1 “In het oud-Hollandsch worden de persoonlijke voornaamwoorden zeer veel uitgelaten, soms ten nadeele der duidelijkheid” (De Haan, Priangan II, bl. 44, noot 8).
2 Men vindt: lamiren, lemiren, limiren, lumiren; de laatste schrijfwijze is de juiste. Vgl. Dagr. Japan 21 Maart 1665 “gingen met het limiren van den dagh onder zeijl”.
3 “een touw bot vieren”, een touw tot het einde laten afloopen (Van Dale, Gr. Wdb. Ned. taal). Volgens eene andere uitlegging zou de juiste uitdrukking zijn: bocht vieren en zou men moeten verstaan: “wij lagen zoo nabij den wal ten anker dat wij niet nog meer bocht van kabeltouw konden uitsteken om wat veiliger te liggen”.—Vgl.: “De gequetste visch duikt aenstonds na de grond: waerom de matroosen vaerdig bot geven” (Montanus, Gesantschappen, bl. 449).
4 gaelderij of galerij, destijds de uitbouwsels aan het achterschip, soms van “kerkraampjes” voorzien welke onmiddellijk uitkwamen op de kajuit van den gezagvoerder.
5 troppen d. i. troepen. Vgl. De Ruijter in zijn journaal dd. 10 November 1659: “doe sprong het volck met troppes over boort”.
6 d.w.z. tusschen de kust van Formosa en den vasten wal van China.
7 lens houden d.i. droog houden, zoodanig dat het laatste water uit het benedenschip is verwijderd, voor zoover dit met mechanische hulpmiddelen doenlijk is.
8 de ongeveer driehoekige betimmering voor aan het schip.
9 de afsluiting van het achterschip.
10 d.i. één uur ’s nachts.
11 d.w.z.: lieten de ankers vallen na het schip, door middel van het roer, te hebben doen oploeven.
12 d.w.z.: de ankers hielden niet.
13 d.w.z. het schip raakte onmiddellijk den grond.
14 groote vaten.
15 “Wijntint of tintwijn, tinto, alzoo genoemd naar de Rio Tinto in Zuid-Spanje ... Het is een roode, zoete, samentrekkende Spaansche wijn” (Speelman, Journaal, bl. 275, noot 2).—“Wyn-tint by de Japanders hoog geacht, betalende voor ieder Gantang 5 Thayl” (Valentijn V, 2, bl. 93).—Onder de geschenken “aen den Keijser van Japan”, den Sjogoen, behoorden in 1660 ook 24 kannen wijntint. Nog bij Res. 5 Januari 1768 wordt verstaan wijntint voor ’t Binnen Hospitaal te Batavia te verstrekken. Waarschijnlijk was de wijntint aan boord van de Sperwer ook voor de zieken bestemd.—“Weintinte ist ein roth Getränk, und wird unter andern für die Ruhr gebraucht.... und wird (so viel wir wissen) von Holland nach Indien gebracht” (Chr. Arnold, Beschreibungen, 1672, II, bl. 822, noot).
16 “De Boekhouders ... hebben sig in ’t minste met de regeringe van ’t Schip niet te bemoeijen, nog enige sorg omtrent ’t selve te dragen; sy hebben in de Krijgsraad de derde stem, en moeten benevens de Schipper en Opper-Stuurman goede toezigt en sorge dragen voor de goederen van de Compagnie, en alles aanteikenen wat uit ’t Schip gaat, of in ’t selve word geladen, daar sy ook rekenschap van moeten doen. Vorders is de Boekhouders bedieninge, de Scheeps Boeken, so Grootboek, Journael als Monster-rolle te houden, en yders naam wel aan te teikenen, en op de Boeken bekent te maken, opdat van ’t ene Boek tot ’t ander kan gesien worden waar de menschen zijn verbleven, of deselve dood of in ’t leven zijn, en wat yder te goed heeft of te quaad is.
Sy zijn ook gehouden te schrijven en te boeken alle Testamenten, Codicillen, Inventarissen, Resolutien, Sententien,en diergelijke meer; ook Copye van deselve geven aan de gene, die deselve mogt eisschen. Tegens dat de Schepen voor Batavia aanbelanden, moeten sy de rekeningen van al ’t volk tot op ’t sluiten gereed maken, en yder debiteren en crediteren voor soo veel hy aan de Compagnie te goed heeft of te quaad is, en deselve voor de Matrosen van ’t Schip gaan onderteikenen en haar deselve overleveren; welke Rekeningen yder gehouden is te bewaren, want moeten met deselve haar te goed hebbende gagie ontfangen: dog so ’t gebeurde, dat imand sijn Rekening by ongeluk of by verlies van’t Schip verloor, deselve kan ten allen tijde op ’t Kasteel van Batavia, (daar alle Copy van de Scheeps- en Land-boeken worden bewaard) een nieuwe Rekening verkrijgen” (Oost-Indische Spiegel enz. in N. de Graaff, Reisen, bl. 26–27).
17 “De Schiman is so veel als een twede Bootsman: want gelijk dese de Grote en Besaans-mast, en wat tot deselve behoord, moet besorgen, so moet de Schiman sijn toesigt hebben op de Fokke-mast en Boegspriet en wat tot die beide behoord, en alles wat deselve van bloks of touwerk van noden heeft, van de Bootsman versoeken. De Schiman moet in ’t laden en lossen altijd in ’t ruim wesen, en de goederen behoorlijk weg stuwen, ook de zware touwen in ’t kabelgat weg schieten, en op de Fokke-hals, Schoten en Boelyns passen. Hy heeft mede een Schimans Maat en welke hy vorders van noden heeft tot sijn behulp. Sijn verblijfplaats is mede in de bak, en schaft by de Hoogbootsman” (Oost-Ind. Spiegel, bl. 28).
18 “Yei-na-ra, Royaume du Japon” (Dict. Cor. Franç., bl. 26).
