Title: Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Author: Pieter Johannes Veth
Release date: June 11, 2014 [eBook #45943]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net (This book was produced from scanned
images of public domain material from the Google Print
project.)
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het behandelde woord.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne oranje stippellijn,
waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie) zijn behouden,
alsmede de diverse schrijfwijzen van geciteerde werken.
Errata zijn in de tekst gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne grijze stippellijn.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
Uit Oost en West.
VERKLARING VAN EENIGE UITHEEMSCHE WOORDEN,
DOOR
Dr. P. J. Veth,
Oud-Hoogleeraar.
Arnhem.—P. GOUDA QUINT.—1889.
Toen ik in 1864 als hoogleeraar aan de Rijksinstelling voor opleiding van Indische ambtenaren naar Leiden kwam, bestond daar eene, sedert, helaas maar al te zeer verflauwde geestdrift voor het woordenboek der Nederlandsche taal, waarvan de Heeren De Vries en Te Winkel destijds de eerste afleveringen in het licht gaven.
Voor de verklaring der uit vreemde talen overgenomen woorden werd de hulp gevraagd, en met ingenomenheid verleend, van Professor R. Dozy, die in zijne in 1867 uitgegeven „Oosterlingen” eene verklarende lijst gaf van de woorden, die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch in de Nederlandsche taal zijn overgenomen.
Maar hiermede was nog niet alles verricht. Ook andere talen, zooals het Maleisch, Javaansch, Malabaarsch, Chineesch enz. hadden tot de vorming onzer taal bijgedragen.
In mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” van 1867 No. 3, gaf ik over die Oostersche woorden eenige algemeene beschouwingen, die ik met eenige meer bekende voorbeelden toelichtte; en toen ik bespeurde, dat ook deze zwakke poging om tot de origines der Nederlandsche taal door te dringen, algemeene bijval vond, besloot ik eene verzameling van zoodanige woorden aan te leggen, waarin ik gedurende ruim een twintigtal jaren opteekende, de merkwaardigste door Dozy niet behandelde, bij Nederlandsche schrijvers voorkomende woorden van vreemde afkomst; inzonderheid de zoodanige, die wij aan ons handelsverkeer in vreemde werelddeelen en onze koloniën verschuldigd zijn, en daaronder vooral ook de woorden, die wij op dezelfde wijze hadden verkregen, maar die in de landen, welke voor ons de landen van herkomst waren, reeds vóór ons door de Portugeezen, Spanjaarden en Arabieren waren ingevoerd.
Aan scherpe grenslijnen was hier natuurlijk niet te denken, daar telkens en in alle richtingen zich woorden uit de eene taal naar de andere verbreiden. Ook was het zeker niet vreemd, dat, toen eenmaal eene menigte Spaansche en Portugeesche woorden uit de koloniën afkomstig, waren opgenomen, ook aan andere, waarmede dit niet het geval was, eene plaats werd gegeven.
Nu en dan werd ook wel eens een uit andere talen afkomstig woord behandeld, wanneer ik meende daarover eenig nieuw licht te kunnen verspreiden. Het merkwaardigste voorbeeld van dien aard, is zeker wel het woord tor, dat, daar het van echt Germaansche afkomst is, eigenlijk hier geene plaats had mogen innemen.
In den aanvang van het jaar 1888 werd deze verzameling—naar aanleiding van een gesprek over het woord fiche,—toevallig bekend aan den Heer G. Keller, redacteur der Arnhemsche Courant, die na inzage terstond toonde veel lust te hebben van tijd tot tijd eenige van mijne woordverklaringen, ten einde aan zijne lezers eenige verscheidenheid van lectuur te verschaffen, in zijn dagblad op te nemen. Daar ik vroeger meermalen was aangezocht om de proeven van dit werk, die ik reeds hier en daar had geleverd, te vermenigvuldigen, besloot ik den geheelen voorhanden voorraad tot zijne beschikking te stellen. Enkele woorden werden als minder geschikt uitgeworpen, vele andere werden bij de omwerking, die nu de verzameling onderging, van tijd tot tijd toegevoegd of breeder toegelicht.
Om den weg voor gedurige bijvoeging zoolang mogelijk vrij te laten, besloot ik mij van alle systematische rangschikking te onthouden. Deze toch zou alleen mogelijk geweest zijn, indien het werk in eens als een afgerond geheel aan de pers ware geleverd, maar kon niet in aanmerking komen, nu ik de gelegenheid wilde openhouden om nieuwe woorden bij te voegen, wanneer mij zoodanige in den loop van het afdrukken mochten voorkomen.
Daar mijn arbeid thans op verzoek van den tegenwoordigen uitgever, waaraan ik gaarne gevolg gegeven heb, als afzonderlijke uitgave het licht ziet, zijn de woorden echter gemakkelijk te vinden door middel van het alphabetisch register, dat ik aan het einde wensch te plaatsen. Dit register bevat niet enkel de in afzonderlijke artikelen behandelde woorden, maar ook de voornaamste dergenen, waarover iets in het voorbijgaan gezegd is.
Arnhem, Februari 1889.
