INLEIDING.

Van de schepen welke in de 17e eeuw hebben behoord tot de navale macht der Oost-Indische Compagnie, is geen ander zoo bekend geworden en gebleven als het jacht “de Sperwer”. Vaartuigen der Compagnie bleken zoo vaak niet bestand tegen de stormen welke in de gevaarlijke wateren van Oost-Azië voorkwamen, dat het buiten den kring van belanghebbenden nauwelijks zal zijn opgemerkt toen dit jacht in 1653, op zijne reis van Formosa naar Japan, de haven van bestemming niet bereikte. Het waren de avontuurlijke lotgevallen van eenige geredde opvarenden, gedurende een verblijf van dertien jaren in onbekende streken, welke op hunne tijdgenooten indruk hebben gemaakt en het verhaal van hun wedervaren mag ook thans nog op belangstelling aanspraak maken, omdat daarin de eerste uitvoerige en betrouwbare inlichtingen van ooggetuigen worden gegeven aangaande een land dat toen ter tijde, en nog lang daarna, ontoegankelijk was voor vreemdelingen en zich verre hield van handelsbetrekkingen met Westerlingen. Wat twee eeuwen lang in Europa is bekend geweest omtrent het geheimzinnige rijk Korea, was te danken aan een schipbreukeling van het jacht “de Sperwer”.


In het voorjaar van 1653 moest de Indische Regeering overgaan tot de benoeming van een Gouverneur van onze vestiging op het eiland Formosa1, ter vervanging van den in 1649 opgetreden Nicolaas Verburg2, die zijn ontslag had gevraagd en op wiens aanblijven blijkbaar ook geen prijs werd gesteld3. Er was reden om voor het Bestuur van dit “costelijck pant”, van dit Gouvernement “van overgroote importantie”, een Compagnie’s dienaar uit te kiezen van “bijzondere wijsheijt, discretie ende cloeckheijt4.

Op 7 September van het jaar te voren (1652) hadden Chineesche kolonisten het vlek Provintien5 afgeloopen en acht der onzen vermoord, waarop militairen en inboorlingen waren uitgezonden die, onder het neerleggen van eenige duizenden Chineezen, in twaalf dagen, de rust herstelden6. Naar het oordeel van de Bataviasche Regeering was het verzet der Chineezen eene waarschuwing dat te hunnen opzichte minder vrijgevigheid moest worden betracht dan tot nog toe het geval was geweest en dat zij dienden besnoeid te worden in de vrijheden waaraan zij in hun eigen land niet gewoon waren7.

Geschillen tusschen “Compagnie’s principale ministers in kercke ende politie8 hadden aanleiding gegeven tot verdeeldheid en het ontstaan van partijschappen. Door overplaatsingen hieraan een einde te maken, liet de dienst der Compagnie niet toe en om te verhoeden dat de slechte verstandhouding tusschen bestuurders en predikanten de belangen der Compagnie zou schaden, kwam het noodig voor het gezag te leggen in handen van iemand van “meer dan gewone authoriteijt”.

Van verschillende kanten was de Regeering gewaarschuwd tegen “de sone van den grooten mandarijn Equan9, d.i. Koksinga, die van plan zou wezen om als hij den strijd op en om het vaste land van Zuid-China tegen de opdringende Tartaarsche overheerschers zou moeten opgeven, zich meester te maken van onze nederzetting op het eiland Formosa en zich daar met zijn aanhang te vestigen10. Na weinige jaren heeft de uitkomst bewezen dat de vrees voor aanslagen van die zijde niet ongegrond is geweest, dat de donkere wolk welke in 1652 Compagnie’s bezit op Formosa boven het hoofd hing, niet was voorbij gedreven. In 1662 toch slaagde Koksinga er in aan ons gezag over dat eiland voorgoed een einde te maken.

Met eenparige stemmen werd in de vergadering der Bataviasche Regeering van 21 Maart 1653 voor den gewichtigen post op Formosa gekozen de Ordinaris Raad van Indië Carel Hartsingh, “die de Taijouanse gewesten vóór desen lange jaren bijgewoont” had11. Deze nam de benoeming aan en maakte zich reisvaardig, maar toen Gouverneur Generaal Carel Reniersz den 18en Mei 1653 kwam te overlijden, gaf Hartsingh er de voorkeur aan te Batavia te blijven en den nieuwen Gouverneur Generaal Maetsuijker als Directeur Generaal op te volgen12.

