119 “In het volgende jaar 1655, is in Japan niets bijzonders voorgevallen, alleenlijk sijn daer uijt Corea drie ambassedeurs van ’t Hoff geweest met een gevolgh van drie hondert personen om d’ Hommagie te doen; sijnde die van Corea gewoon dat om de drie jaren te laten geschieden” (Mr. P. van Dam’s Beschrijvinge, Boek 2, deel 1, caput 21, fo 289).—“In 1710 a special gateway was erected in the castle at Yedo to impress the embassy from Seoul, who were to arrive next year, with the serene glory of the sho-gun Iyénobu ... The intolerable expense at last compelled the Yedo rulers to dispense with such costly vassalage, and to spoil what was, to their guests, a pleasant game. Ordering them to come only as far as Tsushima, they were entertained by the So family of daimiōs” (Griffis, Corea, 1905, bl. 151). Vgl. Chinese Repository X, 1841, bl. 163 (noot).

120 “...het ophouden der joncquen .. ontstaet ... door den Hr. van Tsussima (met licentie ofte passen des Keijsers de negotie op Corea ende dat onder seecker getal van joncquen exerceerende) nu al eenige jaeren herwaerts onderstaen heeft de voorn. passen, soo die van den Keijser aen de Coreesen als die vande Grooten in Corea aenden Keijser, op te houden ende naer sijns welgevallen ende meesten profijt andere in plaetse doen schrijven” (Missive Opperhoofd Couckebacker, Jedo 23 April 1635).

121 “Onsen handel is daer noch jonck ten aensien van de Portugesen, Japan van over de 100 jaeren gefrequenteerdt hebbende” (Patr. Miss. 31 Aug. 1643).

122 “Van desen hoeck af voortaen, soo streckt de Custe weder nae het noorden toe, wijckende daer nae innewaerts noordwestwaert aen, aen welcke Custe comen die van Japon, traffijckeren met het Volck van die contreye, diemen noemt Cooray, ende men heeft daer Havens ende beschutsels, hebben een tuych van smalle ende ondichte stucken gheweeft werck, ’t welcke die Japonen aldaer comen verhandelen, waer van ic goede, breede, ende waerachtighe informatie hebbe, als oock vande Navigatie naer dit Landt toe, vande Pilooten die ’t aldaer ondersocht ende bevaren hebben, als volght.

Van desen hoeck van den Inham van Nanquin af, 20. mijlen zuydtoostwaert aen, zijn gheleghen etlijcke Eylanden aen het eynde, vande welcke, te weten, aende oostzijde leyt een seer groot ende hooch Eylandt van veel Volcks bewoont, soo te voet als oock te peerde.

Dese Eylanden worden vande Portugesen gheheeten As Ylhas de Core, ofte d’ Eylanden van Core: maer het voorschreven groot Eylandt is ghenaemt Chausien, heeft vande zijde van het noordtwesten eenen cleynen Inwijck, hebbende een Eylandeken in de mont ligghen, t’ welcke de Haven is: maer heeft weynich diepten, alhier houdt de Heer van het landt sijn residentie: Van dit Eylandt af, 25. mijlen zuydtoost aen, is gheleghen het Eylandt van Goto, een van d’Eylanden van Iapon, twelcke leyt vanden hoeck vanden Inham van Nancquin af, oost ten noorden t’ Zeewaert aen, 60. mijlen weeghs ofte weynich meer” (Jan Huyghen van Linschoten, Reys-Gheschrift van de Navigatien der Portugaloysers in Orienten enz. [1595], bl. 70).

123 “Hirado. In W. Japan, H before i is pronounced F, and n is inserted before d.” (The Voyage of Captain John Saris to Japan, 1900, bl. 78, noot 4).

124 De Jonge, De opkomst van het Nederlandsch gezag in O.I. dl. III, bl. 300; en Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, 1858, bl. 29.

125 Peper.—“...bij de Chineezen in Nangasaq ende die van Corea niet werdende getrocken” Firando 3 December 1634. (Opperhoofd Couckebacker aan den Gouverneur van Formosa, Putmans).—Vergelijk echter de volgende berichten: “At our returne to the English house [te Firando], I found three or foure Flemmings there; one of them was in a Iapan habit, and came from a place called Cushma [Tsushima], within sight of Corea. I vnderstand they sold Pepper and other Commodities there, and I thinke haue some secret trade into Corea, or else are very likely to haue” (The Voyage of Captain John Saris to Japan, bl. 170).—“Peper werd daer [Japan] vercocht tegen 15 ende 16 taijl t’ picol; dese werdt ten deele in Japan gesleten, pertije naer Corea vervoert” (Gen. Miss. 3 Febr. 1626).

