Dat Hamel zelf—waarschijnlijk reeds te Nagasaki—ons archiefstuk heeft nagezien, staat bovendien voor ons vast. Als de tijd verloopen sedert de beide lotgenooten van Jan Janse Weltevree om het leven waren gekomen, is namelijk eerst geschreven: “19 à 20 jaren” hetgeen is veranderd in “17 à 18 jaren”, gelijk duidelijk zichtbaar is92. Deze nieuwe lezing—welke eveneens wordt aangetroffen in de gedrukte Journalen welke wij in handen hebben gehad—moet door Hamel zelf of op zijne aanwijzing zijn aangebracht in de verschillende exemplaren welke van zijn Journaal waren gemaakt; aan eene verschrijving van een copiïst valt hier niet te denken. Eveneens komt het weinig waarschijnlijk voor dat Hamel in de gelegenheid zal zijn geweest om een te Batavia gemaakt afschrift van zijn Journaal na te gaan en zoowel daarin als in de oorspronkelijke exemplaren (alzoo ook in het kort na hunne aankomst door zijne kameraden naar het vaderland medegenomen Journaal) de verbeterde lezing zal hebben opgenomen. Waarom zou hij hebben nagelaten dan tevens den datum zijner aankomst te Batavia in te vullen? Trouwens, ook bij dezen loop van zaken zou ons archiefstuk, dank zij Hamel’s medewerking, de waarde van een oorspronkelijk document hebben gekregen.
Wij houden het er voor dat de Bataviasche Regeering het uit Japan ontvangen stuk zelf, aan de Kamer Amsterdam zal hebben overgezonden en vermeenen daarom te mogen zeggen dat thans hierachter voor het eerst Hamel’s Journaal is afgedrukt gelijk hij het heeft opgesteld en ingediend. Intusschen kan in onzen tekst hier en daar een woord zijn uitgevallen dat is blijven staan in het exemplaar door Hamel’s makkers medegenomen naar het vaderland en daar uitgegeven; ook zullen in de vroegere uitgaven sommige verschrijvingen reeds zijn verbeterd en enkele uitdrukkingen zijn verduidelijkt; daarentegen komt in geen enkel ons bekend gedrukt Journaal het verbaal voor van het verhoor, door den Japanschen Gouverneur aan Hamel en de zijnen afgenomen bij hunne aankomst te Nagasaki.
Ofschoon Hamel’s Journaal herhaaldelijk is uitgegeven en vertaald, is het—volgens Tiele—nooit recht populair geworden omdat er te weinig over gruweldaden in voorkwam93. Naar den smaak van Hamel’s tijdgenooten kan diens verhaal te sober zijn geweest en misschien zou het bij hen grooteren opgang hebben gemaakt als hij op de Koreanen had afgegeven, hen als bloeddorstige wilden had afgeschilderd en zijn Journaal had opgesmukt door verhalen te verzinnen welke beurtelings weerzin en deernis, afgrijzen en medelijden bij den lezer hadden gewekt. Wat ons in Hamel’s Journaal bekoort, is daarentegen juist zijne rondborstige erkenning van de goede behandeling welke aan hem en zijne kameraden over het geheel genomen is ten deel gevallen van een oostersch en heidensch volk; de eenvoud waarmede hij heeft weergegeven wat zij gedurende hunne ballingschap hebben ondervonden en opgemerkt; de stempel van oprechtheid welke zijn relaas kenmerkt.
Nergens betrapt men hem op eene tastbaar opzettelijke onjuistheid en als een enkele maal kan worden aangetoond dat hij een feit anders heeft voorgesteld dan het zich heeft toegedragen, blijkt bij onderzoek dat hem alleen slordigheid kan worden ten laste gelegd. Zoo laat hij in het verhaal van de ontmoeting met den lang te voren in Korea gestranden landgenoot Jan Janse Weltevree, dezen zeggen dat hij “ao 1627 met het jacht Ouwerkerck naer Japan gaende door contrarie wind op de Cust van Corea vervallen”94 was, terwijl vaststaat dat dit schip toen niet in die streken is geweest95. Uit hetgeen te Nagasaki is aangeteekend in het daar gehouden dagregister96, blijkt evenwel dat de schipbreukelingen van “de Sperwer” bij hunne verschijning aldaar de toedracht van Weltevree’s komst in Korea volkomen juist hebben verteld, zoodat mag worden aangenomen dat Hamel zich enkel aan een onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt bij de beantwoording van de vragen der Japansche autoriteiten en toen hij later Weltevree’s avontuur te boek heeft gesteld.
