Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden, die het optreden van den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene onmetelijke zee strekt zich nog over het grootste gedeelte van Europa en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en de beide deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige en vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is. Hoewel de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire periode, schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te verschillen, omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet doet vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal. Een bewoner van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de kruipende dieren van het Juratijdperk, zou niet tot het vermoeden komen, dat eens de dag zal aanbreken, waarop de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude worden der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de zeeën zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken; de plesiosaurus met zijnen langen hals, die met zijne lange pooten zwom, in de diepte der zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus, monsterkrokodil van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte had van twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen; de hyleosaurus, met zijn gepantserd schild, die de oevers onveilig maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water verrezen waren, aan den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en meren, in de met varens, cycadeën, araucaria’s en verschillende naaldboomen versierde bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden, die in de secundaire periode de zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende viervoetige dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20 meters; dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters lengte; stegosauren, tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons, tweevoetige dieren met de klauwen van eenen vogel, en de vleeschetende theropoden: de megalosauren, ceratosauren, labrosauren, amphisauriden, compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en gedaante, waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land en de zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken, waarvan wij ons thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En daarboven dan nog de ontzaglijke pterodactylen met vliezige vleugels, die door de lucht sprongen en zich op de oevers neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare tandvogels, die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi te werpen ... en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel, dat onze planeet moet hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen.

Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.

Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.

Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd. En toch, hoever zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van onzen tijd! Die dieren kropen niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer reusachtige hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op hunne achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat wel hagedissen van 10, 15, 20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn langzamerhand verdwenen.—Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders.

Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt. Onmiddellijk na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure kalk vermengd. Men vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die eerste lagen heeten lias of zwarte Jura. Daarboven hebben zich lagen van eenen anderen aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling visscheneieren. Daarom heet die kalksteen ook wel: oölithisch (ᾠόν, ei en λίθος, steen). De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden, de lias en de oölithische formatie. Ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld worden, want er zijn een groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn:

Voornaamste verdeelingen der Juraperiode.

I. Liasformatie.
Zandsteen der Infraliasformatie Rhetische laag. (Rhetische Alpen) Zwarte Jura.
Onderste liasformatie Sinemurische laag. (Semur)
Middelste liasformatie Charmouthische laag. (Charmouth)
Bovenste liasformatie Toarcische laag. (Thouarsi)
II. Oölithische formatie.
Onderste oölitihische formatie Bathonische (Bath) en Bajocische laag (Bayeux) Bruine Jura.
Middelste oölitihische formatie 1. Oxfordlaag
2. Corallische (koralen), sequanische (Seine), kimmeridische laag Witte Jura.
Bovenste oölitihische formatie Portland en Purbecklaag

Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden, wat de zaak ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe langer zoo helderder worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan, naarmate wij de krijtformatie naderen, die zooals wij zagen, op de Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte, bruine en witte Jura.

De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte. Zoo is b.v. in het departement der Haute-Marne, dat in de krijtperiode uit het water is verrezen, de infralias-zandsteenlaag zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters, en de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie is op de bergvlakte van Langres en in Bourgogne 30 meters dik, de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-oölithische laag 70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot 150 meters. Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12 meters, te Kédange 24 meters, in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters dik; de lias of zwarte Jura van Wurtemberg is 100 meters dik, de onderste oölithische laag is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge in Lincolnshire is in twee lagen 350 meters dik.

In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder het water bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische zee, toen de granietmassa’s van Bretagne, de Vendée en Auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder plantengroei vormden, is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd. In de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden binnenzee uit over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee strekte zich over Lotharingen, zelfs tot in Duitschland uit. In het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken, waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag; maar spoedig bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog, zonder dat deze met elkander in verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale bergvlakte, de Vogezen en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg van de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die, welke nog thans plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben: langzame, geleidelijke bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben. Honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen.

In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers, Bordeaux, Genève, Bern, Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen tot Parijs, Brussel, Bordeaux en Marseille.

In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt de daling van den bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing. In het midden dier periode ziet men de onder de zee bedolven streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van elkander scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van Frankrijk verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en België. Op het einde der Juraperiode zijn al die streken, die eertijds onder de wateren bedolven waren, tot zekere hoogte opgeheven.

In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich over het zuidelijke gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het noordoosten naar het zuidwesten; die strook is het verlengde van die, welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De Jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk uitgestrekt.

Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder uit het water verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en de geheele gordel, waarvan wij zooeven gesproken hebben. Zelfs waren ook de streken, die thans onder de wateren van het Kanaal bedolven zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland en Boulogne. Frankrijk was toen met Engeland verbonden, en daar waar thans de golven van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit, met meren bedekt, die aan hunne oevers eenen rijken plantengroei bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de overhand hadden, en die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren, vooral iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich de Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust, tegenover Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der fossielen.

Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem van een gedeelte van Frankrijk en Engeland, had op het einde dier periode het omgekeerde plaats, waardoor een deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees.

Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in Frankrijk en Engeland een groot aantal koralen. De koraalriffen zijn nauw verbonden aan de oölithische formaties. Het kalkrijke zand, dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen, wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de korrels licht aan elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen; dan weder is het zand harde kalk geworden, waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds ook is het zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland, dat het rif omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op Ascension en op verscheidene punten der Stille Zuidzee.

De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene dikte van 40 tot 60 meters (in de omstreken van Gray en Besançon), in Yonne, Provence, in de Beneden-Alpen, in de omstreken van Grenoble,—waar zij worden vertegenwoordigd door groote massa’s witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep van zee-egels en diceraten—in Noorwegen en in Engeland, waar drie koraallagen duidelijk op de oxfordlaag gezien worden, op de kust van Weymouth.

Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland voorkwamen, volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55° N.B. uitstrekte, hetgeen niet mogelijk is, als aan de noordpool ijs gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt tot diezelfde gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen tot in Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de jaargetijden en het klimaat niet scherp onderscheiden.

Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo mogen wij toch besluiten, dat Europa in het begin der Juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden. Ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van de Vendée ten westen, van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in het oosten door de zee gescheiden. Op het einde der Oxfordperiode breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander, aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde door die van Côte-d’Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens, waarin Frankrijk verdeeld is, dat van Parijs in het noorden, dat van Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en Côte-d’Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op het einde der Juraperiode. Frankrijk wordt met Engeland verbonden, en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt men een uitgestrekt vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen van te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van 125 meters: de periode is dus van zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren.

Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk, Provence, Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote massa’s witte kalk, vol poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na de koraalperiode, in de eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties gevormd hebben, buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven water gebleven is.

Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode af verandert weder alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing van den bodem van Frankrijk, Engeland en het noorden van Europa, die de hoofdtrek der oölithische periode is geweest, houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot gedeelte van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne krachten beproeven.

Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water. (Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)

Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water. (Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)

Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene dikte van honderden meters bijna uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee den voet der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche zee, aan de andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de tegenwoordige Middellandsche zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk, dat sedert de koraalperiode boven het water uitstak, is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die zich over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette de centrale bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de ééne zijde met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée verbonden was, de gemeenschap tusschen die Middellandsche en de Parijsche zee, die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte. Het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij reeds lang had verlaten. Die inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt.

Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het land de plaats van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee gerezen was; maar het is niet zoo eenvoudig, de plaatsen te leeren kennen, die in zee veranderd zijn, daar men nog niet ver genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen dus den toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen. Al is het immers mogelijk, in kaarten den toestand van Europa te teekenen in de silurische en de Juraperiode, tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire periode, zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen, geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering der oorspronkelijke formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode, op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden moeten aanwijzen.

Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt, zooals de Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat daar verschillende rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen. De oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en schiefer, dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren dus tijdens de laurentische, cambrische, silurische, devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee opgerezen. In de Permische periode moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels van dolomiet, gips en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling was echter niet algemeen, maar alleen aan enkele plaatsen eigen, en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal schommelingen waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische formaties af, die volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties der krijtperiode, waarvan alleen de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die eilanden, die langen tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties, uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te midden der eocene zee een vastland, dat door zijne bewegelijkheid aan groote afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen der molasse, die nu eens het karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene zeeformatie, en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont.

Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar toppunt en de miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode, in het begin waarvan die beweging geschiedt, andere sporen achterlaat dan bezinkingen, door de bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan gelegen. Men ziet dus, dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest, en dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende deelen verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste ketenen behooren tot de eocene of misschien wel tot de krijtperiode; die welke daarop volgen, tot de miocene, en die aan den rand tot de pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen. Men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen van muntschelpen of nummulieten in het inwendige der westelijke Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen dezelfde als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee verrezen ten tijde der bovenste krijtformatie, en zij vormden reeds in de oölithische periode eene keten van eilanden, waarop de zee in de cenomanische periode langzamerhand inbreuk maakte. De opheffing der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen dan in de centrale Alpen. De grenslijn der beide ketenen lag toen evenals thans in de Rijnvallei. Van de silurische tot aan de steenkoolperiode, is de streek, gelegen ten oosten van den Rijn, gedeeltelijk onder water gebleven, terwijl het westen een vastland vormde, bestaande uit oorspronkelijke gesteenten, en dat waarschijnlijk in verbinding stond met de Vogezen, de centrale bergvlakte en het Schwarzwald. Daarna dalen de Oostalpen, en eene rijke triasfauna treedt daar op, terwijl het grootste gedeelte der Westalpen boven water blijft. Op het einde dier periode overstroomt de Rhetische zee Zwitserland, dat hoe langer hoe meer daalt. De voornaamste rijzingen der Westalpen zijn het resultaat van eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken, die in de periode der molasse op elkander gevolgd zijn. Die bewegingen, die op de ruggen der eerste Alpenketenen de onderste en middelste lagen dier formatie hebben opgeheven, wierpen langzamerhand de wateren, waarin zich de bovenste lagen vormden, buiten den gordel der bergen, en gaven het aanzijn aan zoetwaterbekkens, waarin zich de bruinkool afzette.

Evenals de Alpen, zijn ook de Pyreneën de vrucht van telkens hernieuwde beroeringen; doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der Alpen; zij vertoont slechts ééne enkele massa van oude formaties, die de as der keten vormt, en waarvan de beide hellingen zeer verschillend zijn samengesteld. De helling aan de Fransche zijde is veel steiler, dan die aan de zijde van Spanje; de verplaatsingen zijn er talrijk en ingewikkeld. Aan de Spaansche zijde wijken de bezonken lagen over het algemeen weinig van den horizontalen stand af. De eerste opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vóór de afzetting der steenkoollagen, daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen. Hierop schijnt eene nieuwe beweging gevolgd te zijn, waardoor eene verbreking plaats had tusschen het verband der vorige rij en die der volgende lagen, van het krijt tot de eoceenformatie. Op het einde der eocene periode heeft eene beweging plaats, die veel sterker was dan alle vorige, en die aan de Pyreneën haren voornaamsten vorm geeft. Wij zagen, dat de beslissende opheffing der Alpen is voorafgegaan door de vorming van verbazende ophoopingen van molasse, die het bewijs zijn van eenen bodem, die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten werd; zoo is ook de opheffing der Pyreneën voorafgegaan door de bezinking van kleine steentjes. De nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten gebracht in den keten der Pyreneën, waar zij eene hoogte van 3352 meters bereiken. De voornaamste omwentelingen in de Pyreneën hebben plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene formaties.

De beslissende opheffing der Pyreneën heeft dus plaats gegrepen in de eerste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der eoceenperiode; hetzelfde is het geval geweest bij de Apennijnen. De beslissende opheffing der Alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de laatste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der miocene periode.

Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan oppervlakkig moeilijk schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de archieven der oorspronkelijke wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von Buch, Élie de Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen, dat zij uit den grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk, op de wijze der vulkanen. Toch begrijpt men bij eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare afkoeling moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien, of inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of ontwrichtingen der schors moeten hebben plaats gegrepen, die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben. Indien men den bouw der bergen onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die bezonken is, zich in het water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen, zoo kunnen die lagen nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare bezinking heeft plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild, doch vóórdat de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden van den berg vindt. In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der aarde. Die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet door vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de bodem der planeet in langzame schommeling.

Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding der zee het geval. Door die voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb en vloed enz. heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik af, dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen. Wel duizelen wij, wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die sedert het begin van dat tijdstip in de aardschors zijn ontstaan; doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd, waarin die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier veranderingen is eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen in den regelmatigen vorm van den aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft van 8840 meters boven de oppervlakte der zee, moet op eene aardglobe van 1,44 meters middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.

Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen, en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte van den kegel van den Vesuvius tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die oneffenheid is in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van den dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden.

Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties, die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten, zóódanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk, dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene breuk is natuurlijk steeds jonger dan de formatie, die gebroken is, en daarin hebben wij dus reeds eene benaderde bepaling voor den tijd, waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen. Indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen en de kaart der streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.

Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons een denkbeeld te maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen. Wij zullen echter hier niet verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en andere bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën en landen. Wij zullen daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire formaties handelt, nog terugkomen. Het was echter voor ons van belang, om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische veranderingen, die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen.

Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden, is het leven, waardoor zij werden gekenmerkt; geene enkele periode zoude toch kunnen wedijveren met die welke wij thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der wezens uit dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen wij de reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk de ichthyosauren (vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken), die het kenmerk zijn van die dierenwereld.

De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang hebben zij als heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet eene lange rij dieren verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen vormen, in vergelijking waarmede de thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der secundaire periode kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende landdieren; zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene zóó verbazende kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele groepen, waarvan niets in de tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven, hebben de oceanen, het vaste land of de moerassen bewoond; zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen achter te laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij meer verschillen van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den krokodil verschilt; reeds thans kent men honderden soorten van die dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende, grasetende, insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te vinden, op het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het primaire tijdperk te recht den naam kon dragen van het tijdperk der visschen, dan kan men van de secundaire periode zeggen, dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft bijgewoond.