Alsnu werd besloten “tot het Taijouanse Gouvernement te qualificeeren en te gebruijcken” den Extra Ordinaris Raad van Indië Cornelis Caesar13 wien werd “opgedragen met de laetste besendinge daerna toe als Gouverneur sich... te vervoegen14.

Den 16en Juni 1653 richtte de nieuwe Gouverneur Generaal Maetsuijker een “vrolijck scheijdmael15 aan ter eere van den op vertrekken staanden Gouverneur Caesar, die den 18en Juni, vergezeld van zijne familie, van de reede van Batavia onder zeil ging16. Voor zijn transport was aangewezen het jacht “de Sperwer”17. Aanvankelijk was dit vaartuig bestemd om deel uit te maken van “de eerste besendinge” naar Taijoan; het was echter aangehouden om daarop eenig krijgsvolk te laten overgaan dat uit het vaderland werd verwacht. Toen dit uitbleef en “het moeson al hoog begon te verloopen”, werd besloten om in de behoefte aan soldaten voor Formosa op andere wijze te voorzien en aan “de Sperwer” “zijn affscheijt te geven18.

Voor het overbrengen van een hoogen Compagnie’s dienaar is “de Sperwer” misschien bij uitstek geschikt geweest; ook de Ed. Heer Joan Cunaeus “Raad Ordinaris van India en expres Ambassadeur aan den Grootmogenden Coninck van Persia” had, twee jaren te voren, aan boord van dit jacht de reis ondernomen19.

Dat het wat laat in zee stak, heeft het op zijne reis naar Formosa niet geschaad; zonder tegenspoed te hebben ondervonden kwam het den 16en Juli 1653 te Taijoan aan20, zoodat het fortuinlijker was dan het fluitschip “de Smient”, dat kort te voren (27 Mei) als behoorende tot de eerste bezending, van Batavia rechtstreeks naar Taijoan was uitgezeild en waarvan nooit meer is gehoord21.

Lang heeft “de Sperwer” niet te Taijoan gelegen; na zijne lading te hebben gelost en een nieuwe voor Japan te hebben ingenomen, lichtte schipper Reijnier Egberts den 29en Juli 1653 het anker voor de reis naar Nagasaki22. Toen het jacht daar niet kwam opdagen en geen enkel bericht of gerucht over zijn wedervaren werd vernomen, lag de veronderstelling voor de hand dat het met man en muis was vergaan in den storm die kort na zijn vertrek was opgestoken, zoodat de Compagnie het verlies van dit hechte schip met zijne lading had te boeken en het “costelijck volck”, sterk 64 koppen, was omgekomen.

Aan Heeren XVII gaf deze ramp aanleiding de Indische Regeering op het hart te drukken om “wel te letten op de moussons en de schepen niet te laet derwaerts aff te senden, alsoo ons daer uijt groote onheijlen voortcomen,”23 maar het belang van den handel, “de Bruijdt daer omme gedanst werd”24, zal niet altijd hebben toegelaten zich aan dit voorschrift te houden en de zeelui uit dien tijd, die aan zoo veelvuldige gevaren gewend waren, zullen zich evenmin angstvallig hebben afgevraagd of het voor het uitvaren wel de gunstige tijd was.

Al noemden zij het verlies van “de Sperwer” een zware slag voor de Compagnie, de machthebbers te Batavia en in het vaderland konden daarin zonder veel beklags berusten; ondanks de tegenvallers25, bleven de winsten welke de handel op Japan afwierp, in de zeventiende eeuw zoo aanzienlijk dat de deelhebbers in de Compagnie volop reden hadden dankbaar gestemd te wezen26.