De juistheid van Tiele’s opmerking dat Hamel’s arbeid niet wetenschappelijk is97, kan grifweg worden toegegeven. Kon anders worden verwacht van een jongmensch dat op twintigjarigen leeftijd naar Indië ging, daar een paar jaar in dienst der Compagnie werkzaam was en vervolgens dertien jaren lang had geleefd in eene oostersche omgeving, in volslagen geestelijke afzondering, buiten aanraking met ontwikkelde landgenooten of andere Westerlingen? Het is trouwens nog de vraag of wij er bij zouden hebben gewonnen als Hamel in plaats van een scheepsboekhouder een geleerde was geweest. Was de kans niet groot dat hij zich dan niet zou hebben beperkt tot het geven van een onopgesmukt verhaal zijner lotgevallen en van eene eenvoudige beschrijving van land en volk maar eene zoogenaamd wetenschappelijke verhandeling zou hebben geleverd? Van den wetenschappelijken zin van vaderlandsche geleerden die in dien tijd over oostersche landen schreven, krijgt men echter geen hoogen dunk als men heeft kennis gemaakt met de werken van Montanus en Witsen en in de gelegenheid is geweest de toen in zwang zijnde naschrijverij op te merken. Hamel was ten minste oorspronkelijk, wars van ophef en oprecht98, hetgeen ons vrede doet hebben met zijn stijl; heeft hij onjuistheden neergeschreven dan is dit te goeder trouw geschied. Wij kunnen wenschen dat hij ons omtrent het leven van de schipbreukelingen in Korea meer bijzonderheden had gegeven maar kunnen hem niet euvel duiden dat hij voor zich heeft gehouden wat hem en zijne makkers als een vergrijp zou zijn aangerekend of tenminste ongunstig zou zijn opgenomen. Zoo verzwijgt hij dat de schipbreukelingen—van wie sommigen misschien al in het vaderland waren getrouwd—hebben verkeerd met de dochteren des lands en in Korea vrouwen en kinderen hebben achtergelaten99, hetgeen mede verklaart waarom het eerste zevental bij hun terugkeer in het vaderland zich dadelijk bereid hebben getoond om deel te nemen aan een tocht welke het aanknoopen van handelsbetrekkingen met Korea tot doel zoude hebben100. Ook is niet duidelijk hoe zij gedurende hun ballingschap in hun onderhoud hebben voorzien. De indruk wordt gevestigd, dat zij voortdurend ten prooi zijn geweest aan bittere armoede; hoe kwamen zij dan echter aan het geld dat hen in staat stelde eerst om zich huizen en kleeren aan te schaffen en later om tegen hoogen prijs het vaartuig te koopen waarmede Hamel en de zijnen wisten te ontvluchten. “Dit volk ... zeide van het offervlees meest geleeft, en geen quade dagen gehad te hebben”101 verklaart Witsen, maar deze—waarschijnlijk van Meester Eibokken afkomstige—inlichting is even weinig bevredigend als hetgeen uit Hamel’s verhaal valt op te maken.
Zou Hamel bij het schrijven van zijn Journaal gebruik hebben gemaakt van aanteekeningen? Na de stranding van “de Sperwer” konden de schipbreukelingen niet alleen eenige levensmiddelen redden, maar zoowel een paar kijkers als enkele boeken bleven behouden; deze boeken, waartoe het scheepsjournaal zal hebben behoord, zijn aan Hamel teruggegeven; wellicht heeft hij daarin aanteekeningen gemaakt en heeft hij die op zijne vlucht naar Nagasaki kunnen medenemen. Zooals een welwillend beoordeelaar van zijn Journaal vermeent, heeft Hamel gedurende zijn veeljarig verblijf in Korea wel is waar tijd te over gehad om gegevens te verzamelen en op te teekenen voor eene veel uitvoeriger beschrijving van land en volk dan hij ons heeft gegeven, maar zal de lust daartoe hem hebben ontbroken nu hij moest vreezen nooit gelegenheid te zullen krijgen om wat hij had opgemerkt en ondervonden aan anderen mede te deelen102.
Het is evenzeer mogelijk dat het denkbeeld om een verhaal op te stellen van de lotgevallen van de schipbreukelingen van “de Sperwer”, eerst bij Hamel is opgekomen toen hij werkeloos te Nagasaki moest wachten op zijne verlossing en dat hij zich bij dien arbeid uitsluitend heeft moeten verlaten op zijn geheugen en de herinneringen van zijne kameraden. Hoe dit zij, in Hamel’s tijd is al erkend dat zijne mededeelingen aangaande Korea niet in strijd waren met hetgeen toen daarover bekend was uit de geschriften van anderen103; de juistheid van zijne geografische gegevens is later gebleken104 en onze indruk van zijne betrouwbaarheid is versterkt doordat wij die berichten in zijn Journaal, welke voor contrôle vatbaar waren, elders bevestigd hebben gevonden; wij zijn daarom geneigd hem voor de overige op zijn woord te gelooven.
