Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen, schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders, die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.

“Ik en heb niet meê gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!” schreeuwde Witte terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.

“Nu is hij een Neger-Mennoniet!” riep Simon en de nieuwe scheldnaam werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel verleerd hebben.

Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok twaalf uren.

“o Wee, daar is ’t al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond in den pot!” riep ik. “Mijn kippenvoêr weg,—geen eten, en morgen misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld, Marten! Jij hebt mij meê getroond!”—

“Ja, Martens schuld!” herhaalden de overigen, die graag zich wilden voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden!

“Ik weet wat, jongens, ik weet wat!” sprak Marten, die erg in den knoei zat. “Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog eens twee maten kippenvoêr halen!”— bladzijde 31

“Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!” sprak Simon.

“En ik niet! en ik niet!” was het algemeen geroep.

“Dat behoeft ook niet!” hernam Marten. “Wij koopen het bij Meeuwisz. op het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!”—

“En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?” vroeg Joost Van de Werve.

“o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoêr bovendien!” antwoordde Marten.

Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar Den Briel, waar we een paar minuten voor één uur aankwamen.

Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning zijner moeder lieten vallen.

Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne Moeder zeî, dat zulke kwâjongens als wij waren maar zien moesten, dat zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen, doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zóó te vleien, dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen om ander kippenvoêr te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede eten.—Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier, borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zeî, de schrammen van de braamdoornen bladzijde 32kon ze niet wegkrijgen. Met die litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder, die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht.

Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw Tromp mij gegeven had en zeî: “Breng dat geld terug, kwâjongen! Je moeder heeft geene aalmoes noodig!”—

Schoorvoetende voldeed ik hieraan.

“Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander kom spreken,” sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen, liet glijden.

Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had, zei ze: “Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat vechten, stoeien en ravotten!”

“Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou....”

“Dat je naar bed gingt!” sprak moeder gestreng.

“Ja, maar Moeder, ’t is nog maar drie uren in den achternoen en nog veel te vroeg om te gaan slapen!”—

“Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!”

Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne slaapplaats op den zolder.—Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.

“De dag van ons oorlof is om,” dacht ik even en mij bladzijde 33eens omkeerende viel ’k alweer in eenen diepen slaap.—

“Goeden morgen, Moeder,” zeî ik toen ’k den volgenden morgen, wel wat vroeg, beneden kwam.

“Goeden morgen, Huib!” was haar antwoord.

“Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?”—

“Ja, jongen, zij is geweest!”—

“En?”—

“We hebben’t over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer naar zee gaat, kunt ge beide meêgaan!”—

“Hoezee! Hoezee!” juichte ik van blijdschap.

“Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge ’t dan waarlijk zoo kwaad bij uwe Moeder! kind?” vroeg ze met tranen in de oogen.

“Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En ’k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!”

“God geve ’t, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!”—

“Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?” vroeg ik.

“Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!”

Moeder sprak nog veel met me eer ’k naar school ging, en als ik me nu eens bedenk, wat die goede Moeder toen zeî, en hoe ze er slag van had, mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en niet langer thuis bleef! ’K zou het dan verder in de wereld gebracht hebben, dan nu! Maar, lacie, ’t is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?”— bladzijde 34

“’K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!” antwoordde Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.

“Zoo, maar ’k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet, dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en ’k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer geen oude boomen!”

“Dat veersken ken ik,” zeide Jonge Kees, “dat heb ik van stuurman Pronk geleerd; hoor maar.


“Terwijl het rijs is jonck en zwack,
En heeft niet eenen harden tack,
Terwijl het spruytje buygen kan,
Zoo moet een geestig boogert-man
Het boomken leyden metter handt,
Het boomken houden in den handt;
Ten eynde dattet zonder bocht
Ter voller hooghte komen mocht.
Leyt vriend’ en leert u weerde kint,
Zoo haest zijn eerste jeught begint,
Want kromt het dan, en recht gij ’t niet;
Zoo ist een eeuwigh huysverdriet.”

Is het zoo niet, Huib?”—

“Ja, jongen, zóó is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals ik het vergeten heb, dan zult ge op drieënvijftigjarigen leeftijd, als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!” bladzijde 35


1 Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen.