P. J. VETH.
De bijzondere richting mijner studiën heeft mij dikwijls genoopt te snuffelen in weinig bekende boeken en handschriften en onze reizigers in gedachten over den Oceaan te volgen tot in de afgelegenste gewesten van den aardbodem. Niet zelden is het mij daarbij gebeurd te ontdekken, dat zij uit die gewesten woorden hadden medegebracht, die in onze volkstaal, dikwijls zelfs in onze schrijftaal, waren ingeslopen. Die woorden waren dan niet zelden in onze woordenboeken geheel verkeerd verklaard, terwijl van andere nooit eene verklaring beproefd of althans gevonden was. De woorden die ik bedoel zijn nu eens uit Amerika, dan eens uit Afrika, dan weder uit Azië, en voornamelijk, zooals te verwachten was, uit den Indischen Archipel afkomstig. Zij behooren evenwel lang niet altijd tot de eigen talen van die gewesten, maar zijn dikwijls daar ingevoerd door onze Arabische, Portugeesche en Spaansche voorgangers, en werden dus in de gewesten die onze reizigers bezochten, opgevangen uit den mond der kolonisten, of waren reeds sedert lang van dezen tot de inboorlingen overgebracht, zoodat zij deel van hunne taal schenen uit te maken. Zoo zijn er b. v. onderscheidene Arabische en Perzische woorden, ook nu nog bij ons in gebruik, die niet rechtstreeks uit West-Azië tot ons kwamen, maar die door den trechter van het Maleisch of Javaansch in onze taal werden overgegoten. Prof. Dozy, die voor eenige jaren in zijne „Oosterlingen” eene vrij volledige lijst en eene zeer scherpzinnige verklaring heeft gegeven van de woorden die in onze taal uit het Arabisch, Perzisch en Turksch stammen, heeft echter de woorden van de hier bedoelde soort overgeslagen, dewijl ze naar zijne meening meer behoorden in eene (ons nog steeds ontbrekende) lijst der woorden uit Insulinde afkomstig.
De woorden, die in mijne aanteekeningen een plaats hebben gevonden, kunnen moeilijk tot bepaalde klassen worden gebracht. Het is een allerlei, dat door geen anderen band wordt samengehouden, dan dat het vreemdelingen zijn in onze taal, die daarin als gasten zijn opgenomen. Er zijn er misschien zelfs enkele onder, die ofschoon in een vreemd gewaad tot ons gekomen, echter van onze taal niet zoo ver afstaan als men hun zou aanzien. Dit schijnt onder andere het geval te zijn met het woord Fiche, dat ik reeds eenigen tijd geleden bij wijze van proeve in de Arnhemsche Courant behandeld heb. Men houdt (zie van Dale, wiens verklaring nog onlangs door prof. Beets werd overgenomen) dit woord voor het Spaansche fichas, rekenpenningen. Ik meen te hebben aangetoond dat fichas in die taal volstrekt niet rekenpenningen in het algemeen beteekent, maar juist die bepaalde soort van rekenpenningen, die wij in het kaartspel gebruiken en, den in het Fransch gebruikelijken vorm aannemende, fiches noemen. Onze landgenooten hebben altijd het zwak gehad om alle vreemde woorden voor Fransch te houden en op Fransche wijze uit te spreken. Zij hebben soms zelfs aan zuiver Nederlandsche woorden een Franschen vorm en Fransche schrijfwijze gegeven, en getracht ze als vreemdelingen voor te stellen. Zoo ontstond o. a. het belachelijke, en in het Fransch, waar de stof nacre heet, geheel onbekende perle d'amour, waarin de Nederlander die de betrekking kent tusschen de parelschelp en de parel, onmogelijk het echt Nederlandsche parelmoeder, bij samentrekking parelmoer (Duitsch Perlmutter, Engelsch Mother of Pearl), kan miskennen. Op soortgelijke wijze meende nu ook onze van Lennep in fiche het Hollandsche vischje weder te vinden, en volkomen terecht herinnerde hij zich daarbij dat in de Japansche fichesdoozen, die men nog zeer dikwijls zag in mijne jeugd, maar die thans vrij zeldzaam zijn geworden, de speelmarkjes, van parelmoer vervaardigd, inderdaad den vorm van vischjes hadden. Toch houd ik ook die verklaring niet voor volkomen juist; 't is haast niet denkbaar dat een Hollander vischje als fiche zou gaan uitspreken. Ik vermoed dat die speelmarken, die vooral bij het whistspel gebruikelijk zijn, met dit spel uit Engeland tot ons zijn gekomen, want nog worden ze in Engeland fishes genoemd, en dat dit woord later voor Fransch gehouden en als fiches uitgesproken werd, is zeer natuurlijk. De juistheid dezer verklaring heb ik eenigermate door het woordenboek der Spaansche Academie, maar vooral door het Portugeesche van Moraes Silva (in v. fixa) bevestigd gevonden.
Lang heb ik het voornemen gekoesterd, zoo niet alles wat ik verzameld heb, dan toch het belangrijkste daarvan, in het licht te geven, en terwijl ik daartoe thans overga, vlei ik mij dat de lectuur niet al te dor of vervelend zal gevonden worden. De woorden hebben soms wonderlijke en verrassende lotgevallen, waarin zelfs een komisch element niet altijd ontbreekt.