Hetgeen hij vertelt omtrent “den ommeganck van die natie ende gelegentheijt van ’t land”, behoeven wij evenwel niet voetstoots aan te nemen. Het aanzien waarin China stond en zijn politieke invloed in de vazalstaten Korea, Siam, Annam, Lioe Kioe eilanden, Birma en Nepal, hebben te weeg gebracht dat zijne hoogere beschaving naar die landen is afgestraald, zijne instellingen in die rijken tot voorbeeld zijn genomen en zijne volksgebruiken daar de oorspronkelijke vaak hebben verdrongen of gewijzigd105. Die inwerking van het Chineesche rijk op aangrenzende landen had al eeuwen geduurd toen Hamel zich in Korea ophield en het kan alzoo niet verwonderen dat in zijne beschrijving de overeenkomst in zeden en instellingen in China en Korea duidelijk valt waar te nemen. In deze overeenkomst bezitten wij een maatstaf voor de beoordeeling van Hamel’s betrouwbaarheid en nauwkeurigheid, daar voor de kennis van de toestanden in China in vroeger tijd talrijke gegevens ten dienste staan.
De afzondering waarin Korea heeft volhard na Hamel’s vlucht, heeft voorkomen dat aan den eerbied voor het bestaande, aan den conservatieven aard van zijne bevolking geweld is aangedaan en in haar maatschappelijk leven belangrijke wijzigingen zijn gebracht. Eerst tegen het laatst der vorige eeuw is Korea gedwongen zijne poorten voor vreemdelingen te ontsluiten (1876), waardoor het mogelijk werd om hetgeen op dat oogenblik aldaar werd aangetroffen, te vergelijken met wat Hamel heeft opgeteekend. Die toets is glansrijk voor Hamel uitgevallen; zijne beschrijving bleek geenszins verouderd maar paste nog volkomen op de toestanden van twee eeuwen later—een afdoend bewijs van Korea’s conservatisme en tevens een prachtig getuigenis voor Hamel’s geloofwaardigheid106.
Hamel’s Journaal was de eerste degelijke bron voor de kennis van land en volk van Korea107 en men mocht verwachten dat zij die in lateren tijd een studie hebben gemaakt van dezelfde onderwerpen, zijne beschrijving zullen hebben geraadpleegd. Het komt daarom vreemd voor dat twee schrijvers van naam in hunne over Korea handelende werken108 hem zelfs niet noemen en één hunner aan de zooveel later in Korea gekomen109 katholieke zendelingen de verdienste toeschrijft van de eerste Europeanen te zijn geweest die tijdens hun verblijf aldaar zich vertrouwd hebben gemaakt met de instellingen en gebruiken daar te lande110.
De aanrakingen met zijne buren: Chineezen, Tartaren en Japanners, zijn voor Korea’s zelfstandigheid noodlottig geweest en hebben tot uitkomst gehad dat China zijn suzerein werd, aan wien het schatting had op te brengen (Ao 1369)111 en dat de Japanners zich nestelden in de havenplaats Poesan—door Westerlingen, in navolging van de Japanners, Foesan genoemd—aan de Oostkust van Korea (Ao 1592)112.
In 1619 kwam Korea als vazal van China in strijd met de Tartaren of Manchoe’s en deed toen de ondervinding op dat deze indringers in en latere veroveraars van China, ook zijne meerderen waren in den oorlog113, met het gevolg dat de Koning in 1627 genoopt werd een verdrag met deze vijanden aan te gaan. Toen dit van zijn kant niet werd nageleefd, deden de Manchoe’s in 1637 een zegevierenden inval in zijn land—waarbij Weltevree’s beide kameraden het leven lieten—en dwongen den Koning om vrede te vragen, die hem werd toegestaan op voorwaarden welker zachtheid de Koreanen hebben erkend door de oprichting van een gedenkzuil114, en waardoor de Manchoe heerscher in de plaats trad van den Keizer van China als suzerein van Korea115.
Gehoor gevende aan de eischen van den Sjogoen116, zond Korea geregeld gezantschappen naar Japan, waarvan wij al in 1617 melding vinden gemaakt117 en waarover Compagnie’s vertegenwoordigers aldaar herhaaldelijk hebben bericht118, maar welke aan Hamel en de zijnen onbekend schijnen te zijn gebleven, hoewel die huldebetuigingen in hun tijd nog niet waren afgeschaft119. Zij hebben wel geweten dat de Japanners te Foesan een loge hadden, van eenige—trouwens hun verboden—aanraking met die vreemdelingen wordt evenwel in Hamel’s Journaal niet gesproken; blijkbaar hebben de Koreanen die zoo afdoende weten te verhinderen, dat de schipbreukelingen zelfs geen bericht aan hunne landgenooten te Nagasaki hebben kunnen doen toekomen.
Hetgeen de Koreanen van hunne naburen hadden ondervonden, verklaart hun streven om zich zooveel mogelijk te onthouden van elk verkeer met vreemdelingen. De gevolgen welke de toelating van Westerlingen voor hun land kon medebrengen, zal hun bovendien duidelijk voor oogen hebben gestaan na hetgeen in Japan had plaats gehad, waar de verschijning van Portugeezen en hunne pogingen om de bevolking tot het Christendom te bekeeren, aanleiding hadden gegeven tot ernstige troebelen. Vreemdelingen die Korea binnenslopen en wier vermomming werd ontdekt of verraden, werden gemarteld en gedood; schipbreukelingen daarentegen werden met zachtheid behandeld doch in het land gehouden. Aan vele katholieke zendelingen heeft hun geloofsijver het leven gekost en wat er op stond als eene poging van schipbreukelingen om het land te ontvluchten, mislukte, hebben eenigen van de bemanning van “de Sperwer” aan den lijve gevoeld.
