmede verkregen door onzen beroemden Metzger. Men hoort echter op zijne manipulatiën nooit den naam van pidjetten toepassen, en zij schijnen inderdaad van die der Javaansche pidjetsters (het vak wordt meest door vrouwen uitgeoefend) nogal te verschillen. Dr. Metzger waakt tegen het misbruik door het te doen op eene wijze waarbij van „wellustig genieten” zelden sprake is. Ik heb nooit een zijner patiënten zijne behandeling onder de middelen tot genot hooren noemen.
Punch, Pons.
Het woord punch, in de schrijftaal veelal onveranderd behouden, in de omgangstaal tot pons verbasterd, hebben wij uit het Engelsch, maar het is in deze taal zelve weder afkomstig uit Indië. Het is namelijk het Indische en Perzische pandja of pendja, vijf (het Gr. pente), zoo bekend door den eigennaam Pendjâb of Pundsjâb, het land der vijf rivieren, in Hindostan. In het Oosten bestaat de drank, die bij de Engelschen onder den naam van punch populair is geworden, uit vijf bestanddeelen; hij schijnt in Perzië volledig pandja noesj (de vijfdrank) te heeten (zie Vullers, Lex. Persicum, I, p. 376), maar tot enkel pandja te zijn afgekort. De vijf bestanddeelen waren, zoo men meent, oorspronkelijk: brandewijn (rum of arak), thee, citroen, suiker en kaneel. Het laatste wordt thans gewoonlijk weggelaten, meestal ook de thee. Zie Littré, „Dictionnaire de la langue française”, in v. „Punch”. Maar als men de laatste behoudt en het bijgevoegde water als vijfde bestanddeel aanmerkt, blijft de oude naam gewettigd. De verschillende praeparaten, die onder den naam van siroop van punch in den handel komen, zijn wat de zuiverheid betreft zeker niet altijd te vertrouwen.
Den overgang tot pons vormt het Fransche ponche, dat o. a. voorkomt in het volgende door Littré aangehaalde voorbeeld: „il nous fit servir (le capitaine hollandais) de la bierre, du vin de Madère, de la ponche et du pain d'épices.” Labat, „Voyage aux Antilles”, VIII, p. 361. Punch is thans in het Fr. mannelijk, in onze taal vrouwelijk; maar uit het aangehaalde voorbeeld blijkt, dat ponche in het Fransch ook als vrouwelijk werd gebruikt.
Tank.
Dit woord komt zeer dikwijls en, als algemeen bekend, doorgaans zonder eenige verklaring, voor bij onze schrijvers over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en op Ceilon. Men zie b. v. Baldaeus, „Afgoderije der Heidenen”, blz. 24, 30, 48; „Begin en Voortgang”, D. II, no. 17, bl. 10; Valentijn, V, 2, „Ceilon”, bl. 240; Canter Visscher, „Mallabaarsche brieven”, bl. 151; Stavorinus, „Reize naar Batavia”, bl. 240. Men vindt echter uitvoerige beschrijvingen van de tanken bij Valentijn, V, 1, „Coromandel”, bl. 172, en bij Stavorinus, a. w., bl. 83 v. Verg. ook Stocqueler, „Oriental interpreter”, in v. Tank. Het blijkt uit die plaatsen dat de tanken groote kunstmatige vijvers of waterbakken zijn, voor badplaatsen ingericht. Het woord is Hindostani. Een andere, minder gebruikelijke naam der tanken in Hindostan is Tullao. Zie Stocqueler in v.
Sedert wij onze bezittingen in Hindostan verloren hebben, is het woord tank bij ons in vergetelheid geraakt; maar, vermoedelijk door Engelschen invloed, wordt het thans weder gebruikt om de groote ijzeren reservoirs op de petroleum-schepen aan te duiden.
Sits.
Sits werd vroeger en juister chits geschreven, de eerste letter toch van het oorspronkelijke woord is de tja of tsja der Hindostansche, Perzische, Javaansche en Maleische alfabets, die in vele Europeesche talen door ch wordt vervangen. Daarom heet ook het sits in het Fransch chite, in het Eng. chintz of chints. Vroeger was bij ons ook dezelfde transscriptie in zwang, zooals blijkt uit den bekenden naam Cheribon. Chits komt nog voor in Canneman's „Dissertatio de Batavorum Mercatura Levantica”, p. 20, waar wij lezen: „Per Caravanas Halebum etiam mittebantur species [pannorum] levigatae Persicae ex Ispahan et Tebriz, quae Malaico nomine tchit, vulgo chits, vocantur.” Hier is de Maleische naam, die echter ook wel tjita (Jav. tjitô) luidt, correct opgegeven, maar uit het bijgevoegde bericht blijkt, dat het niet noodig is aan te nemen, dat wij dien naam het eerst van de Maleiers ontvangen hebben. De gebloemde katoenen stof, die wij sits noemen, werd oorspronkelijk in Hindostan geweven en geverfd of gedrukt, en niet enkel over den Indischen Archipel, maar ook over Perzië en de Levant tot ons gebracht; en ook de Perzische naam luidde tsjit of tjit. Dat behalve het echte Indische sits of Indienne vele Europeesche namaaksels onder denzelfden naam in den handel komen, is bekend.
Palankijn.