19 Jirpon, vermoedelijk voor den Japanschen naam Nippon of den Chineeschen Jihpĕn.
20 Hieruit valt niet anders te lezen dan dat de stuurman wist waar de schipbreukelingen te land waren gekomen en dat hij nu van de gelegenheid gebruik maakte om de juiste ligging te bepalen van het Quelpaerts-eiland. Vgl. Witsen, 2e dr., dl. I, bl. 150 noot: “Hoewel Meester Mattheus Eibokken, die een der geener is welke aldaer gevangen zijn gebleven, mij bericht ... dat het Eiland Quelpaert hetgeene is, in ’t welk zij gevangen wierden, en daer haer Schip was gestrant, ter plaetze als boven gemelt, voegende daer bij dat de Stuurman van hun gebleven Schip, hetzelve kende, en dat de Japanders daer nu niets te zeggen hebben”. Het is jammer dat Witsen niet heeft vermeld hoe de stuurman aan zijne bekendheid met het Quelpaerts-eiland is gekomen. De opperstuurman Hendrik Janse van Amsterdam kan hebben behoord tot de opvarenden van de Patientie die in 1648 vlak bij “Quelpaerts-eiland” kwam (zie Inleiding, bl. XLIII). Ook kan hij aan boord zijn geweest van een der schepen Sperwer of Patientie toen deze in September 1651 van Batavia naar Perzië zeilden, en te Batavia of gedurende deze reis door het scheepsvolk van de Patientie over Quelpaerts-eiland hebben hooren spreken; misschien heeft hij het eiland Quelpaert leeren kennen uit eene voor Schippers bestemde manuscript-kaart, waarop het na 1642 was vermeld (Vgl. Inleiding, bl. XLIX, noot 4).
De passage over de ligging van Quelpaerts-eiland luidt in de:
I. Uitg.-Saagman: “onsen Stuerman had de hooghte genomen, ende bevonden ’t selve Eijlandt te leggen op de hoogte van 33 graden 32 minuten”.
II. Uitg.-Stichter: “hier wesende hadde onse stuerman de hooghte genomen ende bevonden Quelpaerts Eylant te zijn, leggende op de hooghte van 33 graden 32 minuten”.
III. Uitg.-van Velsen = II.
IV. Montanus, Gesantschappen, bl. 430: “Ondertusschen nam de stuurman hoogte: en bevond Quelpaerds eiland te zijn, alwaer ’t schip verlooren. Dit leid op drie en dartig graeden en twee en dartig minderlingen”.
Vertalers van Hamel’s Journaal hebben deze passage aldus weergegeven: “Als wir nun daselbst waren, hatte unser Steuermann die Höhe genommen, und so viel befunden, dasz disz Quelpards insel were, so auf der Höhe von 33. graden und 32. Minuten gelegen” (Arnold’s vertaling, Nürnberg (1672) bl. 825).—“Le Capitaine, ayant fait des observations, jugea qu’ils étoient dans l’Isle de Quelpaert, au trente-troisième degré trente-deux minutes de latitude” (Histoire générale des Voyages, VIII, bl. 416).
Het eiland strekt zich in werkelijkheid uit van 33° 12′ tot 33° 30′ zoodat, de onvolkomenheid der toenmalige instrumenten in aanmerking genomen, de aangegeven breedte van 33° 32′ zeer nauwkeurig mag heeten.
De plaats waar de Sperwer strandde, is door Von Siebold “Cap Sperwer” gedoopt. (Zie “Geschichte der Entdeckungen”, bl. 169).
21 De Compagnie dreef in Japan grooten handel in herte- en roggevellen welke vooral op Formosa, in Siam en in Kambodja tot dat doel werden ingekocht.
22 “Tai-Tjyeng, Ville murée à 2076 lys de la capitale; 5 cantons; dans l’ile de Quelpaert. 33° 21′—124° 2′” (Dict. Cor. Franç., bl. 16**). N.b. Als eerste meridiaan is in dit woordenboek aangenomen de meridiaan van Parijs (O.lg. van Greenwich 2° 20′ 15”).
23 In gedrukte uitgaven: “packhuijs”.
24 Moggan?. Zie Inleiding, bl. XXII, noot 2.
25 Zoo luidde de titel van den Gouverneur.—“Die Städte 1. Ranges sind ... Sitze eines Mok så (schin. Müsse) d.i. Kreisgouverneurs” (v. Siebold, Geschichte, u.s.w., bl. 167). Zie ook Inleiding, bl. XXII, noot 5.
26 “Congee. In use all over India for the water in which rice has been boiled.... It is from the Tamil kanjī “boilings”.... “1563. They give him to drink the water squeezed out of rice with pepper and cummin (which they call canje “Garcia” (Hobson-Jobson, New ed. 1903, bl. 245).—“The most common drink, after what the clouds directly furnish, is the water in which rice has been boiled” (Griffis, Corea, 1905, bl. 267).
27 Dit was Mattheus Eibocken van Enkhuizen, in 1652 met het schip “Nieuw Enckhuijsen” in Indië gekomen voor Barbarot à 14 gld. pr maand. (Zie bijl. Ia). Hij moet toen ca 18 jaren oud zijn geweest (Vgl. Vragen door den Gouverneur van Nagasaki aan de schipbreukelingen gesteld. No. 54; zie bl. 73).
“Barbarots mogen in Indien niet aangenomen werden, die daarvoor uijtkomen werden bij tijtsexpiratie niet hoger verbetert als tot 12 guld. ter maant, ten ware dat haar bequaemheijt een derde chirurgijnsplaats konde ophalen als wanneer van 14 tot 16 gulden kunnen worden verhoogt. Siet het reglement van 1680, art. 36 fo 1420” (Mr. Pieter van Dam, Beschrijvinge, boek 3, deel 1, caput 14, fol. 255).
28 lees: “met eene door het jacht Ouwerkerk genomen jonk herwaarts verdreven”. Zie de juiste toedracht in Bijlage Ia en IIIa.—Vgl. van Dam, Beschrijvinge, boek 2, deel 1, caput 21, fol. 320: “dat hij ao 1627 op ’t jagt Ouwerkerk had gevaren, en bij geval met een Chinese jonck daar was geraakt”.
