Amfioen.

Amfioen is de voornamelijk in Ned.-Indië gebruikelijke naam van het heulsap, dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa, met den aan het Grieksche opion ontleenden Latijnschen naam opium noemen. Van de Grieken is die naam ook, in den vorm afioen, tot de Arabieren overgegaan; de Perzen spreken dien, volgens het woordenb. van Vullers, afjoen uit, de Maleiers en Javanen, die de f niet kunnen uitspreken, zeggen apioen of apjoen. Van al deze vormen is het Nederlandsche amfioen door de inlassching der m (zie beneden) nog kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander apioen alleen van het opium in ruwen staat, zooals het door den handel geleverd wordt. Is het gezuiverd, dan noemt hij het tjandoe; is het, met of zonder tabak, voor zijn gebruik gereed gemaakt, dan noemt hij het madat (van 't Hindostanische madad; vgl. v. d. Tuuk, „Tobasche Spraakkunst”, bl. 125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het den naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen rooken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen, amfioenpillen, zoowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.

Het woord amfioen zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zoo oud als de vaart naar Indië zelve. Er wordt over dat heulsap reeds in 't breede gehandeld in de „Beschrijvinge van 't Coninckrijck Gussaratten”, in „Begin en Voortgang”, II, no. 17, bl. 61, waar het amphion of affien wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 144, komt de vorm amphion voor, en reeds veel vroeger vindt men dien bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 98, die met zijne gewone nauwkeurigheid zegt: „het amfion, also ghenaemt van de Portugesen, van de Arabyers, Mooren en Indianen affion”. De ingevoegde liquida m (waarvoor ook de n werd geschreven, die echter in de uitspraak als m klonk) is dus van Portugeeschen oorsprong. In het Port. Woordenboek van Moraes Silva, komt, nevens het thans gebruikelijke opio ook anfiâo voor, dat bijna als amfion luidt. Ik sprak reeds met een woord over die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, in het art. Moeson, en zal er op terugkomen bij Pampoesjes. Kamfer voor kafoer (zie Dozy's „Oosterlingen” op het woord) en de volksuitspraak pampier voor papier zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zoo het noodig was, licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van amfioen bij latere schrijvers zal men in het Ned. Woordenboek van de Vries en te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in Nederlandsch-Indië amfioen bestendig en uitsluitend de vorm is die in alle administratieve stukken gebruikt wordt; opium leest men daar nooit.

Daar opium en amfioen inderdaad slechts verschillende vormen van hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor amfioen gebezigd op grond der vergelijking van andere op oen uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze opmerking aan het art. Amfioen in het Woordenboek van de Vries en te Winkel, waarvan mij, schoon het, terwijl dit gedrukt wordt, nog niet is uitgegeven, in de proef inzage is verleend.

De uitdrukking amfioen schuiven is in het Ned. Wdbk. van van Dale geheel ten onrechte door opium kauwen verklaard. Dit is gebruikelijk bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Ned.-Indië zelden of nooit voor. Ook zou voor dat kauwen schuiven al een zeer zonderling gekozen woord zijn. Ik heb de wijze, waarop het opium gerookt wordt, in mijn „Java”, D. I, bl. 622, besproken. Ik vind voor dit schuiven de verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van den rook der opiumpijp, dat van een sissend, sijfelend, schuifelend of fluitend geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door Prof. de Vries is overgenomen.

Mandoor, Mandarijn.

Ik voeg deze woorden bijeen, omdat het mij waarschijnlijk voorkomt, dat er tusschen beide een nauwe verwantschap bestaat.

Mandoor of mandoer (eene gewone verscheidenheid van uitspraak, waarbij, naar ik vermoed, dialectsverschil ten grondslag ligt) beteekent in Ned.-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij eenig belangrijk werk, iemand dus die aan zijne minderen bevelen geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleisch, Javaansch en Soendaneesch; maar is ook niet minder gewoon in den mond der in Ned.-Indië levende Europeanen. Zoo spreekt, om een paar voorbeelden uit duizenden aan te halen, de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1126, van „meesterknechts of mandoors voor het voeren der cilinders bij het vermalen van het suikerriet”, en van Gorkom, „Oost Indische Cultures”, II, bl. 42, van inlandsche opzichters of mandoers, die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het vocht uit den trekbak af te laten, in den reuk of den smaak van het vocht vonden. Dit woord mandoor, stellig in het Javaansch en Maleisch van vreemden oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugeesche mandar, bevelen, gelasten, en is vermoedelijk door de inlanders samengetrokken uit mandador, lastgever. „Bij Heydt: „Geographisch- und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-indiën (1744),” leest men meermalen mandator, b. v. bl. 95.”