Ieder, die niet geheel vreemdeling is in de Nederlandsche letterkunde, kent ook de „Reize in een palanquin” van Jakob Haafner (Amst. 1808), den laatsten schrijver van wien wij berichten hebben over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en Ceilon, die sedert aan Engeland zijn afgestaan. Palanquin is de Portugeesche vorm van het woord, dat wij thans Palankijn schrijven, en dat in de verschillende talen en dialekten van Hindostan in de vormen pallangka, palankin en palki voorkomt, die allen (door verwisseling der liquidae l en r) afstammen van het Sankrietsche Paryanka, rustbed. Het woord is ook in het Javaansch en Maleisch overgegaan in de vormen palangki en plangki.
De Indische draagstoel, toegerust met een verhemelte en gordijnen, en geheel anders ingericht dan de Europeesche, behield natuurlijk den oorspronkelijken naam, toen hij door de Europeanen van de inlanders werd overgenomen.
Rigel.
Prof. Dozy heeft in zijne „Oosterlingen” een artikel gewijd aan de ster Aldebaran, ook aan niet-astronomen bekend door de regels in Beets' „Guy de Vlaming”:
Maar gelijke aanspraak had zeker de eveneens Arabische naam Rigel, die de ster aanduidt in den voet van het sterrenbeeld „Orion”, en waarvan Nieuwland in zijne beroemde ode „Orion” aldus zingt:
Rigel is het Arab. ridjl, d. i. voet, en als naam van de ster in den Orion afkorting van ridjloeʾl-djabbâr, de voet van den reus. Door al-djabbâr, de reus, wordt het sterrenbeeld Orion aangeduid.
Elixir.
Dit woord is behandeld in Dozy's „Oosterlingen”; maar hij verkeerde destijds nog in onzekerheid omtrent den oorsprong van het woord, waarvan hij alleen zegt: „het zou mij niet verwonderen als er een door de Arabieren veranderd Grieksch woord, waarvan de eerste of tweede letter een x is, onder schuilde”. De juistheid dier gissing was reeds aangewezen toen zij werd bekend gemaakt, namelijk door Fleischer, die in zijn werkje de Glossis Habichtianis, p. 70, elixir verklaarde als ontstaan uit het Arab. lidwoord en het Grieksche xèron, dat eigenlijk een droog geneesmiddel aanduidt, maar door misverstand eene ruimere beteekenis kreeg. Ik merk in het voorbijgaan op, dat ook dit woord eene bijdrage levert tot de oplossing van het thans weder opgerakelde geschil over de uitspraak der Grieksche letter èta, die velen thans evenals in het Nieuw Grieksch als i willen uitspreken. Als ik mij niet bedrieg pleiten alle oude transcripties van Grieksche woorden met èta in het Syrisch en Arabisch voor het itacisme. Eene objectie door Zotenberg tegen de verklaring van elixir uit het Gr. xèron opgeworpen, namelijk dat de Grieksche x in het Arabisch sk en niet ks wordt, is te niet gedaan door Defrémery in het Journal Asiatique van Augustus 1867, door te wijzen op het Arabische abraksis, als transscriptie van het Gr. praxis.
Elixir is dus uit het Arabisch tot ons gekomen. Het was in die taal een term der Alchimisten, om den steen der wijzen aan te duiden, de substantie waardoor men onedele metalen in goud kon veranderen, en die tevens een middel was waardoor men alle kwalen kon genezen en het lichaam versterken en verjongen. Doch toen de alchimistische droomerijen haar krediet verloren, bleef het woord elixir in zwang om oplossingen van verschillende zelfstandigheden in alkohol of alkoholische tincturen aan te duiden, of in het algemeen elk geneesmiddel, dat druppelsgewijze wordt toegediend. Men denke b. v. aan het maag-elixir, dat vaak bij jenever en curaçao gevoegd wordt.
Tarra.
Men schrijft thans gewoonlijk tarra, en het is ook alleen in dien vorm dat het woord voorkomt in de Woordenlijst van de Vries en te Winkel. Weiland behandelt het op tara, den gewonen vorm van het woord in het Italiaansch, Spaansch en Portugeesch. In den vorm tare vindt men het ook in het Fransch en Engelsch. Wij hebben het woord, als zoovele andere in de handelstaal, waarschijnlijk van de Italianen ontvangen. Het beteekent, gelijk men weet, het verschil tusschen bruto en netto gewicht of maat, met andere woorden wat voor emballage moet worden afgetrokken.
De oorsprong van dit woord was aan Prof. Dozy nog onbekend, toen hij zijne „Oosterlingen” schreef. Hij zegt in de Voorrede: „het woord tara of tarra kan Arabisch zijn, maar het is mij nog niet gebleken, dat de Arabieren het in dien zin gebruikten.” Maar in het twee jaren later verschenen „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe” heeft alle twijfel omtrent den Arabischen oorsprong opgehouden. Het Arabische woord is tarha, van den wortel taraha, die de beteekenis heeft van verwerpen, en tarha is dus het deel der koopwaren dat men verwerpt, niet mederekent, bij de prijsberekening aftrekt, te weten de balen, kisten, vaten enz. waarin de goederen gepakt zijn.
Er bestaat in het Arabisch nog een synoniem woord merma, dat ook in het Spaansch is overgegaan. Ook dit merma beteekent letterlijk het verworpene en bevestigt de juistheid der verklaring van tarra. De beide woorden helderen elkander op, zooals door Dozy in het Glossaire, p. 313, wordt in het licht gesteld.