29 Ao 1637. Zie Griffis, Corea, 1905, bl. 158 en 157.—Vgl. Missive Opperhoofd Couckebacker aan G.G. van Diemen, Firando 20 Nov. 1637: “... bij loopende geruchten vernamen hoe [de Coreesche Gezanten] aen de Majesteijt [den Sjogoen] souden versocht hebben bij aldien haer geliefden assistentie tegens den Tarter te doen, t’selfde door den Heer van Fingo soude mogen geschieden”.
30 d.w.z. in Indië.
31 de hoofdstad Seoul.
32 Benjoesen = Japansche beambten, misschien eene verbastering van “bungio or bugyo = governor or superintendent” (C.J. Purnell, The Log Book of William Adams, bl. 194).—“Op ieder schip, dat gelost werd, zit een Onder Geheimschrijver, of Banjoos” (Valentijn V, 2, bl. 38).—“Den 28en dito werden 4 Banjoosen belast, om de schepen te lossen, waar van ’er 2 aan land, en de andre aan boord moesten blijven om alles, wat ’er af, of aankomt, malkanderen schriftelyk toe te zenden, en streng te onderzoeken” (Valentijn, a.v., bl. 84).—“de bongioysen en de verdere dienaren die de scheepsboots in het halen van water geleijden” (Res. 31 Mei 1701).
33 Uitg.-van Velsen en Stichter: “yder een Rock, een paer Leersen, Kousen en een paer Schoenen”; uitg.-Saagman: “een dozijn Schoenen”.
34 Hiertoe heeft misschien het scheepsjournaal van de Sperwer behoord.
35 d.w.z. te Nagasaki aangekomen.
36 Uitg.-Saagman, Stichter en Van Velsen geven de namen van de drie nog in leven zijnde maats, nl. “Govert Denijs en Gerrit Jansz, beyde van Rotterdam ende Jan Pietersz de Vries” (Vgl. “Vragen” No. 54, bl. 73).
37 d.i. vlechtwerk van touw tot lange, platte slierten bewerkt.
38 d.i. wij geraakten.
39 De toedracht zal ongeveer zoo zijn geweest: mast en zeiltuig vielen buiten boord, waarna men den mast weer overeind kreeg en de ra (of den spriet) met het zeil door middel van de platting tijdelijk aan den mast bevestigde; tijdens het hijschen van deze ra (of spriet) met het daaraan hangende zeil, raakte echter het spoor van den mast (in dit geval de houten klos waarin het ondereinde van den mast zijn steun moest vinden) ontzet, tengevolge waarvan het tuig opnieuw overboord viel.
40 Dit was het ook in China gebruikelijke en aldaar bij Europeanen als “cangue” bekende schandbord. “Public exposure in the kia, or cangue, is considered rather as a kind of censure or reprimand than a punishment, and carries no disgrace with it, nor comparatively much bodily suffering if the person be fed and screened from the sun. The frame weighs between twenty and thirty pounds, and is so made as to rest upon the shoulders without chafing the neck, but so broad as to prevent the person feeding himself. The name, residence, and offence of the delinquent are written upon it for the information of the passer-by, and a policeman is stationed over him to prevent escape” (S. Wells Williams, The Middle Kingdom, I, 1899, bl. 509).
41 “Tjyei-Tjyou. Ile de Quelpaërt ... Résidence d’un mok-sa, gouverneur de l’île. 33° 33′–124° 16′” (Dict. Cor. Franç., bl. 19**).
“Cette île, qui n’est connue des Européens que par le naufrage du vaisseau hollandais Sparrow-hawk en 1653, était, à cette même époque, sous la domination du roi de Corée. Nous en eùmes connaissance le 21 mai [1787].... Nous déterminâmes la pointe du Sud, par 33d 14′ de latitude Nord, et 124d 15′ de longitude orientale” (Voyage de la Pérouse autour du monde. Paris, 1797, II, bl. 384).
De transcriptie “luo” zal een schrijffout zijn. Verg. “Vragen” No. 3 en 12: “Chesu”.
In de gedrukte Journalen staat: I. Uitg.-Saagman: “Dit Eijlandt bij haer Schesuw ende bij ons Quelpaert ghenaemt leijdt als vooren op de hooghte van 33 graden 32 minuten ontrent 12 a 13 mijl van den Zuijdt-hoeck van ’t vaste Landt van Coree.”—II. Uitg.-Stichter en III. Uitg.-van Velsen: “Dit Eylant bij haer en ons genaemt Quelpaerts Eylant, leyt op de hoogte van ontrent 30 graden 30 minuten, 12 of ontrent 13 mijlen van de Zuythoeck vant vaste lant van Coeree.”
Voor eene beschrijving van de hoofdstad van Quelpaert zie Belcher, Narrative of the voyage of H.M.S. Semarang, bl. 238 e.v.
42 “En volgens verder bericht van bovengemelte Benedictus de Klerk, aen my mondeling gedaen, is Korea zeer bevolkt” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 47).
43 “As Quelpart has long been used as a place for banishment of convicts, the islanders are rude and unpolished.... Immense droves of horses and cattle are reared” (Griffis, Corea (1905), bl. 201).
44 “Han-Ra-San. Grande montagne dans l’île de Quelpaërt, avec trois cratères de volcans éteints, qui forment des lacs. 30° 25′–124° 17′” (Dict. Cor. Franç., bl. 4**).—“This peak, called Mount Auckland,... is about 6.500 feet high” (Griffis, a.v., bl. 200).
45 “Hăi-Nam. Ville murée à 890 lys de la capitale ... Prov. de Tjyen-Ra. 34° 27′–124° 11′” (Dict. Cor. Fr., bl. 5**).—“Le ly équivaut a 1/10 de lieu environ” (Dict. a.v. bl. II**).
46 ?
47 “Na-Tjyou. Ville murée à 740 lys de la capitale ... 35° 13′–124° 10′” (Dict. Cor. Franç. bl. 10**).
48 ? “Tong-Pok. Ville à 726 lys de la capitale ... 34° 43′–124° 32′” (a.v. bl. 17**).