126 “Langasacki 3 November 1610. Thin is op Corea seer getrocken waeromme hijer veel vertijert wert, ick hebbe versocht off het mogelijck sijn soude wij eenighe handelijngge op Corea hijer vuijt Jappan mochten doen; tot dijen fijne ick in Martij passado eenen Assistent met 20 picol peper naer het eijlandt Tuxcijma sijnde ontrent 30 mijlen van hijer gesonden hebbe dije met dije van Corea, dat noch 25 mijlen van daer is, handelijng [te] drijven ende hun vaert 3 a 4 maelen ’s jaers derrewaerts maecken, doch is d’ voirsz. door de strenge wetten des landts onmogelijck bevonden, dat den Gouvr. vant’ voirsz. eijlandt oock nijet consenteeren will, want hem schadelijck sijn soude, dan sullen ’t voirsz. noch nijet achterwege laten vorder te versoucken want groot profijt can gedaen worden, soo in sijdewerck, leeren, medecijnen ende andersijnts dat van daer gebracht wort” (Aan Heeren XVII; ongeteekend maar waarschijnlijk van Specx. Ook in vertaling in Nachod, Die Beziehungen enz. Beil. 8, bl. XXIII).

127 “Voorts alzoo mijne onderdanen genegen zijn, om alle landen en plaatsen met handeling in vriendschap en sincerelijk te bezoeken; zoo verzoeke ook aan Uwe Keiz. Majesteit, dat dezelve den handel op Corea door Uwer Majesteits faveur en behulp mogen genieten, om alzoo met gelegener tijd de noordcust van Japan mede te mogen bevaren, daaraan mij zonderlinge vriendschap geschieden zal” (18 Dec. 1610). (Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, bl. 38).

128 “The Flemynges ... have som small entrance allready into Corea, per way of an iland called Tushma, which standeth within sight of Corea and is frend to the Emperor of Japan” (30 Nov. 1613). (Diary of Richard Cocks (Correspondence) II, bl. 258).

129 “I make noe doubt but your seruant Edward Sares is by this tyme in Corea, for from Tushina I appoynted him to goe thither, beinge incouradged by the Chineses that our broad cloath was in greater request ther than hear. It is but 50 leagues ouer from Iapann and from Tushina much less” (17 Oct. 1614). (The voyage of Captain John Saris to Japan, bl. 210).—“We cannot per any meanes get trade as yet from Tushma into Corea, nether have them of Tushma any other privelege but to enter into one little towne (or fortresse), and in paine of death not to goe without the walles thereof to the landward” (25 Nov. 1614). (Diary of Richard Cocks II, bl. 270).—“Sayer is out of hope of any good to be done there [Tushma] or at Corea” (Firando 9 March 1614). (Letters written by the English Residents in Japan, bl. 130).—“Ambassadors from the King of Corea to the Emperor of Japan were attended by about 500 men and were royally entertained, by the Emperor’s command, by all the Tonos or Kings of Japan through whose territories they passed, and at the public charge... Endeavoured to gain speech with the Ambassadors, but was unsuccessful, the King of Tushma (Tushima) the cause, he fearing that the English might procure trade if Cocks got acquainted with the ambassadors” (Firando 15 Febr. 1618 (Letters written by the English Residents in Japan, bl. 222).

130 Zie Missiven Commandeur Cornelis Reijersen van 10 Sept. 1622, 20 Nov. 1622 en 5 Maart 1623, zoomede de Missive der Regeering te Batavia aan Reijersen van 2 April 1624; en Gen. Miss. van 6 Sept. 1622 en 20 Juni 1623.

131 “Camps aviseert ons dat den Hondt, keerende van de bocht van Spirito Sancto na Japan, op Corea vervallen ende van 36 oorloghsjoncken die de Coreers aldaer gestadigh tot bevrijdinghe van haere cust houden, bespronghen ende furieuselijck met bassen, roers, boogen ende ontallijcke hasegaijen bevochten is geweest, doch sonder schade, na dat mannelijck tegen de Coreers gevochten hadden, daer affgecomen; dit schrijven UE. op dat verdacht mooght weesen de scheepen oft jachten, welcke die wegh uijtgesonden werden, te waerschouwen ende te belasten wel op haer hoede voor soodanighe resconter te wesen ende dit off diergelijcke volck niet veel goets te betrouwen”. (Missive Reg. Batavia aan Reijersen 3 April 1623. Verg. ook: Instructie Martinus Sonck 11 Juni 1624 en Gen. Miss. 20 Juni 1623). (Het advies van Camps is in het Kol. Arch. niet aangetroffen).