Alkatief.
Baldaeus, „Beschrijving van Malabar en Choromandel”, bl. 183, van de levenswijze der Europeanen in die gewesten sprekende, zegt: „Zelden slaapt men op bedden, maar op alcativen of matrassen.” Het woord alcatief is het Spaansch-Portugeesche alcatifa, alquetifa, dat denkelijk in Baldaeus' tijd ook onder de Nederlanders in Indië zoozeer bekend was, dat hij het zonder verklaring kon gebruiken. Het is dus weder een woord dat wij in Indië van de Portugeezen overnamen, maar de oorsprong is kennelijk Arabisch. Engelmann, de eerste bewerker van het zoo vaak op naam van Prof. Dozy aangehaalde, en inderdaad door dezen geheel omgewerkte en met de belangrijkste artikelen vermeerderde „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe,” verklaart het door het Arab. al-qatîfa, tapis, couverture, en verwijst naar eene noot van Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes,” p. 232. In de bedoelde noot wordt eene plaats aangehaald uit Marmol's „Descripcion de Africa,” die eene volledige verklaring geeft van de woorden van Baldaeus en dus luidt: „De gewone bedden der aanzienlijken bestaan uit die harige alcatifa's, die ons uit Africa worden aangebracht. Deze worden onderscheiden malen dubbel gevouwen, terwijl een lange omslag dient om het lijf van boven te bedekken.”
Nog heden is het woord alkatief in Ned.-Indië in gebruik, hoofdzakelijk in de beteekenis van een tapijt of vloerkleed, die het ook in het Arabisch bezit, zooals mede door Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé”, t. a. p. is aangetoond. Weitzel, „Batavia”, bl. 113: „Onder de tafels vindt men nog wel eens een sierlijk karpet, en vóór de canapé's vaak zeer schoone alkatieven of vloerkleedjes.”
Prof. de Goeje heeft mij medegedeeld, dat hem toevallig bij de inzage van oude rekeningen gebleken is, dat nog in het begin dezer eeuw alkatieven als handelsartikel werden vermeld.
Fellah.
Dit woord is thans in meest alle Europeesche talen, ook in de onze, algemeen in gebruik om de Egyptische landbouwers aan te duiden. Ieder kent den roman van den heer About, „Ahmed le fellah”. In de aankondiging van Lady Gordon's „Letters on Egypt”, in de Gids voor 1866, D. II, bl. 597 vv., wordt fellah telkens als een algemeen bekend woord gebruikt.
Het woord is Arabisch en luidt in die taal fallâh. Het beteekent in het algemeen landbouwer, maar voor zoover het in de talen van het Westen is opgenomen, duidt het altijd in het bijzonder de Egyptische landbouwers van Arabische afkomst en Moslemsche geloofsbelijdenis aan. Een Christen is nooit een fellah.
Boernoes.
Boernoe of boernoes is, volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”: „een Arabische mantel van witte wollen stof met een kap, zooals de Mooren in Noord-Afrika dien dragen”, en voorts ook: „een soort van nieuwerwetschen vrouwenmantel van soortgelijke snede”. Hierbij verdient alleen te worden opgemerkt, dat de boernoes noch uitsluitend wit, noch uitsluitend van wol is, noch uitsluitend door de Mooren gedragen wordt. Boernoes is het Arabische bornos of boernoes, waarover wij een uitmuntend artikel vinden in Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements”, p. 73, waaruit blijkt, dat ook zwarte, blauwe en groene mantels van deze soort voorkomen, en dat ze ook wel van katoen en zijde worden geweven. Maar die van witte wol zijn ongetwijfeld de meest gebruikelijke. De boernoes werd ook gedragen door de Mooren in Spanje, door de ridders van Malta en door de Mamelukken in Egypte; maar Prof. Dozy maakt uit het stilzwijgen der schrijvers over het hedendaagsche Egypte op, dat hij daar niet meer in gebruik is. Hiertegen pleit echter 1o. dat volgens Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 311, burnooses or white woollen cloaks behooren tot de artikelen die uit het Westen van Afrika in Egypte worden ingevoerd, en 2o. dat de boernoes voor eenige jaren, in Nederland althans, vooral bekend geworden is door degenen die dit kleedingstuk, op de overlandreis uit Indië naar het Moederland, uit Egypte medebrachten. Dat evenwel boernoes een modenaam ook voor een nieuwerwetschen vrouwenmantel met kap is geworden, zal wel aan de Franschen zijn toe te schrijven, die dit kleedingstuk in Algerië leerden kennen. En vandaar dan ook dat men somtijds, naar Fransche schrijfwijze, bournous leest, b. v. bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 219: „een juffrouw met donkere, blinkende oogen en een rooden bournous.”
Dit woord, dat bij ons, door de wisselingen der mode, weder in onbruik begint te raken, is oud in de talen van zuidelijk Europa; want het komt in den met het Arabisch lidwoord vermeerderden vorm voor in het Spaansche albornoz en het Portugeesche albernoz of albenoz. Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 73.
Fakir.