De dienaren der Compagnie die hare belangen in Japan behartigden27, zullen van het vergaan van het jacht “de Sperwer” tenauwernood kennis hebben gedragen en aan die scheepsramp stellig niet hebben gedacht toen de kleine Nederlandsche gemeente te Nagasaki28 in het begin van September 1666 in opschudding werd gebracht door het gerucht dat eenige vreemd uitgedoste Europeanen met een eigenaardig vaartuig op een van de Goto eilanden29 waren aangekomen. Hoe zullen zij zich hebben verbaasd en verblijd toen weinige dagen later (14 September 1666) dit gerucht werd bevestigd en een achttal schipbreukelingen van “de Sperwer” in hun kwartier werden gebracht. In het eentonige leven der op het eilandje Decima30 als het ware opgesloten Nederlanders31 zal elke afwisseling welkom zijn geweest en de verhalen welke deze acht als uit de lucht gevallen landgenooten konden opdisschen, waren bij uitstek geschikt om de verbeelding te treffen en het luisteren tot een genot te maken. Immers wisten zij te vertellen van een Oostersch land waarin, voor zooveel bekend was, tot nog toe geen enkele Europeaan was doorgedrongen en met welks bevolking zij daarentegen dertien jaren lang in nagenoeg volle vrijheid hadden verkeerd; het verhaal van het leven dat zij en hunne kameraden daar hadden geleid, eerst op het eiland waar zij aan wal waren gesmeten en daarna op het vasteland van Korea, zal door hunne toehoorders met spanning zijn gevolgd en aan dezen menige vraag in den mond hebben gegeven welke eveneens opkomt bij het lezen van het te boek gestelde verslag, maar het antwoord waarop ons blijft onthouden; het relaas van hunne wederwaardigheden, van hunne avontuurlijke vlucht en vooral van hunne ontmoeting met een landgenoot, Jan Janse Weltevree, die ruim een kwart eeuw vóór hen in Korea was gestrand, zal een diepen indruk hebben gemaakt.

Eveneens zullen de schipbreukelingen gretig hebben aangehoord wat hunne landgenooten te Decima konden vertellen van hetgeen in het vaderland en in Indië was voorgevallen sedert “de Sperwer” van Batavia was uitgezeild. De uitvoerige aanteekening in het te Nagasaki gehouden Dagregister32 en het ambtelijke bericht aan de Regeering te Batavia33 getuigen ervan dat het lot der vluchtelingen het medelijden heeft gewekt zoowel van hunne landgenooten als van de Japansche overheid, zoodat mag worden aangenomen dat het verblijf op Decima hun zoo aangenaam mogelijk zal zijn gemaakt. Toch kan dit eiland in hun oog niet anders zijn geweest dan de eerste en welkome pleisterplaats op den terugweg naar Batavia en het vaderland; met klimmend ongeduld zullen zij hebben gewacht op het aanstaande vertrek van het schip aan boord waarvan zij de reis naar Batavia hoopten te ondernemen. Zij hadden echter gerekend buiten de Japansche “precisiteyt”34.

Eer zij op het Nederlandsche Comptoir te Nagasaki waren gebracht, was hun een verhoor afgenomen35 dat aan de rijksregeering te Jedo werd gezonden ter verkrijging van de toestemming om Japan te verlaten36; het gevolg van dezen ambtelijken omslag was dat zij nog een vol jaar tot de bewoners van Decima bleven behooren. In plaats van den 23en October 1666 met de “Espérance” naar Batavia te zeilen, konden de teleurgestelde zwervers dezen bodem met bedroefde oogen nastaren; de vereischte vergunning was uitgebleven37 en hoewel de vertegenwoordiger der Compagnie mondeling en schriftelijk daar om bleef aanhouden38, kwam eerst den 22en October van het volgende jaar (1667) de licentie af welke aan hunne tweede gevangenschap een einde maakte en hun gelegenheid gaf denzelfden dag zich in te schepen op de zeilree liggende “Spreeuw”39, waarmede zij den 28en November 1667 ten langen leste te Batavia aankwamen40.

Het is zoo goed als zeker dat zeven hunner—de boekhouder Hendrik Hamel bleef voorloopig in Indië41—de reis naar het vaderland ook met “de Spreeuw” hebben voortgezet. Naar het heet42, zijn zij den 20sten Juli 1668 hier te lande teruggekomen. Nu is, volgens het bericht van Heeren XVII aan de Bataviasche Regeering alleen het schip “Amerongen”—dat 24 December 1667, alzoo een week vroeger dan “de Spreeuw”, van Batavia was uitgezeild—op 20 Juli 1668 “ons wel en behouden toegecomen”43, maar in de toevallig bewaard gebleven monsterrol voor deze reis van “Amerongen”44, komen de zeven schipbreukelingen van “de Sperwer” niet voor onder de 73 gegageerden noch onder de “ongegageerde coppen”. Daarentegen wordt elders vermeld dat “de Spreeuw” den 20sten Juli 1668 “in dese landen arriveerde”45, hetwelk—naar Heeren XVII schreven—den 15en dier maand zou hebben plaats gehad. Deze tegenstrijdigheid kan worden verklaard door aan te nemen dat “de Spreeuw” den 15en Juli in Texel of in het Vlie ten anker is gegaan en den 20en d.a.v. in de haven van bestemming—Amsterdam—zal zijn aangekomen.