132 Zie bl. XLII, noot 3, slot.

133 “Wij verstaen uijt UE. brieven hoe den gesandt van Corea door Firando met een gevolch van 500 dienaeren naer Jedo om de reverentie voor den Keijser te doen gepasseert was. Wij hadden wel gewenst ons daermede aengeschreven wierden wat haer verricht is ofte versouck sij. Item met wat presenten voor de Maijesteijt verschijnen; voorvallende occasie souden wel begeerich wesen door UEd. de gelegentheijt van dat lant ondersocht wierden, met wien correspondeert, wat handel aldaer gedreven ofte oock vreemdelingen admitteeren ende wat commoditeijten uijt geeft, ofte daer oock gout ofte silvermijnen sijn ende diergelijcken. Wij hebben alhier verstaen deselve opulente eijlanden insonderheijt van sijde te wesen, welcker seeckerheijt achten wij UEd. aldaer best vernemen sult.... nevens een descriptie van de gelegentheijt ende de particulariteijten van bovengeroerde Corea waermede des Compagnies dienst gevoirdert wert” (Missive Batavia naar Firando, 25 Juni 1637).

134 “...Belangende de gelegentheijt van ’t lant van Corea hebben voor tegenwoordich niet anders connen vernemen als UEdt. uijt de nevensgaende notitie ofte aenteeckeninge sult gelieven te beoogen ...” (Zie Bijl. IV) (Missive Firando naar Batavia, 20 Nov. 1637).—“Verstonden mede uijttenmonde van voorn. Daniel [Reijniers, die met drie trompetters te Jedo was achtergebleven].... dat 4en Januarie passado de Coreesche gesanten sijnde twee principaele Heeren met haerluijder suijte binnen de Keijserlijcke stadt Jedo geaccornpagneert wesende van verscheijden treffelijcke Japanschen adel, waren gearriveert, ende in naervolgende ordre naer haer logiement gereden: Eerstelijck enz.” (zie Bijl. IV en Witsen 2 dr., I, 48). (Dagr. Japan, 5 Febr. 1637).—“In wat voegen de Gesanten van Corea in Jappan aengelanght; bij de Rijcxraeden aengesien, wat schenckagie den Majt. gepresenteert ende eijntlijck haer demissie becomen hebben, wert largo int daghregister geinsereert waervan ons gedient ende gesien hebben dat voorde Compe. in dat landt, zooveel als noch geopenbaert wert, niet te bejaegen is” (Missive Batavia naar Firando, 26 Juni 1638).

135 “Een weynigh boven Iapon op 34. ende 35. graden, niet verre van de Custe van China, leyt een ander groot Eylandt, ghenaemt Insula de Core, van welcke tot noch toe gheen seker bescheydt en is van de groote, tvolck, noch wat waren daer vallen” (J. H. van Linschoten, Itinerario enz. bl. 37). Hieruit blijkt dat op het laatst der 16e eeuw, Korea hier te lande nauwelijks bekend was.

136 “.... bij noorden Japan te keeren, de custe van Tartarien, China als ’t land Corea t’ ontdecken ende t’ onderstaen wat proffitable trafficque daeromtrent voor de Generale Compe. te behalen sij....” (Instructie Quast 7 Juli 1639).

137 Zie Bijlage I o.

138 Zie Bijlage II e, f en h.

139 Zie Bijlage I o.

140 “Bij de agt Nederlanders hiervoor vermelt voorgegeven sijnde dat op Corea voor de Comp: een voordeeligen handel soude sijn te drijven in sodanige waaren als wij gemeenlijck in Japan aanbrengen, is naderhand ondervonden dit soo breet niet te segge....” (Van Dam, Beschrijvinge, enz. Boek 2, deel i, caput 21, fo 324).

