Beeldwerk te Izamal (Blz. 31.)

Beeldwerk te Izamal (Blz. 31.)

De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk, en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruïnen hebben, volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.

Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan, tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats, Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is, lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruïnen van Aké, waar wij ons thans bevinden.

Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek te vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de Indianen picoté wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal, dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté gebonden, om daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenqué naar San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand hun zocht op te leggen.

Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen, saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te Tula, te Teotihuacan en te Palenqué Bladzijde 30hebben opgemerkt, en die wij ook nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.

Mestiezen te Merida.

Mestiezen te Merida.

Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard, te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er, vóór den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige ceremoniën plaats.

Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide, met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen, de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten: dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken, van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog, te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.

Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd, en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.

De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan, heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap bevindt zich aan de zuidzijde.

Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking, dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal karakter.—Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige reizigers hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.

Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig, over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.

Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt voor deze onderstelling te pleiten.

Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere ruïne, Akabua, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar, als overal elders, vinden wij de zoogenaamde boveda, het door vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte materialen, Bladzijde 31want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.

Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruïnen van Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken, die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.

Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot hem: “Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch kalk, noch cement is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost, om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren, als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren, hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.

“Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal u gelooven.”

Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met een ruïne gekroond.

“Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé.

—Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het vroeger al bezocht; antwoordde hij.

—Laat ons toch maar eens gaan zien,” hernam ik. En wij gingen.

Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren, waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog sporen van de oude beschildering.

“Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.

—Gij hadt gelijk,” antwoordde hij.

Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle tegenspraak.

IV

Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.

Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners; het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche zuilengangen omringd.

Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied, waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een bespottelijken ouderdom toekennen.

Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders, was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628, zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditiën en legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten; van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt, kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.

Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde Bladzijde 32steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne beschrijving de opmerking toe: “Dit monument is zoo hoog, dat men er versteld van staat.” Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!

Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie: want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der Tolteken, Teotihuacan en Cholula.

De groote pyramide te Izamal. (Blz. 31.)

De groote pyramide te Izamal. (Blz. 31.)

Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó, omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod, die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: “Zon, met het vurig stralende gelaat.” De tempel was dus een zonnetempel, met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.

Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed, maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste; zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: “Huis der hoofden en der bliksemstralen.” Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens de parochiale kerk, die zeer mooi is.

De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den Bladzijde 33legendarischen stichter van de stad Izamal. “Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte; daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame, de wondervolle hand.”—Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela, naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver, vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.

Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.

Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden.

Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden.

In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl, dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen hetzelfde beteekent.

De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok, hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen, met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen, zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord, die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.

Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden, tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den opperbevelhebber van het leger van Izamal.

Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters, leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering, eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en door het volk werden bijgewoond. Dit is echter Bladzijde 34onbestaanbaar met den hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.

Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd, eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.

In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch, vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig, slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen, of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste, en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco, waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.

Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid, zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:—dat is een lastig ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt; de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons avondmaal gebruiken.

Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen: daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien, waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen, die zoo redeneeren.—Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers, tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed; wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben, is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg, en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst den volgenden dag zullen vertrekken.

Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd, ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.

De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven, is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.

In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.

Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.

“Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt,” zeide de rechter tot mij; “zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal, na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan, vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op; en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een dergelijk feest te geven. Bladzijde 35

—Maar,” hernam ik, “dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten zij daarna beginnen?

—Precies hetzelfde wat zij te voren deden,” antwoordde de rechter; “zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven; mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood, dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun, als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen.”

Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden

Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden

Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, ook al verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.

Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver aldus voort:

“Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt, een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker, die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne erfgenamen of familie over.”—Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk, zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: “Bij deze maaltijden werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen.”

Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout, vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige boomen zich verheffen.

Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen, die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit. Bladzijde 36

V

Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig voet hoogte.

Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren, toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel, en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte; op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn reisgenooten elk monument aanwijzen.

Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking van het bassin; ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten, de Chichanchob, de Caracol, de tweede cénoté, het paleis der Nonnen, de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad, die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.

Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel, niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt, waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels, als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.

Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza.

Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza.

De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden, die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde, over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.

Chichen-Itza—dat wil zeggen, nabij de put van de Itza—ontleent haar naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom de bevolking zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, Bladzijde 38omstreeks de helft der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking verhuisde in massa—de oorzaak dier verhuizing is onbekend—en stichtte in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697—alzoo, nog geen tweehonderd jaar geleden—door de Spanjaarden werd veroverd.

Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza.

Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza.

“Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk, dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke water-reservoirs—een onschatbaar bezit in een land, dat van water is ontbloot,—al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was, op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op het tijdstip der verovering.

De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan, met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia, die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen, in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van het westen naar het oosten.

Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Aké, een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht. Daar stuitte hij op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren; het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen, die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera, had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was.

In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden, die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was; zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten; de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren, en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet, en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht, waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had, volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd, bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun eene schuilplaats bood.

Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna Bladzijde 39onophoudelijk en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen, sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.

Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen, die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen, waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de façade van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten van Yucatan.—Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur, en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.

Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt, bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte; de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.

Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting, nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen; op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond, die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den laatsten man werden gedood.

De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten, waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij, die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen, waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.

Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee slangen ter wederzijde van de groote trap. “De galerij diende voor het ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd; de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de cement maken.”

Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.

In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten, en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn, naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening. Bladzijde 40

De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl, een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen dezelfde beteekenis, namelijk die van gepluimde slang. Dit beeld, dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag, die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve in den staart scheen te bijten.