Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar stond haar verzoek toe.
Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag, greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders, in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken.
Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen [219]zij op het denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen te overwegen, hoe zij het ’t best zouden kunnen bereiken. Eindelijk besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor, dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem, bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten.
Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken.
Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt was en zei tegen het meisje: “Hier heeft mij iets gebeten!” Weer hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten invloed, want hij wees weer onverschillig [220]naar de plek, zeggende: “Weer heeft mij iets gebeten!”
De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan, toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers te toonen.
Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond, vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer, waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels en teugels bezet waren met kostbare steenen.
Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen, waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren.
Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren—om hun te beduiden, [221]aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet.
Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door, opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op, waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen.
Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren.
Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd.
Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had, wie die vreemde aanvaller was.
Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt stond terug te [222]keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun, dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden, slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam van den troon en van alles, wat hij bezat.
En daar zag hij zijn zuster zitten, met den kop van den slapenden draak op haar knie