Ik begin met een drietal woorden, die men den vreemden oorsprong niet zoo dadelijk kan aanzien, en die daardoor tot verkeerde opvattingen aanleiding hebben gegeven, de woorden negerij, oorlam en kwispedoor, waarvan wij de beide eerste aan het Maleisch, het derde aan de Portugeezen in Indië verschuldigd zijn. Voor het overige zal ik mij aan geene bepaalde orde binden, maar aan het varietas delectat gedachtig zijn.
Omtrent dit woord heerschen zonderlinge dwalingen, die onmiddellijk worden ingezien, als men den waren oorsprong heeft erkend. Op den klank af brengt men het doorgaans in verband met neger (van niger, zwart), zooals wij de zwarte Afrikanen noemen. Zoo lezen wij bij Weiland in het art. neger: „van hier negerij, een aantal hutten, als een dorp bij elkander gezet, waarin negers wonen, b. v.: die landwaarts in hunne negerijen of dorpen hebben. Bogaert.” Hier is echter de beteekenis dorp niet geheel miskend; maar veel erger maakt het van Dale, „Nieuw Ned. Woordenboek”, die eerst, op negerij, dit gelijk stelt met negerhuis, maar tegelijk naar den tweeden vorm negorij verwijst, waarvan hij zegt: „Negorij, negerij (oudtijds), plaats, waar negers verkocht worden.” In deze weinige woorden zijn drie kapitale fouten bevat: want kennelijk wordt het woord met neger in verband gebracht, de beteekenis is geheel verkeerd opgegeven, en het wordt zeer ten onrechte als verouderd vermeld. Het woord is nooit menigvuldiger gebruikt geworden dan in de laatste jaren, nu zooveel over onze Oostindische bezittingen geschreven wordt. Doch die soort van boeken schijnen onze taal- en letterkundigen zelden in te zien. In het Nederlandsch-Fransch Woordenboek van prof. Heremans, doorgaans met zooveel zorg bewerkt, lees ik ook al: „Negorij, village habité par des nègres”, en in het Nederlandsch-Hoogduitsch Woordenboek van dr. Sicherer vind ik zelfs aan negorij twee beteekenissen toegekend: 1o. Negerdorp, negerkraal, 2o. Negermarkt, plaats waar negers als slaven verkocht worden. Klaarblijkelijk heeft hij de verklaringen van Weiland en van Dale gecombineerd.
Voor hen, die met de talen onzer Oostindische bezittingen in het geheel niet bekend zijn, moet men erkennen dat de uiteenloopende vormen, waarin dit woord voorkomt, en het verloop zijner beteekenis iets verwarrends en misleidends hebben. Zoo schrijft b. v. de heer Verkerk Pistorius in zijne „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bestendig negari, waarin men niet zoo dadelijk hetzelfde woord herkent. Ook moet men, om het gebruik van het woord goed te begrijpen, met de filiatie der beteekenissen goed bekend zijn. Ik zal daarover zoo kort mogelijk het noodzakelijkste zeggen.
Het woord is eigenlijk het Sanskrietsche nagara of, in vrouwelijken vorm, negari. Van deze beide vormen is de eerste in laag-, de tweede in hoog-Javaansch gebruikelijk. Ook de Maleische vormen verschillen hiervan niet veel; in het laag-Maleisch spreekt men doorgaans negeri of negri uit.
Aan dit laatste is de Nederlandsche vorm negerij of beter negerie ontleend. Hoe men aan negorij is gekomen kan ik niet zeggen; misschien vond men het welluidender.
De beteekenis van het woord is eigenlijk: de plaats waar een vorst zich met zijn volk gevestigd heeft. Soms wordt er het geheele vorstendom, land of rijk, soms alleen het binnenste hoofddistrict door den vorst in persoon bestuurd, soms ook alleen zijn hoofdstad of residentie door bedoeld; maar ook de zetel der vazallen of regenten kan zoo genoemd worden. Deze beteekenissen vindt men in het Javaansch. In het Maleisch is de beteekenis nog verder verloopen en duidt het woord, althans in den vorm negri, iedere stad of aanzienlijk dorp, iedere verzameling van één gemeente vormende kampongs of buurten aan.
In het Nederlandsch schijnt mij de vorm negerie de verkieslijkste, omdat die het meest overeenkomt met den gewonen Maleischen vorm, waaraan wij het woord ontleend hebben. Negerie heeft overigens, ofschoon verreweg het meest gebruikt waar wij van onze Oostindische bezittingen spreken, bij ons de meer algemeene beteekenis gekregen van een stad of dorp bij onbeschaafde of half-beschaafde volken, zooals uit het door Weiland aangehaalde voorbeeld blijkt.
Dit woord beteekent volgens van Dale: 1o. een ervaren zeeman, 2o. een rantsoen jenever aan boord der schepen, en in het algemeen een borrel of slok. De eerste beteekenis zou volgens hem rechtstreeks ontleend zijn aan het Maleische orang lama, dat een ervaren, handig, bekwaam man zou beteekenen. Dit laatste is zeker volkomen onjuist. Lama beteekent in het Maleisch lengte of duur van tijd, en, als adjectief, oud, uit den ouden tijd. Orang lama is in goed Maleisch een mensch van den ouden tijd, maar in laag Maleisch, als verkorte spreekwijze voor orang lama datang, een mensch die lang geleden gekomen is, een oudgast, in tegenstelling met een orang baroe datang of orang baroe, een pas aangekomene, een baar (van baroe, nieuw, afkomstig), een nieuweling.