141 Zie Bijlage II j en k.

142 “Aangaande Corea, daer van daen de Japanders haere grote behoeften van coopmanschappen mede krijgen, is daer voor de Compagnie niets te doen, vermits dat Eijlant onder de contributie en van China en van Japan staende; die vorsten aldaer geen andere Handelaers willen admitteren, behalven dat men volgens d’ ordre van Japan buijten Nangasackij nergens anders om te handelen mag te komen” (Van Dam, Beschrijvinge, enz., Boek 2, deel I, caput 21, fol. 428).—“Von Niederländischen Seefahrern blieben fortan die Küsten von Korai unbesucht” (Von Siebold, Nippon, VII, bl. 27).

143 ’t Jacht Corea werd in 1669 aangebouwd voor de Kamer Zeeland (Van Dam, Beschrijvinge, Boek 1, deel 1, caput 17, fol. 343), liep 20 Mei 1669 naar zee (Patr. Miss. 25 Aug. 1669), kwam 10 Dec. 1669 te Batavia aan (Kol. Arch. no. 1159); werd op Onrust in 1679 zoo onbekwaam gevonden dat werd besloten het aan den meestbiedende te verkoopen (Res. 11 Nov. en 2 Dec. 1679).

144 “the envoy from Quelpart.... circa Ao. 650” (Parker, China Review XVI, bl. 309).

145 “Auf der Karte von Jan Huijgen van Linschoten (1595) ist Korai als eine Insel mit der Aufschrift Ilha de Corea, I dos Ladrones, Costa de Conray angegeben deren Südspitze unter 33° 22′ N. B. liegt. Ebenso ist noch auf Joannes Janssonius Karte von Japan (1650) Coraij Insula zu sehen und im S. derselbe eine kleine Insel die den Namen I. de Ladrones trägt; Letstere ist das einige Jahre später bekannt gewordene Quelpaard Eiland” (Von Siebold, Nippon I, bl. 89).—Vgl. O. Nachod, Die älteste abendländische Manuscript-Spezialkarte von Japan von Fernao Vaz Dourado 1568. Roma, 1915.

146 “Nach Hamel’s Entweichung aus der Gefangenschaft wurde die berüchtigte Insel Quelpaard in den Seekarten der Niederländisch-Ostindischen Compagnie eingetragen. Auf der obenerwähnten “Paskaart” von Eskild Juel liegt die Mitte der Insel unter 33° 15′ N.B. und etwa 127° O.L... Es blieb aber auf den Karten des 17 und der ersten Hälfte des 18. Jahrhunderts die Ilha de Ladrones welche unstreitig dieselbe als Quelpaard ist, in einer Entfernung von etwa 20 geogr. Meilen im N.W. derselben liegen; ebenso liegt sie auch unter dem Namen Fong ma auf der von d’ Anville herausgegebenen “Carte générale de la Tartarie Chinoise” und vom “Royaume de Corée” und erhielt sich, wenn auch nur als ein Schattenbild, auf den neuesten Karten von dieser Gegend” (Von Siebold, Nippon I, bl. 89).

Op de “Carte générale de la Tartarie Chinoise” in d’ Anville’s atlas van Maart 1732 (Universiteits-bibliotheek Leiden) ligt het eiland “Fongma” noordwestelijk van “Quelpaert Isle suivant les cartes hollandoises”.—Vgl. Teleki, Atlas zur Geschichte der Karthographie der Japanischen Inseln (1909): Kaarten V, 3 (1599), V, 2 (1607–9), VII, I (1650) en VIII, 2 (Isaac de Graaf): I de Ladrones. Kaarten VIII, 1 (1664) en VII, 3 (1688): Fungma. Kaart X, 2 (1687) van Joan Blaeu (Kol. Arch. no. 288): ’t Quelpaert. Kaart XVI, 2 (1734): Quelpaert. Kaart XV, 1 (1735): I de Quelpaert. Kaart XIV, i (1750): I de Quelpaert.

147 N.G. van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa II, bl. 121: “Zij zetteden vervolgens hunnen togt naar Japan voort doch strandden ten zuiden van Corea op een eiland hetwelk zij Quelpaert noemden”.—Dr. J. de Hullu, Iets over den naam Quelpaertseiland, Tijdschrift Kon. Ned. Aardr. Gen., 2e ser., dl. XXXIV (1917) bl. 860: “dat het van hen zijn Europeeschen naam heeft ontvangen getuigen zij zelf in het journaal”.—Zie ook: “F. E. Mulert, Nog iets over den naam Quelpaertseiland, T.K.A.G. 2e ser. dl. XXXV (1918) bl. 111).—Vergl. nog Witsen, 2e dr., I, bl. 46: “Op de kust van dit Korea, 13 mijl uit de wal, leit een eiland, by de Nederlanders Quelpaerts Eiland en by d’ Eilanders zelfs Moese, en in de Sineese kaarten Fungma genoemt”.