Van hetzelfde Portugeesche mandar, of waarschijnlijker nog rechtstreeks van het Latijnsche mandare, komt nu vermoedelijk ook mandarijn, door de Portugeezen mandarin of mandarim uitgesproken. Ik vind in het Portugeesch-Fransch Woordenboek van da Costa e Sá (Lissabon, 1794), den latiniseerenden vorm Mandarinus, die, naar het mij toeschijnt, zal zijn uitgedacht door de Jezuieten, die in de Latijnsche taal zooveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen zal men vermoedelijk den oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik acht het onnoodig er het Sanskrietsche mantrin, in het Jav. en Mal. mantri, minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte, bij te halen, dat wat den vorm betreft zeker niet zoo goed past. Het woord komt reeds voor bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 32, 33, in den opmerkelijken vorm Mandoryn. S. de Vries, „Curieuse aenmerckingen” (1682), D. I, bl. 38, zegt over mandaryn: „de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daermeê sooveel seggen, als de Nederlanders met 't woord Commandeur. Gelijck 't dan ook schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van 't Lat. woord mandare.”

Een Chineeschen oorsprong kan 't woord mandarijn stellig niet hebben, maar het wordt in alle Europeesche talen gebruikt om een hoogen staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Mandarijnappels of Mandarijntjes (Fr. Mandariniers), een soort van kleine, zoete, bijzonder geurige, licht geribde, eenigszins afgeplatte en zeer los in de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie Lindley en Moore, „Treasury of Botany”, p. 292.

Gorgelet.

Gorgelet is een woord nu aan weinigen bekend, maar dat dikwijls voorkomt bij onze oude schrijvers over Indië; b. v. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 62: „zij stopte den hals van 't gorgelet, zoodat het water daaruyt niet konde loopen.” Valentijn, IV, 1, bl. 54: „de derde slavin draagt een gorgelet met water na.” Zulk een gorgelet wordt door van Linschoten uitvoerig beschreven, waar hij in zijn „Itinerario” handelt „van de manieren ende usantiën der Portugaloysers ende Mestisen vrouwen in Indië”, bl. 47. „Desgelijcks, wanneer zij drincken,” zegt hij, „hebben een manier van potgiens, gemaeckt van swarte aerde, zijn seer fijn ende dun, op die manier van de pullen die men bij ons ghebruyckt om die bloemen in te setten, ende binnen in den hals is een schildeken vol gaetgiens; dit cruycxken wordt ghenaemt Gorgoletta, om dieswille dat als men wil drincken soo hout ment omhoog om niet aen de mont te raken, ende alsdan comt het water door de gaetgiens die binnen in den hals in 't schildeken staen, ende loopen al gorgelende inde mont sonder een druppel te storten, 'twelcke zij doen door groote reynigheyt, omdat niemant het aende mont souden setten; ende wanneer daer jemant eerst nieuw van Portugal comt, ende wil dan beginnen te drincken, op haer manier als voorseyt is, en door die onghewoonte hem bestort, hebben dan een groot playsier ende belachen hem.”

Het blijkt tevens uit deze plaats dat gorgelet weder een woord is, dat onze voorvaderen in Indië van de Portugeezen hebben overgenomen. In het Portugeesch Woordenboek van Moraes Silva wordt Gorgolèta dus omschreven: „Quarta de barro de gargalo largo, no qual ha un raro, e passando agua por elle caindo umas bolinhas que estâo no fundo, faz a agua um som ao beberse”, d. i.: „Een aarden vat met wijden hals, waarin zich een zeef bevindt, waarop onder het drinken balletjes vallen, die op den bodem liggen, zoodat het water, er doorgaande, een geluid maakt.”

Kipersol.

Kipersol of Quipersol is eene Nederlandsch-Indische verbastering van het Portugeesche quitasol, zonnescherm. In oudere boeken vindt men het nog in den echten Portugeeschen vorm, b. v. in „Begin en Voortgang”, Eerste schipvaerd der Hollanders naar O.-I., bl. 77, waar wij lezen: „Te Panarucan zijn veel swarte Christenen. Zij gaen gekleedt met een paar lange indiaensche boxens [broek], ghelyck men ghemeynlick in Persiën draeght, maar heel barrevoets; altoos eenighe slaven achter haer hebbende, die hun een quitasol ofte sonneweerder over 't hoofd houden.” Later vindt men verbasterde vormen, b. v. bij Valentijn, II, 1, bl. 257, Kitasol. Bij Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 45, leest men: „Alle personen van enig aanzien dragen een quiperzol boven hun hooft, om de hette der zonnestralen af te keren, en de vrouwen zouden zich schamen uit te gaan, indien een slaaf dezelve niet nadroeg of haar boven het hooft hielde”; en bl. 96: „de kinderen der Europeanen worden doorgaans zorgvuldig bewaart voor de stralen van de zonne, gebruikende als zij uitgaan zonneschermen, quipersols genoemt”. De meest verhollandschte vorm, kipersol, is ook de jongste. Men leest dien b. v. in „Batavia in derzelver gelegenheid” enz., D. III, bl. 6, waar van de Bataviasche dames gezegd wordt: „Deeze fraay versierde juffrouwen kunnen niet naar de kerk gaan, of zij moeten ten minsten één slaaf achter zich hebben met een grooten kipersol of zonnescherm, om de hitte af te keeren.”

