Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. “Doet, zooals ik ulieden zeg,” voegde de stervende tsaar er aan toe, “of vreest mijn vloek!”
Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde; een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen, alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd een stem van buiten gehoord: “O, prinsen, opent de deur!” Daarop riep de oudste broeder uit: “Doe niet open!” De tweede broer voegde er aan toe: “Doe voor niets ter wereld open!” Maar de jongste broeder zei: “Ik moet de deur openen!” En hij sprong naar de deur en wierp die open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden hen toeklonken: “Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het, wat ik wil weten.”
De oudste broeder antwoordde: “Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten, waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!” [246]
De tweede broer zei eveneens: “Ik geef mijn toestemming niet, dat gij mijn zuster vannacht met u meevoert!”
Maar de jongste broeder verzette zich en zei: “Indien gij haar niet wilt geven, dan doe ik het. Hebt gij de woorden van onzen vader niet onthouden?” Daarna nam hij zijn zuster bij haar hand5 en gaf haar aan den onzichtbaren gast, die aanzoek gedaan had, zeggende: “Dat zij een getrouwe en gehoorzame echtgenoote zij!”
Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos.
Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: “O, prinsen, doet de deur open!”
Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen sprak de meedoogenlooze stem weer: “Geef mij uw tweede zuster, ik ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!”
De oudste broer verzette zich: “Ik wil mijn toestemming niet geven!” De tweede broer zei eveneens: “Ik wil mijn zuster niet weggeven!” Maar de jongste was bereid. “Ik zal haar geven!” zei hij. “Zijt gij reeds vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?”
Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: “Neem haar, dat zij trouw en gehoorzaam zij!” Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden. [247]
Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: “Ik kom uw jongste zuster ten huwelijk vragen!” De twee oudste broers riepen gelijktijdig uit: “Wij willen onze zuster niet in den nacht geven; wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen bezoeken, als wij het wenschen!” Maar weer riep de jongste broer uit: “Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!” Met deze woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren gast, zeggende: “Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!”
Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en smart vervulde hun hart. “Groote God!” zeiden zij, “welk een geweldig wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen; noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn getrouwd!” Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen, begaven zij zich op weg voor het onderzoek.
Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor, dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield.
Te middernacht kwam het water in hevige beroering [248]en hij, die de wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door, onbewust van den heldenmoed van hun broer.
Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen, wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer: “Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken.” En zoo sliepen de oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield.
Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de zon opging. De dappere prins riep uit: “Staat op, broeders, het is hoog tijd!” Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder te gaan, zonder te weten waarheen.
Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij van honger [249]zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer.
Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor: “Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal waken!” Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in het meer.
Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden, maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg was, besloot hij er heen te gaan, om [250]brandende stukken hout te halen, waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen.
Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette de reuzen dus met deze woorden: “Goeden avond, makkers, ik heb u al geruimen tijd gezocht!” Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en beantwoordden zijn groet aldus: “Dat God u helpe, daar gij een onzer zijt!” De slimme prins zei: “Wel, ik zal altijd een trouw vriend van u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!”
“Wel”, riep een der reuzen, “daar gij van plan zijt u bij ons te voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?”
Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: “Zeer zeker! Ik ben bereid alles te doen, wat gij doet.” Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij: “Dan is het goed! Kom bij ons zitten!” Toen nam het geheele gezelschap plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij het vleesch achter zich.
Na het avondeten riepen de reuzen: “Laat ons nu op de jacht gaan, want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!” Zij begaven zich dus alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. “Ga met ons mee”, zeiden de reuzen tegen den prins, “wij zullen naar een naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!” Toen zij aan de plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. [251]Bij den muur van de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den prins: “Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten, zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen.”
De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij: “Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!” Daarop klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen zei hij tegen de anderen: “Komt nu een voor een naar boven, opdat ik u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb gedaan.” De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af, totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur.
Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij tot zich zelf: “Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze stad hebben vernietigd!”
Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke rustbank lag een [252]meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had, ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep: “Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken kan worden dan door mij!” Daarna snelde hij heen, klom den muur van den stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten, die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna [253]den dood van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar hij was er niet toe instaat.
Ontstelde hij hevig op het zien van de slang tegen den muur
Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk, waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam, kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd.
De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk aan de prinsen vroeg: “Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij, jongemannen verricht hebt!”
Daarop begon de oudste broer aldus: “Toen mijn broeders en ik ons op weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien gij het [254]niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!” Bij deze woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn tasch en legde ze op de tafel.
Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: “En ik hield den tweeden nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft, ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!” Bij deze woorden haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel, tot groote verbazing van zijn toehoorders.
Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: “Op mijn woord, jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?”
Toen begon de jongste broer te vertellen: “Ik heb ook een kleinigheid gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren van het monster!” Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman vervolgde: “Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen.…..” en zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar, aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten prins: “Zijt gij het waarlijk, [255]die al deze wonderen in mijn stad hebt gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?”
“Ja, o, koning!” antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: “Indien gij bij uw broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken, en kasteelen voor u laten bouwen!”
Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden voortzetten.
De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan, dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het verdriet over zijn zusters.
Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins: “Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja, indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt, dan zou het u slecht vergaan!”
Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk, hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: “Ik heb veel buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast; [256]waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?”
Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes, ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd en ging terug; maar de man kreunde: “In ’s hemelsnaam, kom bij mij!”
De prins naderde en de man zei: “Doe een goede daad! Geef mij nu een beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog een leven!”
