1 Formosa. Zoo werd het eiland gedoopt door de Portugeezen; bij de Spanjaarden heette het Hermosa; de Chineesche naam is Tai-oan d.i. Terrasbaai; de Japanners noemden het Takasago (zie Papinot, Dictionary of Japan); in Compagnie’s stukken wordt gesproken van het “Eijlandt Paccam ofte Formosa”, b.v. in Gen. Miss. 3 Febr. 1626: “Tot ontdeckingh vant Eijlandt Paccam ofte Formosa hebben d’onse op den 8en Martio laestleden, onder t’ beleijt van d’ opperstierman Jacob Noordeloos, uijtgesonden twee joncken ... ende is bevonden om de Noort streckent tot op de hoogte van 25 graden 10 minuijten, ende om de Zuijdt tot omtrent op de 20½ graed”. (Verg. Kaart no. 304 in de verzameling van het Alg. Rijksarchief). Eveneens op kaarten: “Pakam of Ilha Formosa” (Alg. Rijksarchief nos. 271 en 288, en Teleki, Atlas zur Geschichte der Kartographie der Japanischen Inseln X).—“Opde Suijdhoek vande Baeij van Taijoan hadden de onse een fort geleijdt ... de plaetse daer ’t fort op staet is een sant duijn, ontrent een musquet schoot tegen over t’ fort leijt een sandt plaet daer ons comptoir ofte logie op gestaen heeft ...” (Dagr. Bat. 9 April 1625, bl. 144). “de uijtsteeckende plaet bij het vastelandt van Formosa, sijnde Taijouan” (Patr. Miss. 26 April 1650).—Gouvern. Pieter Nuijts schrijft 28 Febr. 1628 naar Batavia: “de luijden schijnen van Taijouan omdat het een sombere, dorre ende drooge plaets is een disgoest te hebben”.—Den 14en Juli 1650 schreef de Bataviasche Regeering: “’t is wel een schoon eijlandt, gelijck sijne name metbrenght, maer verslint veel menschen vlees” [door het ongezonde klimaat].

2 Zie Bijlage VA, 1.

3 Zie Bijlage VA, 2. (Gen. Miss. 24 Dec. 1652).

4 Zie Bijlage VA, 3.

5 Bij resolutie van Gouverneur Sonck en den Raad van Taijoan dd. 14 Januari 1625 werd besloten “ons van de Sandplaet met alle des Comp.es middelen aen de oversijde (op t’ vastelant van Isla Formosa) te transporteeren” ... om “aldaer een volcomen stadt op te rechten.” Tevens werd aan “t’ alreede opgerechte Casteel” de naam Orangie gegeven en goedgevonden “de Stadt te noemen naer de seven geunieerde provintien de Provintien”. De Regeering te Batavia gaf hare goedkeuring bij schrijven van 13 Mei 1625, maar de Bewindhebbers gelastten bij Missive van de Kamer Amsterdam dd. 17 Oct. 1626 “dat het Fort ende Stadt in Teijouhan afgesteeken ende begrepen zal genoemt sijn Zeelandia in plaetse van Provintien.” (Missive Batavia naar Taijoan, dd. 27 Juni 1627 en Gen. Miss. 9 Nov. 1627).

Nu lagen echter het Casteel of Fort Zeelandia en de ontworpen stad niet op dezelfde plaats; het Casteel lag op een hoog duin op de zandplaat, en aan het einde van het Casteelsplein, aan de oostzijde, was eene nederzetting van Chineezen welke den naam van “’t Quartier ofte de Stad Zeelandia” droeg” (’t Verwaerloosde Formosa”, bl. 15, 17). De ontworpen stad op het vasteland van Formosa zal om die reden den naam Provintie hebben gehouden. Onder dien naam komt zij voor op eene kaart van Formosa van 1629 (Kol. Arch. no. 140) en bij haar schrijven van 10 Mei 1649 gelastte zelfs de Bataviasche Regeering aan den President Overtwater om “de plaetse Chiaccam op ’t voorlant van Formosa welck voor desen geprojecteert ende ondernomen is om het beginsel van een stadt daerop te formeren, ende tot dien eijnde door de Heer Martinus Sonck saler den name Provintie gegeven ende sulcx van hier geapprobeerd was” [en welke Overtwater had herdoopt in “Hoorn”] “sijn vorigen naem van Provincie weder [te] geven.

Na het verzet van Chineezen in 1652 werd “om bij revolte ... Taijouan en Provintie niet te cunnen separeeren ... een suffisant redout aen de oversijde in ’t midden van de cruijswech binnen voornde. Provintie” gemaakt (Gen. Miss. 24 Dec. 1652 en Miss. Batavia naar Taijoan dd. 26 Mei 1653, 18 Juni 1653 en 20 Mei 1654) welke redout in begin Mei 1661 aan Kosinga werd overgegeven. (Zie “’t Verwaerloosde Formosa”).

Van “het vleck Provintie” spreekt ook de gewezen Gouverneur Verburgh in zijn “Rapport aengaende de gelegentheijt van Formosa”, Batavia 10 Maart 1654 (Kol. Arch. no. 1097). Op de kaart onder no. 305 in de verzameling van het Alg. Rijksarchief opgenomen, staat vermeld: “het vlekje Provintie”.

6 De uitgetrokken soldaten en hulpbenden “vonden geen grooter troupen als van 10 à 12 bij den anderen die haer hier en daer in ’t suijckerriet ende andere veltgewassen hadden verborgen. Werdende alle die attrapeerden door onse ende der inwoonders handen om ’t leven gebracht, zulcx in voorsz. 2 dagen tijts, omtrent de 500 Chinesen massacreerden”. ... “Soodat gedurende den oorloch in den tijt van 12 dagen tusschen de 3 à 4000 rebellige Chineesen in wederwraeck van ’t verghoten Nederlants Christenbloet verslagen zijn, daermede oock dese revolte tot slissinge ende te niet doening is gebracht”. (Gen. Miss. 24 Dec. 1652). De belooning aan inboorlingen, werd gerekend hun toe te komen voor 2600 gemassacreerde koppen.

