Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten.
Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: “Wij moeten je dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin te zoeken!” En hij antwoordde: “Hoe kunnen wij het arme meisje wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?” Maar de slechte stiefmoeder antwoordde: “Morgen moet je ver met haar de bosschen ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden—anders wil ik niet langer bij je wonen.” [234]
Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: “Maak tenminste wat voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt.”
Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen, toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren, en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug.
Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar zenuwachtigen angst bijna was gevallen.
Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd, keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn, maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf: “Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm, eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven.” [235]
Daarna nam zij den koek uit haar tasch, maakte het teeken des kruises2 en begon haar maal. Nauwelijks was zij begonnen te eten of een haan verscheen en vloog naast haar, alsof hij om een deel er van vroeg. Het goede meisje kruimelde een stukje van haar koek en voerde het hem. Kort daarna kwam een kleine hond en begon op zijn wijze van zijn vriendelijke gevoelens jegens haar blijk te geven. Het meisje brak weer een stuk van haar koek af, nam het hondje voorzichtig op haar schoot en begon het te voeren en te liefkoozen. Daarna kwam een kat en daarmede deed zij hetzelfde.
Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat; daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog meer van haar koek.
Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij [236]naderde haar en zei: “Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij, weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan, nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk wist gij, dat ik geen geest ben?”
Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden haar verhaal had gehoord, zei hij: “Uw stiefmoeder haatte u, maar God had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen—wilt gij mijn vrouw zijn?” “Ja”, antwoordde het meisje.
Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: “Ziet gij nu, dat ik u den weg van het geluk op gezonden heb?” De stiefdochter omhelsde de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook, heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas, balde de ondankbare vrouw toch haar [237]vuist naar haar en mompelde: “Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn, die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden weg opzenden!”
De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem tegemoet en zei: “Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde van al het goud.”
De man zuchtte en gaf zijn toestemming.
Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar—evenals hij het zijn eigen dochter had gedaan—naar het diepst van het bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag, dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: “Maakt, dat je weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf; ik wil jelui niets geven!” En toen begon zij hen te slaan, waarop de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde, sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje.
Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar [238]vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit: “Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar het droeve nieuws vertellen.”
Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: “O, man, ik kan het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!”
De man antwoordde verontwaardigd: “Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen kind niet vermoorden!”
En de slechte vrouw zei: “Als je haar niet kunt dooden, goed,—maar het is mij onmogelijk haar weer te zien!” Daarop sprong zij in de put en was dood.