Het woord Oorlam schijnt vooral aan de Kaap de Goede Hoop in gebruik te zijn geweest. In Deel VII van de „Historische beschrijving der reizen”, bl. 231, lezen wij daaromtrent het volgende: „De Europeesche inwoners van de Kaap zijn gewoon alle aankomende Europeanen door twee bijzondere Maleische woorden te onderscheiden. Die regelrecht uit Holland komen, doopen ze met den naam van Baar, komende van Oram bari” [moet zijn Orang baroe] „en die uit Indië wederkeert met den naam van Orlam. Den orlammen-tijd” [hierdoor wordt de tijd verstaan, waarop de retourschepen op de terugreis naar het vaderland de Kaap aandeden] „houdt men daar voor een kermis, waarop schippers, boekhouders en matrozen zich van voorraad ontdoen, dien zij duchten dat in Holland niet door den beugel zal kunnen” [als op oneerlijke wijze, b. v. door morshandel, verkregen]. Een weinig verder wordt gezegd, dat „de matroos, hier in een luilekkerland vallende, de schoonste gelegenheid had om al het opgespaarde te verteren en door den lekkeren Kaapschen wijn op hol te raken.”
Men ziet hieruit dat de oorlammen veelal echte liefhebbers van de flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal voor de dronkenschap en hare oorzaak, den jeneverborrel, heeft uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in oorlam de beteekenis van borrelaar in die van borrel is overgegaan.
Die nieuwe beteekenis is hoofdzakelijk in gebruik aan boord der schepen, en vooral voor het rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen wordt uitgereikt. „Wanneer het wasschen is afgeloopen”, zegt Olivier, „Land- en Zeetochten in Indië”, D. III, bl. 332: „is de naastvolgende roep van des bootmans fluitje de ware blijde boodschap. Tot driemaal, met eenige niet onaardige roulades, bijna gelijk het gezang van een kanarievogel, klinkt de nu dubbel welkome scheepsmuziek den zonen van Neptunus in de ooren. Het is „oorlam.””
Aan de Kaap heeft oorlam ook de beteekenis gekregen van een man van ervaring en scherpzinnigheid. Deze hangt onmiddellijk samen met die van oudgast. Terwijl de baren, nog geheel vreemd aan de zeden en gebruiken van het Oosten, dikwijls werden bespot en als erg onnoozel uitgekreten, was de oorlam of oudgast in dat alles volkomen te huis, en daardoor ver boven den nieuweling verheven. De Namaqua's, een Hottentotsche stam, noemen zich gaarne oerlams, omdat zij eene uitstekende meening van hunne eigen schranderheid hebben. Vandaar dat men soms onder de volksstammen van Zuid-Afrika ook de Orlams of Oerlams vermeld vindt.
Die Namaqua's onderscheiden zich echter inderdaad door domheid en onkunde. Hierop slaat het volgende verhaal bij Schüssler, Zuid-Afrika, bl. 77: „Aron vertelde ons, zeer ondeugend, dat, daar de Namaqua's veel van „soopie” houden, het woord oorlam, hetwelk zij door hunne domheid niet eens goed konden uitspreken, het eenige woord was, dat ze van een gedeserteerd zeevarende hadden geleerd en onthouden, en door beduiding met de hand ook verstaan en begrepen; want, zeide hij, als zij het uitspreken, keeren zij tegelijk het plat van de hand naar den mond—wat werkelijk het geval is—en denken daarbij: veel „soopies” of „oorlams” maken domme menschen slim—oorlamsch.”
Er is dus wel iets waars in de meening van van Dale, dat oorlam ook een ervaren, handig man kan aanduiden, maar die beteekenis is uit de oorspronkelijke van oudgast afgeleid en volstrekt niet de meest gewone.
Van dit woord heeft niemand ooit eene verklaring uit het Germaansch kunnen geven, ook niet in den vorm kwispeldoor, waardoor men het ons meer naar den mond heeft gemaakt; want wat toch zou kwispelen, een onbetwist Hollandsch woord, met een spuwbekken te maken hebben?
De ware verklaring van het woord gaf prof. de Vries in den Taalgids; het is hem evenwel daarbij ontgaan, dat hij dezelfde verklaring van mij in eene vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde gehoord had. Ik had intusschen die verklaring ook reeds vóór hem gepubliceerd, namelijk in het Tijdschrift voor Ned.-Indië, Jaarg. 1867, D. I, bl. 296. Wat ik daar schreef zal ik hier eerst letterlijk herhalen, om er daarna nog eenige opmerkingen aan toe te voegen.