7 Als oorzaak van de revolte werd aangenomen “dat de principaelste Chineese lantbouwers wat geprospereert zijnde, nae staet ende gesagh traghtende, off wel door eenigh misnoegen off om al te groote vrijheeden die hun, om haer in dese Republicq aen te locken, toegelaten zijn, uijt eijgen movement dit verfoeijelijck ende verraders werck ondernomen hebben; ’t sij soo het wil, dit is een goede waerschouwinge voor ons ende onse nacomelingen zoo wel hier op Batavia als Formosa, altijt een waeckend oogh jegens den arghlistigen ende trouweloosen Chinees in ’t seijl te houden en besonder op Formosa wel in agting te nemen geen meester van eenigh geweer en werden. Bovendien hun de groote vrijheeden die se dogh in haer eijgen landt niet gewoon sijn te genieten, soo veel te besnoeijen als doenlijck sij” (Gen. Miss. 31 Jan. 1653).

Heeren XVII waren van hetzelfde gevoelen (Patr. Miss. 30 Jan. 1654) doch kregen weldra een anderen kijk op het voorgevallene: “In UE voorsz. missive van den 26 Maij 1653 nae Taijouan geschreven, hebben wij niet sonder ontsteltenis gelesen dat veele van gevoelen sijn dat de jongste revolte der Chinesen op Formosa waerdoor omtrent 3000 van die natie om ’t leven geraeckt sijn, ten principalen soude veroorsaeckt sijn door de extorsien en gewelten die sij voorgeven hun van den Fiscael en andere over hen te seggen hebbende aengedaen. Sijnde voorwaer beclaeghelijck dat ons soodanige onheijlen door toedoen van onse eijgen Ministers overcomen” (Patr. Miss. 16 April 1655).

8Hier nevens werden UEd. andermael overgesonden de schriftelijcke deductien ofte verthoogen der schraperijen, usurpatien, stoute onderneminghen ende vordere quaede handelingen ende practijcken door de predicanten Daniel Gravius ende Gilbert Happart geduerende den tijt haerer residentie op Formosa gepleegt” (Gouverneur Verburg aan de Indische Regeering dd. 26 Febr. 1652).

“In dezen tijd [1649] klaagden de Broeders zeer sterk over den Heer Landvoogd Verburg” (Valentijn, IV, 2e stuk, 4e boek, 1e hoofdstuk, bl. 89). Bedoeld zal zijn Gouverneur Pieter Anthonijsz Overtwater (Zie Res. ulto Juli 1649 waarbij Verburg tot zijn opvolger werd benoemd, en Missive Batavia naar Taijoan 5 Aug. 1649). Over dit krakeel handelt ook eene missive van 19 Jan. 1654 van den Kerkeraad te Batavia aan Heeren XVII. Hoe dezen hierover dachten, blijkt uit het volgende: “T valt seer moeielijck en verdrietigh te hooren de dissentien en onlusten die der telckens voorvallen onder de Ecclesiasticquen mitsgaders de clachten over derselver onbehoorlijcke comportementen, usurpatien en geltgierigheijt en dat in alle residentien van de Compagnie geheel Indien door, en principalijcken op Formosa” (Patr. Miss. 20 Jan. 1654).—“Wij hebben gesien dat volgens onse gegeven ordre, de Ecclesiasticquen nu ontlast sijn van de politijcke regieringe op de dorpen, maer UE sullen daer op hebben te letten dat sulcx niet alleen niet weder compt in te cruijpen, maer datse oock haer sullen hebben te vougen onder diegeene die door den Gouverneur en Raet aldaer de politijcke regieringe en gesach over de dorpen sal aenbevolen sijn” (Patr. Miss. 15 April 1654).—Over “de tusschen den Heer Gouverneur ... ende sijnen Raedt geresen onlusten” zie Res. 12 April 1651 en Miss. Batavia naar Taijoan, dd. 21 Mei 1652.

9 Voor eenige grootendeels aan Compagnie’s papieren uit Japan en Taijoan ontleende bijzonderheden aangaande dezen vermaarden Chinees, zie Bijlage VC.

10Alsoo nu eenigen tijt herwaerts verscheijdene onlusten in Taijouan onder de Chinesen geresen sijn, ende dat den soon van den grooten Mandarijn Equan niet langer machtich sijnde om den Tartar tegenstand te doen, met sijn bijhebbende macht sich te water begeven heeft, die dan gepresumeert wert het oogh op Formosa geslagen te hebben....” (Res. 10 April 1653; vgl. Miss. Batavia naar Taijoan 25 Juli 1652). Ook Heeren XVII vonden de onderstelling aannemelijk dat de in verzet gekomen Chineezen “daertoe opgemaeckt sijn door Cochin [Koksinga] de soone van Equan, en met hem daerover gecorrespondeert; mitsgaders secours en assistentie verwacht hebben, gelijck den Pater Jesuita [Martinus Martini, over wien zie Bijlage VD] ons aengedient heeft dat op sijn vertreck uijt China soodanige geruchten daer liepen” (Patr. Miss. 20 Jan. 1654).

11 Hij werd 1611 te Meurs geboren, was gehuwd met Sara de Solemne, weduwe van Pieter Smidt, en overleed 24 Sept. 1667 als Directeur Generaal. Zie over hem: De Haan, Priangan, I, bl. 216. Voor zijne benoeming tot Gouverneur van Formosa zie Bijlage VA, 3.

12 Res. 20 Mei 1653.

13 Zie Bijlage VB, 1.

14 Zie Bijlage VB, 2 (Res. 24 Mei 1653). Zijne Commissie als Gouverneur van Formosa dd.o 18 Junij Anno 1653, is te vinden in Kol. Archief no. 780.

15Aen d’E. heer Cornelis Cesar, Raadt extraordinaris van India die gedestineert is om na Taijoan te vertrecken ende aldaer ’t gouvernement van den E. Nicolaes Verburgh over te nemen mitsgaders de verdre scheepsopperhoofden, wert des middaghs ten huijse van d’Ed. heer generael een vrolijck scheijdmael gegeven, daer hem de heeren Raden van India ende meest alle de gequalificeerde Comps. dienaren alhier, nevens hare huijsvrouwen, als andere genoode gasten, mede laten vinden” (Dagr. Bat. 16 Juni 1653, bl. 82).—In den namiddag had plaats “de publijcke authorisatie van d’E Hr. J. van Maetsuijker in ’t generale gouverne van India”, welke wederom met “een frisschen dronk” werd bezegeld (a. v. bl. 84).—In Res. 16 Dec. 1681 wordt gesproken van het “ordinaire scheijdmaal” voor de zeilree liggende retourschepen.

