133 “The Coreans had a third of their tribute remitted in 1643 ... and in the following year, when sending home the king’s son, who had gone to Peking to have his title to the crown confirmed, a half was remitted ... Kanghi, Yoongjung, and Kienloong, frequently remitted the tribute, demanding only a tithe, treating the Coreans like Chinese” (Ross, History Corea, bl. 288).
“Since the Tang dynasty overwhelmed Corea, it has had only glimpses of absolute self-government; but, at the same time, it has had only brief intervals when it had not virtual self-government. Its vassalage to the Manchu government, secured at a sacrifice of a few years’ dispeace and slaughter, and of some further years of somewhat severe taxation, has mainly been virtually nominal....a yearly or half-yearly tribute is sent in to Peking, accompanied by a host of merchants, who bring back profits much greater than the amount of the tribute” (Ross, a. v., bl. 365).
134 = Zuidland, of Land der zuidelijke barbaren?
135 “Hy [Eibokken] heeft Goud en Zilver mynen aldaer gezien; ook die van Kooper, Tin en Yzer. Zilver is daer in groote menigte, ’t geen aen byzondere luiden werd toegestaen te delven, daer dan de Koning zijn recht van trekt, ’t Kooper is daer zeer blank, en van heldere klank. Goud aderen had hy in Mynen gezien. Hij zegt dat zelfs eenig Zandgoud van de grond eeniger rivieren op gedoken had; doch werden de Goudmynen niet zoo veel geopent, als die van Zilver, of ander metaal. Waer van de reden hem onbewust was” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 58).
136 “All scales are issued by the Board of Works and are branded annually, at the autumnal equinox, by the metropolitan and market-town aediles respectively” (Parker, Corea, China Review XIV, bl. 29).
137 “De spraek op Korea, heeft in klank geen gemeenschap met ’t Sineesch, ’t geen Meester Eibokken oordeelde, om dat hy de Koresche Tael zeer wel spreekende138, van de Sineezen op Batavia niet wierde verstaen, doch zy konnen malkanders schriften leezen: zy hebben meer als eenderlei schriften; Oonjek is een schrift by hen, als by ons het loopend, hangende alle de letteren aen malkander: van het zelve bedient zich de gemeene man; de andere lettergrepen zijn met die van Sina eenderlei” (Witsen, 2e dr. dl. I, bl. 59).
138 Witsen’s lijst van Koreaansche woorden (2e dr. dl. I, bl. 52–53) zal van Eibokken afkomstig zijn.
139 lees: “ende geschriften, ’t land ende de overheijt rakende, geschreven. Het tweede is....”
140 “The poorer women ... though never at school, they can all, or almost all, use the Corean alphabet, which is the most beautiful and complete we know; for one can learn it almost at a sitting” (Ross, Hist. Corea, bl. 315).—“... the Corean alphabet, for simplicity and utility, is the best known to me” (bl. 377).—Vgl. J. S. Gale, The Korean Alphabet. (Transactions Korea Branch R. A. S., IV, part I, 1912, bl. 13–61).—“La clarté de l’esprit coréen apparaît dans la belle impression des livres, dans la perfection de l’alphabet, le plus simple qui existe, dans la conception des caractères mobiles où il a atteint le premier ...” (M. Courant, Bibliographie coréenne, I, 1895, Introduction, bl. CLXXXVIII).
141 lees: drukplaeten.
142 “Die Gesandten Koreas....berichteten, dasz sie jährlich ... ihren Tribut nach Peking ablieferten ... dagegen den Kalender empfingen als Anerkenntnisz der Vasallenschaft.” (C. Ritter, die Erdkunde von Asien, Band III (1834) bl. 594).