In de baai van Gibraltar.

Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester, dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral was ik hierin altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, ’k had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal geleerd en menigmaal anderen van het werk gehouden bovendien.

De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. Het was half vijf toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te worden; want de kleine vensterkens met in lood gezette ruitjes lieten, zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door.

De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden.

“Zeg jij het maar!” zeide ik en stootte Marten even aan.

“Neen, ik en durf niet!” luidde zijn antwoord.

“Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft uit te brengen?” klonk het andermaal.

Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: “Meester, wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende week naar zee!”—

De meester lachte even en herhaalde mijn woord “volleerd,” bladzijde 36doch rekte dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach schoot.

“Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! “Volleerd!” Wie heeft u gezegd, dat ge zoo spreken moest?”

Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets.

“Nu, kan iemand, die “volleerd” is, niet spreken als hem wat gevraagd wordt? Fij, zoo’n bijster verstandige kop moest weten, wat hij antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens, die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen alleen met den vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!”—

“De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel driest: “Ik en versta geen Latijn, meester!”

“Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch, en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, dat die Latijnsche spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: “De tijd, die voorbij ging, is verloren!”—

Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: “Jawel, meester, maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, dat wij beiden van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet “volleerd” zijn!”

“De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van hetgeen gij verzuimd hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar ’t venster in het licht, en laat mij in uwe oogen zien!”

Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: “Marten, ge hebt een’ braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God niet! Gij kunt en zult bladzijde 37een groot man worden, als ge dat doet! Dag Marten! De Heere zij met u!”—

Meester gaf hem de hand en schreiënde verliet Marten het schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar zeî alleen: “Kom over een paar jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!”— Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak: “Dag, Huib! Vergeet deze ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!”—

Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag was: “Wat heeft hij u voorspeld?”

“Niemendal,” antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging ’s avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap.

In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven op zee.

Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid ging nemen, hoorde ik, terwijl ik de Voorstraat overstak, mijnen naam noemen. Ik keek om en zag het “Kregelige Mennonietje” op mij afkomen.

“Ga-je naar zee, Huib?” vroeg hij gejaagd.

“Ja, wat is er van? Wou-je meê?”—

“o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!”—

“Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!”—

“Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?”— bladzijde 38

“Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene ondervinding!”

“En wil-je dan toch zeeman worden?”—

“Hé, waarom niet? Dol graag!”—

“En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet prettig is!” zeide Witte zuchtende.

“Loop stilletjes met ons meê, jongen!” zeî ik.

“Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren schoolgaan, en dan, dan,—als ze me willen doopen, dan word ik zeeman!”—

“Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen,” antwoordde ik. “En dan een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als er gevochten wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes meê; wij zullen je wel verstoppen tot we in volle zee zijn!”—

“Neen, ik moet leeren,—nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?”—

“Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?”—

“Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden, anders doe ik het niet!”—

Die kleine jongen met zijn leeren,—hij was mij in de school al heel wat vooruit,—en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken aan het afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven, zooals het behoord had, doch op den zonderlingen knaap, en met een “Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf, man, pluimgraaf word-je, anders niet! Als ik kapitein ben, dan neem ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag leelijke krabbelaar!”— bladzijde 39

Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg.

Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp aan het hoofd.

“Nu, jongen, ga met God,” zeî moeder; boog zich over mij heen en kuste mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op dit plekje kuste zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer in Den Briel kwam, had ik geerne weer op die plek een’ kus willen hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar nooit meer!”—

Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij ze schielijk af en vervolgde zijn verhaal.

Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van De Bare kwamen, werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.—Midden op de rivier gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet, een paar gotelingen afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij gisteren avond in het looze gevecht met den Roôrok!

“Waar gaat het heen, Marten?” vroeg ik.

Marten haalde de schouders op en zeide: “Vader heeft het wel tegen Moeder gezegd, maar tegen mij niet!”—

“Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo’n scheepsdek is wel wat hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je niet?”—

Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.—Heel vriendelijk zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten te houden. Zijn gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, bladzijde 40en men kon het hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de Spanjool kwam, maar wakker meekloppen.

Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij geen van beiden een woord spraken, vroeg hij:

“Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?”

“Dat ben ik!” antwoordde Marten.

“Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen, schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?”

“Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!” sprak Marten.

“Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer nog! En gij, jongen, hoe heet gij?”

Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: “Huib Maerlant”

“Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een excellent poëet?”—

Mijn vader een poëet? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens in Vlaanderland die poëet moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar niets af.

“Mijn vader is matroos, en vaart op de Oostzee!” zeide ik.

“Ei, ei, matroos, en jij in zoo’n mooi pak?”

Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij eene nette uitrusting te geven. “Als ge zoo slordig gekleed zijt,” had ze mij gezegd, “dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want als dat niet en gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er nooit iets van je, jongen!”—

Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde bladzijde 41ik daarom: “Moeder gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!”—

“Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat rekenen, zooals onze Marten of zooals die poëet, die dan toch zeker wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang dood! Ik houd mij met die poëterij niet op. Als ik te schrijven heb, dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook nooit vermaakt worden!”—

“Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan zijn, toen ik van school af moest!”—

“Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen, manneke! Ze zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid voortkomt; maar als je dan vraagt: “Wie is die Hans?” dan kennen ze hem evenmin als jij dien poëet Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij houden er hier aan boord van, dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en de barbier niet met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein, als je ’t niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten; want ik heb ook mijn werk! Adjuus!”—

“Wat ’n aardig man is dat! Die lijkt me!” zeide Marten.

“Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde ik. “Hij heeft je ook schoon gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net als die oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar matroos is!”—

“Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar of je kon lezen, schr....” bladzijde 42

“Och, loop jij naar de Mookerheide! Begin-je ook al van dat lezen, schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me dan maar links liggen!” gaf ik zeer verstoord ten antwoord.

“Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in den weg gelegd, wel?”

Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op “Kregel Mennonietje,” op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze hadden allen het land aan mij dacht ik.

“Ben-je heusch boos, Huib?” vroeg Marten vriendelijk en ging lachende voor mij staan.

Nu werd ik nog nijdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid uitlachte en daarom zeide ik: “Zeker ben ik boos! Maar zoo ’n voornaam kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van een arm matroos, die op de Oostzee vaart! Ga maar weg en maak maar kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!”—

Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen, en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid, te beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik ’s avonds nog “genacht” wilde zeggen, was hij al in de hut van den schipper, waar ook hij zijne kooi had.—

“Ruzie gehad, kameraad?” vroeg een jong matroos met een heel ongunstig uiterlijk. “Ja, man, ’t is kwaad kersen eten met de groote lui, ze gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren geleden, had ik ook zoo’n mooien kameraad medegebracht; maar die vriendschap bladzijde 43duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den noen! Dat is een heele tijd, hé? Maar ik heb hem laten walsen. Als je ’m eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij Katt. Wij zijn dus allebeî viervoetige dieren! Vreemd, hè! Zeg, vind je’t niet? Ha, ha, ha!”—

Hoewel ’k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond ik toch den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen, dat ik hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer goede maats met Marten te worden, hing hij mij aan ’t lijf als een klit en ik had geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het tusschen ons uit moest zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van elkander verwijderd. Van leeren kwam niemendal; want als ik mijn werk gedaan had, en ’k een oogenblik begon na te denken, dat er op die manier nooit iets van mij komen zou, dan greep ik wel eens naar een boek; maar ’t was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren af te troonen. Oogenblikkelijk was hij dan bij me en zeî: “Zoo, zoo, de student is weer aan het letters eten? ’K zou naar de Hoogeschool te Leiden gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm, een knap man; zoo ’n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw, is ’t niet?” En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap totdat ik het boek neerleî en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen. bladzijde 44

Eens op een’ dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan ’t kruisen op de Noordzee en in Het Kanaal, was ik bezig mijn baaitjen af te schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en zeî: “’T baaitje vuil, Huib? Ja, dat komt er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!”

Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde ’t wel, wie hij met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek met Jurrie zag, dan schaamde ik mij.

Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die vertrouwelijke omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn’ zoon veel in aanraking kwam.

