Op zekeren dag zond een vader zijn zoon naar den molen met koren, dat gemalen moest worden. Toen hij vertrok, waarschuwde zijn vader hem het koren niet te malen in een molen, waar hij een baardeloos man6 mocht aantreffen.
Toen de jongen eindelijk aan een molen kwam, was hij dus teleurgesteld daar een baardeloos man aan te treffen.
“God zegene u, Baardelooze!” groette de jongen.
“Dat God u helpe!” antwoordde de molenaar.
“Mag ik mijn koren hier malen?” vroeg de jongen.
“Ja, waarom niet?” antwoordde de man zonder baard, “mijn koren zal spoedig gemalen zijn, dan kunt gij dat van u malen, zoolang gij wilt.”
Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat [281]de jongen tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was, zei Baardeloos: “Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken van uw koren.”
De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen den muur plaatsten.
Toen zei de molenaar: “Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben.”
De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag, nam hij den voorslag aan en zei: “Heel goed, maar gij moet beginnen.”
Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel uitgeput was. Toen zei de jongen: “Wel, mijn waarde Baardeloos, het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle waarheid vertellen.”
“In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en [282]begaf mij op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens er gierst op te zaaien. Ik riep toen: ‘Dat is mijn bij! Hoe komt gij er aan?’ En de ploeger antwoordde: ‘Broeder, indien dit werkelijk uw bij is, kom dan hier en neem haar!’ Ik ging er dus heen en hij gaf mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten, die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt, was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag, dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam, merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den hemel te gaan om wat heilig water te [283]halen. Ik wist niet, hoe ik daar komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats, waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei: ‘God zegene u!’ De engel antwoordde: ‘Dat God u helpe!’ en hij gaf mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte, als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij, maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar, en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat, liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren [284]er maaiers aan het werk op het veld. Het was zoo’n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen zouden doodbranden en riep hen toe: ‘Waarom brengt gij onze merrie niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen geven op de plaats, waar gij werkt?’ Mijn vader, die dit hoorde, bracht snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk, vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen, vroegen zij mij: ‘Waar is uw hoofd?’ Ik hief mijn hand op, en tot mijn groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: ‘Het geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!’ ”
Het heele brood is voor u
Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en bleef den jongen met open mond nastaren.