„Gemeenlijk neemt men aan, dat dit woord bij ons van Spaanschen oorsprong is en verbasterd uit escupedor of escupidero, en dat het in onze taal is ingedrongen in het tijdvak der Spaansche heerschappij. Daarentegen houd ik mij verzekerd, dat het woord Portugeesch is, dat wij het in Indië van de Portugeezen geleerd hebben en dat het uit Indië naar Europa is overgebracht. Ziehier mijne gronden. Baldaeus spreekt in zijne „Beschrijvinge van Malabar en Choromandel”, bl. 160, van een Naïk, die cuspidoordrager was in het rijk van Carnatica, en van een tweeden, dien hij 's Konings betelgever noemt. De beteldoos en het spuwbekken zijn inderdaad van elkander onafscheidelijk. Bij het woord cuspidoordrager teekent Baldaeus op den kant aan: „Cuspidoor is een spuwbekken of -pot.” Nu heet werkelijk in het Portugeesch een spuwbekken cuspideira of cuspidòr, van het werkwoord cuspir of cospir, het Latijnsche conspuere. De vorm cuspideira is de beste en meest gebruikelijke; cuspidòr beteekent, volgens het Portugeesch woordenboek van Moraes Silva, eigenlijk Pessoa que cospe muito (een persoon die veel spuwt); maar hij kent het toch ook in de beteekenis van vaso de cuspir, d. i. een spuwbekken, en hij haalt daarvoor eene plaats aan uit Castanheda's „Historia da India” I, f. 39: „hum cuspidòr de oiro” (oiro = ouro), d. i. een gouden spuwbekken.
„Hieruit trek ik de volgende besluiten: 1o. het spuwbekken dat de Indische vorsten bij het betelkauwen gebruiken, noemden de Portugeezen cuspidòr; 2o. dit woord hebben wij in Indië van hen overgenomen, maar tot kwispedoor verbasterd; 3o. dit woord is uit Indië naar het moederland overgebracht. De afleiding uit het Spaansch verwerp ik: 1o. omdat Baldaeus, in 1669–1671, in welke jaren hij zijn werk te boek stelde, nog noodig had cuspidoor voor zijne lezers te verklaren, wat wel het geval niet zou geweest zijn, indien dit woord reeds in de Spaansche tijden in onze taal was gekomen; 2o. omdat kwispedoor met het Portugeesche cuspidòr nog meer overeenkomt dan met het Spaansche escupedor.”
Tot dusverre mijne vroegere verklaring. Ik voeg er nu nog de vrij afdoende opmerking bij, dat wij, zooals later blijken zal, in Indië de namen van een aantal zaken van onze Portugeesche voorgangers hebben geleerd en ons toegeëigend, maar dat wij in onze taal geen enkel woord hebben, dat onze voorouders vóór of gedurende onzen vrijheidsoorlog van de gehate Spanjaarden hebben overgenomen. In het geheel is onze taal aan het Spaansch al zeer weinig verschuldigd, doch daarop kom ik later wel eens terug.
Toen ik bovenstaande verklaring van het woord kwispedoor publiceerde, maakte ik aan het slot de opmerking dat cuspidòr misschien alleen op het vasteland van Indië en niet op de eilanden in gebruik was geweest. Doch dit is stellig verkeerd. Forrest, in zijn „Voyage to New-Guinea”, p. 135, gebruikt het woord ook, waar hij spreekt van Mindanao, en wel als inlandsch woord, waarvan hij eene verklaring noodig acht. Hij schrijft het woord, op het gehoor af, cuspadore, en zegt in eene noot: „an utensil well known to those who smoak tobacco and chew betel.” De Fransche vertaling van Forrest, die veel meer verspreid is dan het oorspronkelijke, heeft bl. 265 voor cuspadore eenvoudig crachoir, en laat de noot weg,—wel een waarschuwing, dat, wie gelegenheid heeft het oorspronkelijk in te zien, zich nooit met de raadpleging eener vertaling moet vergenoegen.
De plaats van Forrest bevestigt alleszins, dat cuspidòr een Indisch-Portugeesch woord is; het verdient echter opmerking, dat het nooit vermeld wordt onder de vele Portugeesche woorden die in de inlandsche talen van de Molukken, de Minahassa enz. zijn opgenomen.
Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726 verschenen „Beschrijving van Groot-Java” (Oud- en Nieuw Oost-Indië, IV. 1), schrijft op bl. 61, dat een der grooten van den Vorst van Mataram hem een cuspidoor of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons, dat cuspidòr op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend was; merkwaardig is het bovendien, dat ook hij het woord nog in den Portugeeschen vorm geeft en van eene verklaring doet vergezeld gaan. Dit bewijst wel, dat zoowel het algemeen gebruik van het woord als zijn verhollandschte vorm kwispedoor, van recenten oorsprong zijn.
Adat stamt van den Arabischen wortel ʾâda, die terugkeeren, herhalen beteekent, en duidt aan het gedurig terugkeerende, de gewoonte, het gebruik. In de rechtstaal van den Islam (dus bij Arabieren, Perzen, Turken enz.) wordt het woord gebruikt om het gewoonterecht, le droit coutumier, aan te duiden, in tegenstelling van het bij de wet geregelde en beschreven recht. „Het Mohammedaansche recht”, zegt mr. L. W. C. van den Berg, in zijne Beginselen van het Mohammedaansche Recht, „heeft twee hoofdbronnen, de wet (sjar') en de gewoonte, ʾâdat of ʾorf. Deze laatste mag alleen worden gevolgd, wanneer de wet zwijgt, of er uitdrukkelijk naar verwijst.”