49 “The term “San-siang” used twice here, means a fortified stronghold in the mountains, to which, in time of war, the neighbouring villagers may fly for refuge” (Griffis, Corea, 1905, bl. 171).—“San-Syang. Sur la montagne. Dessous de montagne. Sommet de montagne” (Dict. a.v. bl. 373).
50 “Htai-In. Ville à 566 lys de la capitale ... 35° 33′–124° 29′” (a.v. bl. 18**).
51 “Keum-Kou. Ville à 520 lys de la capitale ... 35° 38′–125° 12′” (a.v. bl. 7**).
52 “Tjyen-Tjyou. Ville murée, capitale de la province de Tjyen-Ra, à 506 lys de la capitale... 35° 37′–124° 37′” (a.v. bl. 19**).
53 Volgens de Dict. Cor. Franç. (bl. 16**) was daarentegen Syong-to in de provincie Kyeng-Keui “ancienne capitale du royaume sous la dynastie précédente”.
54 “Tjyen-Ra-To (Tjyen-La-To). Province sud-oueste” (Dict. a.v. bl. 19**).
55 ? “Tchyeng-Am, Prov. de Tjyen-Ra. 35° 22′–124° 25′” (a.v. bl. 20**).
56 ?
57 “Tchyoung-Tchyeng-To. Prov. du sud-ouest, entre Kyeng-Keui et Tjyen-Ra” (a.v. bl. 21**).
58 “Yeng-Tchoun. Ville à 390 lys de la capitale.... Prov. de Tchyoung-Tchyeng ... 36° 59′–126° 8′” (a.v. bl. 2**).
59 “Kong-Tjou. Ville murée, capitale de la prov. de Tchyoung-Tchyeng, à 326 lys de la capitale. Résidence du kam-să ou gouverneur de la province ... 36° 23′–124°55′” (a.v. bl. 8**).
60 lees: Kyeng-keui.
61 “Kiung-kei, or the Capital Province ... is ... the basin of the largest river inside the peninsula. The tremendous force of its current, and the volume of its waters bring down immense masses of silt annually.... The tides rise to the height of twenty or thirty feet” (Griffis, Corea, 1905, bl. 187).—“Han-Kang. Fleuve qui arrose Sye-oul, Prov. de Kyeng-Keui” (Dict. Cor. Franç. bl. 4**).
62 “Sye-Oul, Nom générique qui signifie: capitale. Capitale du royaume de Corée” (Dict. a.v. bl. 14**).—De eigenlijke naam van “de Hoofdstad” was: “Han-Yang, Capitale de la province de Kyeng-Keui et de tout le royaume de Corée depuis 1392.... Ville murée, sur le fleuve Han. Résidence de la cour et des 6 ministères. Le gouverneur de la province réside en dehors des murs” (Dict. a.v. bl. 4**).
63 Bedoeld zijn de mijlen waarmede de zeelieden destijds rekenden, namelijk Duitsche mijlen van 15 in één graad, volgens de graadmeting van Snellius. Deze mijlen zijn ongeveer 7.4 K.M. lang, waardoor de afstand van Seoul tot het aanvangspunt der reis op 518 à 550 komt; recht gemeten bedraagt die afstand 190 (moderne) zeemijlen, d.i. 352 K.M. De dagreizen, twaalf in aantal, waren gemiddeld 45 K.M. lang. De afstand van Quelpaert tot Seoul werd later geschat op 90 mijlen of 666 K.M. (Zie “Vragen” No 12, bl. 67).
64 Van heel wat deftiger personages dan Hamel en zijne kameraden, werd in Japan verlangd dat zij den Sjogoen en zijn hof op eene dergelijke vertooning zouden vergasten.
Dagr. Japan, Donderdag 29 Maart 1691: “Hiertusschen waren wij [het Opperhoofd Hendrik van Buijtenhem en zijn gevolg bij de audientie te Jedo] nederleggende tot dat den Keijser [d.w.z. de Sjogoen] ... ons door den Oppertolck ... liet belasten regt op te sitten, mantels af te doen, hoeden op te setten, heen en weer te gaan, een liedeken te singen, op ons manier den anderen te complimenteren, te bekijven, eens te dansen, een droncke matroos te verbeelden, mijn vrouw en kinderen haar namen, onse eijgen en die van de Nangasackijse gouverneurs overluijd op te roepen, ijets op ’t papier te teijkenen en een stuck van een comedie te ageeren....
... de Messrs bij my sijnde songen op ’t versoek van geme regenten en tot vermaak van de Juffers, die bij menigte agter jalousij-matten saten, een hollands liedeken, komende met sons onderganck heel vermoeijt van hurken, bucken en kruijpen weder in ons logiement.” (Vgl. Valentijn, V, Bijzondere zaken van Japan, bl. 75).
De Bataviasche Regeering was er geenszins over gesticht dat men “voor de hoogheden allerhande grimassen heeft moeten bedryven en voor de Juffers helder op singen”, hetgeen “gansch niet met het respect van de nederlantse natie compatibel zij, immers in genen dele ten regarde van het Opperhooft”. Werden “soodanige sotte en narre potsen weder afgevergt” zoo moest men trachten zich te excuseeren, “immers ten opsigte van het Opperhooft, soo het in ’t generaal niet te vermijden” was. Voor die potsen was te minder reden omdat de Japanners zelven naar hunne “methode, aart en maniere veel meer van ernst als van jok houden”. De Regeering vond ook “dat soodanige aansoekinge mede gerede soude konnen afgewesen werden, als de onse haar ter occasie dat se door de groten genereuselijk getracteert werden, soo veel meesterschap over de kragt en bewegingh van den sterken drank maar tragten te behouden [dat zij] buijten postuur van fatsoen en bescheijdenheijt niet en geraken, maar door ingetogenheijt en stilligheijt een geheel andere verwagtinge van haren aard en ommegangh geven” (Res. 29 Mei 1692).
65 Vgl.: “het gebruijck van oppassers ofte lijfschutten soo door den gesaghebber als andere mindere bedienden [te Bantam]”. (Res. 17 Aug. 1708).