Eens op een’ dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de Noordzee en in Het Kanaal was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel staan van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne lotgenooten op Nova-Zembla overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij echter, dat ik het niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er ook uitdrukkelijk bijgevoegd: “Niet over-vertellen, hoor!”

Nu wilde echter het geval, dat er s’avonds niemand meer aan boord was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er nog een ander geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en soms lang met Jurrie loopen praten, doch nu het al zooveel jaren geleden is, mag ik bladzijde 45het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon hij te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk door de mand en nu werd ik geroepen.

“Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks naar Spanje gaat?”

“Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!”

“Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge ’t aan Zwijn overgebriefd? Zeg maar “ja”, want uw gelaat wijst het uit, dat het zoo is!”—

Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen liet de kapitein Jurrie roepen.

“Wie heeft je gezegd, dat we naar Spanje gaan?” vroeg Tromp op eenen zeer barschen toon.

En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij antwoordde? Nu, hoor dan!

“Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig waren met een kabel te splitsen!”

Ik sprong op als een leeuw en riep: “Kapitein, hij liegt het!”—

Tromp fronste de wenkbrauwen en zeî alleen: “Ga heen, deugniet! Gij zijt uw gezelschap waard!”—

Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt: “Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!” Niemand vertrouwde mij; de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn, wilde ik niets meer te doen hebben. Zoo was ik dan den ganschen dag alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf; ik had eigenlijk nergens lust in en verlangde alleen naar mijne Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak. bladzijde 46

Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven kon.

Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van Lissabon, die De Taag genoemd wordt.— Alras vernam de Ammiraal dat er voor ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier naar de West-Indiën vertrokken en nog tien andere naar de Straat van Gibraltar. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad, die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van ons heel veel kwaad te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers aan boord moesten komen om met hem te beraadslagen over hetgeen er gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de bemanning van de sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het Ammiraalschip Aeolus gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert Hendrikse van de Tijger den Spaanschen Ammiraal,—en de Vice-Ammiraal Alteras, die op de Roode Leeuw bevel voerde zou met kapitein Bras van de Stadt Hoorn den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening nemen.—Zooals ik zeî vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we met onze sloep bij den valreep van de Aeolus op onzen kapitein lagen te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. “En nu mannen, zoo als besloten is, moedig op den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe manschappen in goede courage voor te bladzijde 47gaan. Een ieder doe zijn plicht; ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de Vereenigde Provinciën!

’K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de sloep, en ik sloeg met mijn riem in ’t water, alsof dat de vijand was, dien ’k wat geven moest.—

Weldra waren wij allen aan boord van de Bare terug.

“Mannen,” zeî de kapitein, “er is besloten den vijand aan te vallen! ’T is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent op u allen en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten tot den jongsten toont, dat er nog iets in u is overgebleven van den moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met de Griffioen aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?”

“Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!” klonk het van alle kanten.

“Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt,” sprak de oude Tromp bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen doen.—Daar wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden na. Toen het gebed afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op den vijand los.

Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij op den schouder getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan.

“Ben je nog boos, Huib?” vroeg hij.

“Ja, zeker,” gaf ik ten antwoord. “Zeker ben ik nog boos! Ik en heb niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft het ook nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel meê vechten, hoor!” bladzijde 48

“En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt, hebt?”

“Dan jok-je, want je gelooft het toch!”

“Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt ge veiliger!” zeide Piet Hein.

“Ik blijf bij Vader,” zeide Marten, “en Huib blijft bij mij! Wij zijn Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!”—

Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf; maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer boos en was, vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig heen en weer geslingerd, want de kapitein kommandeerde “vuur!” en de twaalf stukken, die we aan bakboordszijde hadden, gaven den Spanjool de volle laag.—Toen hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en te zien.—Te midden van het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons voorbij en Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en Piet Hein buitelde over hem heen.

“Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?” vroeg Hein aan Jurrie, die daar nog altijd op het dek lag.

“Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel - veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?’ sprak Jurrie.

“Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!” zeide Hein en stak hem de hand toe.

Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en zeî: “D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!’

De ongelukkige was dood. bladzijde 49

“Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!” bromde Hein en pinkte eenen traan weg. “Mannen, legt hem uit den weg; hij is de eerste aan boord!” beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie daar zoo lag, zeî Marten:

“Was hij je vriend, Huib?”