De buitenlandsche handel van Korea bleef beperkt tot de ruiling van waren met China langs een grenspost in het noorden en met de Japanners in hunne loge te Foesan, waar eene bezetting lag van den Daïmio van het eiland Tsushima, aan wien de voordeelen van dit handelsmonopolie ten goede kwamen120.
Te vergeefs hebben zoowel Hollanders als Engelschen beproefd dien handel aan zich te trekken, ten minste een aandeel daarin te krijgen.
Lang vóór andere Europeanen, hebben de Portugeezen met hunne galjotten en navetten de wateren van het Verre Oosten bevaren en met de bewoners van de daar gelegen landen handelsbetrekkingen onderhouden. Sedert de eerste helft der 16e eeuw bezochten zij Japan (1542)121 waar zij van het naburige rijk Korea zullen hebben gehoord; de van Portugeesche zeevaarders en zendelingen afkomstige inlichtingen welke Linschoten in zijn Reisgeschrift (1595) heeft medegedeeld122, zullen de eerste berichten zijn geweest welke kooplieden en reeders in ons vaderland omtrent het bestaan van het rijk Korea hebben vernomen.
Toen ingevolge het besluit van “de Breede Raden op ’t schip den Rooden Leeuw met pijlen vergadert, leggende in de haven van Firando”123 (20 September 1609) Jacques Specx aldaar als Hoofd en Opper-coopman was opgetreden124, ging deze er weldra toe over (Maart 1610) om een zijner assistenten met eene lading peper voor Korea naar het eiland Tsushima te zenden. Nu was destijds peper daar misschien geen gewild artikel125, en zou tin eerder aftrek hebben gevonden126, doch ook als Specx in staat was geweest dit metaal te koop aan te bieden, zouden “de strenge wetten des lants” en het eigenbelang van den Daïmio van Tsushima den begeerden handel wel hebben belet. Ook het beroep van Prins Maurits in zijn brief van 18 December 1610127 gedaan op “den groot-magtigsten Keizer en Koning van Japan” ter verkrijging van den handel op Korea door diens faveur en hulp, moest om die redenen vruchteloos blijven; onze “small entrance into Corea”, waarvan sprake is in een Engelsch bericht van eenige jaren later128, zal onbeduidend zijn geweest en is niet van eenige beteekenis geworden. Onze Engelsche mededingers waren trouwens niet fortuinlijker129.
Voor de Oost-Indische Compagnie moet het moeilijk te verduren zijn geweest dat het monopolie van den handel met een land als Korea in andere handen was dan de hare en zij bleef er op bedacht hierin verandering te brengen. Het “ontdecken van Corea”130 moest aanvankelijk echter achterwege blijven door gebrek aan daarvoor geschikte schepen en zal later zijn opgegeven op grond van de kennis welke was opgedaan omtrent de gezindheid der bevolking, waarover misschien meer tot ons zou zijn doorgedrongen als de journalen waren bewaard gebleven van de schepen welke in de zeventiende eeuw tusschen Formosa en Japan in de vaart zijn geweest. De vijandige houding en het krachtige optreden der kustwacht toen het schip “de Hond” in 1622 in de wateren van Korea verzeild geraakte131, moet afschrikkend hebben gewerkt en de bemanning van de fluit “de Patientie” werd daar in 1648 niet vriendelijker bejegend132. De Compagnie zal er van hebben afgezien hare schepen aan zulke ontmoetingen bloot te stellen voor het najagen van zeer twijfelachtige voordeelen; het antwoord van haar Opperhoofd te Firando op de hem in 1637 gedane vraag133 omtrent de kansen van een tocht naar Korea, luidde zoo weinig bemoedigend dat bij de Bataviasche Regeering niet de lust kon opkomen zulk een avontuur te wagen. Wat dit Opperhoofd toen over “de gelegentheijt van Corea” schreef134, had hij blijkbaar vernomen van Japanners en in Japan verblijvende Koreanen; zijn bericht is—voor zooveel ons bekend is—het oudste dat over dit land in Compagnie’s papieren wordt aangetroffen en daarom zeker de aandacht waard135.
De in 1639 aan Commandeur Quast gegeven opdracht om ook “het land Corea t’ ontdecken”136 heeft evenmin tot iets geleid.