De vrijgevigheid van de Compagnie zou men te hoog aanslaan door te veronderstellen dat de gewezen schipbreukelingen ditmaal den overtocht zullen hebben gedaan als passagiers; van Japan tot Amsterdam zullen zij deel hebben uitgemaakt van de bemanning en scheepsdienst hebben verricht, waarvoor zij trouwens ook gage hebben genoten.

Het beroep op het medelijden van de Bataviasche Regeering, te hunnen behoeve gedaan door het Opperhoofd in Japan, Willem Volger, bij diens komst te Batavia in het laatst van 166646, zal vruchteloos zijn gebleven. Wanneer toch een Compagnie’s schip verloren ging, hield de gage der bemanning van dat oogenblik op en nam eerst opnieuw koers zoodra zij weder dienst deed. Zoo was nu eenmaal de vastgestelde regel47, op grond waarvan Hendrik Hamel en zijne zeven makkers ook nul op het rekest kregen toen zij bij hunne verschijning in den Raad van Indië op 2 December 1667 het verzoek deden tot uitbetaling van gage voor den duur van hun verblijf in Korea. Hun werd alleen gage toegekend, gerekend van den dag waarop zij in de loge te Nagasaki waren aangebracht; voor een paar hunner werd de vroeger genoten gage met luttele guldens verhoogd voor de thuisreis, maar verder ging de goedgeefschheid der Bataviasche Regeering niet48.

In het vaderland aangeland, slaagden zij er evenmin in van Heeren XVII betaling te erlangen van hun gage, waarop zij opnieuw aanspraak maakten voor den vollen duur van hun verblijf in Korea; alleen “uit commiseratie” werd eene “gratuiteyt” ten bedrage van ƒ 1530 onder hen verdeeld49.


De schipbreukelingen die uit Korea wisten te ontvluchten, lieten daar acht kameraden van “de Sperwer” achter, voor wier verlossing onze Opperhoofden te Nagasaki, Wilhelm Volger en na hem Daniel Six, de hulp inriepen van de Japansche Regeering50. De betrekkingen welke Japan met Korea onderhield door tusschenkomst van den Daimio van het Japansche eiland Tsusima51, maakten zulk een “pieus officie”52 mogelijk; ook heeft de Japansche Regeering misschien van de verschijning van een Koreaansch gezantschap aan het hof te Jedo gebruik kunnen maken om op de vrijlating der Nederlandsche gevangenen aan te dringen—in elk geval hebben de achtergebleven schipbreukelingen aan de bemoeiingen van de Japansche Regeering te danken gehad dat zij door de Koreanen zijn in vrijheid gesteld53 en door den Daimio van Tsusima zijn voortgeholpen op hun tocht naar Nagasaki, waar zij, zeven in getal, na eene moeilijke zeereis, den 16en September 1668 bij de onzen te recht kwamen54. Van den achtsten, den kok Jan Claesz. van Dort, wordt in de ambtelijke stukken gezegd dat hij sedert de ontvluchting van zijne makkers twee jaren te voren, was komen te overlijden. Daarentegen verhaalt Nicolaas Witsen—die het kon weten—dat hij er de voorkeur aan heeft gegeven in het land der vreemdelingschap te blijven: “Hij was aldaer getrouwt en gaf voor geen hair aen zyn lyf meer te hebben dat na een Christen of Nederlander geleek”55.

De nawerking van de vertoogen der Japansche Regeering schijnt een paar jaren later nog krachtig genoeg te zijn geweest om te voorkomen dat het jacht Pouleron, toen het zich door storm gedwongen zag aan het Quelpaerts-eiland te ankeren, daar werd lastig gevallen en dat de Chineesche bemanning van eene verongelukte jonk van Batavia, werd aangehouden56.

Na, evenals hunne voorgangers, door de Japansche autoriteiten te Nagasaki te zijn ondervraagd over Korea en den handel van Japanners in dat rijk57, kregen deze zeven bevrijde Nederlanders vergunning om Japan te verlaten. Ter versterking van de bemanning, werden zij door ons Opperhoofd geplaatst aan boord van de “Nieuwpoort”58, die den 27en October 1668 van Nagasaki onder zeil ging om over Coromandel naar Batavia te varen. “Door toeval” ging het plan niet door om hen bij Poeloe Timon te laten overgaan op de “Buijenskerke”, die te gelijker tijd van Nagasaki rechtstreeks naar Batavia vertrok; dientengevolge zullen zij eerst den 8en April 1669 te Batavia zijn aangekomen59, terwijl de “Buijenskerke” hen daar al den 30en November 1668 zou hebben gebracht60.

