Fig. 112. Dorp onder de duinen begraven.
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625 is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350 meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot 1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853 gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800 meters van de plaats, waar de vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen, de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst, terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was? Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18 meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch! De geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen. Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die, welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90 centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden, bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd, die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8 voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden, bestaande uit takken, bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen, waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.
Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30° W.L. „het verdronken Bussland”, waarvan men thans geen spoor meer terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen, Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop honderd steden en honderd dorpen gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een verdronken eiland.
Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland, België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal, de monden van den Indus en de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500 kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is, schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de beide oevers der Roode zee en Turkestan.
Fig. 113. In zee verzinkend bosch op de kust van Zweden.
Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn, om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19 vademen water stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876 vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De landengte van Dover–Calais is dus nog zichtbaar.
Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover het geval.
Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland gescheiden.
Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten, daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt, die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.
De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van „de Zuilen van Hercules” om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11 kilometers, de grootste breedte 14½ kilometer. Thans is de grootste breedte 16 kilometers. De zee heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.
Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen, die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen, gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen. Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis bewoonde.
Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.
De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika.
Fig. 114. Langzame teruggang van den waterval der Niagara.
Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion’s, antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten, te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den Griekschen Archipel en de Zee van Kandia.
Fig. 115. Panorama van den waterval der Niagara.
Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig verandert zij van karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen, vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken, stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400 meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer. Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12 centimeters.
Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte, breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.
In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883 bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter ’s jaars. Naar dien maatstaf zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien teruggang 0,30 meters ’s jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000 jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt.
Fig. 116. Waterval van de Niagara.
Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door andere, minder belangrijke onderwerpen.
Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, „de stad der zeven heuvelen” bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum) gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.
In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans.
Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen aan de bergen ontnomen.
Fig. 117. De tempel van Serapis te Pozzuoli.
In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar de geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211 na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid, werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van 12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn. Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken.
Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In 1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot 1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838 dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van Napels, te Sorrente, heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt.
Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water. Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen. Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder. Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer.
Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.
De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest (terwijl de Etna juist bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden, en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa’s en steenen opwierp zoo groot als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op 5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die overeenkomt met die op de maan.
Fig. 118. De storm.
Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet, volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van Nero, een gang in den berg, waarvan de temperatuur 55° bedraagt: een jongen gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.
Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).
Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen. Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen, als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: Gutta cavat lapidem, non vi, sed saepe cadendo, de waterdruppel holt den steen uit, niet met geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem, graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking.
Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814, 1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711 karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen.
Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op, dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen 54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden. Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond, dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee.
En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken. Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden vorm verloren.
Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja in de 6de eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten en kostbaarheden, die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen, dat de bevolking geenen tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het kasteel Tauretunum en het naburige dorp, aan den zuidelijken oever van het meer van Genève in 563 door eene neerstorting van rotsen verwoest; de golven, die ontstonden door het neerstorten der steenen in het meer, verwoestten zelfs aan den anderen oever alle woningen; alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later opgebouwd: zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt.3
Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen, in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in 1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd; eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen, weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd, spoot uit den grond, en ontzettende massa’s steen en modder werden als uit den mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid. Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots, zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen, engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling, zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag dier verandering is dikwijls meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond. Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen.
Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan 1000 meters.
Eene aardbeving.
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult, bestaat uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht.
Fig. 120. Vertikale doorsnede van een koraaleiland op verschillende tijdstippen.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan 18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15 kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was. Het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen.
Fig. 121. Een koraaleiland.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of misschien door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland, Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk der schepping—dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken—nog steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren vooruitgang.