In die Mohammedaansche landen, die eerst laat voor den Islam gewonnen zijn, toen het machtig Rijk der Khalifen lang was uiteengespat, en waar dus geen krachtig centraal gezag de inrichting der maatschappij in alle opzichten onder de heerschappij der wet kon brengen, werd aan het bestaande gewoonterecht zeer veel grooter plaats gelaten, dan er naar de beginselen van den Islam aan toekomt. Dit is inzonderheid ook het geval in den Indischen Archipel. Het staatsrecht, het strafrecht, de meeste rechtsbetrekkingen der individuen onderling, worden er door de âdat beheerscht, ja er zijn zelfs streken waar ook het personen- en erfrecht zich niet geheel aan de voorschriften van den Islam hebben onderworpen. Wel staat er overal tegenover de adat het goddelijke, op den Koran en de Sonnah rustende recht, gemeenlijk door de woorden sarat of sarengat (Arab. sjar' of sjaríʾah) aangeduid; wel moet, volgens de inlandsche begrippen, de adat steeds aan de sarat ondergeschikt blijven; maar dat overwicht der sarat bestaat meestal alleen in theorie. Nooit is door eenig openbaar gezag de grens tusschen het gebied van sarat en adat met juistheid aangewezen, en het inlandsch recht verkeert dienvolgens in Ned.-Indië in een staat van onzekerheid, die tot gedurig geharrewar aanleiding geeft. Doch over de rechtstoestanden in Ned.-Indië is het hier de plaats niet te spreken.
Bestaat er geen vaste grens tusschen de zaken waarin de sarat, en die waarin de adat beslist, even weinig bestaat er een vaste grens tusschen hetgeen al of niet tot de adat behoort. Het is er verre van af, dat, wat als adat geëerbiedigd wordt, steeds tot vroegere geslachten zou opklimmen; nieuwe instellingen worden dikwijls reeds na weinige jaren met het gezag der adat bekleed of, om juister te spreken, door de Europeesche gezaghebbers den inlander als adat opgedrongen. Zoo zegt de heer Gevers Deynoot in zijne „Herinneringen eener reis naar Nederl.-Indië”, bl. 78: „De Javaan is gesteld op oude gebruiken, maar men bestempelt dikwijls veel met den naam van adat, waarvan de inlander gaarne bevrijd zou zijn”, en de heer J. C. Baud, bij van Deventer, „Bijdragen tot de kennis van het landelijk stelsel”, II, bl. 190: „De Javaan is een slaaf der gewoonte (adat), maar voor hem is nu adat geworden, wat sedert 16 jaren bestaan heeft, terwijl hetgeen vroeger bestond, nu heeft opgehouden adat te zijn.”
Sommigen schrijven dit woord hadat, b. v. de heer Verkerk Pistorius, „Studien over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 87: „Hadat is de algemeene naam voor wetten, zeden, instellingen, gewoonten, gebruiken en inzettingen”. Deze schrijfwijze is te verklaren uit den aard der eerste letter van het Arabische woord, die door de inlanders evenmin als door de Europeanen kan uitgesproken of met juistheid in het schrift wedergegeven worden. Onlangs in de Arnhemsche Courant de door prof. Dozy in zijne „Oosterlingen” en elders gegeven verklaring van het woord averij tegen eene nieuwe, weinig aannemelijke verklaring handhavende, merkte ik op, dat ook in dat uit het Arabisch stammende woord, en juist om dezelfde reden, wel eens haverij wordt geschreven. Echter verdient mijns inziens adat, als meer met de gewone Mal.-Javaansche uitspraak overeenkomend, de voorkeur.
Op Celebes heeft het woord adat (in het Makassaarsch en Boegineesch ada uitgesproken) nog eene gewijzigde beteekenis gekregen. Het wordt er ook gebezigd van hen die gesteld zijn om de adats des lands te handhaven, alzoo de Rijksgrooten, de Raadsheeren, coll. de Rijksraad. Zie Matthes, „Makassaarsch Wdbk.”, bl. 650. Het is zeker niet meer dan toeval dat juist in deze beteekenis door de Europeanen zoo dikwijls de vorm hadat gebezigd wordt, en men zoo vaak van de hadat van Boni, de hadat van Gowa enz. leest. Men heeft waarschijnlijk daarin het voorbeeld van den een of anderen schrijver gevolgd, die met den heer V. Pistorius den vorm hadat verkoos. Men zou dwalen indien men meende, hier met een ander woord dan het gewone adat, of met eene uitspraak met scherper aspiratie op Celebes te doen te hebben.
In de tot dusverre gegeven voorbeelden is het woord adat steeds van Ned.-Indische toestanden gebruikt, en bleef het daartoe bepaald, dan zou het, hoe gemeenzaam het ons ook geworden is, nog geen aanspraak maken om als genaturaliseerd in onze taal te worden beschouwd; maar het heeft meer recht dan dessa, en minstens evenveel recht als prauw, om in een Nederlandsch woordenboek te worden opgenomen. Van Limburg Brouwer, „Akbar”, bl. 108, gebruikt het met betrekking tot Hindostan, waar hij van verkorting van de rechten der gemeenten tegen de adat gewaagt. Maar vindt men dit voorbeeld nog niet sterk genoeg, zeker zal men overtuigd worden, als men in populaire geschriften plaatsen als de volgende aantreft: „Eene vrouw mag niet kiezen, en zelfs geen man; dit verbiedt nu niet de kieswet, maar de maatschappelijke usance, de adat.” (Uilenspiegel van 18 Jan. 1872). Het Nederlandsch Woordenboek van van Dale, dat zoowel dessa als prauw heeft opgenomen, zal dus in een volgende uitgave voor adat een plaatsje behooren in te ruimen.