Wanneer en met welken bodem de tweede groep van geredde schipbreukelingen de reis naar het vaderland heeft ondernomen, is niet vermeld gevonden. Vermoedelijk heeft de te Batavia achtergebleven boekhouder zich daar bij hen aangesloten; in Augustus 1670 toch verschenen twee hunner, benevens Hendrik Hamel, voor Heeren XVII om, gelijk de in 1668 teruggekeerde kameraden, betaling te verzoeken van hun gage gedurende hunne gevangenschap in Korea verdiend of van zooveel als Heeren Meesters hun in redelijkheid wenschten toe te leggen. De uitkomst was dat zij er genoegen mede moesten nemen op gelijken voet te worden behandeld als ten aanzien van hunne lotgenooten in 1669 was vastgesteld: met een geschenk in geld werden zij afgescheept61. Hunne verlossing uit de gevangenschap heeft begrijpelijkerwijs minder opzien gebaard dan die hunner voorgangers; zij is zelfs zoo in het vergeetboek geraakt dat de schrijver van een standaardwerk over Korea, waarin een geheel hoofdstuk wordt gewijd aan de Hollandsche bannelingen, heeft gemeend dat omtrent hun lot nooit iets bekend is geworden62.

Hier en daar in Korea zijn inboorlingen aangetroffen met blond haar en blauwe oogen, welke voor afstammelingen van onze schipbreukelingen zouden kunnen doorgaan, als vaststond dat niet ook andere blanke zeevaarders daar zijn aangeland, die eveneens met de vrouwen des lands omgang hebben gehad63. Voor de Koreanen ligt de herkomst dezer blondharige landgenooten in het duister; het verblijf van Hamel en zijne makkers heeft geen indruk achtergelaten64, het tegenwoordige geslacht hoorde er uit den mond van Westerlingen voor het eerst van65.

Vele jaren na hunne terugkomst hier te lande worden—zooals wij hierna zullen zien—twee van de geredde opvarenden van “de Sperwer” nog genoemd door een geleerd Bewindhebber der Compagnie, aan wien zij mondelinge inlichtingen hebben verstrekt; behoudens ééne uitzondering, hebben de overigen geen bekend spoor nagelaten.

Eén hunner heeft daarentegen zoo groote vermaardheid verworven dat zijn naam in binnen- en buitenland is bekend geworden. Zijn gedwongen verblijf op het eiland Decima, heeft namelijk de boekhouder van “de Sperwer”, Hendrik Hamel van Gorkum, zich ten nutte gemaakt door van het wedervaren van hem en zijne lotgenooten een relaas op te stellen en daarin op te nemen hetgeen hem omtrent land en volk van Korea was bijgebleven.

Was aan Hamel en zijne zeven kameraden op 2 December 1667 te Batavia de onderscheiding te beurt gevallen “in Rade” te mogen verschijnen66, in het Bataviasche Dagregister staat onder den 11en dier maand nog aangeteekend dat Hendrik Hamel toen zijn Journaal “aan Haer Ede overgelevert” heeft67. Op dien datum heeft de Raad van Indië niet vergaderd, maar Hamel kan andermaal op het Kasteel zijn ontboden omdat de Gouverneur Generaal uit zijn mond bijzonderheden wilde hooren over zijn verblijf in Korea of omdat de Directeur Generaal wenschte te vernemen hoe hij dacht over de kansen voor den handel met dit rijk. Hamel’s Journaal dat, volgens de aangehaalde aanteekening in het Dagregister, was “leggende onder de papieren desen jaere van Japan [met “de Spreeuw”] ontvangen”, was toen ter Generale Secretarije beschikbaar en kon van daar worden opgevraagd om hem gelegenheid te geven het aan “Haer Edele”, d.i. aan Gouverneur Generaal en Raden, aan te bieden. Ook is het niet onwaarschijnlijk dat de aanbieding heeft plaats gehad in de hiervoor vermelde vergadering der Regeering op 2 December en dat de Dagregisterhouder, de Eerste Klerk ter Generale Secretarije Camphuijs, dit eerst den IIen dier maand heeft aangeteekend, zooals meer voorkwam68.