143 “De Koning werd zoo zelden gezien, dat eenige, die wat afgelegen woonen, gelooven dat hy van meer als menschelijke aerd is, zoo als aen onze luiden zulks voorquam, en hen wierd afgevraegt. Hoe minder den Koning uit gaet, en van het Volk gezien werd, hoe vruchtbaerder dat zy het Jaer achten te zullen zijn; geen hond mag over straet loopen, daer hy zich vertoont” (Witsen, 2e dr. I, bl. 57).—“The king rarely leaves the palace to go abroad in the city or country. When he does, it is a great occasion which is previously announced to the public. The roads are swept clean and guarded to prevent traffic or passage while the royal cortége is moving. All doors must be shut and the owner of each house is obliged to kneel before his threshold with a broom and dust-pan in his hands as emblems of obeisance. All Windows, especially the upper ones, must be sealed with slips of paper, lest some one should look down upon his majesty. Those who think they have received unjust punishment enjoy the right of appeal to the sovereign. They stand by the roadside tapping a small flat drum of hide stretched on a hoop like a battledore. The king as he passes hears the prayer or receives the written petition held in a split bambo” (Griffis, Corea, 1905, bl. 222).—“Het Hof van den Koning, is omtrent zoo groot als de stad Alkmaer, met een muur omheint, die van gemetzelde steen en klei is gemaekt, hebbende boven op insnydinge van steen, als of het hane kammen waren.... Binnen dit Hof menigte van wooningen zijn, zoo groote als kleine, en alderhande lustplaetzen; daer binnen onthoud zich ook zijn Gemalin en Bywyven: want hy, als al het volk, maer een echte Vrouw heeft.... Den Koning van Korea, ter tijd van Meester Eibokken, was een grof en sterk man, zoo dat gezegt werd, hy een boog konde spannen, houdende de pees onder zijn kin, en trekkende dus den booge met zijn eene hand uit” (Witsen, 2e dr. I, bl. 59).
144 “The ceremony of meeting the Chinese envoys consists of first sending an envoy to ... Ai-chiu on the Chinese frontier, followed by five others (of 2nd rank and over) to meet them at successive stages and escort them with all possible comfort to Sêul, where they are first entertained at a “dismounting banquet”. The next and following days the heir and other members of the royal family, heads of public offices &c., each give a banquet in turn. (All these banquets are repeated when the envoys take their departure). When the envoys first arrive at their hotel, the heir advances with the various high officers, and makes two obeisances. When they take their departure, the same ceremony is repeated outside the ... Gate...
The annual homage envoy [aan den Keizer te Peking] is conducted from the palace by the Corean court officials with great ceremony to his hotel, and music is used even on fast days; a number of articles of local produce are taken with him, and special other articles are sent on the emperor’s birthday and with formal state communications; these usually consist of raw or manufactured fibres, papers, furs, shells, scents, pencils, dried fruits, candles &c.” (Parker, Corea, China Review XIV, 127).—“The formal reception by the king ... is equally intricate and complicated, and comprises the grovelling on the ground by his majesty, three knocks of the head, and the shouting out standing up of the words: “Live for ever” ..., with his hands reverently raised to his forehead. This is done in the presence of his relatives, a full court, and the Chinese envoys. Music, bows &c., are all regulated with extreme nicety” (Parker, a. v., bl. 134).—(Dat de Koning van Korea de Pekingsche gezanten tot buiten de stad te gemoet gaat, wordt in dit bericht niet gezegd).
145 Blijkbaar eene verschrijving voor: 1663.
146 Saijsing. Deze havenplaats in de provincie Thiellado (Tjyen-Ra) is op geen kaart aangetroffen; eenige regels later wordt zij Naijsingh genoemd.
147 Sunischien = Syoun-Htyen, 34° 33′–124° 56′ (Dict. Cor. Franç., bl. 16**).
148 Namman = Nam-Ouen, 35° 18′–124° 38′ (a. v., 10**).
149 lees: voor de terecht gecomen[e] = voor de in Japan aangelanden. Vgl. bl. 15 en 16.
150 “Haere schepen zijn achter plat, en hangen daer zoo wel als voor, wat over het water; gebruiken mede riemen als zy zeilen, en zijn tegen uitlands geschut niet bestendig. Zy durven, noch en mogen niet, als met byzonder verlof, ver uit het Lands gezicht vaeren; ook zijn de vaertuigen daer toe onbequaem, en byster ligt gemaekt; men ziet ’er weinig of geen yzer aen; ’t hout is in een gevoegt, d’ankers zijn van hout; hun meeste vaert is op Sina” (Witsen, 2e dr. I, bl. 56; Bericht van Eibokken).—“The Coreans are not a seafaring people. They do not sail out from land, except upon rare occasions.... The prow and stern of fishing-boats are much alike, and are neatly nailed together with wooden nails. They use round stems of trees in their natural state, for masts. The sails are made of straw, plaited together with cross-bars of bamboo. The sail is at the stern of the boat. They sail very well within three points of the wind, and the fishermen are very skilful in managing them” (Griffis, Corea, 1905, bl. 195).—“Schoon [de Koreërs] op Japan zelden varen, zoo weten zy echter werwaerts, en op wat streek het van hen afgelegen is, zonder welke kennis die de gevangenen Nederlanders uit hen hadden opgevat, zy nooit Japan, werwaerts zy de vlucht namen, zouden hebben konnen bestevenen, alzoo geen kaert hadden, en niemand van hen daer ooit hadde geweest” (Witsen, 2e dr. I, bl. 44).
