Het Castillo te Chichen-Itza. (Blz. 39.)
Het Castillo te Chichen-Itza. (Blz. 39.)
De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl, die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen rosetten versierd. Bladzijde 137
Kampement in het bosch.
Kampement in het bosch.
Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn, reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere, de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken, moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels, aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang, Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking van Chichen schijnt te zijn geweest.
De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cénoté, waarvan de wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad, en deze cénoté behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte werden geworpen.
Landa maakt zoowel van den cénoté als van Bladzijde 138den tempel melding; een breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560 menschenoffers werden geslacht.
Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht; er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels nog door de geloovigen bezocht.
Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen, die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate geleden hebben.
Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere werd gehouden.
Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen en den overvloed.
Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen, dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon, in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere beeld van Chichen-Itza.
Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig, de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd, maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.
In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen; maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch woord, dat “de rust van het hert” beteekent; de dusgenoemde plantage is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.
Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine den indruk bederven.
Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.
Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi, goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten naar het Bladzijde 139zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger ons zoo veel goeds vertelt.
De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook hier een hotel; maar in de kleine tienda, waarin wij onzen intrek nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.
Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de ruïnen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar, die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen, maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort, niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en volans cochés: deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen, schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.—De hacienda, mooi gelegen aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.
Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij, waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het Ita missa est uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.
Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd; en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.
Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten, een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken, palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken, het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.
Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt; en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich, dat hooren en zien vergaat.
Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol; voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode, gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd, niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden, gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding, het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking, die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.
Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos herhaalde dansen, keer Bladzijde 140ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad dat de weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer het mij behaagt.
Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd; Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond, welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en, hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.
Ruïnen van het eerste paleis te Kabah (Blz. 142.)
Ruïnen van het eerste paleis te Kabah (Blz. 142.)
De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen, die Yucatan doorsnijdt.
Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (Blz. 142.)
Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (Blz. 142.)
Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt, triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken, en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het schiereiland.
Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen, met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand, waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.
Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen, de picoté. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik, even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke gebouwen.
Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook zijne esplanade met twee waterbakken en een picoté; maar het staat bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.
Dit zeer lage paleis—de hoogte bedraagt niet meer dan vijf el—onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel vernield.
Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis; voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.
Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden, Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland: hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en, als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden, waren onder de verwonnelingen.
De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl, omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440, invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.
Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der overheersching drukte des te Bladzijde 143zwaarder en scheen te hatelijker, omdat de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.
Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in 1460. “Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528 tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen; men bouwde overal tempels en paleizen: “het is daarom dat er zoo velen van zijn.” Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden, “zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen, te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon bewerkte paleizen vindt.”
De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren, zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische tijden afkomstig.
De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing, eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche dorp Santa-Helena bereikten.
Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die, even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte, omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende, waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.
Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet, zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel, ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.
Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage: de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt, stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.
Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars; maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming én staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen vindt en die niet zijn gebouwd met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique; er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot armoede en slavernij is vervallen.
In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en, wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.—Alleen de godsdienst is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen, in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda is niet meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is een rustelooze Bladzijde 144beweging, een komen en gaan van menschen en paarden en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen, die zijne gezondheid ondermijnen.
De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.
Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven; wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur, buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda te bouwen.
Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco.
Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco.
Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram, gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw: naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis, dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt, verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den tijd na den val van Mayapan.
Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd, is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide, die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen, voeren naar de beide gebouwen.
Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus, dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering, nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.
Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo Bladzijde 145geplaatst zijn, dat men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede vlakke kruin, die den naam draagt van Cerro de los sacrificios, heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels, welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin de beelden van de afgoden stonden, en den techcatl, een blok steen met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen en verslinden.
Ruïne van een paleis te Uxmal.
Ruïne van een paleis te Uxmal.
De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was, hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet, waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.
Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit de vijftiende eeuw dagteekenen.
Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna, een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen. Bladzijde 146
Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op: aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, ”Coox.... laat ons gaan.” Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas, dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om, omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar gemaal, maar op nog zachter toon: ”Co.....ox.” Hij, denkende haar overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen, weer op de trap liggen. ”Co....ox....coox,” herhaalde de vrouw op klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal bij hem waken tot de dag aanbreekt.
Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden morgen ten tien uren, te Merida.
Wij gaan te Progreso aan boord van de Asturias, een stoombootje zoo groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn wij de eenige passagiers. De zee is kalm, en den volgenden morgen vroeg komen wij te Campêche. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft, kunnen wij dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust, van waar men ter nauwernood het land kan zien.
Campêche werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne eerste ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, “zij geleidden ons naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men bas-reliefs, reusachtige slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van goden, rondom een soort van altaar, waarop nog versche bloeddroppelen zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij, glimlachende en vriendelijk; naar het scheen, enkel gedreven door de begeerte om ons te zien.”—Maar het tooneel veranderde weldra: men bracht vuurpotten, waarin geurig riet brandde, en priesters, wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat zij deze kust moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand, anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Campêche terug. Tempels en pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen als de eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremoniën, die priesters met hunne bloedige haren—dit alles herinnert ons levendig aan Mexico. Wat is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs de kust of in de onmiddellijke nabijheid der spaansche nederzettingen, zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde als de monumenten in het binnenland, die aan de vernielingswoede der veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ruïnen, nog bestaan.