148 18 September 1648: “Lossen aen Campen wierd op de middagh geeijndigt, aen de Witte Valck naer gewoone monsteringh begonnen, dat gewenst voortgingh; terwijl daer aen boort was quam ’t Fluijtschip de Patientie oock deese baeij inseijlen en sette sich bij de Koe; den E. Dircq Snoucq was op denselven van Taijouan gescheijden 27 Augustus met een lading van ƒ 23172:13:11 daer en boven aen Tonquinse sijde uijt de Witte Valck overgenomen ƒ 68413:38:7 ende koehuijden van Siam uijt de Witte Druijff ƒ 3990:17. Aen ’t Eijland ’t Quelpaert 30 mijlen bewesten Firando gelegen, hadden getracht, om water te halen, met de boot te landen; d’Inwoonders desselffs hadden hun affgewesen, stracks daer op een roer gelost, en een van d’onse getroffen voor aen sijn kin, dat het schroot ’t been kneuste ende diep in steecken bleef, sonder dat hun eenigh leet van ons geschiet was”. “Dagh-Register der Compie in Nangasackij ’t sedert 3 Novemr. Ao 1647 tot 8en Decembr 1648”. (Kol. Arch. no. 11678). Zie ook Valentijn V, 2e stuk, 9e boek, 9e hoofdstuk bl. 89.

149 Kol. Arch. no. 434.—Vgl. J.E. Heeres, Tasman’s Journal of his discovery of Van Diemens Land etc., 1898, bl. 116, noot 2: “Quel is another name for a galiot”; en bl. 1, noot 3: ““Quelpaert” an old name for a galiot”.

150 Deze resoluties zijn overgenomen in het hiervoren aangehaalde opstel van Dr. J. de Hullu (bl. 856).

151 Voor de op dit schip betrekking hebbende bijzonderheden zie Bijlage IIIC.

152 Vgl. De Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, dl. I, bl. 799; “Lijste van Nederlantse navale macht op 30 November Ao 1640 in India bevonden, omtrent Malacca: ’t Quelpaert”.

153 “Op de onbequaemheijt van Firando’s haven door het quaet acces dat de heete stroomen veroorsaecken ende d’ ongelegentheijt die de Japanse tuffons daer, aen verscheijde onser scheepen hebben toegebracht” (Miss. Batavia aan President Couckebacker in Japan, 2 Juli 1636).—“Soo sijn oock met het transport van Comps. ommeslagh uijt Firando in Nangasacqui wel te vrede, met UE. verstaende het daer gelegener plaetse tot den handel sij als in Firando” (Miss. Batavia aan den Regent van ’t Eijland Schisinia [Decima] 23 April 1643).

154 “des ouden Keijsers pas, grootvader van dese regerende Maijesteijt daer in Japan menichmael ondersoeck om gedaen ende naer gevraeght is, om redenen dat gesustineert wierdt denselven civieler ende tot der Nederlanders vrijicheijt favorabelder als den gevolghden ingestelt was.” (Miss. Batavia naar Japan, 2 Aug. 1641).—Vgl. Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, bl. 40.—In het “Verbael uijt d’ advijsen van verscheijde quartieren (16 Nov. 1641–16 Oct. 1642) wordt gezegd dat “do. pas weijnigh differeert met het pas dat gestadich ia Japan verbleven, aen den Hre Hendrick Brouwer verleent en onlanghs [aan] de grooten vertoont is”.

155 W. P. Groeneveldt, De Nederlanders in China, I (Bijdr. Kon. Instituut voor de Taal-, Land-en Volkenk. v. Ned.-Indië VI, 4 (1898), bl. 290).