16 “Genoemde Heer Cornelis Caesar is tot becledinghe van sijn opgeleijde chergie met desselfs familie den 18 Junij laestleden pr ’t jacht de Sperwer uijt Batavia reede naer Taijouan genavigeert, cargasoen ƒ 64994.17.4” (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Dagr. Bat. 1653, bl. 84 en Bijlage IIIA, 3.

17Soo is dan mede verstaen het Jacht Sluijs dat tot de Taijouanse besendinge mede al eenige tijt aengeleght sij geweest alhier overtehouden, ende in desselfs plaets naer Taijouan de Fluijt de Sperwer te gebruijcken die wat grooter van last is” (Res. 9 Mei 1653).

18Alsoo het Jacht de Sperwer dat volgens resolutie van dato den 9en Maij tot de eerste Taijouanse besendinge aengelecht sij geweest, tot noch tot de komst van de vaderlantse retourvloot opgehouden sij geworden om tot transport van eenige krijgsmacht, die wij met genoemde vloot met verlangen te gemoet sien, te konne dienen, ende alsoo deselve buijten gissingh nu komt te tardeeren, het mouson al hooch begint te verloopen om dese besendinge haer voortganck te laten.... is dierhalve in Raaden goetgevonden ende verstaen den 17 deser genoemde Jacht sijn affscheijt te geven en tot transport van de Heer Caesar die als Gouverneur naer Taijouan staet te vertrecken, te dienen ende met deselve 50 militaire coppen tot versterckinge van het Taijouanse garnisoen te laten inbarcqeeren” (Res. 6 Juni 1653). Zie ook de “Zeijlaas ordre”, Bijlage IIIA, 2.

19 Den 15en Sept. 1651 ging de Sperwer van de reede van Batavia onder zeil en kwam den 12en Nov. 1652 daar terug. Als Secretaris van de ambassade, maakte Cornelis Speelman de reis mede. (Zie Speelman, Journaal van Cunaeus, uitg. A. Hotz).

20 “Naer dat d’ E. Heer Cornelis Caesar op 16 Julij pr ’t jacht de Sperwer in Taijoan was gearriveert” (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Bijlage IIIA, 3.

21 27 Mei 1653 “vertrecken van hier directa naer Taijouan de fluijtschepen Trouw, Wittepaert, Smient, mitsgaders de lootsboot Ilha Formosa voor d’ eerste besendinge” (Notitie van de schepen soo die van andere plaetsen hier gearriveert sijn als die van hier elders vertrocken sijn sedert 4en Januarij 1653 tot 31 December daer aen volgende).—In Res. 7 Juni 1652 wordt de Smient genoemd: “een hecht, oock wel beseijlt schip”.

22 “Tot vervolghe van den Japansen handel sijn uijt Taijoan 20 ende 29 Julij vervolgens derwaerts gesonden het fluijtschip het Wittepaert ende ’t jacht de Sperwer, te weten ’t Wittepaert geladen met een cargasoen van ƒ 33803.12.4 en de Sperwer met een do ten bedrage van ƒ 33819.14.15” (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Bijlage IIIA, 3.

23 Zie Bijl. IIIA, 3–7, ook voor berichten aangaande den indruk door het vergaan van de Sperwer gemaakt.

24 Patr. Miss. 25 Sept. 1642.

25 Volgens de in het Koloniaal Archief aanwezige “Naamlijst der in Japan geregeerd hebbende Opperhoofden zoomede het getal der aangekomen en verongelukte schepen”, loopende tot 1850, zijn aangekomen 716 en verongelukt 27 schepen.

26 O. Nachod, Die Beziehungen, enz., bl.330 en Beilage 63 A.

27 Wilhelm Volger, Opperhoofd, Daniel Six, tweede persoon, Nicolaes de Roij, ondercoopman en Daniel van Vliet, assistent.

28 “.... ende naer datse de naemen der verblijvende Nederlanders, als swarte jongens, welke met de seven matroosen en een boukhouder (uijt Corre hier aengecomen) een getal van 29 personen uijtmaecken, opgenomen hadden” (Dagr. Japan, 19 Oct. 1666).

29 Vijf eilanden; “a group of islands north-west of Kyushu, belonging to the province of Hizen” (Papinot, Dictionary).

30 Decima, d. i. Voor-eiland. “.....comen voorm. scheepen hier voor Schisima offte ’s Comps. residentieplaats ten ancker” (Dagr. Japan 14 Aug. 1646). Onze loge was van den beginne (1609) af te Hirado (Firando)—zie eene afbeelding van “De Loge op Firando” in: Montanus, Gedenkwaardige Gesantschappen, bl. 28—maar 11 Mei 1641 werd den onzen aangezegd “dat gehouden sullen sijn haer schepen voortaen in Nangasacque te doen havenen, met hunne gantsche ommeslach uijt Firando opbreecken ende die aldaer transporteren” (Dagr. Japan). De verhuizing duurde van 12 tot 24 Juni 1641 en 25 Juni kwam het Opperhoofd Le Maire van Firando voor goed naar Nagasaki (a. v.). (De “Naamlijst” vermeldt van Le Maire: “1641,den 21 Maij van Firando naar Decima verhuijst”.Zie ook: Dagr. Bat. Dec. 1641, bl. 68). Hier moesten de onzen het kwartier betrekken dat in 1635 voor de Portugeezen was gebouwd (Dagr. Japan 3/4 Febr. 1635) en waarvan François Caron den 29en Juli 1636 deze beschrijving gaf: “... gingen het logement ofte gevanckenis der Portugeesen besichtigen, sijnde een werck ’t welk in de baij van Nangasackij aen de Zuijtsijde van steen ende aerde uijt den water is opgehaelt,lanck een stadije ofte 600 voeten ende 240 voeten breedt, rondt omme met een dicht gependen pagger waerinne staen twee regelen huijsen en een straet in ’t midden, hebbende een brugge omme van ’t lant op dit eijlandt te gaen ende een waeterpoorte daer de Portugeesen twee mael in een voijagie passeeren sullen, te weten eens wanneer sij uijt haer galliotten gaen en eens als sij weder ’t scheep gaen, sonder verder haeren voet daer buijten te mogen setten. Voorsz. woninge sal nacht ende dach met verscheijde wachtbercken ende wachthuijsen bewaert werden” (Dagr. Japan).