66 “Pyeng-Pou. Plaque en bois où on écrit le nom d’un dignitaire, qui en a une moitié; l’autre moitié est gardée par le gouvernement; c’est le signe de l’autorité donnée par le roi au mandarin” (Dic. Cor. Franç., bl. 321). Zie ook: J.S. Gale, A Korean-English Dictionary, 1911, bl. 429.
67 chiap = tjap; hier een Maleiisme. Vgl. Hobson-Jobson, onder Chop.
68 d.i. “met den Coninck ofte in Conincx dienst”.
69 d.w.z.: het eiland Quelpaert.
70 Deze voorstelling zal onjuist zijn; tribuut werd gebracht, niet gehaald (zie bl. 48, noot 3; bl. XXXIV, noot 1 en bl. 51, noot 3); de taak van de Tartaarsche gezanten moet een andere zijn geweest.
71 “Hamel does not state why he and his companions were sent away, but it was probably to conceal the fact that foreigners were drilling the royal troops. The suspicions of the new rulers at Peking were easily roused” (Griffis, Corea, 1905, bl. 172).
72 “Four great fortresses guard the approaches to the royal city. These are ... Kang-wa to the west.... Kang-wa, on the island of the same name at the mouth of the Han-River, is the favorite fortress, to which the royal family are sent for safety in time of war ... During the Manchiu invasion, the king fled here, and, for a while, made it his capital” (Griffis, Corea, 1905, bl. 190–191).—Namman Sangsiang is misschien een hoog gelegen punt van deze versterking geweest.
73 “Alsoo dit een bederffelijcke waere is” (Gen. Miss. 26 Maart 1622).
74 Uitg.-Saagman, Stichter en van Velsen hebben: “van de mijt opgegeten.”
75 d.w.z.: de Chineesche slaapbazen bij wie zij ingekwartierd waren.
76 zich gelaten = voorgeven, veinzen. Thans nog in gebruik (Woordenboek der Nederlandsche taal, IV, kolom 1051).—Verg. “’t schijnt naer dese gesanten haer gelaten” (Miss. G.G. de Carpentier aan Coen. Batavia, 29 Jan. 1624).
77 Witsen (2e dr. dl, I, bl. 50) zegt: “wanneer de Stuurman, die het Opperhooft was der gevangene Hollanders, meinende met den Tarterschen Gezant te vluchten, en hy onthalst wierde, dreigde men alle de overige te dooden”, maar geeft niet aan wie hem dit heeft verteld. Als een Koreaansche gevangenis niet beter was dan een Chineesche, kan het niet verwonderen dat Europeanen het daarin niet lang hebben uitgehouden. Vreemd komt het voor dat ook Weltevree niets over het lot der gevangen landgenooten heeft kunnen of willen vertellen.
78 Hamel was alzoo niet een van hen “die de spraeck best conde”. Heeft hij daarom misschien nagelaten zijn Journaal te verrijken met eene Koreaansche woordenlijst?
Van de voorgegeven stranding van een schip op Quelpaerts-eiland wordt verder niet gesproken.
79 Misschien om hen bij voorkomende gelegenheid als tolken te gebruiken.
80 Thiellado = Iulla Do (Ross) = Chulla Do (Griffis) = Tjyen Ra (Dict. Cor. Franç.).—Vgl. ook bl. 20, noot 8.
81 ?
82 “Pyeng-să. Mandarin militaire; général de 2me ordre, commandant d’une province ou d’une demi-province...; (il n’y en a qu’un dans chaque province; il est au-dessous du gouverneur)” (Dict. a.v. bl. 321)
83 d.w.z. “den ouden hadde ons vrij brandhout gegeven [maar de nieuwe] namt ons ten eersten af”, zoodat zij nu zelf aan het kappen moesten gaan.
84 linnen.
85 de hoofdstad, Seoul.
86 “De Japanders hebben op Korea eene bezitting of wooninge, daer hunne bevoorrechte vaertuigen aenkomen, die daer ter handel vaeren; want anderzins vaeren de Japanders nu niet over Zee: blyvende dan het Opper-gezag aen de Koreërs; zoo als de Japanders mede gehouden zijn, volgens verhael van een der gemelde Nederlanders die aldaer gevangen is geweest, aen my gedaen, binnens huis te blyven, en alzoo bewaert te worden, gelijk de Neêrlanders in Japan op ’t Eiland Nangasakki, opgesloten zijn” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 49).
“The possession of Fusan by the Japanese was, until 1876, a perpetual witness of the humiliating defeat of the Coreans in the war of 1592–1597, and a constant irritation to their national pride” (Griffis, Corea, 1905, bl. 150).
“Pou-san. Port, à 20 lys de la ville de Tong-nâi, ouvert depuis peu au commerce du Japon, qui y entretenait déjà une garnison de 200 soldats ... 34° 46′–126° 15′” (Dict. Cor. Franç., bl. 12**).
87 “The nineteenth King was ... the second son of the last king. This Prince commenced his political career at Moukden, where he had been sent as hostage by his father. In the second year of his reign, 1650, he organised the navy ... and died in the year 1659.
The twentieth King was ... son of the last, and born in Moukden, whence he returned a year before his father. He destroyed the Buddhist nunneries.... He died in 1674” (Parker, Corea, China Review XIV, bl. 63).—Vgl. Synchronismes chinois (Variétés sinologiques no. 24) Chang-hai, 1905, bl. 457, 462.
88 goed arms, ook wel goed armsch, weldadig, mild jegens de armen. Woordenboek der Nederlandsche Taal V, kolom 301, onder: Goed (I) waar voorbeelden worden aangehaald uit Bredero, Huygens, Bosboom-Toussaint en Beets.
89 “Stores of rice are kept at certain places on the coast, in anticipation of dearth in adjoining provinces, and royal or local rewards are given to relief distributors according to merit” (Parker, Corea, China Review XIV bl. 129).
90 Aker (in de schrijftaal verouderd), vrucht van den eik, eikel (Van Dale, Groot Wdb. der Ned. Taal).
91 Zie: Griffis, Corea, 1905, Chapter XXXVIII, Education and Culture en Ross, History of Corea, Chapter X, Corean Social Customs.