Quitasol, waarvoor men ook guardasol zegt, is samengesteld uit quitar, verlaten, verwijderen, afschaffen, afweren, en sol, zon. Men gebruikt het ook voor een zonnehoed.

Kaste.

Deze naam, dien wij bestendig gebruiken waar van de scherp gescheiden erfelijke standen bij de oude Egyptenaars en bij de Hindoe's sprake is, moet bij ons stellig van romaanschen oorsprong zijn. In het Spaansch en Portugeesch beteekent casta ras en wordt ook voor de rassen van dieren gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat het afstamt van het latijnsche castus, rein, onvermengd. Ik kan mij dit slechts zóó voorstellen, dat het oorspronkelijk een adjectief was als een soort van epitheton perpetuum behoorende bij een substantief dat ras of stam beteekende, b. v. gente. Dit substantief zal dan in het spraakgebruik zijn weggevallen, zoodat van de uitdrukking gente casta, d. i. onvermengd ras, alleen het adjectief casta overbleef, om hetzelfde te beteekenen. Eene merkwaardige beschrijving der kasten in Hindostan wordt gevonden in Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 147, die door de volgende definitie van het woord kaste wordt voorafgegaan: „Een kast dan is een zeeker geslagte van menschen, welke uit kragt van hunne geboorte verbonden zijn zekere bedieningen en plegtigheden waar te nemen, uit kragt van welke zij ook zeekere voorregten bezitten”.

Fust.

Het woord fust komt bij Nederlandsche schrijvers in twee beteekenissen voor. Het zijn eigenlijk twee waarschijnlijk van elkander geheel onafhankelijke woorden, die slechts door toeval aan elkander gelijk zijn. Het eerste, nog algemeen in gebruik, heeft de beteekenis van schacht, onderstel, vat; het tweede, sedert lang geheel verouderd, heeft zelfs geene plaats in de Nederlandsche woordenboeken gekregen, niettegenstaande het ontelbare malen bij onze oude schrijvers over de geschiedenis onzer vestiging in Indië en onzer oorlogen met de Portugeezen en Spanjaarden voorkomt. Wel een bewijs dat deze weinig gelezen worden!

Het is het Spaansche en Portugeesche fusta, door Da Costa e Sá omschreven als: „Genero de embarcaçao comprida e de baixo bordo, que anda a vélas e a remos”, d. i. „een lang, platboomd vaartuig, geschikt om naar omstandigheden te zeilen of geroeid te worden”. Ik sprak reeds over dit woord in mijn „Java”, D. II, bl. 283.

Amok.

Amok komt reeds bij onze oudste schrijvers over Indië dikwijls voor, en is later zoozeer een Nederlandsch woord geworden, dat Prof. Pijnappel in zijn „Maleisch Woordenboek” het Maleische amoek en den verbaalvorm mengamoek door amokken, wanhopig aanvallen, kon verklaren. Voor hen echter die minder met de schrijvers over Indië vertrouwd zijn, zal het niet overbodig zijn op te merken, dat het evenzeer Javaansche als Maleische amok eigenlijk een soort van woede of razernij beteekent, die den inlander (bovenal den Makassaar; zie Wallace, „Insulinde”, D. I, bl. 306) soms bevangt, wanneer zijne hartstochten in de hoogste mate zijn opgewekt, en waarbij hij wanhopend aanvalt op ieder die hem in den weg treedt, en moord tracht te plegen, onverschillig aan wien. Het amok is zeer verwant met hetgeen de inlanders mata glap, d. i. verduistering der oogen noemen; juister misschien de amokmaker doet gaarne het mata glap voorkomen als een symptoom van zijn toestand, om daardoor zijn niet altijd geheel onwillekeurig moorden te vergoelijken. Zie v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. II, bl. 786. Een ander verschijnsel dat er mede gepaard gaat, is het luide schreeuwen, waarbij doorgaans het woord amok zelf vernomen wordt, waarom men in het Javaansch Wdbk. van Prof. Roorda op amoek ook de verklaring vindt: „een uitroep van iemand die in dolle woede gaat moorden.” Vandaar verder de uitdrukking amok roepen of amok schreeuwen, b. v. bij W. Schouten, „Reistocht naar en door O.-Indië”, 4e dr., D. I, bl. 27: „Binnen Batavia werden eenen zwarten Indiaan de borsten afgenepen, omdat hij amok geroepen had.... Dit was reeds de derde amokroeper die in mijn tijd geradbraakt werd.” Zoo ook bij van Rees, „de Bandjermassinsche Krijg”, I, bl. 64: „de priester vatte eensklaps een der wapens, riep amok, en wilde den artillerist een houw toebrengen.” Maar ook de omstanders roepen amok, wanneer iemand, zooals men gewoonlijk zegt, amok maakt. Zie b. v. Ritter, „het Amok” in „Tijdschr. v. N.-Indië”, Jg. VII, D. III, bl. 459: „Groot was de opschudding onder al die reizende personen, toen zich op eens de noodkreet amok! amok! in den omtrek deed hooren.” Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, Deel I, bl. 236, schijnt de uitdrukking amok spuwen als synoniem met amok roepen te beschouwen; want hij zegt dat de amokspuwers dus genoemd worden, omdat zij het woord amok veel in den mond hebben. Ik geloof echter dat men daarbij tevens moet in het oog houden, dat den amokmaker het schuim op den mond komt.

Bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabaar en Choromandel”, bl. 145, komt de zonderlinge en minder gewone uitdrukking amokspeelder voor; een later voorbeeld van amokspeler vindt men bij W. Schouten, a. w., D. II, bl. 134. Amok slaan noemt men het alarmsein, dat door de inlandsche wachters op de trom gegeven wordt, wanneer zich een amokmaker vertoont.

Ik meen bij Nederlandsche schrijvers ook wel amok loopen gelezen te hebben. In allen gevalle is in het Engelsch to run amuck een gewone uitdrukking geworden. Daarbij heeft echter een kluchtig misverstand plaats gegrepen, doordien men de eerste lettergreep van amuck voor het lidwoord a of an hield. Men schrijft dus meestal to run a muck (zie b. v. Forrest, „Voyage aux Moluques”, p. 168), en vindt in de Engelsche woordenboeken dikwijls het woord Muck, waarvan Johnson erkende, de herkomst niet te weten. Dryden gebruikt de uitdrukking to run a muck in de volgende verzen in het derde deel van „the Hind and the Panther”:

„Frontless and satire-proof he scours the streets
„And runs an Indian muck at all he meets.”

En Pope volgde hem na in zijne vertaling van Horatius:

„Satire's my weapon, but I'm too discreet
„To run a muck and tilt at all I meet.”

Dit Engelsche muck heeft een Franschen schrijver, den heer Radau, in de Revue des Deux Mondes”, 1 Oct. 1869, p. 675, op den schranderen inval gebracht, dat het Maleische amok zou zijn: „une corruption du mot Anglais a muck (un enragé).

Tegenwoordig wordt bij ons het woord amok nu en dan gebruikt in de verzachte beteekenis van opschudding, straatrumoer. Men zal daarvan voorbeelden vinden in het art. Amok in de thans ter perse liggende aflevering van het groot „Nederlandsch Woordenboek”.

Kraal.

Kraal is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, „een dorp of gehucht der Hottentotten; eene opene plaats met staketsel afgeschut.” Weiland zegt op het woord: „Zoo noemt men, in beschrijvingen van de Kaap de Goede Hoop, de afgeperkte plaats waar de woningen der Hottentotten staan: een kraal van vier hutten; ook eene groote open plaats, met staketwerk omgeven, waarin men vee drijft.... Het schijnt een uitheemsch woord te zijn.” Dit laatste kon met meer stelligheid worden uitgesproken; het woord is ongetwijfeld van de Hottentotten zelven afkomstig. Zoo lezen wij in het „Dagregister van de Voyagie naar het Amaqua's [of Namaqua's] landvan Simon v. d. Stel, bij Valentijn: „Beschrijvinge van de Kaap der Goede Hoop” (V. 2) bl. 592: „De voorgedagte bergen.... worden bewoond van eene natie, genaamt Hottentotten, dewelke zich met troepen van menschen en vee bij malkanderen houden, 't welk zij Kraalen noemen, waarvan wij er dezen dag drie zijn gepasseert”. Ook de dorpen der Kaffers en andere Afrikaansche stammen worden, bij uitbreiding van het gebruik des woords, kralen genoemd. Zie b. v. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 39; „D. Veth's Reizen in Angola”, bl. 359.

Maar dit Hottentotsche woord is door de Nederlanders ook naar Oost-Indië overgebracht, en wordt bij onze oude schrijvers (door verwarring met kraal, als samentrekking van koraal, polypenhuis) soms ook Coraal geschreven. Zoo leest men bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 198: „Men vangt omtrent Mathure de Elephanten met Coralen, zijnde vele boomen in de aarde geslagen, die in 't eerste een ruymen ingank geven, maar van langhzamerhand enger worden, met valdeuren”. Een anoniem schrijver over Ceilon, door Weiland aangehaald, spreekt evenzoo van „eene groote en sterke houten kraal of bijkans rond palissadenwerk, waarin zij de olyphanten drijven”.

Thans is het woord nog algemeen in Ned.-Indië in gebruik om de afgeperkte ruimte voor de buffels aan te duiden. Zoo b. v. bij Pruys van der Hoeven, „Een woord over Sumatra”, I, bl. 63: „Iedere vier jaar nu vereenigen zich de eigenaars en drijven de buffels in een daartoe gemaakte kraal, die, fuiksgewijze vervaardigd, uitloopt in een sterk omheind moeras met een nauwe opening”.