156 “Volgens d’ advijsen dit voorleden noorder mousson van Teijouhan becomen, ende nae de rapporten van verscheijden overgecomen Chinesen alhier, mitsgaders nae de loopende geruchten in Japan, schijnt het seeker ende buijten alle twijffel te gaen dat den vijant van Manilha verleden zuijder mousson ao 1626 aent Noordt eijnde van Formosa gecomen ende op seecker cleijn eijlandeken genaemt Kelang-Tansuij, niet verre van ’t groot Eijlant gelegen, plaetse geincorporeert, ende een drijpuntich fort op den houck van t’ Eijlandeken begrepen heeft, sijnde nae rapport van seecker Chinesen tolck inde maent Junij ao pasto met drij gallijen, een fregat ende seven joncken, gemant met ontrent tachentich zeevarende Chinesen, idem met noch ontrent 180 Castilianen van Luconia gescheijden, ende in voughen als geseijt is op Kelang Tanghsui nedergeslagen met intentie om voor hen den Chinesen handel aldaer te funderen, welcke in Manilha, soo ten respecte onser vestinge in Teijouan gelijck mede door ’t cruijsen onser scheepen daerontrent genouchsaem begon te verdwijnen; voorts, soo als de geruchten in Japan sterck liepen, om ons in Teijouwan met een goede macht zelfs te comen besoucken ende van daer te slaen. De gelegenheijt vande plaetse waer ontrent den vijant fortificeerde, was d’ onse noch niet ten rechte bekent, doch t’ was aant Noort eijnde te doen. Wat de Baeij belanght, dezelve was met dit eylandeken (goelijck een quartier mijle vant Groot Eijlant gelegen) beslooten binnen t’welcke t’vaertuijch genouchsaem voor alle winden beschut lach, connende van twee sijden vuijt ende in. De diepte vant incomen nae de Witt [Commandeur Gerrit Frederickszn de Witt, wl Gouverneur] verstaen conde, soude ontrent 40 vadem ende binnen de Baeij zelffs niet meer als 5 a 6 vadem houden. Dit is in substantie ’t gene wij tot noch toe van dese zaecke hebben connen verstaen” (Memorie voor d’E. Pieter Nuijts dd. Batavia 11 Mei 1627. Zie ook Gen. Miss. 29 Juli 1627).—Vgl. The Philippine Islands 1493–1898 ed. Blair and Robertson, XXII, bl. 98, 168 en XXIV, bl. 153; en de aldaar aangehaalde Historia de Philipinas, V, 114–122.

157 “Kelung, in latitude 25° 9′ N and longitude 121° 47′.... is situated on the shores of a bay.... In this bay is Kelung Island, a tall black rock about 2 miles from the actual harbour.... The ruins of an old Spanish fort still exist on the small island in Mero Bay” (W. F. Mayers, The Treaty Ports of China and Japan, 1867, bl. 323).

158 “Overtredende tot de gelegentheijt van Formosa daar de Compe residentie heeft genomen op insichten omme aldaer te trecken den handel uijt China ende te gauderen de commoditeijten van dat waerdich Eijlant, mitsgaders de blinde heijdenen tot het Christengelove te brengen ende onder onse subjectie te houden” (Missive Batavia naar Taijoan, 4 Juli 1644).

159 Nagasaki 2 October 1642. “.... Over 5 à 6 jaren geleden is wel ernstelijck bij de Gouverneurs van Nangasacqij aen de Presidenten Couckebacker ende Caron gerecommaudeert sulcx bij der handt te nemen, opdat daerdoor den loff bij de hooge overicheijt van Japan mocht becomen” (Missive Jan van Elseracq aan Paulus Traudenius).—“.... the reason why the Dutch have made so great efforts to capture Hermosa Island, going to attack it year after year, was that they had promised the Japanese that they would do so, and would expel the Spaniards from it” (The Philippine Islands, ed. Blair and Robertson, XXXV, bl. 150. Bericht uit Macasar, Maart 1643).

160 De Regeering te Batavia schreef 23 Mei 1637 al aan Gouverneur Van den Burch: “.... soo dan de goudtmine op Formosa sich mede ten proffijte van de Compagnie opende, soo waere dan niet alleen den Papegaij maer den Arent geschooten, doch alles moet zijn tijdt hebben ende werden groote Steeden in eenen dagh niet gebouwt”.

161 “Op de gelegentheijt van de Spagnarts vestinge Kelang Tamsuij overlang gerecommandeert sullen nu oock te meer moeten letten om de Compagnie daervan te verseeckeren en door middel van dien ’t eijlandt Formosa te gunstiger te besitten, ’t welck hoognoodich is. Men verlangt hier seer nae de successen van de goutmijnen dewelcke sonderlinge in dese gelegentheijt van tijdt te passe souden comen, als de silvermijnen voor de Compagnie in Japan geslooten blijven souden, ’t welck wij nochtans verhopen dat anders uijtvallen sal, ende een blijde tijdinge soude wesen” (Patr. Miss. 12 April 1642).