92 “Ko-Rye. Ancien nom d’un des trois royaumes de la presqu’île et dont le roi conquit les deux autres royaumes, n’en formant qu’un seul sous le nom de Ko-Rye, d’où est venu le nom de Corée” (Dict. Cor. Franc., bl. 8**).—“Tjyo-Syen. Nom de la Corée sous la dynastie actuelle depuis 1392” (a. v. bl. 20**).
”Li Chunggwei ... founded the dynasty which still rules Corea, and which has, therefore, swayed the Corean sceptre for more than four centuries. He moved his capital to its present site, to the city of Hanchung, on the Han river,—the name Seool or Seoul simply meaning “The Capital”. He also changed the name Gaoli, which had prevailed since the Tang dynasty [618–905], to Chaosien, the eldest known name of Corea, or any portion of it” (Ross, History of Corea, bl. 269).
”In A. D. 1368 the Yuan or Mongol dynasty was driven from the throne of China by the Mings, and shortly afterwarts (A. D. 1392) a Corean, named by the Chinese Li Tau, aided by the Emperor Hung Wu, rebelled against the Kao li dynasty, drove it from the throne, and established himself as the king of Corea. He chose for the title of his dynasty the words Ch’ao hsien “morning calm”, pronounced by the Coreans Chö sen. This is now the official name both for Corea and for the reigning dynasty, which derives its title from Li Tau. He also moved the capital from Song do to Söul” (C. T. Gardner, The Coinage of Corea, Journal China Branch R.A.S. New Ser. XXVII, 1895, bl. 74).—“Kouk. Royaume; empire; pays; gouvernement; état; nation” (Dict. Cor. Franç., bl. 203).—In China heet Korea: Kao li in het noorden en het midden; Ko lee in het zuiden.
93 Een aardig voorbeeld van het begin van alle “Kartographie”. Zoo vergelijken de Atjehers Groot-Atjeh met een “wan”, zoo vergeleken de Ouden den Peloponesus met een plataanblad, Spanje met een uitgespannen stierenhuid enz. Bedoeld is natuurlijk: de vorm van een rechthoek met de verhoudingen van ongeveer 3 op 8.
94 “Corea is divided into eight provinces, called Do.....Corea stretches from 33° 15′ to 42° 31′ N. lat; and 122° 15′ to 131° 10′ E. Long. Hence the greatest length of its mainland is as the bird flies, about 600 miles, and greatest breadth, east to west, over 300 miles” (Ross, History Corea, bl. 394, 396).
95 “By “Osacco” Hamel can scarcely refer to the city of Ozaka, but rather to that of Hakata in Hizen, at which place the Corean embassy from Séoul, bearing tribute to the “Tycoon” at Yedo, was accustomed to land on its way from Fusan” (Griffis, Corea, 1885, bl. 111, noot 2).
96 “Tăi-Ma-To. Ile entre le Japon et la Corée, appelée Tsou-shima en japonais” (Dict. Cor. Franc. bl. 17**).—“Tsushima. Group of islands situated in the middle of the strait that separates Japan from Korea ... The group comprises one large island and 5 small ones ... Since the 12th century, the island was the fief of the Sõ daimyō, who frequently had to defend himself against Korean and Chinese pirates. It was completely devastated by the Mongols in 1274 and in 1281” (Papinot, Dict., bl. 706).
97 “The entire northern boundary of the peninsula from sea to gulf, except where the colossal peak Paik-tu (’White Head’) forms the water-shed, is one vast valley in which lie the basins of the Yalu and Turnen” (Griffis, Corea, 1905, bl. 6).—“Păik-Tou-San. Mont. Prov. de Ham-Kyeng. Frontière N. de la Corée. A son sommet est un grand lac qui a 6 à 7 lieues de tour. 41° 59′–126° 5′” (Dict. Cor. Franc., bl. 11**).
“Mattheus Eibokken, Heelmeester, mede een der geener die in den Jare 1653 op Korea gevangen is geweest, heeft aen my mondeling bericht, dat van Korea na Tartarye of Niuche, het genoegzaem onbereizelijk is, vermits de hoogte der Bergen, en woestheit des gewest ... Dat ’er te Lande uit Tartarye, tot in Korea doortogt is, hier uit vastelijk kan werden beslooten, vermits ter tijd van zijn verblijf, de Keizer van Sina een geschenk dede aen den Koning van Korea, van zes Paerden, die te Lande uit Niuche in Korea gezonden wierden, zoo als hy zelve die hadde zien aenkomen” (Witsen, 2e dr. dl. 1, bl. 44).
98 “Zout weten zy van het Zeewater te maeken, dat heel goet is, waer mede de Nederlandsche gevangenen Haring zoutede, ’t geen by hen dus gedaen te konnen werden, onbekent was” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 57).
99 “En tot bevestiging, dat de Hollandsche Harpoenen op Korea in de Walvisch zijn gevonden, zoo hebbe ik met Benedictus Klerk van Rotterdam, welke op Korea gevangen geweest is den tijd van dertien Jaren, over deze Harpoenen gesprooken, die dan verzekert, wel toe te hebben gezien, wanneer in zijn tegenwoordigheit uit het lichaem van een Walvisch op Korea, een Hollandsche Harpoen wierde gehaelt, en zegt uitdrukkelijk zulks aen het maekzels gezien te hebben. Hy gaf reden van kennis, dat hy en andere zijner makkers, in hun jeugt uit Holland op de Groenlandsche Visschery hadde gevaeren, en vervolgens de Harpoenen wel kenden; zeide verder, dat de Koreërs hunne byzondere schepen, en gereetschap tot deze vangst hadden, wes hy met zijn mede gezellen vast stelde, dat ’er opening tusschen Nova Sembla en Spitsbergen moeste zijn, ten minsten voor zwemmende Visschen: gelijk de Koresche Zeeluiden zeiden, dat ten Noord-oosten van haer een openbare Zee was. Zy oordeelden, met meer gemak van die kant, als van deze zijde, dat naeuw, of dien weg te verzoeken zouden zijn, en dat dagelijks uit het Noorde van Tartarye scheepjes in Korea quamen, en omtrent Korea, meer zoodanige Visch wierd gevonden, gelijk men in de Noordzee vind, als Haring, enz. Dies deze man besloot, dat Asia aen America te dezer oort niet en is gehecht” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl, 43–44).