Een tweede exemplaar van dit Journaal is blijkbaar in het bezit geweest van zijne lotgenooten die vóór hem, den 20en Juli 1668, in het vaderland aankwamen, en door hen kort daarna aan Heeren XVII ter inzage gegeven69, waarna de tekst in handen zal zijn gekomen van uitgevers. Dat dezen de gretigheid waarmede Hamel’s relaas zou worden ontvangen, niet hebben overschat, blijkt uit de verschijning hier te lande van zes verschillende uitgaven, waarvan ten minste drie al in het jaar 1668. Bovendien zijn in het buitenland weldra ook vertalingen als afzonderlijke werkjes in het licht gegeven of later opgenomen in verzamelingen van reisverhalen70, en voor hen die sedert over Korea hebben geschreven, bleven Hamel’s berichten aangaande dit rijk, zijne bewoners en zijne instellingen, eene welkome bron, lang zelfs de eenige van zuiver westersche herkomst.

De eerste schrijver die daaruit heeft geput was Montanus, van wiens hand in 1669 een foliant verscheen over de gezantschappen der Compagnie “aen de Kaisaren van Japan”71. In het laatste gedeelte van zijn werk, heeft hij de gelegenheid waargenomen om aan het vergaan van “de Sperwer” en de lotgevallen van de schipbreukelingen eenige bladzijden te wijden72; waar hij zijne berichten vandaan heeft, verzwijgt hij evenwel en al noemt hij Hamel—dat deze een Journaal heeft opgesteld, heeft Montanus niet noodig gevonden te vermelden, hoewel blijkbaar dit Journaal, in den een of anderen vorm, door hem is gebruikt.

Ook de Bewindhebber der Compagnie Nicolaas Witsen heeft niet versmaad in zijn werk “Noord en Oost Tartarye” partij te trekken van hetgeen over Korea door Hamel’s Journaal bekend of bevestigd was geworden. In den eersten druk—die in 1692 is gereedgekomen maar niet in den handel is gebracht73—beroept hij zich een enkele maal op “de Hollanders die op Korea gevangen zijn geweest” en toont hij van hun schipbreuk en gevangenschap op Quelpaerts-eiland en het vasteland, op de hoogte te zijn; zelfs geeft hij een paar bijzonderheden ten beste welke nergens elders worden aangetroffen en doen vermoeden dat hij met geredde schipbreukelingen in aanraking is geweest. Evenwel spreekt hij niet over hen, noemt hen zelfs niet en rept evenmin van een Journaal.

In den tweeden en vermeerderden druk van zijn werk, in 1705 verschenen74, zijn Witsen’s berichten over Korea veel uitvoeriger geworden. Ook nu heeft hij zich niet bepaald tot hetgeen hij heeft kunnen overnemen uit de “Reisbeschrijvinge der Nederlanders die in Korea gevangen gezeten hadden”—zooals Hamel’s Journaal wordt omschreven op de eenige plaats waar er in zijn boek melding van wordt gemaakt75—maar thans haalt hij ettelijke malen uitdrukkelijk als zijne zegslieden aan twee van de schipbreukelingen, den onderbarbier Mattheus Eibokken en den scheepsjongen Benedictus Klerk van Rotterdam, die hem mondelinge inlichtingen hebben verstrekt. Vooral Meester Eibokken’s mededeelingen heeft Witsen terecht als aanwinsten beschouwd.

Dat Witsen het Journaal van Hamel—wiens naam hij nergens noemt—heeft gekend en geraadpleegd, blijkt overtuigend uit hetgeen over Korea in zijn werk voorkomt en bovendien uit eene vergissing welke hij begaat. In den eersten druk van “Noord en Oost Tartarye” verduidelijkt hij de ligging van het door de Chineezen Fungma genoemde eiland met de marginale aanteekening: “Nu Moese of Quelperts eiland”, terwijl hij op een andere plaats spreekt van: “Quelpaerts-eiland, Moese by d’ inwoonders genoemt.” Ook in den tweeden druk herhaalt hij dat de inlanders zelf dit eiland Moese noemen76. Vergelijkt men hu hiermede de plaats in Hamel’s Journaal: “’s middags gecomen in een stadt gent Moggan77, sijnde de residentieplaats van den Gouverneur van ’t eijland bij haar Mocxo genaemt78”—waarvan uitgevers hebben gemaakt: “bij haer genaemt Moese”79—dan is het duidelijk dat Witsen’s bron is geweest een gedrukt Journaal van Hamel en dat hij het Koreaansche woord voor den gouverneurstitel80 heeft gelezen alsof het eiland zelf daarmede was aangeduid.