Bij de terugkomst in het vaderland van het eerste zevental schipbreukelingen van “de Sperwer”, gaven deze zulk een gunstige voorstelling van de vooruitzichten van een rechtstreekschen handel met Korea, dat Heeren XVII hebben gemeend de aandacht van de Regeering te Batavia hierop te moeten vestigen137. Op den Gouverneur Generaal en de Raden van Indië hadden daarentegen de inlichtingen van diezelfde schipbreukelingen, een jaar te voren te Batavia gegeven, een gansch anderen indruk gemaakt, zoodat zij allerminst een hooge verwachting konden hebben van de winsten die zouden te behalen zijn met eene onderneming als de voorgestelde, welke ook aan de heerschers in China en aan de Japanners onwelkom zou wezen en daarom zou kunnen blijken voor de Compagnie een gevaarlijk waagstuk te wezen138.
Zouden de schipbreukelingen in het vaderland den invloed hebben ondervonden van “the call of the East”; zou de herinnering van het leed en het ongemak dat hun deel was geweest in het heidensche land, al zijn uitgewischt geweest of het verlangen naar hunne in Korea achtergelaten vrouwen en kinderen zoo luid hebben gesproken dat zij over de vooruitzichten van een tocht naar Korea—waaraan zij zich bereid verklaarden deel te nemen139—te gunstig hebben geoordeeld?140 Eene teleurstelling is hun en de Compagnie bespaard gebleven; op grond van het advies harer vertegenwoordigers in Japan, heeft de Bataviasche Regeering den avontuurlijken tocht ontraden en Heeren XVII hebben zich bij haar opvatting neergelegd141; voor goed schijnt van den handel op Korea te zijn afgezien142. Het jacht Corea, dat in 1669 voor de Kamer Zeeland werd gebouwd143, is misschien bestemd geweest om, als het plan was doorgegaan, het geredde zevental vrijwillig terug te brengen naar het land van waar zij kort geleden met groot gevaar waren ontvlucht.
Het eiland op welks rotsige kust het jacht “de Sperwer” te pletter sloeg, was bij de Chineezen in de 7e eeuw bekend onder den naam Tan Lo144, sedert het begin der Ming dynastie (1368–1644) onder dien van Chi-Chou of Tsee-Tsioe en volgens Europeesche kaarten uit de 17e eeuw, destijds onder dien van Fungma. De oudste Westersche zeevaarders in die streken, de Portugeezen, hebben van zijne bevolking blijkbaar een slechten indruk gekregen en het daarom “Ilha de Ladrones” genoemd145, in plaats waarvan, sedert Hamel’s Journaal bekend is geworden, de naam Quelpaerts-eiland in zwang is gekomen146.
Waarom en wanneer heeft het dien naam gekregen? Met de schipbreuk van “de Sperwer” heeft die naamgeving niets uit te staan gehad. Dat Hamel en de zijnen het eiland zoo zouden hebben gedoopt147, is eene gevolgtrekking welker onjuistheid in het oog springt als men vindt dat al in 1648, vijf jaren vóór het vergaan van “de Sperwer”, van “’t Eijland ’t Quelpaert” melding wordt gemaakt148.
“Galjodt is te voren ook genaemt een quelpaerd”. Zoo luidt eene aanteekening in een “Register op de resoluties van de Kamer Amsterdam zeedert 1603 tot 1743”149, waarbij tevens twee resoluties dier Kamer worden aangehaald, uit welke blijkt dat in de eerste helft der 17e eeuw in Nederland een type van Compagnie’s schepen in de vaart was dat “quelpaert” werd genoemd150. Dit waren adviesvaartuigen, van een klein charter, bekwaam om zee te bouwen, vlugge zeilers en geschikt voor de vaart in ondiepe wateren. De veronderstelling ligt voor de hand dat het Quelpaerts-eiland zijn naam aan zulk een schip zal hebben ontleend.
Inderdaad heeft meer dan één Compagnie’s “quelpaert” vóór 1648 de wateren van Oost-Azië bevaren.
Bij hun schrijven van 8 December 1639 gaven Heeren XVII bericht aan de Regeering te Batavia dat zij bij wijze van proef “het quel de Brack”151 hadden afgezonden en wenschten te vernemen of “soodanige quel” de Compagnie op eenige vaarwaters dienstig zou zijn. Den 17en Januari 1640 uitgeloopen, kwam dit schip, dat nevens de groote schepen welke het vergezelde, zee had gebouwd, den 30en Juli d.a.v. behouden te Batavia aan. Het oordeel van de Indische Regeering over dit nieuwe scheepstype luidde gunstig; voor den dienst in Taijoan werd “het quelpaert” zelfs zoo geschikt geacht dat de toezending werd verzocht van nog twee of drie vaartuigen van dit slag. Al dadelijk valt op dat Heeren XVII spreken van het “Quel de Brack” en de Indische Regeering van “’t Galjot ’t Quelpeert”; elders vinden wij dezen zelfden bodem ook genoemd: “t’ Quelpaert”, “t’ Quel”, “’t Galiot den Brack” en zelfs “t’ Galiot t’ Quelpaert de Brack”, welke verschillende benaming verklaarbaar wordt door de omstandigheid dat “soodanige Quel” van ongeveer gelijk type was als de in Indië beter bekende galjotten en “de Brack” het eerste schip was van zijne soort dat daar werd gezien en daarom aanvankelijk als het Quelpaert of Quel zal zijn aangeduid. Eerst toen meer bodems van deze soort in Indië verschenen, was er aanleiding om te onderscheiden en den eigenlijken naam van het schip uitdrukkelijk te vermelden (“’t quel de Brack”, “’t quel de Hasewindt”, “’t quel de Visscher”).