162 “.... de Compagnie’s middelen moeten gesuppediteert worden tot maintenue van de groote lasten, ende dat het de participanten van deselve Compagnie vrij meer om winsten uijt India te trecken te doen sij, als dat blooten renommee hebben van veel volckeren sonder voordeel onder haer gebieth te sijn” (Missive Batavia naar Formosa, 23 Juni 1643).

163 “Tgene van de goutmine geschreven werd, heeft ons verheugt, maer sullen [ons] veel meer verblijden als door ondervindingh (dat reede volgens d’ advijsen ende rapporten des Gouverneurs Traudenius bij der hant moet genomen sijn) comen te vernemen gout-rijck ende wel te genaecken is; deselve van importanse zijnde sal geheel voor de Compe moeten versekert werden, ende sonder op nader ordre te wachten ons daervan meester maken, de besitters verplaetst, verdelght ofte verdreven....” (Missive Batavia naar Taijouan, 23 April 1643).—“Het verdelgen ende uijtroijen vande menschen daer omtrent de mine residerende (dat VE. soo ernstigh bij hare brieven recommanderen te doen) connen wij hier niet goed vinden” (Patr. Miss. 21 Sept. 1644).—“Of the island’s mineral products Gold is the most important.... It may be said.... that of the limited area investigated the north ... possesses the most valuable Gold deposits” (Davidson, The Island of Formosa, bl. 460).

164 “Omme dan de rechte vruchten van dit costelijck eijland Formosa de Compe. te doen gevoelen, ende ons daervan geheel meester te maecken, hadden wij volgens resolutie van den 12en April ende 17 Junij passado g’arresteert den Castiliaen uijt Kelangh te slaen ende derzelver forten te bemachtigen” (Gen. Miss. 12 Dec. 1642).—Gouverneur Traudenius zond 17 Aug. 1642 eene krijgsmacht onder Capitein Harouse daarheen; deze arriveerde aldaar den 21en Aug. en landde denzelfden dag, met het gevolg dat de bezetting “haer den 25 daeraenvolgende rendeerden, ende daeghs daeraen met vliegende vaendels uijttrocken tot aent Clooster”. Onze verliezen waren 5 dooden en 15 gekwetsten.—Vgl. Leupe, De verovering van het fort La Sanctissima Trinidad op Formosa in 1642, Bijdr. Kon. Inst. II, 2 (1859), bl. 73; en The Philippine Islands, XXXV, bl. 135 e.v. Het bericht van de verovering werd 9 Nov. 1642 te Batavia aangebracht (zie schrijven naar Bantam dd. 22 Nov. 1642) en bij particulieren brief van G.G. van Diemen dd. 12 Dec. 1642 werd daarvan mededeeling gedaan aan de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden.—Tijdens Koksinga’s aanval op Compagnie’s nederzetting op Formosa, welke eindigde met de overgaaf van Taijoan en Formosa (1 Febr. 1662) werd Kelang door de onzen verlaten (2 Juni 1661) (zie Dagr. Bat. bl. 430 en Dagr. Japan 5 Juli 1661). Commandeur Bort vestigde zich in Aug. 1664 opnieuw te Kelang (Dagr. Bat. bl. 515) dat ook tegen eene bestorming der Coxingers op 14 Mei 1666 (Gen. Miss. 25 Jan. 1667 en vgl. Dagr. Bat. bl. 193) werd gehouden, maar toen de havens van China voor de Compagnie gesloten bleven en daarom Kelang voor haren handel niet van waarde was, werd deze plaats op 18 Oct. 1668 voor goed verlaten (Res. 20 Juni 1668 en Dagr. Bat. bl. 211).

165 “Omme d’ overwinningh der Castiliaense vestingh op Kelangh de Japanse Regenten te cundigen, alsoo seecker g’opineert wert ’t selve den Keijser soude aengenaem wesen, is den 11en September passado van Taijouan nae Nangasacque affgesonden ’t Quel de Brack ... ende verhoopen met die van Taijouan ... het den Japanderen een aengename tijding wesen sal, alsoo op den Castiliaen ende Portugees seer verbittert sijn” (Gen Miss. 12 Dec. 1642).

166 De fluit Patientie vertrok 20 Nov. 1648 over Taijoan naar Batavia, waar zij 11 Jan. 1649 aankwam. Noch in den brief van het Opperhoofd Coijett ddo Nagasaki 19 Nov. 1648 naar Batavia, noch in diens gelijktijdig schrijven naar Taijoan, wordt van eenig voorval op of bij Quelpaerts-eiland melding gemaakt.