De prins dacht bij zich zelf: “Is er iets beters, dan twee levens te bezitten?” Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins hem: “Zeg mij nu, hoe gij heet?” De man antwoordde: “Mijn naam is Bash Tchelik (Echt Staal).” De prins maakte een beweging naar de deur, maar weer smeekte de man hem: “Geef mij nog een kroes water en ik zal er u een tweede leven bij geven!” De prins dacht: “Nu, als hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!” Daarom vulde hij opnieuw den kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit: “O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal [257]ik u een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet het over mijn hoofd!”
De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals, sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween.
Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd en riep uit: “Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd de negende kamer niet te openen?” De prins antwoordde nederig: “Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn vrouw gaan halen.” Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: “Ga niet, voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven liefhebben als mijn eigen zoon!” Maar de prins wilde niet luisteren naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee, zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken.
Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van een kasteel riep een meisje: “O prins, stijg van uw paard en kom naar onze binnenplaats!” De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn zuster zei: “Kom binnen, mijn broer.” Toen zij [258]binnen waren, vroeg de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde: “Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen, dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen.” Toen verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was, riep hij zijn vrouw. “Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk, wie hier is!” Zij antwoordde: “Er is niemand!” Maar de draak zei: “Dat is onmogelijk!” Toen vroeg zijn vrouw hem: “Antwoord mij naar waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier zou komen, om mij te bezoeken?” En de koning der draken antwoordde: “Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw jongsten broer zou ik geen kwaad doen.”
Toen zei zij: “Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier.” Daarop sprak de koning: “Laat hem binnen komen.” En toen de prins verscheen, strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak: “Welkom, o broeder!” En de prins antwoordde: “Ik hoop, dat gij wel vaart!” Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin tot het einde en zetten zich aan het avondeten.
Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik zocht. De draak gaf hem dezen raad: “Ga niet verder! Ik zal u een en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u geven, wat gij verlangt.” [259]
Maar de prins antwoordde: “Ik dank u zeer voor al uw goede wenken en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan zoeken!” En hij dacht, “waarom zou ik het niet doen, daar ik drie levens te verliezen heb?”
Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij hem een veer, die hij droeg en sprak: “Neem deze veer en als gij ooit mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen.” De prins nam de veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken.
Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend en hij een stem hoorde roepen:
“Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats.” De prins gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien, die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar: “Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?”
En zij antwoordde: “Mijn echtgenoot is de koning der arenden.” Toen de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem, maar hij riep dadelijk uit: “Wie is de vermetele man, die nu in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!” Zij loog en zei: “Niemand!” Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg aan haar echtgenoot: “Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te bezoeken?” En de koning der arenden antwoordde: “Wat uw oudsten en uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden; maar uw derden [260]broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik kon.” Toen vatte zij moed en vertelde hem: “Mijn jongste broer, uw schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!” Daarop beval de koning aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste zijn schoonbroeder en zei: “Welkom, mijn lieve schoonbroeder!” En de prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk: “Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!” De koning verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af en voegde er aan toe: “Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel vinden.” Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei: “Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp komen met mijn geheele leger.”
De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok om zijn vijand te zoeken.
Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken, die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor het geval, dat hij in nood mocht verkeeren. [261]
Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij uit: “Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?” Hij vertelde haar, welke avonturen hij had beleefd en zei: “Laat ons samen vluchten, vrouw!” Maar zij antwoordde: “Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen en straffen.” Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens had, zijn vrouw met hem te gaan.
Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: “O prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan, maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u dooden!” Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij zijn boog op den prins en zei: “Wat verkiest gij: geschoten te worden door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?” De prins verzocht nog eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: “Dezen keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood.”
Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash Tchelik naar [262]zijn smeekbede, maar zei: “Wees gewaarschuwd, stel het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!” Nu de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten, aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde, hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich, wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te beproeven zijn vrouw te redden. “Indien ik in ongelegenheid kom,” dacht hij, “zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen mij te hulp komen.”
Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: “Gij zijt uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!” Maar de prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten, of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: “Sta stil, prins, gij kunt mij niet ontkomen!” De prins, die zag, dat zij in het grootste gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon [263]brengen. De eerste zei: “Ik zou het in een half uur kunnen brengen!” De tweede verklaarde: “Ik zal het in tien minuten brengen!” De derde verzekerde: “Ik breng het in negen seconden!” Daarop zond de koning den derden draak en werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde, genazen de wonden en de prins sprong levend overeind.
De koningen gaven hem den volgenden raad: “Keer, nu gij van den dood zijt gered in vrede huiswaarts.” Maar de prins verzekerde, dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: “Ga niet, want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed, dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft.” Maar de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: “Als gij niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen, waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen kunnen hem te overwinnen.”
Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis kwam, vroeg de prinses: “Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het geheim van uw kracht?” Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei: “Mijn kracht ligt in mijn sabel!” De prinses knielde voor het zwaard en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach uit en riep: “O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard, maar in mijn pijl en boog!” Toen knielde de prinses voor den boog en de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het [264]lachen en riep uit: “O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden, dat hij het was, die het weten wilde!” Maar de prinses verzekerde, dat niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei.
Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: “Beproef het nog eens!” en ging heen.
Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim van zijn kracht. Toen antwoordde hij: “Daar gij zooveel belang stelt in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen.” En hij begon: “Ver van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos; in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen, want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!”
Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord, dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen.
Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel, dien zij in het vuur wierpen en verbrandden. [265]
Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn geliefde en trouwe gade.