“Eibokken oordeelde Korea meer Noordelijk op te schieten, als het in onzen kaerten is bekent, en wel een weinig Noord-oostelijker, zoo als de Koreaensche menschen mede zeggen, dat Noord-oost op, een groote Zee is; dat de baeren daer gaen als in de Spaensche Zee, zoo dat benoorden of Noord-oosten een zwaer water wezen moet” (Witsen, a. v. bl. 56).
100 “Panax ginseng; jên shên, is the medicine par excellence, the dernier ressort when all other drugs fail ... The principal Chinese name is derived from a fancied resemblance to the human form. The genuine ginseng of Manchuria, whence the largest supplies are derived—in the reniote mountains—consists of a stem from which the leaves spring, of a central root, and of two roots branching off. The roots are covered with rings, from which the age is ascertained, and the precious qualities are increased by age ... In 1891 Korean ginseng was worth Tls. 10,14 per catty ... the usual price for native ginseng was Tls. 80” (Couling, Encycl. Sinica, 1917, bl. 206).
“Wild Manchurian ginseng (Panax) is almost worth its weight in gold. Even the semi-wild quality from Corea is worth its weight in silver ... Though usually described as a medicine, it is rather a food tonic, possessing, in the Chinese opinion, marvellous “repairing” qualities” (Parker, China, Past and Present, bl. 273).
Oude berichten over ginseng komen voor in “Ontleding van de Lucht ende werckingen des wortels Ninzin, welcken gewonnen wert int Coninckryck Corea op de noorderbreete van 43 graden” (Kol. Arch. Overgek. brieven 1642, derde boek) en in Recueil de voyages au nord (1732, IV, bl. 348–365).—“Lettre du Père Jartoux, Jésuite, touchant la plante de Ginseng”.—Nisi is de Japansche naam.—Vgl. C. T. Collyer: The culture and preparation of Ginseng in Korea (Transactions Korea Branch R. A. S. III, 1903, bl. 18–30).
101 “Nominally sovereign of the country, he is held in check by powerful nobles intrenched in privileges hoary with age, and backed by all the reactionary influence of feudalism” (Griffis, Corea, 1905, bl. 228–229).
102 “Vuurroers zijn by hen onbekent, want zy geen geweer als met lont gebruiken; zy bedienen zich mede van leeder geschut, dat binnewaerts met koopere plaeten, een halve vinger dik, is beslagen, wezende het leer, twee, vier of vyf duim dik, van veel vellen op malkander gelegt; dit geschut word op paerden, twee op een paerd, het leger na gevoert, is omtrent een vadem lang, en zy konnen daer uit met vry groote kogels schieten” (Witsen, 2 dr. dl. I, bl. 56).
103 Uitg.-Stichter voegt hieraan toe: “niet hebbende krijgen slagen, ’t welck ons in des Koninghs Stadt is gebeurt ende daarom 5 slaghen voor onse naackte billen hebben gekregen.”
104 Hier is blijkbaar uitgevallen: “een ghetal van Papen uijtmaecken om bij beurte”. (Zie uitg.-Saagman).
105 “There seems to be three distinct classes or grades of bonzes. The student monks devote themselves to learning, to study, and to the composition of books and the Buddhist ritual, the tai-sa being the abbot. The jung are mendicant and travelling bonzes, who solicit alms and contributions for the erection and maintenance of the temples and monastic establishments. The military bonzes (siung kun) act as garrisons, and make, keep in order, and are trained to use, weapons” (Griffis, Corea, 1905, bl. 333).
106 “meester van de slavin” (Uitg.-Saagman).
108 “Every day (as in China) the chief public offices of the metropolis depute one or two officers to be ministers-in-waiting in turn, and the King ascends the throne if they have any representations to make” (Parker, Corea, China Review XIV, bl. 127).
109 “Close communication between the palace and populace is kept up by means of the pages employed at the court, or through officers, who are sent out as the king’s spies all over the country. An E-sa, or commissioner, who is to be sent to a distant province to ascertain the popular feeling, or to report the conducts of certain officers ... receives sealed orders from the king, which he must not open till beyond the city wall ... He bears the seal of his commission, a silver plate having the figure of a horse engraved on it. In some cases he has the power of life and death in his hands” (Griffis, Corea, 1905, bl. 221–222).
110 d.w.z. alleen de misdadiger zelf wordt gestraft maar niet, als bij hoogverraad, zijne bloedverwanten.
111 De zin is moeielijk te begrijpen; wellicht moet voor staen gelezen worden slaen, en voor als, op den volgenden regel, al, voorafgegaan door een;
112 “Undoubtedly the severity of the Corean code has been mitigated since Hamel’s time.... The criminal code now in force is, in the main, that revised and published by the king in 1785, which greatly mitigated the one formerly used” (Griffis, Corea, 1905, bl. 235).
113 “Mattheus Eibokken heeft aen my bericht, dat men daer te lande een Heidensch geloof heeft, komende ten deelen met dat van Sina over een, maer dat men niemand dwingt in geloofs zaek, een ieder het zijne mag beleven; duldende dat hy, en d’andere Hollandsche gevangenen, met de Afgoden spottende: de Geestelijke eeten aldaer niet dat leven heeft ontfangen, en bekennen ook geen vrouwen op straffe van zwaerlijk op de scheenen geslagen, jae met de dood gestraft te werden, zoo als het meermalen is geschied” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 55).
“Daer zijn in Korea Afgoden, zoo groot schier als hier geheele huizen, en ’t is byzonder, dat men in meest alle hunne Afgodische tempels, drie beelden neffens malkanderen vind staen, van eenerly gedaente en optooizel, doch de middelste altijd de grootste, waer van Meester Eibokken oordeelde dat ’er eenige schaduwe van de Heilige Drie-eenheit onder school” (Witsen, a. v., bl. 56–57).