Toen “de Brack” op de reede van Batavia ankerde, was de belegering van Malaka in vollen gang, zoodat een adviesvaartuig goed te pas kwam. In plaats van naar Taijoan, werd “het Quelpaert” dadelijk na aankomst naar Malaka gezonden152, waarheen het in den loop van 1640 nog twee reizen heeft gedaan. Eerst den 15en Mei 1641 zette het koers naar Formosa, waar het den 21en Juni d.a.v. aankwam.
Was het mogelijk geweest “het Quelpaert” de bestemming te laten volgen welke de Bataviasche Regeering daarvoor had aangewezen, dan had het weldra een reis naar Japan gemaakt. Behalve door de gedwongen verplaatsing van hare factorij van Firando naar Nagasaki—welke alleen uit een handelsoogpunt beschouwd, nauwelijks nadeelig was te noemen153—ondervond de Compagnie door verschillende plagerijen dat op de komst van hare schepen met kostbare ladingen, in Japan niet langer zooveel prijs werd gesteld als zij gewend was. Hare winsten liepen ernstig gevaar en het scheen dat de Japansche machthebbers zelfs in den zin hadden de Compagnie er toe te brengen uit eigen beweging haren handel op hun land te staken. In de hoop verbetering in den staat van de negotie te verkrijgen door de vertooning van een indertijd aan Jacques Specx verleenden pas154—die ter Generale Secretarije te Batavia onder de Compagnie’s papieren was teruggevonden—besloot de Bataviasche Regeering dit document naar Taijoan en van daar met “het Quelpaert” naar Japan te laten overbrengen. Toen evenwel de opperkoopman Laurens Pith 5 September 1641 met dit staatsstuk te Taijoan aankwam, had “het Quelpaert” kort te voren zijn gaffel gebroken, wat de reden zal zijn geweest dat het fluitschip “de Saijer” in zijn plaats werd aangewezen om den oppercoopman Cornelis Caesar over te voeren, aan wien de bezorging van den pas werd opgedragen.
Eerst in het volgende jaar (1642) kwam “het Quelpaert” aan de beurt om van Taijoan naar Japan te worden gezonden.
Ook het doel van deze reis was, de Japansche Regenten gunstig voor de Compagnie te stemmen. Hoewel de Compagnie na hare verhuizing van de Pescadores naar Taijoan (1624)155 zich feitelijk de souvereiniteit over het geheele eiland Formosa had toegekend, oefende zij tot nog toe slechts gezag uit over het zuidelijke deel daarvan, in de streek waar zij zich had gevestigd en de naaste omgeving. Ook had zij niet kunnen beletten dat de Spanjaarden zich in 1626 op Noord-Formosa hadden genesteld ter bescherming van hunnen handel van Manila met China, Macao en Japan156, en zoolang de daar opgerichte Spaansche versterking Kelang157 in handen van den erfvijand bleef, kon de Compagnie haar doel, den alleenhandel met China, niet hopen te bereiken158.
Van Japansche zijde was herhaaldelijk er op aangedrongen dat de Compagnie de Spanjaarden uit Formosa zou verdrijven159. In hun eigen land hadden de Japansche Regenten de aanhangers van het roomsche geloof te vuur en te zwaard vervolgd en uitgeroeid; om de kans af te snijden dat van Noord-Formosa priesters en geloovigen van de gehate sekte Japan zouden binnensluipen, zal het hun wenschelijk zijn voorgekomen dat aan de aanwezigheid van Spanjaarden op dit eiland een einde kwam. Werden dezen verjaagd door de Hollanders, die toch ook Christenen en daarom verdacht waren, zoo kreeg de achterdochtige Japansche Regeering hierdoor tevens een geruststellend blijk dat van den kant der Compagnie de overbrenging van roomsche zendelingen niet zou worden vergemakkelijkt.
De sterkste prikkel om de Spanjaarden van Formosa te verjagen en te weren, zal evenwel voor de Compagnie vermoedelijk zijn geweest de aanwezigheid van goudmijnen in het noordelijke deel van dat eiland160. Door die te bemachtigen, mocht zij verwachten eene vergoeding te vinden voor het gevreesde verbod van den uitvoer van zilver uit Japan161 en voor de hooge uitgaven welke het bestuur op Formosa vereischte162. Dat zij niet van zins was rekening te houden met rechten van inboorlingen op die mijnen, sprak voor de Regeering te Batavia van zelf163.
