The Project Gutenberg eBook of Goede Vaêr Tromp

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Goede Vaêr Tromp

Author: Pieter Louwerse

Release date: March 1, 2004 [eBook #11430]
Most recently updated: February 12, 2024

Language: Dutch

Credits: Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOEDE VAÊR TROMP ***

bladzijde 2

Goede Vaêr Tromp,
of
Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid Werden.

Geschiedkundig Verhaal
Voor ’t jonge Nederland,
door
P. Louwerse.

bladzijde 3

Jong Nederland!

Toen de Uitgever van Mannen van Sta-vast mij uitnoodigde weer een geschiedkundig verhaal voor U te schrijven, meende ik eerst u het leven van onzen grootsten zeeheld M. A. De Ruyter te schetsen. Reeds had ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen ’k Mr. J. van Lenneps Beroemde Nederlanders in handen kreeg.—Deze geleerde schrijver wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd Marten Harpertsz. Tromp en zegt o. a. van hem: ... “en nog heden wordt Tromp niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst te worden.”

En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de Engelsche schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij te Greenwich.

Mijn besluit was genomen; ik zou onzen De Ruyter niet schetsen, maar het leven van M. H. Tromp met u behandelen. ’K hoop, dat die ruil u niet berouwen bladzijde 4 zal. Van den “Vlissinger Michiel” weet ge immers toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis des Vaderlands over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over anderen? Bovendien kan ’k, door het leven van Tromp te nemen, beter voldoen aan het tweede gedeelte van den titel: Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid werden. Mocht “Goede Vaêr Tromp” eene welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden wat Joost van den Vondel eens schreef:


“Hij heeft zich-zelf in ’t hart der burghren uitghehouwen,
Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen.”

’s-Gravenhage, P. Louwerse.

Juni 1875. bladzijde 5

Een Winterdag op de Noordzee.

Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij even door het noorden naar het noordoosten ging.—Alsdan flonkerden de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het scheepsboord.—Op straat hebben we echter niets noodig; want we bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.—

Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.

Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch laken gemaakt.

Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.

’T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen wel aanzien ook. Zijne roode, volle bladzijde 6wangen waren nat geregend, doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want, gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht te zingen. Het was een “Prince-liedt” van den Frieschen dichter Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat, onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van zich te laten hooren.


“Vive le Prince de Oranje!
Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje.
Vive ons vrijheyds vaste Borgh.
Vive de Baeck daer wij na zeylen.
Vive de Loots-man van ons peylen.
Vive ons alderhooghste Sorgh!


Vive den Oorsprong van ons blijheyd.
Vive de Handhaver van ons Vrijheyd.
Vive die Schrijft: “Je Maintiendray.”
Vive die onse saeck houd staende.
Vive die onse weeld houd gaende.
Vive dat groene Pluijm-geway!


Vive de Vorsten van Nassouwen.
Vive den Held daer wij op bouwen.
Vive naest God ons toeverlaet.
Vive den geessel der vijanden.
Vive den Troost der Nederlanden.
Vive den Stuerman van ons Staet!


Vive ons Roem in Kloeke Daden
Vive ons Sorgh in wijse Raden.bladzijde 7
Vive de Waker voor ons Rust.
Vive ons Hoop in bange tijden.
Vive de Leydsman van ons strijden.
Vive den Vinder van ons Lust.


Vive de Spieghel aller deughden.
Vive de Schild van onze Vreughden.
Vive daar elck voor sterven zou.
Vive de Velt-heer in de Velden,
Vive, o Roem van alle Helden,
Vive Maurice de Nassou!”

Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld, precies als één, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen, doch nauwelijks had hij het geëindigd, of hij stond stil, wiesch de regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel, maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan Brederoo’s kluchtig Boeren Gezelschap.


“Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen,
Klaasjen, en Kloentjen, trocken t’ samen heen
Na ’t dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs,
Die worden off’ creen.


Arent Pieter Gijsen die was so reyn in ’t Bruyn,
Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn,
Wat scheefjes en wat schuyn.
Soo datse bloot, ter nauwer noot
Stongt hallif op sen kruyn.


Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen
Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,
In ’t root, in ’t wit, in ’t Groen,bladzijde 8
In ’t grijs, in ’t graeuw, in ’t paers, in ’t blaeuw,
Gelijck de Huysluy doen.”

De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw:


“As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam,
Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram,
En Dirck van Diemerdam,
Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt,
Met Tijs, en Barend Bam.”

Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang klonk, riep hij: “Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?”—

“In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,” hoorde men spottend van achter de boot roepen.

“Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet rijst!” zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.

“Welja,” antwoordde de knaap, dien we, “Jonge Kees” hoorden noemen, “wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders1 uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.


Want als de kost u niet en smaeckt,
Dan ben je in ’t Sieckenhuys gheraeckt.”—

“Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!”—2 bladzijde 9

“Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig niet zijn en mijne liedekens verwenschen!”—

Mijne liedekens!—Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was het van den noen tot middernacht!”—

“En ’t spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!” sarde Jonge Kees.

“Kwâjongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord, dan kan je de roôrokken opzoeken!”—3

“Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!”—

“Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...

“Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!” riep Jonge Kees en spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen met het gewone scheepskostje: gort met spek.

Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij, niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden mocht.

“Bar weer, hè?” zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.

“Ja!” was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.

De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij bladzijde 10wat. “Ligt de Brederode nog te Vlissingen, Huib? “Of is ze al uitgezeild?”—

“Weet ik het?” bromde Huib. “Van mijn part blijft hij voor goed aan wal!”—

“Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan konden de Vereenigde Provinciën ook wel zeggen: “Nacht, Nies, ik ga de nachtschuit in!”—

“Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb, zoo waar is het, dat de Vereenigde Provinciën zich er onder zullen werken!”—

“Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht bij Duins vergeten?”—

“Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo’n jongske moest daar niet van willen meêpraten. Toen was toen, en nu is nu!”—

“Denk-je dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls verteld....”

“Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje over spreken ook. Als ’t moet dan durft hij ’t onzen Hoog-Mogenden wel vlak in het aangezicht te zeggen!”—

“Een lieve jongen, die De With! Een....

“Wel ja, ’t staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik geen gelijk gehad toen ik zeî, dat je een wijsneus was?”— bladzijde 11

“Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven, om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: “Dat en doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!”—

“Dat’s waar!” zeide Huib.

“Zoo, dàt jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp, Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?”—

“Dat ’s ook waar!” was het antwoord.

“En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever gaan dan komen, zeg?”—

“’t Is waar, ’t is altemaal waar, Jonge Kees!” luidde het eenigszins ontevreden. “Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem, al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken, razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster, die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het Vaderlandt ghetrouwe!”—

“Dat’s waar!” zeide Jonge Kees op zijne beurt.

“En,” vervolgde Huib, “als je je plicht doet en toont dat je nog wat meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is hij alles weer vergeten!”—

“Ei, Huib, dat zou ’k maar zachtkens zeggen! Is hij bladzijde 12dan van onzen “Goeden Vaêr Tromp” zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen Ammiraal Jan Evertsen?”—

“Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt mèt, ja, soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem....”

Onderwijl Huib dit zeî, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen en weer.

“Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet gezegd!” schreeuwde Jonge Kees.

“Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!” riep Huib en ging voort met schudden.

“Laat me los, laat me los, laat me los!” klonk het thans nog luider uit den mond van den knaap.

Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende, zeî hij: Zie-je, zóó, zóó zal ik doen!”—

“Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk vernageld kanon!” antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.

“Wat, ik een vernageld kanon?” riep Huib verwonderd en toornig uit, “waarom zeg-je dat, kwajongen?”—

“Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?”—

“Heb ik dat gedaan? Ik?”— bladzijde 13

“Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn armen en schouders wel verbinden!”—

“Hoor, Kees, ’t is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel duiden! Als ze van mijn “Goeden Vaêr,” van mijnen ouden speelkameraad, kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!”—

“Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?”—

“Neen, maar....”