“Neen,” antwoordde ik, “ik was bang van hem!”

Marten zeî niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij dit gedaan had en opkeek riep hij: “Huib, kijk, kijk!”

En wat was er te kijken?

Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken, ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging eene rilling over mijn lijf! Dat was akelig!—

Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en grepen toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.—Daar sloegen de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader en nader!—De vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw, musketschoten, alles klonk door elkaâr! Wat ik toen gedaan heb, weet ik niet. ’K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het brandende galjoen vlak tegen ons aan liggen. Daar vlogen onze zeilen in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om het want en kropen naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden, rechts, links, naar alle kanten!—

Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... bladzijde 50dan waren we allen dood!—Ik dacht aan mijne moeder!—Arme moeder!—Ik dacht aan den ouden schoolmeester, aan ’t Kregel Mennonietje.... Daar vlogen de matrozen het want in!—He, wat kerels!—De kogels floten hun om de ooren;—de vlammen verschroeiden hunne hoofdharen, bakkebaarden, en kleeren!—Te vergeefs! De brand was niet te stuiten!—De matrozen kwamen weer naar beneden, en reeds stonden enkelen gereed om zich van de sloepen meester te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog kans op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut of tien geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde geweldig. Toch deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide pogingen met een gewenschten uitslag bekroond!—Wat zag de Bare er uit! Men kon zien, dat ze in het gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal gegeven, wakker gehouden had. Ook de Griffioen had zijn aandeel in het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand verminderde echter het geschutgedonder en zoo goed en zoo kwaad dit kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.—

Daar zag ik de Aeölus en: “Marten, schipper, kapitein!” riep ik en liep ondertusschen van ’t voor naar ’t achterschip waar deze drie personen zich bevonden.—

“Wat is het, dolleman? Wat is het?” vroeg Hein.

“Kijkt dan toch!” riep ik. “De Ammiraals-vlag is te halver steng!”—

Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij bladzijde 51dat zag en de kapitein riep: “Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!”

“Onze Ammiraal is gesneuveld,” in een oogenblik was het op de geheele Bare bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart.

o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan....

“Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet, hoe ’t ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is afgeloopen en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij ’t niet gedaan had, dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel geheel en al vernield hebben!” zeide de oude Tromp.

“Met uw verlof, kapitein,” hernam ik, “toen ’k de Aeölus naderen zag, was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien neêrhalen!”—

“Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!” sprak Hein. “Een wakker man verloren!”—

“De overwinning is te duur gekocht!” bromde de kapitein en naar de davids gaande beval hij de sloep neer te laten.1

Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen, welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken hout, masten met fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen meer. Hier trachtte er nog een zwemmende het leven te redden en daar verdween een ander voor altijd in de diepte.

Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde hij van aandoening.

Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek van de Bare stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein iets te zeggen had, dat bladzijde 52ons allen aanging. Iedereen wilde weten of de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld.

“Luistert, jongens, luistert!” sprak hij.

“Laat mij ook luisteren!” sprak een onzer matrozen, die vreeselijk gewond op het dek lag. “Draag mij dicht bij onzen kapitein!”—

Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene speld kunnen hooren vallen.

“Jongens,” hervatte Tromp, “wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen zien! Wat zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie, ’t mocht zoo niet zijn!

Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg.

Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke overwinning is duur, heel duur gekocht! De Vereenigde Provinciën hebben een rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde geweigerd heeft; hij diende zijn Vaderland om niet, en hoe diende hij het! Waar zullen ze een vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?”

Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand zijns Vaders vattende zeî hij: “Vader, ik wil zoo’n Ammiraal worden!”—

“Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!” zeide Tromp; maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd en sprak: “Met God is alles mogelijk, jongen!”—

Zoo’n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, bladzijde 53niet, dat hij eenmaal aan ’t Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven geven zou.

Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden toch niet met die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van Heemskerk zelf had kunnen zeggen: “Wij brengen u de overwinning! De Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld erkent onze meerderheid ter zee!”— bladzijde 54


1 Davids zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip, waaraan de booten en sloepen hangen.