31 “Dat geene Hollanders sonder vragen van ’t Eijlandt en vermochten te gaan. Dat wel hoeren maar geene andere vrouwen, Japanse Papen nochte bedelaers op ’t Eijlandt mochten comen”. (Dagr. Japan 19 Aug. 1641).—Hoe ten tijde van hun verblijf in Firando, Compagnie’s dienaren zich hadden te gedragen, blijkt uit de aanschrijving van Heeren Meesters (Patr. Miss. 3 Oct. 1637): “De onse moeten den Jappanders na de mondt sien en alles om den handel onbecommert te gauderen, verdragen”; zoomede uit de Instructie aan het Opperhoofd Nicolaes Couckebacker (ulto Mei 1633, Kol. Arch. no. 759)—Vgl. “Dat hij [nl. Couckebacker] sich in alle sijnen handel, wandel ende civilen ommeganck zoo lieftallig,vrundelijck ende nederig tegen alle en een ijder, soowel groot als clijn, sal hebben te comporteren dat hij bij de Japanse natie, die selfs van conditie wonder glorieus is, oock geen grootsheijt, trotsheijt of hoovaerdije in vreemdelingen can verdragen, bemint ende aengenaem sijn mach” (Gen. Miss. 15 Aug. 1633).

32 Bijlage I a.

33 Bijlage I b.

34 “Hij [het Opperhoofd Elseracq] apprehenderende meer en meer de groote precisiteijt van die natie dewelcke d’ onse involgen moeten omme daer wel te staen” (Patr. Miss. 26 April 1650).—“hoe nauw wij hier bepaalt zijn ende hoe veelderlij moeijelijckheden onderworpen door de groote precisiteijten der Japanse regenten die door der tolcken timiditeijt—voortcomende van hare onbequaemheijt—nogal meer beswaert werden, is UE. bij sijn aenwesen alhier ten deele gebleecken” (Memorie voor den E. Martinus Caesar, Nagasaki 2 Nov. 1670).

35 Zie Journaal, bl. 65 en Bijlage I a.—Vgl. “.... Vervolgens getreden zijnde tot Japan is gelezen den brief van den Generael ende Raden derwaerts gesz. vanden 30 April, soo oock die vanden 9 Maij, 5 en 20 Julij 1667, voort d’antwoort daerop van’t Opperhoofd Daniel Six en den Raet aldaer van 13 en 22 Octobr. daeraenvolgende, Noch de vragen doorden Gouvernr. van Nangasacki de 8 persoonen in Corea soo lange jaeren gevangen of gedetineert geweest zijnde, voorgehouden end’antwoort door deselve daer op gegeven, Item ’t gene inde generale brieven vanden Generael ende Raden daer van staet aengehaelt. Het geconcipieerde vande Heeren Commissen. daer op gaet hier neffens” (Verbaal gehouden van het gebesoigneerde van de heeren Commissarissen uijtte resp. Cameren van de Oost Indische Compagnie deser Landen.....alhier in ’s Gravenhage vergadert enz., Vrijdag den 29 Meert 1669. Kol. Arch. no. 301).

36 Zie Bijlage I a en I b.

37 Zie Bijlage I b en I d.

38 Zie Bijlage I f–h.

39 Zie Bijlage I i–j.

40 Dagr. Bat. 28 Nov. 1667: “arriveeren hier van Japan de fluijtschepen Spreeuw ende Witte Leeuw”.

41 Zie Bijlage I o.

42 “Zijn wij den 28 December Anno 1667 van Batavia ’t zeijl ghegaen, ende na weijnigh tegenspoet den 20 Julij 1668 tot Amsterdam aengekomen” (Journaal, Uitg.-Saagman).

43 ... “Sijn ons den 18en Maij Godtloff wel en behouden toegecomen de schepen het Wapen van Hoorn, Alphen en Constantia ... voort den 13en en 15en Julij respectievelijck de schepen de Hollantsche tuijn, ’t Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Vrijheijt, Jonge Prins en de Spreeuw, mitsgaders den 20 en 23 daaraanvolgende de Amerongen, de Tijger ... en den 23 en 25 van deselve maent, Godtloff oock behouden in ’t Vlie gearriveert de schepen de Wassende Maen, Vlaerdingen en Loosduijnen. Met de voorsz. schepen zijn ons dan geworden UE. generale brieven van den 5 October, 6, 23 en 31 December, alle des voorleden jaers 1667” (Patr. Miss. 22 Aug. 1668).

Mei 1668. “Den 18 Meij arriveerden in Tessel 3 Nederl. Retour-Schepen als ’t Wapen van Hoorn en Alphen voor de Kamer Amsterdam ende Constantia voor de Kamer van Enckhuijsen. Waren den 6 October 1667 van Batavia vertrocken ... Brachten mede dat jaer noch 8 Retour-Schepen van Batavia en 3 van Ceylon stonden te volgen ..., Doe quam op Batavia advijs, dat eenige Maets op Coeree van ’t Schip de Sparwer waren gebergt, en ettelijcke sich met een Bootje aen Japan hadden gesalveert” (Hollantse Mercurius XIX, 1668, bl. 82–83). Dit “advijs” was al, met de Esperance, den 30 Nov. 1666 te Batavia gekomen.

44 Monsterrol van ’t Jacht Amerongen in dato 24 Dec. 1667 (Brieven en papieren overgekomen voor de Kamer Amsterdam, 1660–1668. Kol. Arch. no. 1153).