Fakir beteekent, volgens van Dale's Nieuw Ned. Woordenboek, eigenlijk een arme, dan een Mohammedaansche bedelmonnik, en eindelijk een Indische kluizenaar, die zich op allerhande wijze pijnigt. Het woord is het Arabische faqîr, en heeft oorspronkelijk alleen de eerste beteekenis; maar is, evenals het Perzische derwîsj, bij ons dervis, dat hetzelfde beteekent (zie Dozy's „Oosterlingen”, in v.) in het later spraakgebruik bij voorkeur de naam geworden der armen om Gods wil, die eene gelofte van armoede gedaan hebben, in één woord der Mohammedaansche bedelmonniken. Zie b.v. Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 211. Zulke fakirs vindt men ook vele in onze Oostindische bezittingen, en in de nieuwere geschriften over die gewesten zal men fakir doorgaans slechts in deze beteekenis aantreffen. Maar de vele punten van overeenkomst tusschen den Mohammedaanschen bedelmonnik en den Hindoeschen kluizenaar en boeteling zijn oorzaak, dat onze oude schrijvers, misschien op het voorbeeld der inlanders zelven, den naam van fakir ook aan dezen laatsten geven. Zoo b.v. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 76: „Rawan, ziende Lekeman gaan, komt voor de deur van Ram, in gedaante van een fakier, en eyscht een aalmisse” (aalmoes), en Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 110: „Wat verder landwaarts in vonden wij in een klein boschje de overblijfsels van een steenen gebouw, waar een fakier of heilige zijn verblijf hield!”
Het bevreemdt mij eenigszins, dat Prof. Dozy het zeer dikwijls voorkomende fakir niet in zijne Oosterlingen heeft opgenomen.
Camarilla.
Camarilla is in het Spaansch een verkleinwoord van camara, kamer, zaal. In het bijzonder is camara een vertrek in het koninklijk paleis, waarin de Vorst audientie geeft aan de gezanten van vreemde Mogendheden, dat alleen voor zijne voornaamste dienaren en gunstelingen toegankelijk is, en waar de geheime zaken van Staat behandeld worden. Camara of Camarilla beteekent dus ongeveer hetzelfde als ons kabinet, in den zin waarin van „het kabinet des Konings” gesproken wordt. En evenals dit met het woord kabinet het geval is, beteekent ook camarilla, bij overnoeming, de personen, die in het aldus genaamde vertrek met den Vorst beraadslagen, zijne geheime raden, de Consulta, de Kabaal, zooals men in Engeland ten tijde van Karel II de geheime raadslieden des Konings noemde, den Achterraad, zooals Hooft en Stijl de vertrouwde dienaren van Margareta van Parma, in tegenstelling met den Raad van State, betitelen. In Spanje schijnt de uitdrukking Camarilla om de geheime raadslieden der Kroon, den Achterraad, aan te duiden, vooral in zwang te zijn gekomen gedurende de regeering van Philips VII, die gewoon was des avonds zijne kamerheeren en dienaren rondom zich te verzamelen en zich geheel door hen liet leiden. Zie b.v. Gervinus, „Geschichte des XIXten Jahrh.”, Bd. II, bl. 163. De listen en kuiperijen dezer partij hebben aan het woord Camarilla eene slechte beteekenis doen hechten. Het is thans in alle talen van het beschaafde Europa, en dus ook in de onze, in gebruik om elke vereeniging of club van hovelingen aan te duiden, die de gunst van den Vorst exploiteert, om een voor henzelven of de belangen van hunnen stand voordeeligen, maar voor het algemeen welzijn veelal verderfelijken invloed op de Regeeringszaken uit te oefenen.
Het is duidelijk dat dit, ook bij ons, in historische en politieke geschriften, somtijds gebruikte woord geen inbreuk maakt op de juistheid der opmerking, bij kwispedoor gemaakt, dat ons volk, tijdens de Spaansche heerschappij, geene woorden uit de taal der gehate vreemdelingen heeft overgenomen.
Parlesanten.
Die opmerking wordt ook niet gelogenstraft door parlesanten of parlasanten, een woord uit de volkstaal dat zeer wel tot de dagen van Alba en Requesens kan opklimmen, maar dan toch niet van de Spanjaarden overgenomen, doch door het volk uit de drie Spaansche woorden par (of por) los santos, d. i. bij de heiligen, gevormd werd, om de Spaansche krijgsknechten, die deze gedurig in den mond hadden, te bespotten. Het woord is in verschillende woordenboeken onzer taal opgenomen, maar kan thans wel als verouderd worden aangemerkt, en is aan de schrijftaal waarschijnlijk wel bijna geheel vreemd gebleven. Ik herinner mij echter de volgende woorden in een der dichtbundels van Bilderdijk (welke is mij ontgaan) gelezen te hebben:
Ik haal deze regels ook aan, omdat zij doen zien in welke beteekenis het woord gebruikt werd, namelijk in die van vloeken en razen, en niet in die van praten, snappen, zooals van Dale ons wil doen gelooven.
Olla podrida.
