Hoelman (Semnopithecus entellus) 1⁄10 v.d. ware grootte.

Hoelman (Semnopithecus entellus) 1⁄10 v.d. ware grootte.

„De Boedeng”, zegt Horsfield, „komt in de uitgestrekte bosschen van Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers vallen.”

De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen. In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken, die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien, hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren, hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin, welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt.

Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden, die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top [22]toegespitst en langs den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot, en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk, aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes zijn kleiner.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1⁄10 v.d. ware grootte.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1⁄10 v.d. ware grootte.

De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen, waarvan hun naam een nabootsing is.


Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan, dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de wangzakken ontbreken.

De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid. Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine ringetjes [23]geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht.

De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel omheen vormen.

In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager; de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede de vernielingswoede van den mensch overal „zijne eerst-geboren broeders” bedreigt.

Guereza (Colobus guereza). 1⁄10 v.d. ware grootte

Guereza (Colobus guereza). 1⁄10 v.d. ware grootte

Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar Europa gebracht.

Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap (Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart. Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden.

*

Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam „Meerkatten” bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming „Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze Aap zoo min tot het „meer” als tot de „kat” in eenige betrekking. Hij bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn, komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren.

Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam. Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar, waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar Meerkatten inheemsch zijn.

De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen. Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk levende familiën [24]komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden, vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen, dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt.

Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan, zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen, spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar, waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen, en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet.

Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld; de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend, mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet, dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden, ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij, wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg. Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun toedragen.

Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun tegenwoordigheid [25]van geest, die zij nooit verliezen. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens kan ze overmeesteren.

In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw laten hooren.

Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij: ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren, mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan. Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord nog lang daarna vervolgd.

Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden. Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen, die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in, vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte. Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.

De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort, ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en Bavianen.

Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk, deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden. Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg; bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.

Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.

Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana); bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).

Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort, onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in ’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig, alsof zij beschilderd waren.

Groene Meerkat (Cercoputhecus sabaeus).

Groene Meerkat (Cercoputhecus sabaeus).

In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, [27]en meer binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte, zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven, verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd, reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een huisdier op te voeden.

„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid, bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten, gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin. Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad, zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet. Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde, wendde hij zich smeekend tot ons.

„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde, was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken, houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen, spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden, zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem viel af te leiden.

„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af. Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet, hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die, sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden [28]voorziene slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen. Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een innigen hekel.

„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer, knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen, een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos, wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen, of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als goede vrienden.

„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet weer weg te krijgen.

„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep, gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat, evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren, verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb ik nooit van andere Apen gehoord.”

*

Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont.

In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer, gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen.

Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of Javaanaap, de Monjet van [29]de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is; bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden. Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te vervullen.

Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”

Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in gevaar.

Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde, ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury” leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een vroegtijdigen dood.

De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur. Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.

Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien, is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het plukken van kokosnooten wordt afgericht.

In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd. Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig, evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur. Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à 60 cM.

Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert, een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz.

Het vaderland van den Magot is het noordwesten [30]van Afrika, Marokko, Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan. Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren. Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer, steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt, verwelkomd en dadelijk opgevreten.