151 “November 1664. Den 27. vertoonde sich een groote Comeet-ster, die hoe wel over d’Indien gaende, sich groot, maer om de verre af-wesentheyt hier selden klaer, en meest waterachtigh dampich liet sien, hare staert is eenmael op 180. mijlen en noch grooter afgespeculeert geweest: Verwonderenswaerdig zijnde, dat zy tot Nieu-jaer 1665. de staert west behoudende, die verloor, en twee daghen als den lest en eersten dagh van’t Jaer als een bedompte Maen sonder staert verschijnende, eenige dagen daer na weder met een kleyn staertje sich vertoonden, doch seer kleyn en oostwaert staende, bewesten boven Engelant recht nae Jarmuyen, maer een nacht bysonderlijcke groot en helder tot 3 uren ’s nachts verscheen: Loopende voorts tot op 46. graden, doch was altoos niet heldere Lucht over dese Nederlanden, kleyn van staert, dan grooter in zijn op- en wel 6 mael grooter in zijn ondergang, ten westen over de Noort-Zee,... de Sterrekijckers oordeelden dat hy omtrent de Tropicus Capricorni moste staen, en seer diep in den Hemel, zijn staert en lichaem was gecomposeert (als men met een Verkijcker daer op speculeerde) van een oneyndelijck getal kleyne Sterrekens gelijck den vloet Eridanus.” (Hollantze Mercurius XV (1665), bl. 183).
Over deze komeet is geschreven door Johannes Höwelcke (Hevelius), die te Danzig eene sterrewacht had. Zijne waarnemingen komen voor in de Mantissa van zijn werk “Prodromus Cometicus” (1665) en in zijn “Machina Coelestis” II, 439. Deze waarnemingen zijn voor het berekenen der baan gebruikt door Halley (Tabulae astronomicae, London 1749) en opnieuw door Lindelöf (De orbita cometae qui anno 1664 apparuit, Helsingfors 1854). (Mededeeling van den Heer J. Weeder, conservator aan de Sterrewacht te Leiden).—Voor gelijktijdige berichten, zie ook Bijlage VI.
152 “De Keizer [eene verschrijving voor Koning] oefent zijne krygsluiden dikmael, en doet die dan vechten tegen malkander, verbeeldende het eene gedeelte Koreërs en het andere Japanders, doch de Japanders schieten in’t gemeen te kort, en veinzen zich te vlieden; na dat een langwylig spiegel gevecht is gehouden. Meester Eibokken zag ’er op eenmael, tweemael veertig duizend tegen malkander zoo stryden, dienende hy te dier tijd voor lijfschut” (Witsen, 2e dr. I, bl. 59).
153 Vgl. “... heden wierdt ons door de Tolcken verhaalt dat sijn Keyserlijcke Maijt in Jedo, wegens het vertoonen der Commeet Starre, daer van hier vooren op verscheijde dagen gesproken is, seer is ontset geworden, ende hadde (uijt vreese of op dit rijck ijets mochte geattenteert werden) in alle Lantsstreecke sijns gebiets, de Overheden ende Gouverneurs laten aenkundigen datse wacker en een wakent oogh in ’t zeijl souden houden, opdat alsoo van alle onheijlen sooveel mogelijck bevrijt mochte sijn” (Dagr. Jap. 12 Febr. 1665).
154 In 1619 (zie Inleiding, bl. XXXIII).—Vgl. Diary of Richard Cocks II, bl. 93–105, 7 Nov.–23 Dec. 1618; en J.W. IJzerman, Over de belegering van het fort Jacatra: “Jacatra, 7 Nov. 1618 “’S morgens tegen den dach sach ick de commeetstarre met een stardt recht boven de looghe vers[ch]ijnen” (Bijdr. Kon. Inst. dl. 73 (1917) bl. 586).
155 Vgl. “The people in this place [Firando] did talke much about this comett seene, that it did prognosticate som greate matter of warr, and many did ask me whether such matters did happen in our cuntrey, and whether I knew what it did meane or would ensue thereof; unto which I answerd that such many tymes have byn seene in our partes of the world, but the meanyng therof God did know and not I etc.” (Diary of Richard Cocks II, bl. 94–98, Nov. 1618).