Het zou echter kunnen zijn dat ons volk van de Spanjaarden geleerd had een Olla podrida te maken, een hunner meest geliefde nationale gerechten. Het is zelfs niet onmogelijk dat de beroemde ketel met hutspot, die bij het ontzet van Leiden in een der schansen achtergelaten werd gevonden, een pot met olla podrida geweest is. Althans het woord olla podrida komt in beteekenis al heel veel met het Hollandsche hutspot overeen. De olla podrida wordt ons beschreven als een mengsel van allerlei spijzen: ossenvleesch, schapenvleesch, ham, kippen en ander gevogelte, en alles wat men verder daarbij wil voegen om den smaak te verhoogen. Men zal zich uit den „Gilblas” herinneren, dat een goed bereide olla podrida als een fijne lekkernij geldt. Evenwel, daar in het dagelijksch leven de overschotten of klieken van verschillende spijzen voor de olla podrida gebezigd worden, zullen de bestanddeelen wel niet altijd even keurig en ook zeker niet altijd even frisch zijn. De naam olla podrida, gevormd van het Latijnsche olla, d. i. pot, en podrida het deelwoord van podrir (thans pudrir), dat bederven, verrotten beteekent, geeft hieromtrent veel te denken, en is niet geschikt om een Nederlander naar het invoeren van dezen schotel in zijn vaderland te doen verlangen. Hij houdt zich zeker liever bij den vaderlandschen hutspot, en heeft dan ook aan den vreemden naam geen behoefte. Waar die in Nederlandsche geschriften voorkomt, zal het wel doorgaans zijn in verhalen, hetzij historische of verdichte, waarvan Spanje het tooneel is, of in reisbeschrijvingen, waarin Spaansche zeden ter sprake komen.
Meer nog dan olla podrida is bij ons de letterlijke vertaling dier uitdrukking in het Fransch: Potpourri bekend. Hier echter wordt het begrip van mengelmoes of poespas meestal niet op spijzen, maar op door overgangen aaneengeregen melodiën toegepast. Maar hoe vreemd is toch soms dat cynisme der zuidelijke volken, zelfs van dat volk dat bij ons als de wetgever op het gebied van den goeden smaak geldt! Ons, ruwe zonen van het Noorden, zou de naam van olla podrida, indien ik hem letterlijk durfde vertalen, van alle spijs schier afkeerig maken, en om een verzameling der goddelijke melodiën b.v. van een Mozart een potpourri te noemen, zou ons, als wij niet het vreemde woord gebruikten zonder aan de beteekenis te denken, een heiligschennis dunken.
Baljaren, baljaarden.
Ook dit woord is uit het Spaansch of Portugeesch afkomstig, maar is niet rechtstreeks uit het Iberisch schiereiland, maar door tusschenkomst der Negerslaven in West-Indië tot ons gebracht. Het is het Spaansche baylar of Portugeesche bailar, dansen (hetzelfde als het Italiaansche ballare, waarvan ons bal, ballet en ballade). Baljaren is een woord waardoor in Suriname het dansen der negers wordt aangeduid. Een baljaarpartij is een negerbal, waarop zij den dans door hun gezang en het slaan op de trom begeleiden. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. II, bl. 87. Het woord baljaren is in dat mengelmoes van talen, dat de negers in West-Indië spreken, door eenvoudige letteromzetting uit bailar ontstaan.
Uit West-Indië is dit woord met eenige wijziging zoowel in vorm als in beteekenis ook naar Nederland overgewaaid. Men schreef het hier baljaarden en hechtte er de beteekenis aan van rumoer of getier maken. Trouwens die negerdansen onderscheiden zich ook zeer door luidruchtigheid. Men vindt dit woord meermalen in „Willem Leevend”, b. v. D. IV, bl. 291: „Want die ondeugende kaerel komt altijd op het laatst aanspringen en baljaarden.” Andere plaatsen, waar de beteekenis van rumoer maken nog duidelijker is, heb ik tot mijne spijt verzuimd aan te teekenen.
Een andere afstammeling van het woord bailare is door tusschenkomst van het Fransch uit het Oosten tot ons gekomen. De Portugeezen noemden de Indische dansmeisjes in hunne taal bailadera, dat eenvoudig danseres beteekent. Hieruit is, door de lispende uitspraak der l in het Portugeesch, bayadère ontstaan, dat in de meeste talen, en ook bij ons, de bijzondere naam der Indische dansmeisjes (namelijk uit Hindostan, niet van de Javaansche, die ronggeng of talèdèk genoemd worden) gebleven is. De Engelschen noemen ze met een inlandsch woord natch of nautch. Canter Visscher, Mallabaarse brieven, bl. 73, spreekt van baljadores, klaarblijkelijk het mannelijk waaraan bailadera of baljadera als vrouwelijk beantwoordt.
Cigaar.
Cigaar is het Spaansche cigarro; het rooken van cigaren schijnt zich vanuit Spanje over Europa verspreid te hebben. In het Spaansch wordt cigarro gebruikt zoowel voor de fijne in papier of maïsblad gewikkelde tabak, die bij ons gewoonlijk cigarette heet, als voor het rolletje van tabaksbladen, dat wij cigaar noemen. Echter wordt ook in 't Spaansch voor de eerstgenoemde soort veelal het verkleinwoord cigarrita gebezigd.
De afkomst van het woord cigarro is onzeker. Gewoonlijk meent men dat het niets dan de inlandsche naam is van de tabak van Cuba (Havannah); doch anderen beweren dat cigarro afstamt van cigarra, krekel, wegens eenige overeenkomst in voorkomen, die tusschen dit diertje en een rolletje tabak zou bestaan. Deze laatste afleiding is mij echter te fantastisch; maar of werkelijk de inlandsche taal van Cuba een woord voor tabak heeft dat op cigarro gelijkt, heb ik geen middel om na te gaan.