Toen tot de uitvoering van “het desseijn op ’t noordeijnde van Formosa” was overgegaan164 en den 7en September 1642 de aangename tijding dat de onzen zich den 26en Augustus van de sterkte Kelang hadden meester gemaakt, te Taijoan werd aangebracht, werd besloten dit heuglijk feit zoo spoedig mogelijk aan de Japansche Regeering te berichten165. Als adviesvaartuig, was het “Quel de Bracq” bijzonder geschikt voor die taak en daar het “wel beseijlt ende rustich gemandt” was kon het—al was het wat laat in het jaar—in den betrekkelijk korten tijd van eene maand Japan bereiken. Den 11en September van Taijoan onder zeil gegaan, liep het 12 October de baai van Nagasaki binnen, en den 29en dier maand van daar vertrokken, kwam het 7 November behouden te Taijoan terug.
De berichten aangaande deze reis van het “Quelpaert de Brack” zijn betrekkelijk overvloedig doch nergens wordt gezegd dat op weg naar of van Japan iets buitengewoons is voorgevallen, dat een onbekend eiland is aangedaan of gezien, of dat in de buurt daarvan eene vijandige ontmoeting heeft plaats gehad. Trouwens, ook uitsluitend in het Japansche Dagregister staat vermeld wat in 1648 aan “de Patientie” op de Kust van Korea is overkomen166 en het Opperhoofd Jan van Elseracq, die in 1642 dit Dagregister aanhield, kan het niet de moeite waard hebben geacht daarin iets op te nemen wat niet rechtstreeks betrekking had op de negotie of op de verhouding van de Compagnie tot Japan, zoodat alleen werd aangeteekend dat “het Quelpaert”, misschien om zijn ranken bouw of geringe afmetingen, de bijzondere belangstelling van den Gouverneur van Nagasaki had gaande gemaakt167. Intusschen is het mogelijk dat “het Quelpaert” op de terugreis van Japan naar Taijoan—toen het slecht weer heeft getroffen—uit den gewonen koers is geraakt en een in de zeilorders tot nog toe niet genoemd eiland is gepeild of gepasseerd. De schipper zal daarvan dan in zijn journaal aanteekening hebben gehouden, waardoor zijne ondervinding ter kennis zal zijn gekomen van de autoriteiten te Taijoan en Batavia, die in het vervolg de aandacht van naar Japan varende schippers op het eiland door “het Quelpaert” vermeld, zullen hebben gevestigd,168 waardoor gaandeweg de naam “Quelpaerts-eiland” bij onze zeevaarders bekend zal zijn geraakt169; de oudste gedrukte en uitgegeven kaart waarop het Quelpaerts-eiland onder dien naam is vermeld gevonden, is die van Joan Blaeu van 1687170.
Is die naam werkelijk door Hollanders gegeven—gelijk algemeen wordt aangenomen—dan kan uit de ons bekende gegevens alleen worden afgeleid dat die naamgeving moet samenhangen met de reis van “het Quelpaert de Bracq” naar Japan in 1642. Noch daarvóór noch daarna is dit “quelpaert” in de wateren van Korea geweest en evenmin was dit het geval met de beide andere vaartuigen van deze soort, “de Hasewind” en “de Visscher”. Voor zooveel uit de bewaard gebleven berichten kan worden nagegaan, zijn deze beide “quelpaerden”, wanneer die na 1642 en vóór 1648 te Taijoan in station waren, alleen uitgezonden met smaldeelen welke in zuidelijker wateren, in de buurt van Manila, kruisten op Chineesche jonken en Spaansche zilverschepen maar nooit gebruikt noch verdreven naar plaatsen ten noorden van Formosa.
Op de vraag hoe het Quelpaerts-eiland aan zijn naam is gekomen moeten wij het antwoord schuldig blijven; wij schijnen hier te doen te hebben met een van die raadselen waarvan de oplossing misschien te eeniger tijd door het toeval aan de hand zal worden gedaan, doch waarnaar wij te vergeefs zullen zoeken in de bescheiden uit dien tijd welke rechtstreeks daarvoor in aanmerking komen171.
De vraag is bij ons opgekomen of de soortnaam “quelpaert” wellicht, evenals “galjot”, van Portugeesche afkomst is en of misschien een ongeval aan een dergelijk Portugeesch vaartuig op zijn tocht van Macao naar Japan overkomen, voor Portugeesche zeevarenden de aanleiding is geweest om het Koreaansche Ilha de Ladrones—onder welken naam ook andere Oostersche eilanden bekend stonden—voortaan nauwkeuriger aan te duiden als: “het Quelpaerts-eiland”. Zou ook het woord “quelpaard” misschien van Portugeeschen oorsprong zijn? Evenals “luipaard” is ontstaan uit “leo” en “pardus”, zou “quelpaard” kunnen zijn gevormd naar “quelpardus”, eene samenstelling van “pardus” en “quelly” of “quel”, eene op de Kust van Guinee voorkomende soort van luipaard.172
Een onderzoek in die richting moeten wij overlaten aan hen die kennis kunnen nemen van Portugeesche berichten en kaarten.