Het is niet geheel overbodig te vragen, welk geslacht aan het woord adat moet worden toegekend. De talen van Insulinde, die geen grammaticaal geslacht kennen, laten dit onbeslist. Maar sommige Nederlandsche schrijvers gebruiken het woord als mannelijk, b. v. „spoorwegen in de Oost—is er wel iets dat meer strijdt tegen den adat?” (Uilenspiegel van 14 Oct. 1871). Maar dat is stellig eene fout. In het Arabisch is het woord vrouwelijk en wordt door den uitgang als zoodanig gekenmerkt.
Over dit woord kan ik zeer kort zijn. Het duidt de personen aan die de hadj verrichten, d. i. de bedevaart naar Mekka, die door den Islam van iederen geloovige, minstens eenmaal in zijn leven, gevorderd wordt, wanneer hij in de gelegenheid is ze te volbrengen en het hem niet door force majeure belet wordt. In zoo ver van den hoofdzetel van den Islam verwijderde gewesten als ons Insulinde, is de massa der bevolking van de gelegenheid tot het doen der bedevaart verstoken, ofschoon zij toch jaarlijks door eenige duizenden, en vooral in de laatste jaren, tengevolge der zooveel gemakkelijker en veiliger reisgelegenheden, in sterk toenemend aantal volbracht wordt. De betrekkelijke zeldzaamheid der hadj is oorzaak, dat in Ned.-Indië zij, die haar volbracht hebben, levenslang den naam van Hadji als onderscheiding blijven voeren, en door de bevolking met veel eerbied behandeld worden. Het sterk toenemend aantal heeft echter het aanzien der hadji's doen tanen.
Moesons heeten bij ons de periodieke winden die tusschen de keerkringen waaien. De spelling met dubbele s, in de Vries en te Winkel's „Woordenlijst” en van Dale's „Nieuw Ned. Woordenboek” aangenomen, verliest allen grond, zoodra men met die schrijvers Pruisen, geesel en dergelijke schrijft. In het Fransch is die dubbele s noodig, om aan te duiden dat de s scherp is en niet den klank van z heeft; maar als men den regel aanneemt in § 105 van te Winkel's „Grondbeginselen der Ned. spelling” gesteld, moet men in onze taal moeson schrijven. Te meer is dit het geval, daar er niet de minste waarschijnlijkheid bestaat, dat wij het woord uit het Fransch hebben ontvangen. Dat sommigen zelfs mousson spellen, moet alleen worden verklaard uit de gewoonte van schier alle in taalquaesties minkundige Nederlanders, om alle vreemde woorden voor Fransche te houden en als Fransche woorden te schrijven.
Het woord moeson, op verschillende wijzen gespeld, is bij ons zeer oud, en ongetwijfeld hebben wij het in Indië van de Portugeezen geleerd, van wie het ook tot alle andere zeevarende natiën van Europa is overgebracht. Het verdient daarbij opmerking, dat het bij de Portugeesche schrijvers in twee hoofdvormen voorkomt, namelijk mouçâo (mousâo) en monçâo, waarvan de eerste misschien de oudere, maar de andere stellig de meer algemeene is. In het woordenboek van Moraes Silva zijn beide vormen opgenomen. Bij de Barros, „da Asia”, vindt men in de uitgave van 1553 nu eens moucâo, dan eens monçâo (bij welk laatste men echter wellicht aan een drukfout zou kunnen denken); maar in de uitgave van 1628 vindt men reeds overal monçâo, dat de meer gebruikelijke vorm in het Portugeesch was gebleven. Intusschen heeft de oudere vorm mouçâo het Fransche mousson, het Italiaansche mussone en ons moeson voortgebracht, terwijl daarentegen de vorm monçâo wordt wedergevonden in het Spaansche monzon, het Engelsche monsoon en het Duitsche monsun of monsuhn. Ook zijn in het Fransch de vormen monson en monçon niet geheel onbekend, en in van Linschoten's „Itinerario” lees ik eveneens, bl. 24, van monsoyns.
Ik heb vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat de geheele vorm met n uit drukfouten kon ontstaan zijn; maar toch scheen mij dat wat al te avontuurlijk, zoodat ik die n liever uit de zoo gewone inlassching eener liquida (n of m) tusschen een klinker en medeklinker(1) meende te moeten verklaren, welke inlassching, zoo zij achter een langen klinker of tweeklank plaats heeft, dien tevens noodwendig verkort, zooals in komfoor voor chauffoir, of in planzier, gelijk het volk zegt voor pleizier. Later evenwel is het mij waarschijnlijker voorgekomen, dat de beide vormen in den grond een verschillenden oorsprong hebben, en dat de ééne door het Javaansch uit het Sanskriet, de andere door het Maleisch uit het Arabisch tot ons is gekomen, ofschoon tevens eene verwarring en vermenging van beide toevallig zoo weinig van elkander verschillende woorden heeft plaats gegrepen.