Men begint thans bij ons sigaar te schrijven, vooral op het voorbeeld, zoo ik meen, van de „woordenlijst” der heeren de Vries en te Winkel. Ik zou echter meenen dat al de gronden die er voor zijn aan te voeren om in de woorden van vreemde afkomst, de uitgang daargelaten, de oorspronkelijke spelling te behouden, ook voor cigaar pleiten. Schrijft men sigaar, waarom dan niet ook sitroen, sider enz.? Ook zal men, sigaar aannemende, om de consequentie sigarette moeten schrijven, niettegenstaande in dit woord ook de uitgang on-nederlandsch en kennelijk aan het Fransch ontleend is.
Omberen.
De naam van dit bij ons zoo geliefde kaartspel is uit Spanje afkomstig, ofschoon het spel zelf, zooals het bij ons gespeeld wordt, door vele daarbij gebruikelijke termen (sans prendre, mariage, remise, remise royale, favorite enz.) zijne Fransche herkomst verraadt. In dit spel wordt degeen die vraagt, en dienvolgens als hoofdpersoon zijn spel tegen de beide andere spelers te verdedigen heeft, de omber genoemd, welk woord klaarblijkelijk het Spaansche el-hombre, letterlijk vertaald de man, is. In den „Diccionario de la Real Academia Española” leest men in het art. Hombre, dat el-hombre heet „el que in ciertos juegos de naypes entra la polla, para jugarla solo contra los otros”, d. i. „hij die in zekere kaartspelen den inzet doet om alleen tegen de anderen daarom te spelen”. Dit beantwoordt nu wel niet volkomen aan de rol die in ons omberspel door den omber wordt vervuld, maar toont toch klaarblijkelijk de juistheid der gissing van de heeren de Vries en Verwijs in het „Woordenboek der Ned. taal”, art. Omber: „Vermoedelijk is de naam van het spel eenvoudig ontleend aan den hoofdpersoon, dengene tegen wien de twee anderen spelen”. Maar men houde daarbij toch wel in het oog, dat „jeu de l'hombre” de Fransche, niet de Spaansche, althans niet de gewone Spaansche naam van dit spel is. In het Spaansch heet het gewoonlijk juego de espadilla (spadielje-spel), of ook wel renegado (waarschijnlijk van het renonceeren). In het Portugeesch zegt men eveneens jogo da espadilha of renegada.
De Fransche uitdrukking jeu de l'hombre heeft door misverstand aanleiding gegeven tot den nu verouderden bijvorm lomberen, evenals ons lommer naar alle waarschijnlijkheid uit l'ombre, de schaduw, ontstaan is.
Ofschoon, zooals ik reeds opmerkte, in ons omberspel vele Fransche uitdrukkingen gebruikt worden, zijn er toch nog onderscheidene andere, behalve de omber, die een Spaansche afkomst verraden. Zoo heeten de hoogste op elkander volgende troeven matadors, dewijl ze zeker zijn iedere kaart van de tegenpartij te slaan. Matador (van matar, het Latijnsche mactare) beteekent in het Spaansch doodslager, en is ook in Spanje de naam der personen, die in de stierengevechten de stieren afmaken. Schoppenaas, de hoogste kaart in het spel, heet spadielje. Dit is het Spaansche espadilla (Port. espadilha), dat degen beteekent. De plaats onzer schoppen in het kaartspel werd namelijk oudtijds door degens (espadas) ingenomen. De degens zijn met schoppen verwisseld waarschijnlijk tengevolge van de overeenkomst der namen espada, spada, spado, degen, met die van spade (Eng.), spade (Ned.), Spaten (Hgd.), die allen een schop of spade beteekenen. Klaverenaas heet basta van het Spaansche basto, knuppel, omdat oudtijds knuppels de plaats onzer klaveren innamen, die nog in het Eng. clubs heeten. Manielje (Sp. Malilla, Port. Manilha), Ponto (Sp. Punto, Port. Ponto), Kodielje (Sp. Codillo), Casco, verraden denzelfden oorsprong, ofschoon het mij niet gelukt is eene voldoende verklaring van deze namen te vinden.
Eldorado.
Eldorado is bij ons de naam van een denkbeeldig gewest, dat alle heerlijkheden in zich vereenigt, een paradijs op aarde, aan welks werkelijkheid echter niemand gelooft. Maar van de velen die het woord gebruiken, zijn weinigen met den oorsprong bekend. Het woord is Spaansch en samengesteld uit het lidwoord el, dat eigenlijk afzonderlijk behoorde geschreven te worden, en dorado, het verleden deelwoord van dorar, vergulden, met goud overtrekken. De letterlijke beteekenis van het woord geeft groote waarschijnlijkheid aan de meening van den heer P. A. Tiele (zie zijne „Ontdekkingsreizen sedert de 15de eeuw”), dat de sage van Eldorado haren oorsprong verschuldigd is aan het verhaal van een Indiaansch Vorst, die zijn lichaam met goudstof bestrooide. Van een persoon moet vervolgens de naam op een land of gewest zijn overgebracht, aanvankelijk in de Andes gezocht, en, toen dit vruchteloos bleek, meer oostelijk naar Guiana verplaatst.
