The Project Gutenberg eBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen

Author: E. J. Potgieter

Release date: October 9, 2005 [eBook #16842]
Most recently updated: December 12, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced Marc D'Hooghe

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE EN VIJF NOVELLEN ***
LIEDEKENS VAN BONTEKOE


I 'T PASSEREN DER LINIE

II ROELTJEN UIT DE BONTEKOE

III LOUW EN DE WAARZEGSTER

IV DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH. 1600.

V MACHTELD

VI PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN

VII WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS

VIII INKEER

IX JAN COMPAGNIE

X DIEUWERTJEN


VERHALEN


BLAAUW BES, BLAAUW BES!

'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!

MARIE

DE EZELINNEN

HANNA

LIEDEKENS VAN BONTEKOE

door

E.J. POTGIETER


VIJF NOVELLEN:

(BLAAUW BES, BLAAUW BES!—'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!—MARIE—DE EZELINNEN—HANNA)


LIEDEKENS VAN BONTEKOE


Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor: elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten, en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was: voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde, begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven, wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz.

Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en

zeer Avontuurlyke Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe

van Hoorn, gedaan na Oost-Indiën, pag 20.


Sumatra dreef in vloeijend goud,

Dat van de hooge kamferboomen,

Die heerschers in een Indisch woud,

Op peperstruik en oobarhout,

Op beek en mos scheen neêr te stroomen.

Schoon welkomstgroet en liefdebeê

Den lichtvorst noodigden in zee,

Wier golven ruischten van verlangen,

Eer de oceaanbruid hem gedwee

In de open armen mogt ontvangen,

Riep hij een lang, een zoet vaarwel

U toe, o geurige Archipel!

En alles baadde zich in luister,

En alles dronk het vier der min

Van zon en zee wellustig in;

De tijger lekte in het scheem'rig duister

Van 't roode hol zijn bronstig lief,

Terwijl zich de olifant verhief,

Om, met van drift gewiekte voeten,

Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,

Dat louter liefdespelen zag

In 't uur des echts van nacht en dag.


Helaas! de mensch voedde and're driften:

Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd

Van laag gewas en hoog geboomt',

Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften

En 't vonk'lend goud in donker blaauw

Verkeerde, een ranke, ruwe praauw

Op breeden vloed vast sneller voort,

Den haat, welligt den dood aan boord!


Een drietal mannen mogt ze dragen:

Twee wilden, naakt en bruin van leên,

Een witte schort om 't lijf geslagen,

Waaruit de scherpe kris verscheen;

Twee wilden, afgerigt op 't jagen,

Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,

Dat beurt'lings opsprong en verdween.

Waarom zij naar den boog niet tastten,

Wanneer ze een anteloop verrasten,

Schalk spelende op het oevermos;

Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,

Waar casuarissen hun pluimen

Van vloeib're paarlen deden schuimen,

Daar gaaikens staarden op hun dos?

Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,

Die school in 't loof, noch dook in 't nat,

Een blanke, dien zij met zich voerden,

Een blanke, die in 't midden zat,

Die aan zijn heup geen wapen had,

En, schoon geen banden hem omsnoerden,

Toch opzag en den Heere bad!


Wèl mogt hij! Was op Texels reede,

Toen de oostewind ten leste woei,

En vlag en zeil zich grootsch verbreedde

En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,

Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp

Op reis hem dagen zou ten kamp;

Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,

Die hem zoo fier te roer deed staan,

Als lachte Java reeds hem aan;

Hoe in den verren oceaan

Zijn kiel, 't Nieuw-Hoorn, in brand zou vliegen,

Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,

Had omgewend, de zeevaart moê!

En echter, 't leed was koen gedragen—

Vergeef dat woord van ijd'len trots;

In ootmoed schiep zijn ziel behagen—

Hij droeg het, waard de hoede Gods,

Die hem beschermde in 't golfgeklots,

Het laaije vaartuig uitgeslagen,

Die, voor den ingang van den nacht,

De scheepsboot tot zijn redding bragt.