45 “In dese landen daer en teghens arriveerden den 15, 16 en 20 Julij de navolgende retourschepen uijt Oost-Indiën: als de Hollantsche Thuijn, ’t Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Tijger en Dordrecht den 7 December 1667, de Vrijheijt, Jonge Prins en Amerongen den 23 December, en ’t Jacht de Spreeuw den 1 Januarij van Batavia af-geseijlt”. (Hollantsche Mercurius, XIX, 1668, bl. 113).—Den 19en Juli 1668 al berichtte de Kamer Amsterdam aan de Regeering te Batavia de behouden aankomst van de Hollantsche Tuijn, ’t Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Vrijheijt, de Jonge Prins en de Spreeuw; den 24en d.a.v. dat “Amerongen op den 20 deses in Tessel wel gearriveert” was. (Particuliere brieven van de Camer Amsterdam. Kol. Arch. no. 484).

46 Zie Bijlage I d. Dit Rapport was “gedateert den lesten November” [1666]. (Verbaal Commissarissen ’s Gravenhage van 23 Maart 1668. Kol. Arch. no. 301).

47 Artikelbrief van de Geoctroijeerde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, dd. 8 Maart 1658. (N.I. Plakaatboek II, bl. 265, 270). Art. 42: “... sulcks dat een yeder ’t peryckel sijner Maent-gelden sal loopen op ’t Schip ende goederen daer hy op vaert, ende dienvolgende ’t selfde schip met alle syne ingeladen goederen (’t welck Godt verhoede) komende te verongelucken, oock alle syne Maentgelden ... verliesen”. Art. 51: “... Ende sullen de bedongen Maentgelden van alle sodanige Gevangens cesseren ende ophouden vanden tydt haerder gevanckenisse, tot dat sy wederom gerelaxeert sullen wesen”.—Resolutie Kamer Amsterdam dd. 20 Nov. 1653: “Maentgelden. Van ’t volk van geblevene schepen te betalen tot den dag van ’t blijven, af 1/# part na gewoonte”. Vgl. nog Res. 9 April 1669 (jacht de Jonker) en Res. 23 Jan. 1690 (jacht de Zijp).

48 Zie Bijlage I k.

49 Zie Bijlage I q–r.

50 Zie Bijlage I (bl. 78 en 82).

51 “The Japanese government had always made use of Tsushima in its communications with the Coreans, and the agency at Fusan was composed almost exclusively of retainers of the feudal lord of this island” (Griffis, Corea, 1905, bl. 86).

52 Zie Bijlage I n (slot).

53 “De overgeblevenen zijn door toedoen van den Keizer van Japan, op verzoek van de Nederlandsche Oost-Indische Maetschappye, naderhand overgelevert, behoudens een, die aldaer wilde blijven” (Witsen, 2e dr., I, bl. 53).

54 Zie Bijlage II a–d.

55 Witsen, 1e dr. II, bl. 23; 2e dr. I, bl. 53.

56 “Het jacht Pouleron bij de Eijlanden van Maccauw van de Schermer afgeraect zijnde heeft den 26 en 27 Julij op de noorderbreedte van omtrent 30 graeden bij de modderbancq een soo vervaerlijcke storm beloopen dat alle zijn ronthout except de bezaensmast heeft verlooren, de boechspriet eerst door den wint achterover int schip gesmeeten zijnde is de fockemast gevolcht en daegs daeraen oock de groote mast door het vreeselijck slingeren; aen het Queelpt. hebben haer stompen gerecht en zijn zoo, tusschen d’ Eijlanden van Gotto door, den 13en Augo. goddanck hier binnen gecomen”...... “Pouleron dat aent Queelpaert heeft geanckert gelegen ende door de Eijlanden van Gotto is geboucheert”. (Missive Nagasaki naar Batavia 19 Oct. 1670).

“d’ eerste joncke van Batavia dit henen gezeijlt, werden wij bericht dat op Corree is verongeluct en daer van omtrent 40 Chineesen in Gotto zijn aengecomen en dat d’ andere in Corree werden aengehouden” (a. v.).

“Wij hebben UEd. jongst geschreven dat de joncke van Batavia vertrocken, op Corree was verongeluckt en eenich volck daer van op Gotto waren aengelant; zedert zijn d’ andere Chineesen met een opgemaeckt vaertuijgh meede van Corree hier binnen gekomen met noch soodanige geborgene coopmanschappen als bij ’t joncke boekje blijckt geschat op Ts 13000 vercoops. Men secht ons dat dit volck is geweest aen een lant van Corre oft eijland dat onder Japans gebiet staet. T’ is apparent datse hier weder sullen equiperen en na Batavia comen” (Missive Nagasaki naar Batavia primo Nov. 1670).

57 Zie Bijlage II a (slot).

58 Zie Bijlage II c–d, en Dagr. Bat. 1668 bl. 204.

59 Dagr.Bat. 1669 (bl. 301). 8 April: “komt de fluijt Nieuwpoort van Coromandel”.

60 Dagr.Bat. 1668 (bl. 203). 30 November: “Des avonds comt de fluijt Buijenskercke van Japan”.

61 Zie Bijlage II i.

62 Griffis, Corea, 1905, Chapter XXII, The Dutchmen in exile (bl. 176): “The fate of the other survivors of the Sparrowhawk crew was never known. Perhaps it never will be learned, as it is not likely that the Coreans would take any pains to mark the site of their graves”.—Zelfs Mr. Pieter van Dam schijnt van hunne bevrijding en terugkomst niet te hebben geweten. Zie zijne onuitgegeven Beschrijvinge van de Oost-Indische Compagnie: “Agt Nederlanders met een kleijn vaartuijg van de Coreese eijlanden tot Gotto aangekomen en door den Heer van ’t Land tot Nangasacki opgesonden zijnde, waren in ’t jaar 1653 op het Quelpaarts eijland met ’t jagt de Sperwer verongelukt en waar van haar 36 menschen sterk aan Corea hadden gesalveert. Volgens haar voorgeven zijnse van die van Corea seer armelijck getracteert, dan na ’t een dan weder na ’t ander eijland vervoert, Invoegen dat in 13 jaren dat aldaer gesworven hadden, 20 van deselve sijn gestorven en van waar de voorsz. agt met een kleijn vissers schuijtje sijn gevlugt en de andere agt daer nog verbleven..... De voorsz. agt Nederlanders uijt Corea verlost, na dat sij in Japan seer naeuw op alles waren ondervraegt, en ’t selve pertinent was aangeteijckent en na het Hoff gesonden, en daer op haere demissie hadden verkregen, sijn van daer mede na Batavia vertrocken”. Over de “daer nog verbleven” schipbreukelingen, spreekt Van Dam verder niet.—Vgl.: K. Gützlaff, Reizen langs de kusten van China, enz., bl. 250: “Meer dan twee eeuwen geleden strandde aan deze kust een Hollandsch schip; de manschap werd verscheidene jaren gevangen gehouden, tot er één ontsnapte en te Amsterdam zijne lotgevallen bekend maakte”.—“To those who hail from Great Britain it is of special interest to know that one of the unfortunate mariners who did not succeed in making his escape was “Alexander Bosquet, a Scotchman”. One wonders if his tomb or those of any of his mates will ever come to light, as that of Will Adams did in Japan”. (Foreword van M. N. Trollope, bij de uitgave van Hamel’s Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 94–95).