114 “The ceremony of pul-tatta or “receiving the fire” is undergone upon taking the vows of the priesthood. A moxa or cone of burning tinder is laid upon the man’s arm, after the hair has been shaved off. The tiny mass is then lighted, and slowly burns into the flesh, leaving a painful sore, the scar of which remains as a mark of holiness. This serves as initiation, but if vows are broken, the torture is repeated on each occasion. In this manner, ecclesiastical discipline is maintained” (Griffis, Corea, 1905, bl. 335).
115 Bescharen. Thans in de algemeene taal niet meer in gebruik, maar gewestelijk nog bekend. Zich zelf iets bezorgen, verschaffen, ook wel iets verwerven.—“Het goed door vaadren zorg, of eigen zweet beschaard” (Bilderdijk).—“Dat kan ik niet bescharen”, dat gaat boven mijn bereik (o.a. in Gelderland). (Woordenboek der Nederlandsche Taal II, kolom 1951).
116 Taoistische priesters.—“Taoism, which divides Chinese attention with Buddhism, is almost unknown in Corea” (Ross, History Corea, bl. 355).
117 “No trait of the Coreans has more impressed their numerous visitors, from Hamel to the Americans, than their love of all kinds of strong drink” (Griffis, Corea, 1905, bl. 266–267).
118 Zie bl. 30, noot 3, al. 2.
119 “The kang is characteristic of the human dwelling in north-eastern Asia. It is a kind of tubular oven ... It is as though we should make a bedstead of bricks, and put foot-stoves under it. The floor is bricked over, or built of stone over flues, which run from the fireplace, at one end of the house, to the chimney at the other” (Griffis, Corea, 1905, bl. 263).
120 Welk woord hier wordt bedoeld, is onzeker. In de uitg.-Saagman staat daarvoor: “principaelste”, in de uitg.-Stichter is het weggelaten.
121 Over dit woord zie Hobson-Jobson en De Haan, Priangan, II, bl. 769.
122 “Hospitality is considered as one of the most sacred duties. It would be a grave and shameful thing to refuse a portion of one’s meal with any person, known or unknown, who presents himself at eating-time ... The poor man whose duty calls him to make a journey to a distant place does not need to make elaborate preparations ... At night, instead of going to a hotel with its attendant expense, he enters some house, whose exterior room is open to any comer. There he is sure to find food and lodging for the night” (Griffis, Corea, 1905, bl. 288–289).
123 Uitg.-Stichter heeft: “quade Regeringe”.
124 “Not the least interesting of the local or national festivals, are those held in memory of the soldiers slain in the service of their country on famous battle-fields. Besides holding annual memorial celebrations at these places, which fire the patriotism of the people, there are temples erected to soothe the spirits of the slain. Especially noteworthy are these monumental edifices, on sites made painful to the national memory by the great Japanese invasion of 1592–97, which keep fresh the scars of war” (Griffis, Corea, 1905, bl. 299).
125 Uitg.-Saagman: “bijeencomste van de studenten”.
126 In uitg.-Stichter: gordel; uitg.-Saagman heeft: gorles.
127 molik, vogelverschrikker (Van Dale’s Groot Wdb. der Ned. Taal).—“moliks voor de jeugd” (E.J. Potgieter, Gedroomd Paardrijden, strofe 13, regel 6).
128 “On the fifteenth day of the eighth month sacrifices are offered at the graves of ancestors and broken tombs are repaired” (Griffis, Corea, 1905, bl. 298).
“De Koning gaet jaerlijks het graf zijner Voorzaeten bezoeken, om aldaer offerhanden te doen, en Feest te houden, ter eeren, en voor ’t welwezen der zelven in ’t andere leven, zoo als hy [Eibokken] den Koning zelve tot aen de graf-plaets hadde begeleit, die veel honderde jaeren oud is; het is een uitgeholde berg, daer men door yzere deuren in gaet, zes of acht mijl buiten de Hooftstad gelegen.
De Lijken liggen in yzere of tinne kisten, en zijn alzoo gebalsemt, dat ze eenige honderd jaeren buiten verderf werden bewaert, gelijk in den boven gemelten berg de Lijken der Koningen van voor veele honderden jaeren af, bewaert zijn geworden: als een Koning of zijn Gemalin, daer in werd gezet, werd ’er een schoone slaef en slaevin levendig by gelaten, aen wien men voor ’t sluiten van de yzere deur, eenig leeftogt laet; maer die toegedaen zijnde, en als dezelve is verteert, moeten zy sterven, om hunnen Meester of Meesteres in ’t ander leven te dienen” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 56).
129 Uitg.-Saagman heeft: “voor sijn Ouders”.
130 “Sappan-wood. The wood of Caesalpina sappan; the bakkam of the Arabs, and the Brazil wood of medieval commerce ... the tree appears to be indigenous in Malabar, the Deccan and the Malay Peninsula” (Hobson-Jobson, bl. 794).—“Caesalpina sappan. Setjang (Jav. en Soend.), Sepang (Mal.).... Een afkooksel van het hout ... dient om katoen, zijde en garens rood te verven” (Encyclopaedie van N.I. 2e dr. I, 1917, bl. 434).
131 “In Korea zijn schoone Paerden, en het Volk zit daer op als hier te Lande, en niet nae de wyze der Tarters: zy doen die in ’t wilt, op zommige Eilanden ter aenqueeking loopen” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 58).
132 Vgl. “In 1651, ... a decree was issued ordering the people to use coin and at the same time prohibiting them from the use of cloth as money.... Up to this time, there had always been a party opposed to the use of coin that took every opportunity to suppress its use and replace it with rice and cloth. Now this party was fast disappearing and though they once more succeeded, five years later, in causing the rescission of the order to use coin, the people by that time had become so accustomed to its use that they began to coin for themselves. ... In 1678 ... rice and cloth were deprived forever of their monetary function” (M. Ichihars, Coinage of old Korea, Transactions Korea Branch R.A.S. IV part 2, 1913, bl. 61).