156 Uitg.-Saagman heeft: “op de zee-cant”. Uitg.-Stichter en Van Velsen: “bij de Zeekant”.
157 “Zy zijn zeer achtgevende op voorzeggingen, en geluk, of ongeluksteekenen: hy [Eibokken] hadde een der Konings paerden zien dooden, om dat het ter poorte, met den Koning uit reidende, aerzelde, ’t geen voor een ongeluks teeken wierd gehouden; en zulks tot verzoeninge, en voorkominge van alle onheil” (Witsen, 2e dr. I, bl. 57–58).
158 “Het Buskruit zoo wel als den Druk, is van voor duizend jaer by hen, zoo zy zeggen, bekent geweest, gelijk als mede het Compas, hoe wel van andere gedaente als hier te Lande, want zy bedienen zich slechts van een klein houtje, voor scherp en achter stomp, ’t geen in een tobbe waters werd geworpen, en dus met de scherpe punt Noorden wijst, na allen schijn zal daer binnen in de Magnetische kracht verborgen zijn: acht streeken winds weten zy te onderscheiden. De Compassen zijn ook van twee houtjes kruiswys over malkander gelegt. daer van een der einden, ’t geen Noorden wyst, wat vooruit steekt” (Witsen, 2e dr. I, bl. 56. Bericht van Eibokken).
159 “Die geene, welke aen de daer gevangene Neêrlanders, het vaertuig hadden verkoft, waer mede zy over zee vluchtende naer Japan voeren, met de dood zijn gestraft; zoo streng is daer de Wet” (Witsen, 2e dr. I, bl. 58).
160 wijffel maent = kentering-maand. Vgl.: “opdat wij gesamender handt met een goede vloote in ’t weyffelen van ’t mousson weder naer Java mogen keeren.” (G.G. Coen naar de Molukken ddo 18 Febr. 1619.—Coen, uitg. Colenbrander, II, 1920, bl. 512).—“Southerly winds blow from the middle of May, and often even from April, until the end of August. On the Sea of Japan southwest winds (south-west monsoon) prevail.... The Southwest monsoon, which sets in in April ... prevails until the middle or end of September.... But the regularity with which the monsoons set in and blow on the Chinese coasts is unknown in Japan.... North and West winds prevail in winter, South and East winds in summer” ... “North-east monsoon is inapplicable to the coasts of Japan and their vicinity, with the exception of the southerly islands.” (Dr. J.J. Rein, The Climate of Japan, Transactions Asiatic Society of Japan. Vol. VI, Part III, 1878, bl. 507, 509).—“... goedgevonden te recommanderen die costelijcke retourschepen uijt Japan nae Taijouan vóór 15, 20–25 October niet te largeren als wanneer den noordewint stant heeft gegrepen ende geen suijde stormen ... meer te verwachten zijn” (Regeering Batavia naar Taijoan, 2 Mei 1644).
161 vooreb—een gewone zeemansuitdrukking. Men heeft vooreb en achtervloed, voorvloed en achtereb.
162 Uitg.-van Velsen: “lieten de ban uytstaen”. Uitg.-Stichter: “lietent soo de ban uytstaen”, wat echter geen zin geeft.
163 lees: praijde.
164 Hier vermoedelijk flambouwen van visschers onder den wal. Eigenlijke blikvuren—in dien tijd misschien al in gebruik aan boord van schepen—bestonden uit een sterk lichtgevende sas die in een houten huls werd bewaard, en werden tot in den jongsten tijd gebruikt om bij nacht de aandacht op zich te vestigen of seinen te geven.
165 boegseerden.—In Compagnie’s papieren der 17e eeuw vindt men veelal “boucheren” voor “boegseeren”. Vgl. Inleiding, bl. XVI, noot 4.
166 In de uitg. Saagman en Stichter: “gecocht”.
167 In de gedrukte uitgaven van het Journaal is de ondervraging door den Gouverneur geheel weggelaten en van de bemoeienis der tolken eene andere voorstelling gegeven. Uitg.-Stichter en Van Velsen: “aen landt ghebracht, ende van des Ed. Compagnies Tolck verwellekomt, die ons alles ondervraeght hebbende, prees ons seer, dat wy ... enz.”.
168 Dit wordt niet bevestigd door het te Nagasaki aangehouden Dagregister.
169 Zie Bijlage Ie.
170 opgestempt = vooraf besproken, beraamd, b.v.: “De gedachte aan valschheid en opgestemd bedrog”. Bilderdijk. Zie Wdb. der Nederl. Taal dl. XI, kolom 1264 onder opstemmen).
171 De nieuwe Gouverneur was al eenige dagen vroeger te Nagasaki aangekomen. Zie Bijl. Ij.
172 Zie Inleiding, bl. XXVI.
173 Het volgende slot komt in de vroegere uitgaven van het Journaal niet voor.