Aangaande hem door wiens Journaal het eiland Quelpaert zoo groote bekendheid heeft gekregen, kunnen wij weinig toevoegen aan hetgeen hij zelf heeft medegedeeld. Toen de Japansche autoriteiten Hendrik Hamel bij zijne aankomst te Nagasaki in 1666 ondervraagden, gaf hij op 36 jaar oud te wezen173, zoodat mag worden aangenomen dat hij in 1630 is geboren en van Gorkum afkomstig was. Daarna heeft Compagnie’s Opperhoofd aldaar in het Dagregister opgeteekend dat Hamel in 1651 met de “Vogel Struijs” in Indië was gekomen,174, welk schip den 6en November 1650 uit het Land-diep van Texel is uitgevaren175 en den 4en Juli 1651 op de reede van Batavia ten anker kwam176.
Dat Hamel bij zijne uitreis, als soldaat, voor bosschieter, te boek stond, wil nog niet zeggen “dat hij in een berooiden toestand Europa verliet. Wanneer wij bij voorbeeld vernemen dat de latere Gouverneur Generaal Wiese naar Indië toog als hooplooper d. i. als lichtmatroos en tevens weten dat deze tegen Van der Parre, den toenmaligen Landvoogd, oud-oom moest zeggen, dan begrijpen wij licht dat zijn naam alleen op de scheepsrol was gezet om hem aldus vrije passage te bezorgen”177. Misschien is ook Hamel met goede aanbevelingen in Indië gekomen en heeft hij daaraan eerst eene plaatsing als “soldaat aan de pen”, kort daarna eene bevordering tot assistent en vervolgens tot boekhouder te danken gehad, waardoor zijne aanvangsgage van ƒ 11 pr maand—waarop zijn medepassagier van de “Vogel Struijs”, de bosschieter Jan Pieters van Hoogeveen, in 1653 nog stond178—tot ƒ 30 pr maand werd verhoogd.
Met welk doel hij na zijne terugkomst uit Japan in 1667 te Batavia is achtergebleven, valt niet te zeggen en zijn wedervaren na 1670, toen hij na eene afwezigheid van twintig jaren in het vaderland was aangeland, is ons eveneens onbekend gebleven. Alleen is aan het licht gebracht dat in een te Gorkum bewaard handschrift van ± 1734, waarin genealogische tafelen van voorname Gorkumsche geslachten zijn opgenomen, omtrent hem het volgende voorkomt: “Hendrik Hamel is naar Oost-Indië gevaren en comende van daar, om naar Japan te rijsen, is door een orcaan schipbreuk leijdende op ’t Eijland Corea gesmeten en aldaar in slavernij 13 jaar gehouden, vlucht met een boot naar Japan en komt alzoo weder tot Gorcum, reist voor de tweede maal naar Indië en komt weder tot Gorcum en sterft aldaar noch vrijer zijnde den 12 febr. 1692”. Te zelfder plaats staat vermeld dat hij is geboren uit het huwelijk van Dirck Hamel en Margaretha Verhaar, dochter van Hendrik Verhaar en Cunera van Wevelinckhoven, zoomede dat het geslacht Hamel tot wapen voerde een zilveren hamel op een goud veld179.
Komt Hamel’s relaas van zijne lotgevallen in het Verre Oosten, onder de oogen van ingezetenen van Gorkum, zoo zal misschien de lust ontwaken om door het bijeenbrengen van meer stellige gegevens dan thans beschikbaar zijn, het leven en bedrijf van dezen voorzaat beter te leeren kennen180.
Als in de Koreaansche en Japansche archieven de schrifturen zijn bewaard gebleven welke daar te lande naar aanleiding van de aanwezigheid der schipbreukelingen van “de Sperwer” zijn opgesteld, zal aan hetgeen thans omtrent hun verblijf aldaar bekend is, vermoedelijk veel wetenswaardigs kunnen worden toegevoegd181. Wij wagen de verwachting uit te spreken dat deze uitgaaf van Hamel’s Journaal opnieuw de aandacht zal vestigen op de eerste Europeesche bezoekers van Korea en dat dientengevolge in het Verre Oosten aan hun wedervaren eene zelfde belangstelling zal worden gewijd als is te beurt gevallen aan den eersten Engelschman die—als opvarende van een Hollandsch schip—in Japan is aangeland182. Op de belangstelling van de tegenwoordige heerschers in Korea hebben Hendrik Hamel en zijne lotgenooten zeker even goede aanspraken als William Adams.
De thans uitgegeven tekst van Hamel’s Journaal en de ongedrukte stukken waarvan bij deze bewerking van dat Journaal is gebruik gemaakt, maken deel uit van de schatten van het Koloniaal Archief, eene afdeeling van het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage. Wie in deze verzameling zoekt naar berichten uit ons koloniaal verleden, wordt tot dankbaarheid gestemd door den rijkdom dien zij bevat maar ondervindt tevens dat zijn arbeid wordt verzwaard door het ontbreken van een gedrukten inventaris, welk gemis niet door ambtelijke hulpvaardigheid kan worden vergoed. Moge de verschijning van dien inventaris niet lang meer tot de vrome wenschen behooren.