167 Zie Bijl. IIIC, bl. 108 (Dagr. Japan, 27 Oct. 1642).

168 In de “Zeijlaes-Ordre’s”, in den tijd toen de Sperwer naar de noorderkwartieren stevende, medegegeven aan de van Batavia rechtstreeks naar Japan varende schepen, b.v. de Smient en de Morgenster (1 Juli 1652), de Haes en de Witte Valck (21 Juli 1653), Calff (13 Juli 1654), wordt Quelpaerts-eiland evenwel niet genoemd: “.... wanneer dan weder de Cust van Aijnam aensoecken ende soo voort de Golff van Japan in loopen cunt; doch sootgeviel dat inde Golff eenige contrarie winden quam te ontmoeten, soo sult in sulcken geval soo veel noort soecken als het doenlijck zij—in voegen dan aen uw reijse niet te twijfelen hebt, alwaert oock schoon dat ind’ Eijlanden van Couree [Coeree, Coerre] quaemt te vervallen, zoo zoude echter daeruijt comen, ende de gedestineerde plaetse bestevenen cunnen.”

169 De opper-stuurman Hendrik Jansz. van “de Sperwer” heeft misschien een kaart gekend of bezeten waarop het “Quelpaerts-eiland” stond aangegeven, en daarom kunnen vaststellen waar zijn schip strandde. Zie Journaal bl. 9.

170 Zie bl. XLII, noot 1.

171 “Possibly these riddles might be solved if life were long enough to devote a dozen years or more to explore the hidden corners of knowledge” (The voyage of Captain John Saris to Japan, Preface, bl. VIII).

172 Quelly—s. m. Mamm. Espèce de léopard de Guinee (Dictionnaire national, par M. Bescherelle aîné. Paris, 1851).

173 Zie Journaal bl. 73.

174 Zie Bijlage I a.

175 Patr. Miss. 25 Maart 1651.

176 Gen. Miss. 19 Dec. 1651.

177 Dr. F. de Haan, Uit oude notarispapieren II: Andreas Cleyer, Tijdschr. Bat. Gen. XLVI, 1903, bl. 423.

178 Zie Bijlage I a.

179 Mededeelingen van den Heer W.F. Emck Wzn. te Gorkum.

180 Alsdan zal tevens kunnen blijken of er verwantschap heeft bestaan tusschen Hendrik Hamel en de volgende naamgenooten:

1o. Heyndrick Hamel, patroon der kolonie aan de Zuidrivier (Nieuw-Nederland). Zie Korte historiael, enz. door David Pieterszoon de Vries, 1618–1644, ed. Dr. H. T. Colenbrander. [Uitgave Linschoten-Vereeniging (1911), bl. 147].

2o. Mr. Johan Hamel, Secretaris van Amersfoort 1612–1630 en in 1633 Schepen aldaar (Abraham van Bemmel, Beschrijving der stad Amersfoort, Utrecht 1760).

3o. Joan Hamel en Adriaan Hamel, blijkens Resolutie van Gouverneur Generaal en Raden, 7 Febr. 1653, toen klerken ter generale secretarie te Batavia.

4o. Maria Hamel, weduwe van Bartholomeus Blijdenbergh, met haren zoon Hendrik wonende te Amsterdam, aan wie uit Indië wissels zijn overgemaakt (Res. Heeren XVII 25 Nov. 1683 en 24 Nov. 1688).

In “Beschryvinge der stadt van Gorinchem en landen van Arkel, door Mr. Cornelis van Zomeren, 1755,” is de naam “Hamel” nergens aangetroffen.

181 Vgl. echter: “The present Japanese régime in Korea is doing everything in its power to suppress Korean nationality. The Government not only forbade the study of Korean language and history in schools, but went so far as to make a systematic collection of all works of Korean history and literature in public archives and private homes and burned them” (H. Chung, Korean Treaties, New-York 1919).

182 Zie: Memorials of the Empire of Japan in the XVI and XVII centuries, edited by Th. Rundall (Part II. The letters of William Adams); Letters written by the English Residents in Japan (Part I, bl. 1–113); The Log-Book of William Adams, 1614–1619, edited by C. J. Purnell, Transactions of the Japan Society of London, XIII, part 2, 1916.