Gedurende veertig jaren werden door eene reeks van grootere en kleinere Spaansche expeditiën vergeefsche pogingen aangewend om Eldorado te vinden; later namen ook Engelsche reizigers, vooral de beroemde Sir Walter Raleigh aan deze onderzoekingen deel. Ofschoon ze nooit eenig resultaat opleverden, vindt men op alle kaarten van Zuid-Amerika en Guiana, in de 17de en 18de eeuw verschenen, het meer van Parima, het middelpunt van het Goudland, soms met de goudrijke stad Manoa del Dorado er bij aangewezen. Merkwaardig is wat daarover is medegedeeld in het pas uitgegeven schoone werk van generaal P. M. Netscher, „Geschiedenis van de Koloniën Essequebo, Demerary en Berbice”. „Bij de Spanjaarden aan de Orinoco en bij de Nederlandsche kolonisten aan de Essequebo”, zoo lezen wij daar, bl. 25, „zijn de illusiën van een wondermeer waar schatten te vinden waren, nog lang blijven voortleven. Wij zullen hieronder, in den loop van ons verhaal, doen opmerken, hoe nog herhaaldelijk door onze Commandeurs aldaar enkele ondernemende personen naar de binnenlanden zijn uitgezonden, om naar goud, zilver en andere mineralen te zoeken (vooral door den Directeur-Generaal Storm van 's Gravesande tusschen 1740 en 1772); terwijl zelfs nog in 1775 uit de Orinoco eene groote Spaansche expeditie daartoe werd uitgerust, waarbij honderden het leven lieten”. Eerst door de wetenschappelijke onderzoekingen van Alexander von Humboldt en Sir Robert Schomburgk is het geloof aan de fabel van Eldorado voor goed vernietigd.
Bakkeljauw.
Dit woord ontbreekt, zeer ten onrechte, in alle Nederlandsche woordenboeken. Het is algemeen in gebruik in onze Westindische bezittingen en in alle geschriften die daarover handelen. Het voedsel der negerslaven placht er hoofdzakelijk uit bananen en bakkeljauw te bestaan. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. I, bl. 118; van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname,” bl. 202. De bakkeljauw was de opengespouwen, sterk gezouten en gedroogde kabeljauw, die op de banken van Newfoundland gevangen en in vaten van 600 à 700 pond naar Suriname gezonden werd. Kabeljauw en bakkeljauw zijn klaarblijkelijk hetzelfde woord, slechts door letteromzetting gewijzigd. Welke vorm de oorspronkelijke is, valt bezwaarlijk uit te maken. De germaansche talen hebben den vorm met ka, b. v. het Hoogduitsch Kabeljau of Kabliau, het Deensch cabliau, het Zweedsch kabeljo; ook het Fransch heeft cabéliau en het middeleeuwsch Latijn cabellauwus. Daarentegen hebben de romaansche talen den vorm met ba, zooals het Spaansch Bacallao, het Portugeesch Bacalhao, het Italiaansch Bachalaio. Men meent dat deze woorden eigenlijk uit het Baskisch stammen, en wijst er op dat de Basken het eerst de kabeljauwvisscherij op de bank van Newfoundland op groote schaal hebben gedreven. Ook labberdaan, bij ons de gewone naam van de gezouten kabeljauw, wijst naar de Basken. Zie het etymologisch woordenboek van Franck op dat woord. Er is dus wel eenige reden om de vormen met ba voor meer oorspronkelijk te houden.
Sommigen meenen dat er tusschen kabeljauw en bakkeljauw een soortverschil bestaat. Zoo zegt v. Hoëvell, t. a. p., dat de bakkeljauw, d. i. de kabeljauw die op de bank van Newfoundland gevangen wordt, een middensoort tusschen kabeljauw en schelvisch is. Ik houd die meening voor ongegrond. Natuurproducten die over eene groote oppervlakte verspreid zijn, vertoonen veelal eenige verscheidenheden, maar een onderscheid als hier tusschen de kabeljauw van Newfoundland en die der Noordzee wordt aangenomen, is, voorzoover ik weet, aan de beoefenaars der natuurlijke historie onbekend.
Doch al bestaat dit soortverschil niet, toch zijn kabeljauw en bakkeljauw geene synoniemen. De noordelijke volken gebruiken kabeljauw voor de levende en versche visch, en hebben voor de verschillende bereidingen die deze ondergaat, om voor verzending en bewaring geschikt te worden, verschillende benamingen, zooals stokvisch voor de gedroogde, labberdaan voor de gezouten, klipvisch voor de tevens gezouten en gedroogde kabeljauw. De zuidelijke volken, die de versche kabeljauw niet veel te zien krijgen, gebruiken hun bakkeljauw vooral van de visch, die op verschillende wijzen is verduurzaamd. Wel verklaart het woordenboek der Spaansche Akademie bacallao door abadejo, dat in het algemeen de kabeljauw aanduidt, maar het Portugeesch woordenboek van Moraes Silva omschrijft bacalhao uitdrukkelijk door „o badejo escalado e curado ao sol, ou embarricado em salmadeira”, d. i. de kabeljauw opengespouwen en in de zon gedroogd of in de pekel gelegd. Dit beantwoordt volkomen aan de beteekenis aan ons bakkeljauw toegekend. Bakkeljauw is dus de Westindische naam van stokvisch of zoutevisch, dien wij daar, gelijk zoovele andere woorden, van de Spanjaarden of Portugeezen hebben overgenomen, ofschoon wij daarin slechts een zeer oud en bekend woord in anderen vorm en met speciale beteekenis hebben terug ontvangen.
Schorseneeren.