“Nu, wat dan?”—

“Nù zal je nooit kwaad van hem spreken, dat ’s vast!”—

“’n Lieve jongen!”—

“Ben-je boos, Kees?”—

“Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos, en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!”—

“’t Was een ongelukje, Kees, ’t was een ongelukje! Jij bent een veel te flinke “jooi” om jou te mishandelen.— Beloof me, dat je ’t me vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen om gekalefaat te worden, de historie van onzen “Goeden Vaêr!”—

“Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!”—

“Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen en de Duinkerkers uitgekeken!”—

“Ik meende daar straks een zeil te zien!”—

“Toen ik je zoo heen en weer schudde?”—

“Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is het weer!”—

Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide bladzijde 14richting en riep: “Eén zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!”—

“En ’t andere schip, Huib?”—

Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!”—

Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr.

“Waar zag-je ze, Huib?” vroeg de kapitein.

“Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!”—

Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra: “nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. ’T is een Engelschman, ’k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten den straatvaarder te verlossen.4

In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.

Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was onder bescherming van de Zuyerhuys. bladzijde 15

“Dat valt den Roôrok vast niet meê!” zeide Jonge Kees tot Huib.

“Meevallen of tegenvallen, ’t is me om ’t even,” bromde deze en mompelde tusschen de tanden, “en dat moeten wij zoo maar toezien!”—

Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en....

“’T weerlicht!” riep Jonge Kees.

Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren.

“Kapitein, kapitein, nòg niet?” vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht bij hem stond.

In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op het dek en knarste op de tanden.—

“Ze schieten weer!” schreeuwde Jonge Kees, die ’t nu niet langer voor weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende ijzeren plaat gegoten werden.— ’T was de kogel van den vijand, die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.

“In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag,” zeî Verschuyr. “Niet gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een paar ijzeren pillen te slikken!”—

Dat was geen dooven gezegd.— Alles beijverde zich om aan dat bevel gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het bladzijde 16schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond, het onderste boven gesmeten.

“Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle, daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roôrok ’nen kier zainen zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!” zeî een Vlaamsch matroos.

“Ik kan wel opstaan, hoor,” antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar terecht.

“Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!” hernam deze lachende, doch rolde toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek, tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zeî: “Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!”

Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en een slecht zeiler.—

Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in.

Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam, waar het twee dagen later behouden aankwam. bladzijde 17

Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen ter zee te vernemen.

Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zeî: “Vertel me nu de geschiedenis van onzen “Goeden Vaêr!” We hebben nu volop den tijd!”

Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of genen al zoo vaak verteld, ’t was hem nooit te veel om het nog eens en nog eens te doen.—Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en uit den wind en begon zijn verhaal. bladzijde 18


1 De scheldnaam “Koningsmoorders” werd door den Kommandeur Jan Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche zeevolk echter zeer op het Engelsche geheten was, zoo is het wel waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat het al kort na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze zeelieden in gebruik gekomen is.

2 Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.—Niet zelden gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen werden beproefde men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer stof tot ontevredenheid en daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. —Wie nu een eerlijk kapitein had, trof het; maar wie dien niet had, klaagde dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.—Hoe lang deze wijze van handelen geduurd heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte nog bestond.

3 In een der journalen van Tromp leest men van “Capteijn Fielding en nog een andere Roôrok.” De haat tegen al wat Engelschman was strekte zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers.

4 Straatvaarders waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen.

Een dag Vacantie.

’T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne moeder zei: “Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in den weg. Is er niets te doen voor je?”

“Ik en weet het niet, moeder!”—

“Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen ledigen tijd geenen weg weet. ’T is meer dan erg!”—

“Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!”—

“Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den Hoogendijk?”

“Ja, moeder!”

“Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?”—

“Ja, moeder, ja, daar woont het “Kregelige Mennonietje!”— bladzijde 19

“Wie zegt je, daar, jongen? Het “Kregelige Mennonietje?”—

“Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie eens zien. Vooral als wij hem “Kregel Mennonietje” noemen dan stampt hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in ’t aangezicht. Want weet u, moeder, Witte’s vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!”—

“’T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo’n armen knaap te bespotten omdat zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat spulletje alleen?”—

“Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!”

“Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel te goed voor zoo’n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn, ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!”

“Gij zoudt hem slaan, Moeder?—Als Marten uw jongen was zoudt ge dat niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!”—

“Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!”—

“Wat dan, Moeder, wat dan?”

“Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel uit! Reken daarop!”— bladzijde 20

Toen moeder dit zeî sprong ik wel twee voet hoog van den grond en begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan, dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!—Kan-je lezen en schrijven, Jonge Kees?”—

“Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen dominé geleerd. Die man houdt veel van me!”—

“Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden, niets dan matroos.—Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan ik.—Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.

Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had, zeî ze: “Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil, ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft dan Meeuwisz. hier in de buurt!”—

Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de stem van mijn vriend Marten riep: “Moeder Maerlant, mag Huib zich wat met ons buiten de poort gaan vermeien?”—

“Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!”

“Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk eenen schoonen dag!”— bladzijde 21

“Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken verleidt!—

Zoo’n oorlof, zoo’n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo’n schoolmeester arbeidt van de week maar vier en een halven dag! ’T is erg, meer dan erg!”—

’T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.—

“Je moet naar den vader van ’t “Kregelige Mennonietje,” Huib,—riep Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.—

“Ja,” gaf ik ten antwoord. “’K moet kippenvoer gaan halen!”

Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: “Voor den noen terug, hoor! Heb-je ’t verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge den hond in den pot!”—

Ik zeide “ja!” doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.

Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit.

“Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!” riep nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van Duvenvoorde.

“Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!” antwoordde Joost Van de Werve, dien we wel eens uitscholden voor bladzijde 22

“Spanjool” omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in 1574 in den Waterslag bij Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader een groot vriend.

“Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?” vroeg ik.

“Jongens, hoort ge ’t? Hoort ge ’t?” riep Marten. “Hier is een sul, die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met dien Reinier Claessenz is voorgevallen!”—

“Lacht hem uit! lacht hem uit!” klonk het thans van alle kanten.

“Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit Claesz. Van Valkesteijn. “Wat doet hij dan met eene vlag te loopen, als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!”

“Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!” riepen thans eenige jongens.

Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende, zei hij: “Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen jaar oud en ben ik het ook niet?”—

“Ja, ja,” joelde het troepje. “Gijlieden zijt even oud!”

“En is Huib mijn vriend niet?” hernam Marten.

“Ja, dat is hij!” antwoordde Simon Van Duvenvoorde. “Hij krijgt op de school al de klappen, die gij verdient!”—

“Dat is niet waar!” zeide Marten. “Gisteren nog heeft de meester mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het geval van onzen Claessensz. verteld?”— bladzijde 23

“Dat hebt gij gedaan!” sprak Gerrit.

“En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten, zegt?”—

“Dan wisten wij niemendal, Marten!” sprak Simon.

“Welnu,” hervatte Marten, “ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd wat er gebeurd is, en daarom kan hij ’t niet weten ook! Luister, Huib, ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu stond ook dit:—

In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen, die uit de Oost- en Westindiën kwamen, te onderscheppen en als prijs naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter zes schepen van de vloot afgescheiden; de “Vice-Ammiraal Reinier Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo.1 Deze zond onverwijld het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de vijf Hollandsche schepen op de vlucht.—Claessensz. wilde van geene overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden, of de lont in het buskruit steken.—Ze kozen allen het bladzijde 24laatste en na een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand in ’t kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat zeker verteld hebben! Hoe vind-je ’t, Huib, mooi, hé?”

“Ja, mooi, mooi!” riep ik en schreeuwde: “Leve Reinier Claessensz!”

“Leve Reinier Claessensz!” klonk het uit den mond der anderen. “En weet ge wat we nu gaan doen, Huib?” vroeg Marten.

“Neen,” antwoordde ik.

“Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje te spelen! Ga-je meê?”—

“Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoêr bij Cornelis Wittensz. De With en vóór den noen thuis zijn!”—antwoordde ik.

“Bijlo, alsof dat niet en kon! ’T is nu acht uur. We gaan eerst naar den Hoogendijk om kippenvoêr te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs den Voorweg op den Burgheuvel zijn!” sprak Marten.

“Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het nader!” meende Willem Hugensz.

“Dat zal geen vijf minuten verschillen,” zeide Marten.

“’T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!”—-

“Zullen we voor den noen thuis zijn?” vroeg ik; want mijne moeder was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval—

“Een uur vóór den noen zelfs!” sprak Jan Roete. “’T gevecht is in een uur afgeloopen!”— bladzijde 25

“Dan doe ik het!” riep ik en snelde toen met de anderen naar het huisken van het “Kregelige Mennonietje.”—

Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor men op het erf van zijnen vader kwam.