Bonze.

Bonze is in de talen van het hedendaagsch Europa de naam der Boeddha-priesters in China en Japan, en wordt overdrachtelijk gebruikt om alle priesters aan te duiden, die bijgeloof en fanatismus dienen. Omtrent den oorsprong van dit woord ontving ik van wijlen Professor Hoffmann, onzen uitstekenden kenner van het Japansch, de volgende inlichting: „Het woord Bonze voor Boeddha-priester beantwoordt aan het Japansche Bo-nzi, en werd door de Roomsche zendelingen in het meerv. Bonzii, genit. Bonziorum, geschreven. Het is de algemeene naam aan Boeddhistische geestelijken gegeven en de Japansche uitspraak van den Chineeschen naam Fă-szi, die wetmeester, leeraar der wet beteekent.

Bij onze oude schrijvers leest men telkens het woord Bonze, ook Bonziër, waar van Japan en China sprake is. Ik zal slechts enkele voorbeelden bijbrengen. S. de Vries, „Curieuse Aenmerckingen”, II, bl. 592: „Hij voeghden er bij hoedaenighe cierlycke redenen de welspreeckende en hoogst voorname secte der Bonziërs bij de Japanners hielden”. Valentijn, V, 2, bl. 145: „De Japanders hebben daartoe ook hunne bijzondere priesters, Bonzes genaamd”. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 27: „Deeze afgodt Fo werdt uit de Indiën naar China overgebragt door zijne priesters, gewoonlijk Bonzen genoemd, omtrent in 't twee en dertigste jaar onzer tijdrekening.”

Bouw.

Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende, verhollandschte vorm van het Javaansche bahoe, synoniem met het ons minder bekende karjô. Bahoe beteekent oorspronkelijk zooveel akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij begonnen zijn ons met den grond der Javanen te bemoeien, hebben wij ons ook hunne landmaat meer of min toegeëigend, en niet alleen haren naam vernederlandscht, maar ons ook veroorloofd hare waarde nauwkeuriger te bepalen. Een bouw wordt thans in alle Gouvernementsstukken gerekend op 500 vierkante Rijnlandsche roeden. Het is te eer noodig op den Javaanschen oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlandsch woord, in den zin van een stuk bebouwden grond, aan te zien.

Een moeilijker vraag is het, hoe het woord bahoe, dat eigenlijk arm, bovenarm, schouder beteekent, en die beteekenis in het Maleisch steeds behoudt, in het Javaansch in die van eene groote landmaat is kunnen overgaan. Misschien heeft men aan het woord de beteekenis van de kracht eens arms, eens mans kracht gaan hechten, en vandaar vervolgens die van een stuk lands, waarvoor, als er werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, ééns mans kracht, dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de heeredienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit van den grond verbonden was.

Creool.

Een creool is een blanke bewoner van Zuid-Amerika en de Westindische eilanden, van vaders- en moederszijde van Europeesche afkomst, maar in de koloniën geboren. Hij staat tegenover den Europeeschen kolonist door het land zijner geboorte en tegenover den kleurling door de zuiverheid van zijn Europeeschen oorsprong.

Zoo ongeveer wordt dit woord gewoonlijk verklaard en opgevat, maar er is in die verklaring iets eenzijdigs; want men kent in Brazilië ook neger-creolen, d. z. kinderen van negers en negerinnen, maar in Amerika geboren en als zoodanig overgesteld aan de negers uit Afrika aangevoerd.

Wat meer is, oorspronkelijk schijnt creool eer de in Amerika geboren negerslaven dan de daar geboren blanken aan te duiden. Het Portugeesche crioulo, waarvan ons creool afkomstig schijnt te zijn, beteekent volgens Moraes Silva: „O escravo, que nasce em casa do senhor; o animal, cria, que nasce em nosso poder;” d. i.: de slaaf die geboren wordt in het huis zijns meesters; het dier, jong, dat geboren wordt in onze macht. Crioulo als adjectief verklaart dezelfde lexicograaf door „nâo comprado”, d. i. niet gekocht. En dat ook creool oorspronkelijk niets anders dan een in het huis des meesters geboren slaaf beteekende en in Suriname die beteekenis zelf zeer lang behouden heeft, blijkt uit Hartsinck's „Beschrijving van Guiana” (Amst. 1770), D. II, bl. 899: „Nog hebben wy tot slaaven, die in onze volkplantingen uit slaaven gebooren worden, Creoolen genaamd, die men voor de beste en trouwste lijfeigenen houdt; men noemt ze Creoolen om hen te onderscheiden van de zoutwater Negers, welken naam men toeëigent aan alle slaaven die van Africa ingevoerd worden.”

