The Project Gutenberg eBook of De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Author: Charles de Coster

Illustrator: Jules Gondry

Translator: René de Clercq

Richard Delbecq

Release date: February 1, 2004 [eBook #11208]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LEGENDE EN DE HELDHAFTIGE, VROOLIJKE EN ROEMRIJKE DADEN VAN UILENSPIEGEL EN LAMME GOEDZAK IN VLAANDERENLAND EN ELDERS ***

De legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders
Derde druk
met 22 platen van Jules Gondry
1919

Korte levensbeschrijving van Charles de Coster

Charles-Theodore-Henri De Coster werd geboren te München, den 20n Augustus 1827. Zijn vader was intendant van graaf Charles Mercy d’Argenteau, aartsbisschop van Tyrus, die peter des kunstenaars was en hem de markiezin Henriette de la Tour Dupin, vrouw van den Franschen gezant te Turijn, tot meter gaf.

De kleine De Coster, een engeltje van een knaap, sleet dus zijne eerste levensjaren in het paleis van den aartsbisschop, midden in weelde, in bloemen, geliefkoosd door zijne ouders en zijnen peter. Zijn eerste opvoeding was dus zeer aristocratisch en die indrukken blijven gewoonlijk onuitwischbaar.

Doch weinig tijds nadien verandert dit alles. Zijne ouders verlaten München en gaan naar Brussel, waar hun tweede kind ter wereld komt; dan sterft zijn vader te Ieperen, bij zijn broeder, die daar geneesheer was. Zijn moeder keert terug naar Brussel bij hare zuster en hare kinderen.

Charles was reeds in eene kostschool te Etterbeek, waar „ik mij zal moeten schikken naar den wil van een ander”, zegt hij, „na zoolang mijn zin te hebben gedaan”. Als hij uit de kostschool komt, is het om in het „Collège Saint-Michel” te treden, waar men een oogenblik hoopte dat het kind, dat reeds de droomerijen boven de droge studiën verkoos, zich aan het priesterschap zou wijden.

Eerst dacht hij in de balie te treden, doch een vriend deed hem opmerken dat de rechten en de kunst moeilijk samengaan, en De Coster, geholpen door machtige beschermers, aanvaardde eene bediening in de „Société Générale”.

In ’t lot gevallen, stelde zijne moeder eenen plaatsvervanger, die wegliep; na eenige dagen in het regiment, bij zijn kolonel, vertoefd te hebben, „om den plaatsvervanger te vervangen”, maakte de jonge bediende op zijne beurt van de gelegenheid gebruik om zijne plaats te ontloopen. „Het ambtenaarsleven bevalt mij in het geheel niet”, zegde hij. In de Bank voelde hij zich als een vreemdeling te midden van de bureaucraten. Hij stikte in die atmosfeer en „overigens wilde hij voor zich zelven werken”. De letterkundige roeping verkreeg de bovenhand en hij trad in 1850 in de Hoogeschool van Brussel, waar hij het diploma van candidaat in de letteren behaalde.

Maar De Coster gaf aan de Hoogeschool noch zijn hart, noch zijnen geest, noch zijne pen. Toen hij ze verliet, was hij noch doctor, noch professor, noch dagbladschrijver, noch tooneeldichter. Maar hij was kunstenaar, meer dan ooit.

Vervolgens wilde hij in de redactie van een dagblad treden, maar hij aanbad het schoone boven alles en weigerde „een werktuig te maken van zijne pen”.

Dan begint een jammerlijk leven van voortdurenden tegenspoed en onbegrepen arbeid. In 1856 weigert hij eene plaats bij een makelaar in wijnen,—alles wat men hem aanbood.

Om het even, de jonge kunstenaar heeft wilskracht en, door al zijn kommer heen, maakt hij eervol naam in de Fransche letterkunde. Buiten en behalve menigvuldige gewaardeerde bijdragen in dagbladen en tijdschriften, levert hij, in 1856, les Frères de la bonne trogne (Brabantsche legende); in 1857, de Légendes flamandes et wallones, die een ongemeenen bijval ontmoeten en door de Fransche pers vleiend beoordeeld worden; in 1861, de Contes brabançons.

Zijn peter, de aartsbisschop, had hem sedert lang zijne bescherming onttrokken, die hem zeker ware bijgebleven, hadde De Coster zijne studiën in de Hoogeschool van Leuven willen doen. Hij had Brussel verkozen, waar hij vrienden vond. Dat was eene keuze doen voor de algeheele vrijheid des geestes. In 1863 wordt het petekind van den aartsbisschop van Tyrus lid van de Vrije Gedachte van Brussel. Hij was toen in den vollen bloei van zijn eersten bijval en gansch vervoerd door zijne liefde voor het schoone.