De gegevens hem door Hamel en zijne zegslieden bezorgd, heeft Witsen op eigenaardige wijze verwerkt en dooreen gemengd, waardoor wonderlijke samenvoegingen zijn ontstaan als deze: “De dorpen zijn daer te lande ontelbaer, iemant by het haer te vatten is daer zeer oneerlijk en veracht”81.

Minder kan het bevreemden dat de uitgevers van Hamel’s Journaal diens tekst niet getrouw hebben gevolgd. Zij zullen rekening hebben gehouden met den smaak van het publiek waarvoor hunne boekjes bestemd waren en daarom die wijzigingen hebben aangebracht welke hun doelmatig voorkwamen. Zoo heeft de een82 den tekst gesplitst in twee op zich zelf staande stukken: het verhaal van hetgeen den schipbreukelingen is wedervaren en de beschrijving van Korea; een ander83 heeft die beschrijving zelfs geheel weggelaten; misschien omdat hij daarbij een paar in zijn bezit zijnde plaatjes te pas kon brengen, heeft een derde84 eene uitweiding ingelascht over olifanten en krokodillen die in Korea niet voorkwamen, voor welke inlassching hij in zijne uitgave zonder plaatjes eene elders gegeven beschrijving van gastmalen aan het Mataramsche hof in de plaats stelde85. Bovendien verschillen de gedrukte teksten zoowel onderling als van den onzen, soms op—naar onze opvatting—niet onbelangrijke plaatsen.

Van Hamel’s gedrukte Journaal verscheen in 1670 al eene Fransche vertaling, twee jaren later gevolgd door een Duitsche, waarna het nog eenige tientallen jaren heeft geduurd eer de Fransche vertaling op haar beurt in het Engelsch is overgezet; in die vertalingen en bewerkingen vindt men natuurlijk de onnauwkeurigheden terug welke aan de vaderlandsche uitgevers van Hamel’s tekst te wijten zijn, waaraan de overzetters bovendien sommige vergissingen of onjuistheden van eigen vinding hebben toegevoegd. Buitenlandsche schrijvers die zulk een vertaling moesten gebruiken, droegen er toe bij de door anderen begane fouten te verbreiden86, soms ook te vermeerderen87, zoodat tot nog toe aan Hamel’s arbeid geen recht is gedaan, zijn Journaal niet is bekend gemaakt zòò als hij het heeft samengesteld.

Die leemte aan te vullen kwam wenschelijk voor.

In het Landsarchief te Weltevreden is een exemplaar van Hamel’s Journaal misschien nooit opgenomen, in elk geval thans niet aanwezig88; waar het “verbaal” is gebleven dat Heeren XVII in 1668 in handen hebben gehad, valt niet te zeggen en uit de nog bestaande dagregisters en brieven uit dien tijd, afkomstig van Compagnie’s Comptoir te Nagasaki, blijkt zelfs niet dat het bestaan van dit Journaal aldaar is bekend geweest. Misschien heeft Hamel zelf ook een exemplaar daarvan medegebracht bij zijne terugkomst hier te lande; om te kunnen nagaan of dit ergens verscholen ligt, zouden gegevens ten dienste moeten staan aangaande zijn leven sedert zijn terugkeer in het vaderland in 1670 en een onderzoek daarnaar is vruchteloos gebleven.

Gelukkig is in de afdeeling Koloniaal Archief van het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage het exemplaar van Hamel’s Journaal bewaard gebleven dat de Indische Regeering heeft gezonden aan de Kamer Amsterdam. Het maakt deel uit van de papieren bijeengebracht in het “Tweede deel van de ingecomen brieven tot Batavia uijt de respective quartieren van Indien, overgecomen pr de schepen ’t Wapen van Hoorn, Alphen, Hollants Tuijn, Vrijheijdt, Cattenburgh, Amerongen, Wassende Maan, Loosduijnen en Vlaardingen, den 18 Mei, 13, 20, 23 en 25 Julij respective in Tessel en ’t Vlie gearrivt. Vierde Boek Ao 1668”, en wordt in het eveneens in dat deel voorkomende “Register der ontfangene brieven etc. sedert 6 December deses jaers 1667 tot 23en desselven maende voor de Camer Amsterdam”, vermeld als volgt: “Japan. Dagregister gehouden bij de gesalveerde personen van ’t verongelukt Jagt de Sperwer van ’t gepasseerde en hun wedervaren in ’t rijck van Coree, sedert den 18en Augustij 1653 tot den 14 September 1666.”

