WeRead Powered by ReaderPub
Zonder geweer op jacht cover

Zonder geweer op jacht

Chapter 11: Codering
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of nature essays that promotes quiet, nonlethal observation of wildlife through patient walking, canoeing and hidden watches. The narrator describes encounters with deer, bears and smaller forest creatures, noting play, feeding patterns and daily habits, and explains how unobtrusive presence reveals character and behavior more clearly than killing or photographing. Practical reflections on campsites, waterways and techniques for approaching animals are mixed with vivid natural descriptions and a contemplative ethic, emphasizing restorative solitude, attentive perception, and the rewards of learning about wild life by seeing and listening rather than by possession.

[Inhoud]

DE INDIAANSCHE NAMEN.

Cheokhes, kie-ok-ez’, de Amerikaansche „mink”, een ottersoort.

Cheplahgan, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend.

Ch’geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.

Chigwooltz, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch.

Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.

Commoossie, kom-moe-sie’, een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.

Deedeeaskh, die-die’-ask, de blauwe gaai.

Eleemos, el-ie’-mos, de vos.

Hawahak, ha-wa-hek’, de havik.

Hukweem, huk-wiem’, de groote noordelijke duiker of ijsduiker.

Ismaques, is-ma-kwez’, de vischarend.

Kagax, ke’-guaks, de wezel.

Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.

K’dunk, k’dunk’, de pad.

Keeokuskh, kie-o-kusk’, de muskusrat.

Keeonekh, kie’-onek, de otter.

Killooleet, kil’loe-liet, de witkeel-musch.

Kookooskoos, koe-koes-koes’, de groote oehoe.

Koskomenos, kos’-kom-ie-nos, de ijsvogel.

Kupkawis, kup-kee’-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.

Kwaseekhoo, kwa-ziek’o, de zaagbek. [123]

Lhoks, loks, de panter.

Malsun, mel’-sun, de wolf.

Meekoo, mie’-ko, de roode eekhoorn.

Megaleep, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier.

Milicete, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.

Mitches, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort „grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche „patrijs”.

Moktaques, mok-ta’-kwes, de haas.

Mooween, moe-wien’, de zwarte beer.

Musquash, mus’kwosj, de muskusrat.

Nemox, nem’-moks, de vischmarter uit N.-Amer.
Pekquam, pek-wem,

Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.

Seksagadagee, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort „grouse”.

Skooktum, skoek’-tum, de forel.

Tookhees, tok’-ies, de boschmuis.

Umquenawis, um-kwie-na’-wiz, de eland.

Unkwunk, unk’-wunk, het stekelvarken.

Upweekis, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx.

Whitooweek, wit’-oe-wiek, de houtsnip.

[Inhoud]

 

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

  • 2025-08-29 Begonnen.

Verbeteringen

De volgende 14 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
16, 29 nauwlijks nauwelijks 1
25 boomtronken boomstronken 1
43 windernis wildernis 1
47 boomtronk boomstronk 1
57 of òf 1 / 0
65 , . 1
83 op zij opzij 1
89 terugbegaf terug begaf 1
100 Wollastook Woolastook 1
100 Lhox Lhoks 2
119 éen één 1 / 0
120 -onder en -overheen onder- en overheen 3
123 [Niet in bron] . 1