Zijne liefde voor het volk, voor het wakkere Vlaamsche volk, stuwt hem voorwaarts en houdt zijn machtig genie bezig. De schilder Dillens zijn vriend, bezat in zijn werkhuis een verzameling oude Vlaamsche boeken. De Coster en Dillens doen verscheidene reizen door Zeeland en Vlaanderen: de „Legende van Uilenspiegel” was van dan af geboren in De Coster’s brein.

De Legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak, in de letterwereld met ongeduld verwacht, verscheen in 1867 in een prachtige uitgave, opgeluisterd met twee en dertig etsen van negentien talentvolle kunstenaars.

Ziehier wat onder meer drie Fransche bladen zeiden van dat gewrocht:

La Liberté van 18 December 1868: „’t Is een heldendicht in proza, waarin het bloed zoo rijkelijk vloeit als het bier. Men zou zeggen een kermis rondom eenen brandstapel”.

Le Constitutionnel, 9 December 1868, wijdde drie groote kolommen aan Uilenspiegel, waarin de recensent het boek met Goethe’s Faust vergelijkt.

Le Corsaire: „’t Is een heldendicht in proza, ’t is de verheerlijking van den Vlaamschen geest”.

Heel de Fransche pers deelde dit gevoelen en drukte hare bewondering in de vleiendste artikelen uit.

Onze Busken Huët getuigde: „Hollanders noch Vlamingen bezitten een werk over de XVIe eeuw in Vlaanderen, dat met het meesterwerk van De Coster kan vergeleken worden”.

Na Uilenspiegel verscheen nog: Voyage de noce (1872) en le Mariage de Toulet (1879).

Edoch De Coster, die in het volle succes van de Légendes flamandes zijne vriendin verloren had, zag zich op 29 Juli 1869, wanneer Uilenspiegel zoo gunstig onthaald werd, nu nog zijne moeder ontrukken.

Die ramp schokte hem diep in zijn reeds droevig bestaan, want De Coster leefde veelal in armoede, niettegenstaande zijn talent en de gunst waarmede zijne werken ontvangen werden. Schrale schrijversrechten, karige toelagen, luttel betaalde lessen moesten hem vrijwaren voor ellende. Hij kloeg dan ook, steeds denzelfden strijd te moeten herbeginnen. In 1870 schreef hij: „Hoewel ik veel gewerkt heb uit lust en uit liefde, begrijp ik, sedert minder dan drie jaar, de schrikverwekkende waarde van het geld en de noodwendigheid van een arbeid, die, genoegzaam betaald, den mensch, met den welstand, ook vrijheid en vreugde schenkt”.

Maar daarom legde hij zijne fierheid niet af.

Toen eindelijk de regeering, een tiental jaren vóór zijnen dood, er aan dacht de verstandelijke hulpmiddelen van den grooten schrijver ten behoeve van het onderwijs aan te wenden, was het te laat. Hij stak zoo diep in schulden, dat zijne benoeming geen anderen uitslag opleverde dan eene opschudding te verwekken onder zijne schuldeischers, die zijn traktement aansloegen en hunne prooi niet meer loslieten.

Toen hij stierf, op 7 Mei 1879, verkeerde hij in de diepste ellende.


Den 22n Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Eisene een eenvoudig doch treffend gedenkteeken van den beeldhouwer Samuel ter nagedachtenis van De Coster ingehuldigd.

De laatste oogenblikken van Charles de Coster.

Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.

Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy, geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen, bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte, was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden, maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou ’s anderen daags namiddags terugkomen.

’s Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden, als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen, die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer, en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om heur te herkennen: „Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!” Daarna werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster, kwam pijnlijk over zijne lippen: „Ca...ro...line”. Het was zijn hart, dat ontsnapte. Het was twee uren.

Hector Denis.

Voorrede van den Uil1

Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme, waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te spreken. Dat is hunne zaak.

Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel, de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken met den slenter.

Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een—naar uwe meening—treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos, een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord, die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.

Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde, sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.

Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij de vogeltjes op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten, gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.

Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij toebehooren2 de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet, gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.

Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden koning, wreedaardig van jongs af—daarom is het een mensch—en dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig, gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin, kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een fortuin voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn; uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen, zoo ge mij niet deedt lachen.

Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen: uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden, uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper, aanklager en weerwolf, uw edelman die ’s nachts duivel speelt om eene onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die, geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken, ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van degenen die men doodt.

Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.

De uil is hij die in ’t geniep, eerroof stookt onder de lieden die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel dat Men onvindbaar is.

Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.

Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid, van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.

Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht, een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,—woede, daar waar vroolijkheid was.

Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt, de weeze stroopt, en zegepraalt in ’t vet, lijk anderen zegepralen in ’t bloed.

Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.

Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw is, moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan moede, in ’t water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet verdiende te leven.

Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer, zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.

Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid, vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets zal van overblijven.3

Bubulus Bubb.


1 Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.) 

2 Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel, ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van zijn werk. 

3 Over afleiding en beteekenis van het woord „Uilenspiegel” verschillen wij—en zeker de meeste Vlamingen met ons—teenemaal met Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van den Vertaler.)