Dat uit dit archiefstuk niet blijkt door wien het Journaal is samengesteld en aangeboden, behoeft niet te verwonderen. Zelfs verzoekschriften werden eertijds vaak ongeteekend ingediend89 en soortgelijke relazen als Hamel’s Journaal worden herhaaldelijk zonder handteekening noch dagteekening onder de Compagnie’s papieren aangetroffen. Van zich zelf spreekt Hamel in zijn Journaal als van “den bouck houder” en nergens laat hij uitkomen dat hij er de samensteller van is; door die onpersoonlijke redactie verviel ook de aanleiding om het te onderteekenen. Het is waar dat zijn auteurschap nu ook niet onomstootelijk vaststaat, maar al is het aannemelijk, zelfs waarschijnlijk, dat hij de herinneringen van zijne kameraden zal hebben te hulp geroepen, alleen hij zal—naar het voorkomt—de ontwikkeling hebben bezeten, welke voor de samenstelling van het Journaal werd vereischt, dat, voor zooveel wij weten, ook nooit aan een ander is toegeschreven.

Zelfs als het bewaard gebleven archiefstuk slechts een afschrift is, dat de Regeering te Batavia voor de Kamer Amsterdam heeft doen vervaardigen, staan herkomst en bestemming ons borg dat wij in die copie een alleszins betrouwbaren tekst bezitten.

Is echter het aangetroffen document zulk een afschrift of daarentegen het exemplaar van zijn Journaal dat Hamel, volgens de aanteekening in het Bataviasche Dagregister van 11 December 1667, toen aan de Indische Regeering heeft aangeboden?

Wij zijn geneigd het voor het laatste te houden.

Gehoor gevende aan den aandrang van Compagnie’s Opperhoofd te Nagasaki, zal Hamel den tijd van zijn verblijf aldaar hebben besteed aan het opstellen van een uitgebreid relaas (waarop al wordt gezinspeeld in de missive uit Nagasaki aan de Indische Regeering van 18 October 1666)90 en op zijn minst twee exemplaren daarvan hebben laten afschrijven door een klerk van de loge aldaar. In de overtuiging dat vóór het vertrek van Compagnie’s schepen in het jaar 1667 de vergunning zou afkomen op grond waarvan de schipbreukelingen van “de Sperwer” Japan zouden mogen verlaten, zal Hamel den tekst van zijn Journaal volledig hebben afgemaakt en op het laatste oogenblik door denzelfden klerk den datum “van de comste van den nieuwen gouverneur” en dien waarop het anker zou worden gelicht, hebben laten invullen (zoodat alleen de datum van aankomst te Batavia nog openbleef) waarna hij het aan de Regeering te Batavia toegedachte exemplaar zal hebben ter hand gesteld aan het Opperhoofd, om het te voegen bij de overige voor die Regeering bestemde papieren. Van dit Opperhoofd zal de opdracht aan den Gouverneur Generaal en de Raden van Indië afkomstig wezen, welke met eene andere hand is geschreven dan de tekst91.

Neemt men aan dat hetgeen onder 1667 in ons Journaal wordt gemeld, door Hamel daaraan zal zijn toegevoegd gedurende zijne reis van Japan naar Indië, dan verklaart men daarmede ons archiefstuk, dat—behoudens de zooeven genoemde opdracht—van het begin tot het einde met dezelfde hand is geschreven, een eigenhandig stuk van Hamel te wezen, hetgeen echter onwaarschijnlijk voorkomt met het oog op de daarin aangebrachte verbeteringen van sommige verschrijvingen waaraan de auteur zelf zich niet zal hebben schuldig gemaakt.

Houdt men het er voor dat het door Hamel te Batavia aangeboden exemplaar, aldaar zal zijn verbleven en later verloren is gegaan, maar dat wij thans in handen hebben een ter Generale Secretarije vervaardigd afschrift voor de Kamer Amsterdam—waardoor de gelijkheid van het schrift van den tekst van begin tot slot, afdoende wordt verklaard—dan rijst de vraag waarom de datum van aankomst te Batavia oningevuld is gebleven en waarom de opdracht aan Gouverneur en Raden van een andere hand is dan de tekst van het afschrift.