63 “The only relics of these unfortunate captives so far discovered have been two Dutch vases unearthed in Seoul in 1886. The natives knew nothing of their origin, beyond a vague belief that they were of foreign manufacture. The figures on them, however, told their own tale of Dutch farm-life, and the worn rings of the handles bore marks of the constant usage of years. We may well fancy them to be the last of the household gods of the shipwrecked Wetteree, who, like Will Adams of Japanese history, lived and died a captive exile though the honoured guest and adviser of the king and government. The presence of these captive Dutchmen in Corea may perhaps explain what must always seem an anomaly among Asiatic races, namely blue eyes and fair hair. These peculiarities have been frequently observed by travellers in various parts of the peninsula, exciting comment and conjecture without, hitherto, any definite explanation” (J. Scott, Stray notes on Corean history etc., Journal China Branch R.A.S., New Ser. XXVIII, 1893–94, bl. 215).

64 “Durant mon séjour a Tchae-Tchiou [28 Sept.–3 Oct. 1888] je demandai fréquemment des renseignements sur Hamel. Mais tout souvenir de sa visite s’est évanoui avec la génération qui l’a vu” (Chaillé-Long-Bey, La Corée ou Tchosen, bl. 46).

65 Zie Dr. H.P.N. Muller, Azië gespiegeld, I, bl. 371.

66 Zie Bijlage I k.

67 Dagr. Bat. 1667, 11 December: “Hendrick Hamel, gewesen boeckhouder op het jagt de Sperwer, den 16en Augustus 1653 aan een der Corese eylanden, by ons het Quelvaerts eylandt genaemt, verongeluckt, zynde den 28en November jongstleden, nevens nogh 7 persoonen van gemelte jagt, met de fluyt de Spreeuw, uyt Japan hier aengecomen, heeft nu aen haer Ede overgelevert een daghregister van het gepasseerde sedert dien tyt tot haere aencomste alhier, behelsende een verhael van ’t verongelucken des gemelten jagts, mitsgaders wat ellende en miserie sy aldaer hebben uyt gestaen, hoe ende op wat wyse zy eyndelyck uyt haere gevangenisse syn gevlugt; voorts een corte beschryvinge van het coninckryck Coree, den ommegangh der inwoonders, haere justitie, politie, Godsdienst en andere saecken van speculatie, leggende het gemelte daghregister onder de papieren, desen jaere van Japan ontfangen”.—Aan het slot van een uitg.-Saagman van Hamel’s Journaal wordt gezegd: “Na eenige dagen vertrocken wij met een Schip dat daer in Ladinge lagh, na Batavia, daer wy den 20e November wel aen quamen, en by den Generael ontboden wierden, die wy al ons wedervaren verhaelde: wy hebben hem oock een Journael behandight, en hy ons voorts wel onthaelt hebbende, heeft ons verlof gegeven om na het Vaderlandt te vertrecken”, enz.—Hamel had—gelijk wij aannemen—ons handschrift aan het Opperhoofd te Nagasaki afgegeven, daardoor was hij niet in de gelegenheid daarin den datum van aankomst te Batavia in te vullen en over de ontvangst aldaar iets te zeggen. Zie verder bl. XXV–XXVI.

68 Vgl. de Haan, Priangan II, bl. 38 (26).

69 Zie Bijlage I o.

70 Zie de Bibliographie.

71 A. Montanus, Gedenkwaerdige Gesantschappen enz.

72 Bl. 429–436.

73 Noord en Oost Tartarye (’t Amsterdam 1692). Zie Tiele, Nederlandsche Bibliographie van Land- en Volkenkunde, bl. 269. Het exemplaar uit de Utrechtsche Universiteitsbibliotheek hebben wij kunnen raadplegen.

74 Noord en Oost Tartarye (’t Amsterdam 1705). Zie Tiele, a.v. bl. 269.

75 Dl. I, bl. 148.

76 “....de Nederlanders die op Korea gevangen zijn geweest, verhaelen, dat zy eerst aen Quelpaerts Eiland aen quamen, gelegen op drie en dertig graden, en dertig minuten Noorder breette, van de vaste Koreaensche Kust, omtrent veertien myl, genaemt by de Inwoonders Schesure of Moese” (dl. I, bl. 150 noot).

77 Onder dezen naam is de hoofdstad van Quelpaerts-eiland nergens vermeld gevonden. Misschien is Moggan de transcriptie van eene Koreaansche uitdrukking voor de residentieplaats van een Mok-så of Gouverneur.

78 Zie Journaal, bl. 11.

79 Uitg.-Saagman: “Moggaen, zijnde de residentieplaets van de Gouverneur van ’t Eijlandt, bij haer Mocxa genaemt,”. Daarentegen in de uitg.-Stichter en Van Velsen,.....“bij haer genaemt Moese”.

80 “Mok-sa. Mandarin de 1er ordre dans les villes où il y a des satellites pour arrêter les voleurs (le 2e dans l’ordre civil, le 1er au-dessous du gouverneur)” (Dict. Cor.-Franç., bl. 244). Moese is de Chineesche uitspraak van Moksa.