Is ook dit woord van vreemden oorsprong? Ongetwijfeld, zooals men reeds kan opmaken uit de onzekerheid van vorm en spelling. In de schrijftaal gebruikt men nevens schorseneer ook schorseneel, tengevolge van de gewone verwisseling der liquidae; maar in de volkstaal komen erger verbasteringen voor, waaronder schotsche nero's zeker wel de grappigste is. Ik herinner mij zeer goed, dat ik reeds als kind dacht, dat schorseneer eigenlijk écorce noire beteekende, en ik ben in die meening gebleven tot ik later mij overtuigde dat die uitdrukking in het Fransch onbekend is, en de schorseneer in die taal in het dagelijksch leven salsifis, maar meer wetenschappelijk scorsonère heet. Nu, dat dit laatste geene oorspronkelijk Fransche benaming is, maar uit eene vreemde taal afkomstig moet zijn, was gemakkelijk in te zien. Van Dale hielp mij nu aan eene vroeger reeds half vermoede verklaring, waaraan ik langen tijd niet twijfelde. Schorseneer zou het Italiaansche scorza nera zijn, dat evenals écorce noire, zwarte schors beteekent, en den Hollandschen vorm nog gemakkelijker schijnt te verklaren. Van Dale's meening werd ook bevestigd door het gezag van Littré (in v. Scorsonère), en door de vergelijking van het Duitsche Schwarz-wurzel.
Intusschen hadden die schrijvers een kleinigheid, maar een belangrijke kleinigheid, over het hoofd gezien, of althans niet genoegzaam in aanmerking genomen. Heet de schorseneer in het Italiaansch wel scorzanera? De vorm is inderdaad eenigszins anders; hij luidt scorzonera, en geen taalkundige zal zeker in staat zijn uit de samenstelling van scorza en nera, wanneer die als substantief en adjectief worden bijeengevoegd, scorzonera te verkrijgen. Reeds het Fransche scorsonère had Littré moeten waarschuwen.
Voorgelicht door deze eerste moeilijkheid, ontdekt men weldra nieuwe bezwaren. Is zwarte schors voor de schorseneeren wel een goede naam? Zij hebben een zwarte schors, ja! maar niet aan het zichtbaar deel der plant, maar alleen als bekleedsel van den als spijs gebruikten vleezigen penwortel. Schwarz-wurzel is daarom een goede naam, maar zwarte schors zou vreemd gekozen zijn voor een plant, waarvan slechts de wortel een zwarte schors heeft.
Is de naam Italiaansch, dan dient de plant ook wel uit Italië afkomstig of van Italië uit over Europa verspreid te zijn. Maar is dat werkelijk het geval? De botanische naam is Scorzonera Hispanica, en ofschoon die naam niet als een afdoend bewijs kan gelden, dat de plant niet vroeger in Italië dan in Spanje is bekend geweest, is hij toch voldoende om bij het zoeken van het land van herkomst onze aandacht vooral bij Spanje te bepalen.
In het Italiaansch-Fransche woordenboek van den abt de Villanova wordt Scorzonera aldus verklaard: „Sorta da pianta, venuta dall' Indie in Europa, e che prende tal nome, per preservar essa dai morsi dello scorzone”, d. i. „eene soort van plant, uit Indië naar Europa overgebracht, en die dezen naam draagt, omdat zij beveiligt tegen de beten van de scorzone”. Scorzone wordt in hetzelfde woordenboek verklaard door „Specie di serpe velenosissima di color nero”, d. i. eene soort van zwartkleurige, zeer vergiftige slang (adder).
Deze verklaring wordt opgehelderd door de volgende bijzonderheden, medegedeeld in Lindley en Moore, „Treasury of Botany” in v. Scorzonera: „Scorzonera Hispanica is a native of Spain; but is cultivated in this country [Engeland], and the root is sold in the markets as Scorzonera, a name derived from escorza, the Spanish name of a serpent, in allusion to its cooling antifebrile effects, it having formerly been employed in Spain on account of these properties for the cure of serpent-bites. It has also sometimes been called viper's grass”.
De afleiding van Scorzone met den uitgang era, is zeker te verkiezen boven die van Scorza nera; maar wanneer Spanje terecht als het vaderland der plant beschouwd wordt, zal men als grondwoord niet escorza (welks bestaan ik betwijfel), maar escorzon, dat in het Spaansch aan scorzone schijnt te beantwoorden, behooren aan te nemen. De voorslag e voor sc is in het Spaansch volkomen regelmatig, en doet niets ter zake. Ook de plant wordt in het Spaansch escorzonéra genoemd.
Hidalgo.
Dit vaak gebruikte, ook door van Dale opgenomen, Spaansche woord, beteekent een gentleman, een man van goede familie, schoon juist niet van den hoogsten adel. De oorsprong van het woord blijkt uit den niet geheel ongebruikelijken volledigen vorm, Hijodalgo, waarvan het vrouwelijk, ten blijke dat het een samengesteld woord is, Hijadalgo luidt, terwijl daarentegen de samengetrokken vorm, als ware hij een enkelvoudig woord, in het vrouwelijk Hidalga heeft. Hijodalgo is samengesteld uit hijo, zoon, de partikel de, van, en algo, iets, eenig vermogen. Men zou dus hidalgo kunnen vertalen door „een zoon van goeden huize”.
Hijo is = fijo, het Latijnsche filius (Gr. huios), door de gewone verwisseling van F en H. Vandaar heeft het Portugeesch fidalgo voor hidalgo, evenals fazenda voor hacienda enz.