Hij droeg het, zoo als echte vromen

Het jamm'ren doen,—des Heeren wil

Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:

Des avonds kermende ingenomen

Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;

De hulk was wel aan 't vier ontkomen,

Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,

Der luimen van de baren veil.

En zie, hij onderwierp de winden;

Om 't sprietjen van de veege schuit

Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,

De smalle banen klaat'rend uit;

't Gestarnt zou hem den weg doen vinden!

En week de dag en viel de nacht,

En rees geen land bij 't morgengloren,

En deed de hongerkreet zich hooren,

En stilte niet dan dorst die klagt,

Slechts hij had moed, had troost voor allen,

Die zuchten aan het kleene boord,

En hield op deze reê hun woord.


Maar nu!


Zou hij, in gruwb'ren moord,

Hier weerloos, ongewroken vallen,

Gescheiden van den trouwen stoet,

Die met hem, eer nog de uchtend daagde,

Om lijftogt aan den wal zich waagde,

De streek, het dorp was ingespoed?

Ach! geen dier makkers had de wilden

Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,

Waarmeê de schaar hun worst'ling zag,

Toen zij hun kracht den buffel spilden,

Die 't koord des leiders scheurde als rag;

Het dier, door hen vooruit betaald,

Vervolgd, en toch niet ingehaald.

"Neen, broeders," mogt hij hen bezweren,

"Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk

Van nacht niet wijlen bij dit volk."

Zij scholden hem een onheilstolk;

Zij wilden naar de kust niet keeren.

Dáár droeg de praauw hem naar de boot;

Dáár bad hij: "Heere! zie mijn nood!"


Te regt; want onder 't peinzend staren

Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1],

Die schermen weefde van zijn blâren,

Wiens bloesem, wuivende op den stroom,

De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,

Had hem een bont faizantenpaar,

In 't loof gedoken, doen verzuchten:

"Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!"

En even of de toon dier klagte

Zijn lot den roeijers had ontvouwd,

Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,

Werd de aêr, die eerst hem meester achtte,

Geblaakt door lust naar bloed en goud.

Ter sluik was de achterste opgesprongen;

Hem meldde 't vlijmend tandgesis.

De voorste zwaaide met den kris,

En spelde... doch hij was bedwongen.

Een kleine gift van luttel geld

Had beide een wijl te vreê gesteld;


En zwijgend ging 't op gulden baren

De landstreek uit, der haven toe;—

Neen, eensklaps kweelde Bontekoe

Als waar' zijn togt een spelevaren:


[1]

De Bombax, of zijde-katoenboom.



I

'T PASSEREN DER LINIE.

Stem: Wie had op Sinxen nacht

Gedacht.

Vlaamsch Liedeken.



Scheepsvolk.


Daar rijst de god der zee

Alreê,

Een wierkrans om de lokken;

Hij brengt zijn holle weêrhelft meê;

'k Wou dat hij 't wat meerminnen deê,

Al moest ik er voor dokken.


Wat vremde stoet heeft hij

Op zij,

Het viertal werelddeelen.

Die Azië is een oude prij;

Die Afrika te zwart voor mij;

Wie drommel zou haar stelen?


Neptunus.


Wat hebben malle maats

Al praats!

Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.

Wat volkslag ben je? van wat plaats?

Lieg niet, of jij zult buiten gaats

De lucht en zee zien sling'ren.


De schipper.


Wij zagen in Kijkduin,

Neptuin!

Het leste van ons landjen;

Mijn scheepjen heet,—kijk niet zoo schuin,

Ons volk zei jij was in je tuin:

"Het Amsterdamsche Santjen."


Neptunus.


Ik dacht het, toen 'k je vlag

Straks zag:

Ik mag haar kleur wel zetten.

Maar drokker maak jij 't dan je plag;