81 Witsen, 2e dr., bl. 59.

82 Uitg.-Stichter, Rotterdam, 1668.

83 Uitg.-van Velsen, Amsterdam, 1668.

84 Uitg.-Saagman, “’t Oprechte Journaal”, Amsterdam, bl. 30–31.

85 Zie de Bibliographie.

86 De tekst van de in Churchill’s Collection of Voyages and Travels, Vol IV (1732) opgenomen Engelsche vertaling is herdrukt in Transactions of the Korea Branch of the R.A.S. Vol. 9 (1918) alleen met een “Foreword” van den President Mark Napier Trollope, Bishop in Corea, die over Hamel’s Journaal zeer gunstig oordeelt maar de opmerking maakt: “there are points, like his circumstantial account of the man-eating “crocodils” to be found in Chosen, which sound rather like a “traveller’s tale”, though it is possible that such animals may have existed two hundred and fifty years ago and yet be extinct now”. Hamel gaat echter vrij uit; over krokodillen komt in zijn Journaal evenmin iets voor als over olifanten.

87 O.a. Griffis, Corea, the Hermit Nation (1905), Chapter XXII: The Dutchmen in exile; en Idem, Corea, without and within (1885).

88 Mededeeling van den Landsarchivaris te Weltevreden, Dr. F. de Haan.

89 Zoo diende de oud-Gouverneur Generaal Hendrik Zwaardecroon een verzoekschrift in aan de Indische Regeering, zonder dit te teekenen. (Zie Indische Gids, 1917, II, bl. 1539). Ook de rekesten vermeld in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.I. deel 73, bl. 401, waren ongeteekend.

90 Zie Bijlage Ia (bl. 78).

91 Zie facsimile tegenover den titel.

92 Zie facsimile.

93 “Les meurtres & autres excès sont bien plus rares dans ce récit que dans celui du voyage de Pelsaert. Aussi est-il devenu beaucoup moins populaire” (Tiele, Mémoire bibliogr., bl. 275).

94 Zie bl. 13.

95 Zie Bijlage IIIB.

96 Zie Bijlage IA.

97 “Le récit de leurs aventures quoique très simple et nullement scientifique, ne manque pas d’intérêt”. (Mémoire bibliogr., bl. 274). Vgl.: “Hamel, the supercargo of the ship, wrote a book on his return, recounting his adventures in a simple and straightforward style” (Griffis, Corea, 1905, bl. 176).

98 “When this account was printed in Holland, the eight men mention’d at the end of this Journal, were all in Holland, and examin’d by several persons of reputation, concerning the particulars here deliver’d, and they all agreed in them; which seems to render the relation sufficiently authentick... There’s nothing in it that carries the face of a fable, invented by a traveller to impose upon the believing world” (Churchill’s Collection of Voyages IV (1732), Preface bl. 574).

99 “Kinderen en wijven, die eenige daer getrouwt hadden, verlieten ze” (Witsen, ie dr., bl. 23; 2e dr., I, bl. 53.

100 Zie Bijlage Io.

101 Witsen, 1e dr., bl. 23; 2e dr. 1, bl. 53.

102 “Thirteen years residence in Corea, was time enough to have given a much more perfect description, and many men in that time would have made it more ample and satisfactory; but the author gave what he had, and I suppose his memoirs were small and ill digested, having leisure enough, but perhaps little inclination, to write in that miserable life, as not knowing whether ever he should obtain his liberty, to present the World with what he writ” (Churchill’s Collection IV, Preface, bl. 574).

103 “Le Sécrétaire du Vaisseau qui a fait ce Journal, n’avance rien dans la Description de l’estat présent du Royaume de Corée qui ne s’accorde avec ce qu’ en a écrit Palafox et ceux qui ont traitté de l’ invasion des Tartares” (Relation du Naufrage d’un vaisseau holandois sur la Coste de l’ Isle de Quelpaerts etc. Avertissement au Lecteur).—“The book, which contains... a racy description of the country and people, deserves careful study. It throws some interesting sidelights on the history of the “Coresians” two and a half centuries ago, then as always between the upper and nether mill-stones of the “Japoneses” and the “Chineses” to north and south of them” (Foreword van M. N. Trollope bij de uitgave van Hamel’s Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 93–94).

104 “The French translater indulges in skepticism concerning Hamel’s narrative, questioning especially his geographical statements. Before a map of Corea, with the native sounds even but approximated, it will be seen that Hamel’s story is a piece of downright unembroidered truth. It is indeed to be regretted that this actual observer of Corean life, people, and customs gave us so little information concerning them” (Griffis, Corea, 1905, bl. 176).—“Mit Hülfe unserer japanischen Karte von Korai (Atlas No. 6) konnten wir die Reiseroute, der Hamel gefolgt is, nachweisen und die meisten verstümmelten Ortsnamen, deren er in seinem Tagebuche erwähnt, entziffern” (v. Siebold, Geschichte Entd. Japan, bl. 37).

105 “Like the Japanese, and all the nations of eastern Asia, the Coreans have always bowed down before the greatly superior mental power of the Chinese; and have borrowed from them some of their customs, more of their words, and, perhaps, all the principal books in use between the Yaloo and the western shores of the Pacific” (Ross, History of Corea, bl. 300).—“Whatever note-worthy knowledge the Japanese and other nations possess, they obtained from China, while she has always been self-contained” (Ross, the Manchus (1891) bl. XV). Vgl. J. S. Gale, The influence of China upon Korea (Transactions Korea Branch R. A. S. I, bl. 1–24) en H. B. Hulbert, Korean Survivals (Id. bl. 25–50).

106 “It was not until the seventeenth century that Europeans came in contact with Coreans, when some unfortunate Dutchmen were shipwrecked on the coast and held captive for years. The narrative of the Dutch supercargo Hamel, written towards the close of the seventeenth century, gives a graphic account of Corean manners and customs, and, as read at the present time, conveys an exact picture of the people and country. Place after place which he mentions in their captive wanderings have been identified, and every scene and every feature can be recognised as if it were a tale told of to-day. So strong is native conservatism both in language and habits that Hamel’s description of two hundred years ago reproduces every feature of present Corean life” (Scott, Stray notes on Corean History etc., Journal China Branch R. A. S. New Ser. XXVIII, 1893–94, bl. 215).—“Hendrik Hamel was plainly a shrewd observer, and much of his description of the country and the people and their customs tallies well with our own experience of the last thirty years, though one would not care to subscribe to every one of his statements”. (Foreword van M. N. Trollope bij de uitg. van Hamel’s Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 94).