Van oudsher werden de slaven in het algemeen onderscheiden in: „de ingeborenen des huizes en de voor geld gekochten” (zie b. v. Gen. XVII: 12, Levit. XXII: 11), en overal werden eerstgenoemden, in het Latijn verna geheeten, om hunne trouw hooger geschat. Dezelfde tegenstelling bestond natuurlijk ook in de Spaansche en Portugeesche bezittingen in Amerika. De crioulo's als vernae waren in de kolonie geboren; maar terwijl de oorspronkelijke beteekenis van het woord allengs in vergetelheid raakte, dacht men daarbij weldra nog slechts aan dat geboren zijn in een ander land dan dat der afstamming, en kende dus den naam crioulo toe aan alle negers, hetzij slaaf of vrij, in Amerika geboren, en aan de blanken die ten opzichte van het verschil tusschen geboorte- en stamland in dezelfde omstandigheden verkeerden.

Zoo kan men zich den oorsprong der tegenwoordige beteekenis van het woord creool zeer geleidelijk voorstellen; mocht echter historisch kunnen bewezen worden, dat de naam vroeger aan de blanke dan aan de zwarte creolen gegeven is, dan zou men moeten aannemen, dat er een eenvoudige metaphora had plaats gehad van den ingeborene des huizes tot den ingeborene des lands.

Mijne verklaring van het woord creool verschilt eenigszins van de gewone, die het afleidt van het Spaansche criollo. Dit woord is ongetwijfeld slechts een eenigszins gewijzigde vorm van het Portugeesche crioulo; maar dit laatste schijnt mij het oorspronkelijke te zijn, althans indien het juist is, wat uit het woordenboek der Spaansche Akademie schijnt te blijken, dat criollo niet gebruikelijk is in de beteekenis van verna, maar alleen in die van: „el hijo de padres europeos, nacido en America”, die echter uit die van verna schijnt te zijn afgeleid.

Intusschen is de oorsprong van het Portugeesche crioulo zelf niet geheel zonder zwarigheid. Moraes Silva geeft door de verklaring van het voorbeeld gallinha crioula (in het huis des eigenaars uitgebroede hen) door de woorden: „que nasce e se cria em casa” (die in het huis geboren en opgevoed wordt) genoeg te kennen, dat hij crioulo in verband brengt met het werkwoord criar. Criar is in het Portugeesch een tweede vorm voor crear, het latijnsche creare. Het werkwoord criar of crear beteekent volgens Moraes Silva: 1o. uit niets voortbrengen, scheppen; 2o. veroorzaken, teweegbrengen; 3o. voortbrengen, van zich geven; 4o. zogen, voeden; 5o. opvoeden. In de tegenwoordige taal wordt in de drie eerste beteekenissen gewoonlijk crear, in de beide laatste, meer afwijkende, criar gebruikt. Se criar beteekent dus: opgevoed worden, opgroeien. Hieruit moet men dus opmaken dat crioulo oorspronkelijk een voedsterling, alumnus, aanduidt, wat lichtelijk in de beteekenis van een in het huis des meesters geboren en opgevoeden slaaf kon overgaan. Niet in deze beteekenis schuilt dus het bezwaar, maar alleen in den vorm; want die uitgang oulo schijnt geheel onregelmatig en zonder voorbeeld te zijn.

Intusschen bestaat het woord crioulo in de beteekenis van verna in de Portugeesche taal, en de tweede beteekenis, die van creool, laat zich daaruit geleidelijk verklaren. Er kan dus nauwelijks reden zijn om met sommigen aan te nemen, dat creool eigenlijk een Caraïbisch woord is, waarvoor men te vergeefs een oorsprong in eenige taal van Europa zou zoeken.

Ik geloof hier nog te moeten bijvoegen, dat het woord creool in het spraakgebruik niet altijd strikt de beteekenis behoudt, die er in de woordenboeken aan wordt toegekend, maar vaak ook de verschillende graden, vooral de lichtere, van kleurlingen omvat, die in de Westindische koloniën geboren zijn. Zie b. v. Dumontier, in „Catalogus der afdeeling Ned. Koloniën van de Amsterdamsche Tentoonstelling in 1883,” bl. 152. In onze Westindische bezittingen zijn creolen, ongeveer wat wij in onze Oostindische bezittingen inlandsche kinderen noemen.

De vorm van het Portugeesche woord heeft in zijn overgang tot andere talen slechts geringe wijziging ondergaan. Wij zagen reeds dat het in het Spaansch criollo luidt. In het Ital. werd het creólo, in het Fransch créole, in het Engelsch creole, in het Duitsch creole en in het Nederlandsch creool.

Mulat.

Door dit woord worden aangeduid die geboren zijn uit een blanken man en eene negerin of uit eene blanke vrouw en een neger, alsmede (tot zekere hoogte althans) die gesproten zijn uit mulatten en blanken. Het woord behoort uit den aard der zaak vooral op de Westkust van Afrika en in West-Indië te huis, waar wij het hebben overgenomen van de Spanjaarden en Portugeezen. De Engelschen kennen het evenzeer in den vorm mulatto, de Franschen in dien van mulâtre.

Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens. Volgens het eerste stamt het af uit het Arabisch en wel van moewallad, waaraan men de beteekenis toekent van „iemand die uit een Arabischen vader en een vreemde moeder (slavin) of uit een slaaf en eene vrije Arabische moeder geboren is”. Deze verklaring is het eerst gegeven door Reiske in eene noot op „Abulfedae Annales Moslemici”, I, p. 264; beaamd door de Sacy „Chrestomathie Arabe”, II, p. 155, en opgenomen in Freytag's Arabisch Woordenboek en in Engelmann's „Glossaire des mots Espagnols”, etc. Vandaar dat ik in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen”, in „de Gids” voor 1867, D. I, mij verwonderde dat dit woord, aan welks afkomst uit het Arabisch ik toen niet twijfelde, niet in dat boekje was opgenomen.

Later evenwel heb ik ingezien, dat dit woord niet van moewallad kan zijn afgeleid om de volgende redenen.

1o. Vooreerst is de beteekenis van moewallad door Reiske en de Sacy niet juist opgegeven. Het beteekent: een onder de Arabieren opgenomen vreemdeling, iemand die tot Arabier aangenomen, als zoodanig genaturaliseerd is, of, zooals het is uitgedrukt in Zamachschari's „Lexicon Arabico-Persicum”: „iemand die uit vreemden onder de Arabieren geboren en met de kinderen der Arabieren naar hunne zeden opgevoed is”. Prof. Dozy zegt, in zijne vermeerderde uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 384, dat in Spanje, tijdens de Arabische heerschappij, de naam van moewallad werd gegeven aan de Spanjaarden die den Godsdienst der Arabieren aangenomen hadden en dus onder de Arabieren waren opgenomen. De plaatsen van Abulfeda en Makrizi, die tot de verklaring van Reiske en de Sacy aanleiding gaven, kunnen ongetwijfeld even goed van geadopteerde Arabieren als van personen van gemengde afkomst worden opgevat.

2o. Evenmin als de beteekenis, begunstigt ook de vorm van het woord moewallad de bedoelde afleiding. Eene samentrekking als van moewallad tot mulat zou in de Romaansche talen zonder voorbeeld zijn. Alleen in het Javaansch zou men misschien een voorbeeld van zulk eene samentrekking kunnen vinden, namelijk in modin voor het Arabische moadzdzin, den uitroeper van het gebed. Maar zelfs dit voorbeeld zou vervallen als men kon toonen, dat de Javanen dit woord in den evenzeer bestaanbaren, ofschoon dan ook minder gebruikelijken, vorm moedzin van de Arabieren of Perzen kunnen ontvangen hebben.

De tweede afleiding van mulat is veel eenvoudiger; zij is die welke Engelmann met de volgende woorden verwerpt: „il va de soi-même que ce mot n'a rien de commun avec mule, dont on a voulu le deriver”. Ik zeg daarentegen met Prof. Dozy, die trouwens zelf reeds t. a. p. heeft opgemerkt, dat ik later van gevoelen was veranderd: „Je dois avouer que j'approuve au contraire l'étymologie repudiée par M. Engelmann”.

Ik moet hier evenwel met een woord zeggen, welke zwarigheid mij aanvankelijk vooral weerhield, mulat met den muilezel in verband te brengen. Deze heet in het Latijn mulus, in het Spaansch mulo, in het Portugeesch gewoonlijk mu (afgekort uit mulo, waarvan echter het vrouwelijk mula nog in gebruik is). Later evenwel is mij gebleken, dat ook de verlengde vorm mulato oudtijds in het Portugeesch den muilezel aanduidde. Dit wordt uitdrukkelijk opgegeven in het Wdbk. van Moraes Silva, die als voorbeeld deze woorden van Sa Miranda aanhaalt: „ou dormindo no mulato”. Het is dus dit mulato zelf (waarmede men het Fransche mulet vergelijke), dat figuurlijk de personen van half-blanke, half-zwarte afkomst aanduidde, gelijk de muilezel half paard, half ezel is. En zoo wordt het ook door Moraes Silva opgevat. Op het eerste gezicht heeft deze verklaring wel iets van een snaakschen, inval; maar deze zwarigheid vervalt als men bedenkt, dat de kleurlingen eene verachte kaste vormen, ten wier koste het volk zelf deze geestigheid van hen muilezels te noemen, zeer wel kan hebben uitgedacht.

Voor de afkomst van mulat uit het Spaansch of Portugeesch pleit ook nog dat wij Creool en Mesties, woorden die tot dezelfde klasse behooren (zie het voorafgaande en het volgende artikel) aan dezelfde natiën verschuldigd zijn.

Mesties.

Onze oude schrijvers schreven Mestice of ook wel Mixtice en Mixstice. Deze laatste vormen moesten zeker toonen, dat zij daarin het Latijnsche mixtus, deelwoord van miscere, mengen, erkenden. Toch bewijzen de gewone vormen, dat wij ook dit woord van de Portugeezen en Spanjaarden ontvangen hebben, die ook in het Latijn den vorm met x reeds met mistus afgewisseld vonden. Wij zullen dus, om het gebruik van dit woord goed te leeren kennen, ook nu weder de beste Spaansche en Portugeesche woordenboeken raadplegen. In het Spaansch schrijft men mestizo, en het woordenboek der Spaansche Akademie zegt daarvan: Mestizo se aplica a la persona o animal nacido de padre y madre de diferentes castas”, d. i.: Mestizo wordt gebruikt van een persoon of van een dier, geboren uit vader en moeder van verschillenden stam. Evenzoo leest men in het Portugeesche woordenboek van Moraes Silva op mestiço of mistiço: „Filho de animaes que nâo sâo da mesme especie”, d. i.: afstammeling van dieren die niet van dezelfde soort zijn. Dit is dus de eerste en algemeene beteekenis, die het woord nooit heeft verloren. Vooral blijkt dit uit het gebruik van métis (hetzelfde woord met uitstooting der s) en den bijvorm métif in het Fransch. Zoo spreekt men van „animaux métis”, „fleurs métisses”, „mestiz Français, demi Bourgoings”, en figuurlijk „une classe métive également étrangère à la noblesse et au tiers état”. Zie het woordenboek van Littré op Métis. Zoo ook spreekt Mallat, „les Philippines”, II, p. 133, van métis Chinois, waardoor hij de afstammelingen van Chineezen en inlandsche vrouwen te Manilla aanduidt, de klasse die wij te Batavia perănakan tjina noemen.

Maar behalve deze algemeene beteekenis van persoon of dier van gemengde afkomst, heeft het gebruik aan mesties eene speciale beteekenis gegeven, waardoor het eene bijzondere klasse van kleurlingen aanduidt. Het woordenboek der Spaansche Akademie laat op de aangehaalde woorden volgen: „Dicese con especialidad del hijo de Español y India”, d. i.: Inzonderheid zegt men het van den zoon eens Spanjaards en eener Indiaansche vrouw. Aan deze speciale beteekenis houdt zich het „Nieuw Ned. Woordenboek” van van Dale met de omschrijving: „afstammeling van eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en eene blanke”. Bij Moraes Silva zijn de woorden: „O filho de Europeu com India, branco com mulata, etc.”, d. i.: zoon van een Europeaan met eene Indiaansche, van eenen blanke met een mulattin enz., meer als voorbeelden van het gebruik van mesties te beschouwen.

Zoowel in onze Oost- als in onze Westindische bezittingen hebben wij het woord mesties van de Spanjaarden of Portugeezen overgenomen. In Oost-Indië, waar geene negers en dus ook geen mulatten voorkomen, maar men de inlanders, schoon zeer ten onrechte, zwarten noemde, waren mixsticen volgens Valentijn, II, 1, bl. 256: „kinderen of van Hollandsche vaders en swarte moeders (want nooit heb ik daar kinderen van een blanke moeder en swarte vader gesien, nog daar af gehoort) of wel van swarte moeders en Portugeesche vaders, die men Toepassen noemt, zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eygen bewilliging hier gebleven zijn.” Valentijn spreekt hier wel bepaaldelijk van Amboina, maar hetzelfde gold van al de Indische gewesten onder het beheer der Compagnie. Zoo onderscheidt Nic. de Graaf in zijne „Voyages aux Indes Orientales”, bl. 290, de vrouwen te Batavia in „Hollandoises, Indiennes, Mestices et Kastices”. De Hollandoises zijn de in Nederland geborene, die naar Indië zijn overgekomen; de Indiennes of Hollandoises-Indiennes de in Indië uit Hollandsche ouders geborene; de Mestices die gesproten zijn uit een Hollandschen vader en eene inlandsche vrouw; de Kastices (zie het volgend artikel) de kinderen van een Hollandschen vader en eene Mestice. Vgl. ook nog „Batavia in hare gelegenheid” enz., D. III, bl. 3(4). De namen Mesties en Kasties worden thans in Ned. Oost-Indië weinig meer gehoord.

In Ned. West-Indië zou, volgens Dr. Dumontier (in den Catalogus der afd. Ned. Kolon. van de Amsterd. Tentoonstelling van 1883, Groep I, bl. 152) Mesties eene speciale beteekenis hebben, die evenwel van die bij de Spanjaarden verschilt; de Mestiezen zouden daar de afstammelingen zijn, niet van een blanken vader en een Indiaansche vrouw, maar van een blanken vader en een mulattin, terwijl de afstammelingen van een blanken vader en een mestiezin kastiezen zouden heeten. Van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, bepaalt zich tot de opmerking, dat de kleurlingen, naarmate zij meer tot het blanke type naderen, Mestiezen, Kastiezen en Poestiezen worden geheeten.