De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de onderste lagen der Juraformatie; de ware kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden vertegenwoordigd door alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering van de slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type, die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.

Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn de ichthyosauren (van ἰχθύς visch en σαῦρος hagedis) reeds het langst bekend; want Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van wervels in het lias van Altdorf gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald.

De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van eene hagedis, den muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen krokodil, het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch. Men kent een groot aantal verschillende soorten, waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze in grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun kop was lang en puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke tanden waren groot, kegelvormig en puntig; men heeft kaken gevonden met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen.

Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de oogen, die de grootte hadden van een menschenhoofd, het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben. Binnen de oogholte ziet men eenen cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de opening van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de oogen van verscheidene vogels, bij de schildpadden en de hagedissen, dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen, en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te maken. Van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd stijgt om van achteren weder af te platten: de beenderen steken in het midden en de beide zijden tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren hielden, waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.

De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door den hals vervuld, die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl de benedenkaak zich vrij vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den kop tot het midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede zij onder elkander verbonden zijn.

Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald, dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient; bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling: er had zich nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens uit 110, dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor de inplanting der ribben.

De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn, welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden. Het achtereinde van den staart is rond.

Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus.

Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus.

De met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den walvisch, met dit verschil, dat zij meer vingers bevatten; maar deze bestaan, evenals de hand van den mensen (behalve de duim) uit eene rij leden, die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.

De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen, terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat.

Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons besluiten, dat het monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het, hoewel schijnbaar log, gemakkelijk zijne prooi kon bereiken. Indien de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen, die vertikaal stonden, zooals bij al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den walvisch; men begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In het Museum te Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een onwederlegbaar bewijs voor de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten.

Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.

Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.

Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce gevonden, in de liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet lag op den buik. Door de ééne of andere overstrooming overvallen, was het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte, met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van het monster bloot gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte, volkomen bewaard gebleven.

Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij in de holte van het bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van dezelfde soort, doch in het klein, ontdekte, wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was!

De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten, vóórdat men het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen. Zooals wij zagen, is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor reeds het denkbeeld is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op het kleine gevallen is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn, en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De meening, als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd, dat het jeugdige dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende, dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij mogen hier opmerken, dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen, de salamanders en enkele andere kruipende dieren.

Fig. 216. Tand van eenen ichthyosaurus.

Fig. 216. Tand van eenen ichthyosaurus.

Fig. 217. Tand van eenen plesiosaurus.

Fig. 217. Tand van eenen plesiosaurus.

Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven terugvinden, indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het voedsel terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood inzwelgde, indien wij daarin nog de overblijfselen zien van visschen, voor honderden millioenen jaren verslonden, dan verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte voor onzen geest, en dan vinden wij ons als het ware in onmiddellijke aanraking met alle gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats gevonden, als waren zij eerst onlangs geschied.1

Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de secundaire formaties van de Vereenigde Staten van Amerika. In 1879 vond echter professor Marsh een exemplaar van drie meters lengte, afkomstig uit de Juraformatie van het Rotsgebergte, maar zonder tanden. De wervels, de ribben en de overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen. En toch waren er geene tanden aanwezig; zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog stelt voor, de nieuwe hagedis „Sauranodon” of tandlooze hagedis te noemen.

Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf Sir Everard Home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in het lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe stukken op dezelfde plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In 1824 gaf Cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten: den ichthyosaurus communis, den grootsten van alle (12 meters), met gegroefde en kegelvormige tanden; den ichthyosaurus platyodon, bij welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus tenuirostris, met eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.

Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.

Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.

Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren de plesiosauren, hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans de geschiedenis schrijven. Hun vorm is bijzonder vreemd; men stelle zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in eenen hals, die op het lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in andere opzichten op eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch, met bijzondere karaktertrekken, hem alleen eigen. Enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer dan een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren; hun dijbeen was meer dan 1½ meter lang, en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van 18 meters. Onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden!

Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen, vier in getal, en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor het zwemmen geschapen; hun dikke ineengedrongen staart diende hun tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij niet in de diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en de watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen, schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit, om de visschen te grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld, evenals de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen.

De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In 1821 gaven Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die dieren. Een volkomen skelet werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode, tot aan het midden der krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in die van Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende soorten, waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der Juraformaties in Frankrijk heeft 14 soorten geleverd, die voor het meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne gevonden zijn.

In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even groot kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van pliosaurus gaf, en die van den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals minder gerekt en veel korter is, evenals bij den ichthyosaurus. Toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.