Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden, hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom, verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den bedelaar en zei: “Neem deze peren van mijn deel van den boom; die, welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven.” De engel nam de vruchten, dankte den jongeman en verdween.
Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel van den boom, zeggende: “Neem deze; zij zijn van mij, maar van die, welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven.”
De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween.
De derde broer had een gelijke ervaring.
Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden, en zei tegen de jongelieden: “Komt met mij mede, ik zal u een beter leven geven!” Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem.
Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde en de engel vroeg aan den oudsten broer: “Wat wenscht gij te bezitten?” Hij antwoordde: “Ik zou willen, dat al dit water in wijn veranderde en dat het mij toebehoorde!” De engel maakte het teeken des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water [242]en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: “Hier is wat gij verlangdet, vaarwel!” En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer: “Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?” En hij antwoordde: “Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij toebehoorden!” Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht, en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken, anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel: “Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!”
Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het veld over was gegaan, vroeg hij: “Wat verlangt gij te bezitten?” De jonge man antwoordde: “Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen, indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver christelijk bloed!”
Daarop antwoordde de engel: “O, dat is nog al moeilijk; er zijn maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds dingen twee jonge mannen naar haar hand.”
Zij reisden verder en kwamen in een stad, waar een machtig tsaar woonde met zijn dochter. Zij was werkelijk van zuiver christelijk bloed. De reizigers traden het paleis binnen en troffen er twee prinsen aan, die daar reeds [243]waren en hun huwelijksappels4 op de tafel hadden gelegd. De jonge man legde nu ook zijn appel op de tafel. Toen de tsaar de nieuw aangekomenen zag, zei hij tot hen, die hem omringden: “Wat zullen wij nu doen. Genen zijn vorstelijke prinsen, en dezen zien er uit als bedelaars!” Daarop sprak de engel: “Laat het geschil aldus beslist worden: de prinses moet drie wijnstokken in den tuin planten, en elk der drie, die aanzoek deden, er een aanwijzen. Met hem, aan wiens wijnstok den volgenden morgen druiven gevonden worden, zal de prinses trouwen!” Dit plan had aller instemming en de prinses plantte dus drie wijnstokken.
Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij beiden een vol jaar alleen liet.
Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: “Daal neer naar de aarde en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren, moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!”
De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed, ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas wijn. Maar de rijke man weigerde: “Indien ik iedereen een glas wijn zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!”
Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: “Dit was niet voor u, keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!” [244]
Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde, zeggende: “Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou er geen voor mij overblijven!” Weer maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer: “Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij weer de wacht!”
Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo’n goed onderkomen konden verschaffen, als zij zouden wenschen. “Wij zijn,” zoo voegden zij er aan toe, “heel arme menschen.” Waarop de engel antwoordde: “Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!”
Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast, toen zij een echt brood zag liggen.
Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en zeiden: “Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te onthalen!” Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was.
Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis, dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar en verdween. [245]De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar verder gelukkig.
Daarop verrees onmiddellijk op die plek een prachtig paleis