In het Javaansch heeten de periodieke winden môngsô, welk woord eenvoudig de Javaansche uitspraak is van het Sanskrietsche mângsa, tijd, verwant met mâsa, maand(2). Eigenlijk beteekent dit môngsô dan ook tijd, getijde, tijdperk, seizoen, en de Javanen zijn gewoon het natuurlijke of zonnejaar, met het oog op de werkzaamheden van den landbouw, in 12 môngsô's of tijdperken van ongelijken duur te verdeelen. De 11e en 12e môngsô vormen met de vier eerste van het volgende jaar het droge, de zes overige het natte jaargetijde, en deze grootere tijdperken worden insgelijks môngsô's genoemd. Maar daar het verschil tusschen deze tijdperken geheel van de periodieke winden afhankelijk is, wordt de naam môngsô als van zelve ook op die winden toegepast.
In het Maleisch dragen de periodieke winden den naam van moesim. Dit woord is het Arabische mausim, maar de tweeklank au, dien de Maleier niet goed kan uitspreken, is daarin, evenals in moeloed, moelâ enz., met de vokaal oe verwisseld. Mausim beteekent in het Arabisch een bepaalden of gezetten tijd, en vandaar ook dikwijls een feest, dat op een gezetten tijd van het jaar plaats heeft. Zie de voorbeelden van dit gebruik des woords, aangehaald in Dozy's „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, p. 317. Intusschen is het klaar dat een woord dat gezette tijden beteekent, evenzeer kon worden toegepast op de jaarlijks tusschen de keerkringen regelmatig terugkeerende tijden van droogte en vochtigheid, en daarmede gepaarde meerdere warmte of koude, en zoo verkreeg ook mausim de beteekenis van jaargetijde of seizoen. De Arabische zeevaarders gebruikten mausim meer bepaaldelijk voor het seizoen dat hun gunstig was om naar Indië te varen, of, zooals wij ons uitdrukken, voor den westmoeson. Zie b. v. Niebühr, „Reize naar Arabië”, D. I, bl. 421. Evenzoo is ook bij de Maleiers de ware beteekenis van moesim jaargetijde, en zij onderscheiden, gelijk de natuur van hun land met zich brengt, een moesim kĕring of panas, d. i. een droog of warm jaargetijde, en een moesim oedjan of dingin, een vochtig of koel jaargetijde. Doch daar, zooals ik reeds opmerkte, in die gewesten de jaargetijden geheel bepaald worden door de periodieke winden, die met verwonderlijke regelmatigheid waaien, is het al zeer natuurlijk dat men den naam moesim (evenals de Javanen dien van môngsô) op de regelmatig afwisselende ooste- en westewinden toepaste, zoodat men thans ook van een moesim barat of westmoeson en een moesim timor of oostmoeson spreekt.
De Portugeezen nu hebben, naar mijne meening, van môngsô en moesim, welke beide woorden zij met elkander verwarden, omdat zij, bij toevallige overeenkomst in vorm, geheel dezelfde beteekenis hadden erlangd, hun monçâo of mouçâo gemaakt. Ook bij hen beteekenen die woorden nu eens jaargetijde of seizoen, en dan eens de periodieke winden, die in Indië de jaargetijden beheerschen. Zoo zegt b. v. de Barros op de ééne plaats: „Estes taes tempos por serem geraes pera navigar a certas partes, e nâo a outras, commummente os mareantes nossos, conformando-se com os daquelle Oriente, chamam-lhe monçâo, que quer dizer tempo pera navigar pera tal parte” [d. i. „Zoodanige tijden, omdat zij voortdurend geschikt zijn om naar zekere streken te varen, en niet naar andere, noemen onze zeelieden, in overeenstemming met die van het Oosten, gewoonlijk moeson, hetgeen wil zeggen een tijd om te varen naar deze of gene streek.”] Maar op andere plaatsen van denzelfden schrijver heeft monçâo geheel de beteekenis van den vasten wind (vento geral) die gedurende dat jaargetijde waait. In de gewone Portugeesche spreekwijze fora da monçâo heerscht weer de eerste beteekenis. Zij stemt letterlijk overeen met het Fransche hors de saison.
Ook in de andere Europeesche talen, waarin dit woord uit het Portugeesch is overgenomen, heeft het denzelfden dubbelen zin behouden. Zoo vinden wij den eersten in de in Dozy's Glossaire aangehaalde plaats uit de reizen van Thévenot: „Depuis ce temps plusieurs vaisseaux viennent à Bassora, chargés de marchandises des Indes, et le temps ou monson, comme ils l'appellent, auquel viennent les vaisseaux, est au mois de juillet; et ils y demeurent jusqu'à la fin d'Octobre, passé lequel temps ils ne pourraient plus sortir du fleuve, à cause des vents contraires; et justement alors commence la monson pour passer aux Indes, qui dure jusqu'au commencement de Mai.” En eveneens zegt Baldaeus, „Beschrijving van Ceylon,” bl. 63: „Mousson is een gety ende zaizoen des jaars”, ofschoon hij elders het woord ook van de periodieke winden gebruikt. Maar bepaaldelijk in deze laatste beteekenis vinden wij het woord reeds in van Linschoten's Itinerario, bl. 24, waar hij de monsoyns omschrijft als: „winden die op haer tydt wayen.”
Bij ons hoort men tegenwoordig in den dagelijkschen omgang niet zelden de uitdrukking, „het is er de rechte moeson niet voor,”—een bewijs dat het woord ook in de volkstaal doordringt in den zin van „de geschikte tijd.”