Toen Campêche later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers geplunderd; om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur en bracht haar in staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid dankte, beknelt en benauwt haar nu, en verhindert hare uitbreiding. Het voorkomen van Campêche verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige straten der voorsteden, de grachten met haar ophaalbruggen en de zware muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt: metterdaad werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche steden, geven aan Campêche een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig.
De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en buitenverblijven, fincas genoemd, waar de tropische flora al haar weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad met een krans van groen omringen.—Uit zee gezien, maakt Campêche, zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai gevormde heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk.
De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten, don José Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne studiën mij naar Campêche mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur, en bracht in den blijden familiekring, onder zang en muziek en vroolijk gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal.
Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde ik er mij over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol passagiers de boot naderde. Het was een troep tooneelspelers, achttien personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een ramp! Het vooruitzicht toch, in dit gezelschap, een paar dagen op zee te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij vriendelijk verzocht werden, de hutten Bladzijde 147te ontruimen, die de troep reeds voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men mijn secretaris Lucien ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen maakten zich ongerust over de nabijheid van den zieke. “Wat scheelt hem toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de gele koorts?
—Waarschijnlijk wel;” antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht; en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om zich naar het andere einde van het schip terug te trekken.—Wij namen weer bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen nacht door, zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen.
Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van Campêchehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal handelshuizen hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen, met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen is dat van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend: hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn zoon don Pancho waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren gezien, en wij waren dus alle drie vrij wat veranderd: men herkende mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds een lid der familie; ik knoopte met don Benito een gesprek aan over de ruïnen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene zeer merkwaardige ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men oude pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken aarde, anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon schijnt inderdaad iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het schijnt mij zeer natuurlijk, dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen van Tabasco moest leveren bij Centla—tegenwoordig Comalcalco—waarbij hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie uitstekende diensten bewees,—het schijnt mij natuurlijk, zeg ik, dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van het kruit en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig wapentuig in aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als de Spanjaarden met hun geschut.
Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt de jonge dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen.
De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er weer aan land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en de slechte herberg, waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen boven het slijkerig bed der rivier, waarvan zij de verderfelijke uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus: deze afschuwelijke fonda is de eenige, en overal elders zouden wij ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in de hoogste mate ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten om strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven gespaard en zetten onze studiën voort, in afwachting dat eene stoomboot of een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal kunnen brengen.
Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen, waar de oude hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen met de rivier van vroeger: zij liep toen meer dan twintig mijlen meer westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht; hetzij door eene werking der natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb daarvan het bewijs. Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van eene rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas, een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding van de rio Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen loopen schepen van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De geschiedschrijver bericht ons dat Cortez zich terugtrok op een klein eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een zeer groot eiland, maar dat ligt ongeveer een mijl lager.
Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de verschansingen der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt, kan er in de Grysalva nimmer eene voorde zijn geweest: overal is de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit andere bijzonderheden, die Herrera mededeelt, blijkt dat de groote veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar ook de indiaansche hoofdstad Centla lag, tegenwoordig Comalcalco.
Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij volledige verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan elders,—men vindt er eene menigte in de bosschen—maar in den regel slaat men ze stuk; Bladzijde 148tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen; in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar van.
Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten. Ik voeg hier (blz. 144) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur op toelegden om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen, en dus als historische dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis.
Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken. De dood velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt en gedanst. De jonge meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende voor de kosten van het bal; onder haar zijn er die er heel aardig uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen, bij wijze van maskerade in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om hunne kwinkslagen; er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren: het bal begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest: hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen van Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog verliest, maar hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig, dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen beter dan iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is een twist uitgebarsten, doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door een dolkstoot of een pistoolschot. Eensklaps knalt een schot te midden der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers; men schiet toe; de moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan de linkerzijde van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang.
Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren, de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich tot iets te verbinden en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen prijs te weten te komen; men zal niet meer van ons vragen dan billijk is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden: wij ondervonden dat later.
Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt, of hij de reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk onverschillig; eindelijk besluit hij toch voort te stoomen, vooral omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen en koopwaren. Deze sloep is intusschen eene belemmering te meer voor onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den blinde door de ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken: wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het sleeptouw zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is.
Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning, en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden dat de schroef omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de boot; omstreeks tien uren raken wij weer vlot, en wij sukkelen voort tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de Usumacinta, waar de kapitein ons aan wal zet.
Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. “Vijfhonderd francs,” antwoordt de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de groote zware sloep op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en eene vracht koopwaren, en dat men van dien man niet meer dan vijftig francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten, waarom men mij zoo veel meer rekent;—maar de kapitein geeft eenvoudig ten antwoord: “Het is vijfhonderd francs.” Er schiet niet anders over dan te betalen.
Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om Ténosiqué te bereiken; over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan vier-en-twintig uren.
Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano met de noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons geld en al onze verdere bagage aan de hoede van mijn getrouwen Julien, die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen een gids en paarden, en gaan den volgenden morgen op weg.