107 “.... c’est le seul ancien ouvrage connu qui donne de première source des détails importants concernant la Corée & ses habitants” (Tiele, Mémoire bibliogr., bl. 275).—“Das Schicksal des H. Hamel van Gorcum ... ist lehrreich als ein Blick in das innere Leben des Koreischen Staates und Volkes, und seine Notizen über dasselbe sind mit Unrecht bisher unbeachtet geblieben, da sie, bei Koreas stationairem Zustande, auch heute noch nicht veraltet sind, und gleiche Autorität wie jene oben angeführten haben, welche durch die anspruchlosen Angaben des redlichen Holländers bestätigt oder selbst im wesentlichen noch vervollständigt werden” (C. Ritter, die Erdkunde von Asien, III, 1834, bl. 637–638).

108 Rev. J. Ross, History of Corea, [1880]; en Ch. Dallet, Histoire de l’ Eglise de Corée, 1874.

109 “On n’a jamais prêché la religion chrétienne dans la Corée, quoique quelques Coréens ayent été baptisez en différens tems à Peking” (Observations géographiques sur le royaume de Corée, tirées des Mémoires du Père Regis, in Du Halde, Description, etc. IV (1736) bl. 532).—“The first attempt of a foreign missionary to enter the hermit kingdom from the west was made in February 1791” (Griffis, Corea, 1905, bl. 353).

110 “.... les missionnaires sont les seuls Européens qui aient jamais séjourné dans le pays, qui en aient parlé la langue, qui aient pu, en vivant de longues années avec les indigènes, connaitre sérieusement leurs lois, leur caractère, leurs préjugés et leurs habitudes” (Dallet, Histoire, etc. I, bl. IX).

111 “In 1368.... the warrior monk was enthroned in Peking, emperor of all China. Next year... the king of Corea, sent an ambassador with letters of congratulation to the new emperor, to his new capital of Nanking, and the pleased emperor formally acknowledged him king of Corea” (Ross, History of Corea, bl. 268).

112 “Fifty years previous to the Manchu conquests, Japan had overrun Corea in a war of pure conquest; and though, with Chinese assistance, she was ultimately driven out, she never abandoned her foothold in the port of Fusan, which has always remained, under the daïmiös of Tsushima, as a port of commercial intercommunication” (Parker, China Past and Present, bl. 340).

113 “Corea heeft sich de Tartar onderworpen” (Gen. Miss. 21 Jan. 1622). Zie ook: Parker, The Manchu relations with Corea (Transactions Asiatic Society of Japan XV, 1887, bl. 93).

114 Ross, History of Corea, bl. 276–286.—C. I. Huart, Mémoire sur la guerre des Chinois contre les Coréens de 1618 à 1637 (Journal Asiatique, 7e Série, XIV, 1879, bl. 308 e. v.).—W. R. Carles, A Corean monument to Manchu clemency (Journal North-China Branch R. A. S. XXIII, 1888, bl. 1).

115 “Ever since the Manchus established themselves in China, Corea has paid regular tribute to Peking, and been a most faithful vassal.There was, until fifteen years ago (1883), absolutely no interference on the part of China in her internal administration: all she had to do was to send as tribute a few local articles of nominal value at fixed periods, for which she received a liberal return; and to apply for recognition when a demise of the Royal crown took place and a successor inherited” (Parker, China Past and Present, bl. 340).

116 “Shōgūn is simply the Chinese tsiang-kün or generalissimo, being the word “Imperator” in its original military significance” (Parker, China, 1917, Glossary).

117 Diary of Richard Cocks (Uitgave Hakluyt Society 1883) I, bl. 255, 301, 304, 311, 312, 313; en C. J. Purnell, The Log-Book of William Adams 1614–19 (Transactions of the Japan Soc. of London, XIII, 1916, bl. 178.—Het eerste Koreaansche gezantschap kwam in Japan in 1608, het tweede in 1617. “From this time down to the year 1763 Korea sent ambassadors to Japan on the occasion of the appointment of a new Shogun. Altogether such missions arrived in Japan eleven times” (I. Yamagata, Japanese-Korean relations after the Japanese invasion of Korea in the XVIth century, Transactions Korea Branch R. A. S. IV, 2 (1913) bl. 8).—Dat het optreden van een nieuwen Sjogoen niet de eenige aanleiding was voor het sturen van een gezant, blijkt uit deze aanteekening in Dagr. Japan 1643 onder 6 Mei: “Gemelte Heere [van Firando, die aan de Compagnie geld schuldig was] soude na voorgeven noch wel 4 a 5 kisten gelt betaelt gehadt hebben, ten ware den ambassadeur van Korea, die naer Jedo verreijsde om Keijserlijcke Maijt [d.w. den Sjogoen] over de geboorte van den jongen Prince geluck te wenschen, door of bij de uijterste palen langs van zijn Heerlijckheijt gecomen ware, bij welcke gelegentheijt gemelte Heere ettelijcke kisten gelts hadde moeten aen oncosten maecken.”

118 “De Coreese Ambassade is in April weeder ghekeert naer Coree met treffelijcke presenten, in gaen en commen overall vrij gehouden; haer versouck is geweest assistentie tegens de Chijneesen die sij claechden haer veel overlast te doen; het scheen haer goede hoope tot assistentie is ghegeven geweest. Men liet een groot gerucht van preparatie tot oorlooghe loopen dan is corts naer haer vertreck als roock verdweenen; ’t schijnt dese Kaijser meer genegen is sijn landtsheeren met bouwen van Casteelen arm te houden dan die door vreemde oorloghe rijck te maecken” (Opperhoofd Firando naar Batavia dd. 17 Nov. 1625.—Zie ook Dagr. Japan 24 Maart 1637, Bijlage IV).