“Is je vader thuis? vroeg ik.

“Nee,” antwoordde hij kortaf.

“Je moeder dan?” vroeg Marten.

“Ook al niet,” zeide Witte.

“Komen ze niet gauw thuis ook?” vroeg Simon.

“Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!”—

“Wat moet jeluî hier doen, bengels?” vroeg eensklaps eene vrouw, die van achter het huis kwam, “Komt gijlieden mijn arm jongske weer plagen?”—

“Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen,” zeide ik en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.

“Zoo, dat is wat anders,” zeî ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra mede terug.

“Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?” vroeg ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.

“Neen, moeder De With,” zeide Marten, “er is heel wat anders gebeurd.” Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier Claessensz. te vertellen en toen hij geëindigd had, sloeg Witte’s moeder de handen in elkander en riep: “Fij, fij, en hierover maken de jongskens zulk een getier? ’T ware beter dat gijlieden deedt als mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker- eenen slag geeft!”—

Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl Marten vertelde, was de kleine jongen,—die bladzijde 26echter nog al kloek en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden eerst zeven jaar oud was geworden,—naar buiten gekomen en stond met glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.

“En waarheen gaat het nu?” vervolgde moeder De With.

“Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!” zeide Jan Boete en voegde er terstond bij: “komt, jongens, anders wordt het te laat!”—

“Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden, hé? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?”—

“Ik zou ook wel willen varen, moeder!” antwoordde Witte.

“Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!”—

“Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet toch niet altijd vechten, wel?”—

“Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog iemand kippenvoêr? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!”—Zeide moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.

“Leve Reinier Claessensz. en het “Kregelige Mennonietje!” schreeuwde een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.—

En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra bleek het dat zij dien bladzijde 27kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden; want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we gedacht hadden.

Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.

De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan.

“Kijk, daar staat al een jongen op!” riep Simon.

“’t Is ons Kregel Mennonietje!” zeî Marten.

Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zeî: “Hoe komt gij hier?”—

“Op mijne beenen!” antwoordde Witte. “Denk-je dat ik vliegen kan?”—

“En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?” vroeg ik.

“Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!” sprak Witte.

“Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,” zeide ik. “Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met kippenvoer!”—

“Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er Claessensz. zijn?” riep Marten.

“We zullen er om trekken!” antwoordde Simon Van Duvenvoorde. “Hier, Witte, onderwijl wij kogels maken, moet bladzijde 28gij twintig stokskens snijden, maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens voor zijne matrozen kiezen!”—

Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug en daar ging het op een trekken. De “Spanjool” had het langste en koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen.

“Onze wapenkreet is “Holland!” sprak de “Spanjool.”

“En de onze is “Spanje,” antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.

Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de hoogte op.

“Wacht,” riep ik, “’k zal je leeren mij aan boord te klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!”—

Spanje! Spanje!” klonk het van beneden.

Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had niet de “Spanjool” het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en tegengehouden.

“Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!” schreeuwde thans Witte uit al zijn macht, “ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo’n kogel tegen mijn hoofd te smijten?”—

“Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal Claesensz.!” schreeuwde ik naar beneden.

Plof! Daar kwam al weer zoo’n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van boven neer.

Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van “Spanje! Spanje!” ontvangen. Onder het rollen voelde ik bladzijde 29dat ik vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik: “Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!”—

“Ik en mag niet krabbelen!” zeî hij bedaard. Misschien zou hij nog meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: “Spanje! Spanje! de ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!”

“Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal “moord” roepen!”—

“Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!” riepen onze vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw ons in de ooren geklonken had.—

Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun beiden op mijnen zak met kippenvoêr, die heelemaal berstte. Onder het worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoêr en dat, wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden, want het was doornat en vol modder en kroos.

“Dat is jou schuld, krabbelaar!” riep ik. “Jij hadt er op moeten passen! ’T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoêr en eenen nieuwen zak teruggeven!”—

“’T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid bladzijde 30en ik en heb niet gekrabbeld!” antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd uit de oogen sprongen.