1 Merkwaardig is het, hoever wij het in de kennis van die oude soorten gebracht hebben. Wij weten b. v. welke dieren de ichthyosauren verslonden; men weet, hoe hun darmkanaal gevormd was. Die kennis zijn wij te danken aan de ontdekking van de koprolithen (dreksteenen), die tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn. Het onderzoek dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben van visschen, tanden, enz. doen kennen.

2 Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was het nog meer, en slechts onder de grootste voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof, zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene handelwijze, die herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te planten. Evenmin als zij de grashalmen één voor één uittrekken, om ze zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte de klei, die de beenderen bevatte, in blokken, en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken, waarvan enkele 1,50 meters lang en breed, en 60 centimeters hoog waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men ze met een hard omhulsel, door ze in gips te dompelen. Zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte bracht. Daarna omgaf men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed men het gevaar, dat de kop van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien werd nog eene teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag. Het totale gewicht der blokken bedroeg met hun omhulsel 110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar zij ongedeerd in het Museum van natuurlijke historie aankwamen.

3 Die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving van hunnen tijd. De megalosaurus, een vleeschetend dier, heeft eene aanvallende houding; de iguanodon, een plantenetend dier, gaat verdedigender wijze te werk, op het punt van gebruik te maken van de vreeselijke spoor aan zijn’ duim.

Men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens, cycadeën en naaldboomen. Er waren toen reeds pijnboomen.

4 De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden door eenen officier Drouin, die de beenderen opkocht, welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van gezondheid, zette de onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.

Toen in 1793 het Fransche leger Maastricht binnengetrokken was, zond de generaal Kleber naar den Jardin des Plantes te Parijs den fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons bestudeerde dien en meende in het Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten krokodil te herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het zoölogische karakter van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen. Toch herkende hij reeds, dat het eene soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en der plesiosauren.

In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie, den leiodon, die aan zijne tanden herkend kon worden. Door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de beenderen der soort ging er niet door vooruit.

Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte thans te Rome bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan. Nadat een tijdlang geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.

Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten (Platecarpus, Clidastes en Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.

Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit, ontstak in 1872 licht over den bouw der schouderbladeren, het bekken en de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook ontdekte hij den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.

5 In de groene zandsteen van Cambridge, behoorende tot het bovenste gedeelte der oudste krijtformatie, heeft men den vorm der schedelholte van eenen pterodactylus gevonden. De hersenen geleken op die van eenen uil; ook het achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier.