Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.

Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.

In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer kruipende dieren kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn. Die dieren, bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren, simosauren, hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet hieruit, zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd, die onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het is, de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen.

Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370 beschouwen, en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder vreemde wezens, die wij thans zullen beschrijven.

De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de dieren, waarvan wij gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode. Wij mogen beweren, dat de vreemdste wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de dinosauren der Juraperiode geweest zijn.

Zooals hun naam aanwijst (δεινός, verschrikkelijk), waren het vreeselijke wezens, die de zoogdieren voorafgingen, op het land en in de zee leefden, en eene uitbreiding verkregen, die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele waren vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de planten, die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van het trias af tot aan het einde der krijtperiode, beheerschten zij de wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren, de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden in die fossiele overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te bouwen, en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen.

Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de grasetende en de vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven:

Dinosauren.

  • Grasetende Dieren.
    • I.—Sauropoden (Hagedispootigen).

      Voornaamste soorten: Atlantosaurus, Brontosaurus.—Diplodocus.—Morosaurus.—Cetiosaurus.

    • II.—Stegosauri (Schildhagedissen).

      Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon, Omosaurus.—Scelidosaurus, Hylaeosaurus.

    • III.—Ornithopoden (Vogelpootigen).

      Voornaamste soorten: Iguanodon, Camptonotus.—Hypsilophodon.—Hadrosaurus.

  • Vleeschetende Dieren.
    • IV.—Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).

      Voornaamste soorten: Megalosaurus, Allosaurus.—Ceratosaurus.—Labrosaurus.—Zanelodon.—Amphisaurus.—Coelurus.—Compsognathes.

Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:

In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en de brontosauren, reuzen der secundaire fauna. De eerste waren 30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige grasetende, viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan hebben. Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant. De brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer klein, en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en buigzaam, zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd (fig. 223). Naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier, dat 30000 kilogram woog. Het liep zooals de tegenwoordige beren loopen, en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot.

De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de tandvorming was onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden; het was een grasetend dier. De schedel was klein, zooals bij alle dinosauren.

De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en de wervelkolom bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot 17 meters lang was! Hij kon op het vaste land leven, en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken; gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en kleine zoogdieren bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.

Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook Sauvage schat de lengte van sommige op vijf-en-dertig meters.

De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte konden bereiken van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter en minder stevig dan de achterste ledematen; vijf vingers aan ieder dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een waterdier, dat zich met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting beschermd, die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters groot waren.

Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de iguanodons de merkwaardigste. Wij komen daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst moeten wij ons algemeen overzicht der dinosauren voltooien.

Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.

Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.

De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was een viervoetig dier, een teentreder en met vier vingers aan vóór- en achterpooten. Zijne tanden, die over de geheele kaken verspreid waren, toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste alle aanvals- of verdedigingswapenen.

De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier; (de voorste ledematen waren veel korter dan de achterste, zooals bij vele soorten uit dat tijdperk), een teentreder; vier vingers aan de handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters lang. Het dier is van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in eenen gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer 11,50 meters lang.

Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende dinosauren aan. Dat dier was omstreeks zes meters lang. Het was tweevoetig, evenals de stegosauren en de ornithopoden. Zijn kop is omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne geheele uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros had hij eenen grooten horen op den neus. De megalosaurus was een tweevoetig dier derzelfde afdeeling. Evenals de teratosaurus bewoonde hij de inhammen en moerassen en voedde hij zich met visschen.

De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie teenen en vier vingers. De achterste ledematen, waarop het gewicht van het geheele lichaam rust, eindigen, evenals bij de sauropoden, de stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De voorste ledematen, die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen voorzien.

De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste en achterste ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door zijne beteekenis tegenover de vogels. De dinosauren toch zijn verwant met de hagedissen en de krokodillen, en tevens met de vogels. De compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus) was hij levend barend.

De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen, in Beieren, gevonden, en dus iets vóór de Juraperiode; in die fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en rustig water, zijn de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen, insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en medusen. „Het Solenhofensche dier is,” zoo zegt Sauvage, „zeer klein, en is belangrijk door de onevenredigheid tusschen de voorste en de achterste ledematen; die laatste toch zijn lang, de andere zeer kort, de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de lange hals eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden zijn talrijk, de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers, het grootste hielbeen is met het scheenbeen verbonden, zooals men dat bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel een kruipend dier, maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen, en dus op hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen.”

Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de iguanodons, die aan de geologen eerst goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke ontdekking, onlangs in België gedaan. Men heeft daar een aantal van die dinosauren gevonden en opgegraven, die uitstekend bewaard gebleven waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven, die de heer Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker, daarvan gegeven heeft.

Fig. 221. Tand van eene iguanodon.

Fig. 221. Tand van eene iguanodon.

De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent van het jaar 1822. Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker, vond toen in de Wealdformatie van Tilgate Forest (Sussexshire) de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren later den naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig, dat zij reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den oppervlakkigsten waarnemer zouden getrokken hebben. Zij konden onmogelijk verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren en plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren, die men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren later meende dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best vergeleken konden worden met die van eenen leguaan (Iguana, kamhagedis), en die overeenkomst trof hem zoozeer, dat hij het dier den naam gaf van Leguaantandige of Iguanodon. Zoo was dus het geslacht Iguanodon ontdekt uit de beschouwing van eenen tand.

Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon gevonden waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te voorschijn gebracht, maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley eene tamelijk volledige beschrijving van het dier.

Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de plaats van die hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets met zekerheid omtrent zijne grootte, de verhouding der verschillende deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne wervelkolom en zijne voorpooten.

Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de Belgische academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van reusachtige kruipende dieren gevonden had op 322 meters diepte, te Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en Doornik, in de nabijheid der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den slechten toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen het vermoeden uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon behoorden. Onder die overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral van schildpadden, krokodillen, visschen en een aantal planten. Het te voorschijn brengen van beenderen ging met talrijke moeilijkheden gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg, terwijl het resultaat onzeker bleef.

Eerst zag men, dat de voorloopige gang, die men gegraven had, door eenen iganuodon heenging, van den kop tot het bekken, zoodat alleen de achterste ledematen en de lange staart van het dier ongeschonden waren gebleven. Doch de uitgravingen, die men ondernomen had om de fossielen te voorschijn te brengen, brachten andere sporen aan het licht die gevolgd werden, en weldra werd men overtuigd, dat het dier, dat door de gang doorboord was, niet op zich zelf stond, en dat geheele geraamten konden worden uitgegraven.

Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der schepping (35 meters).

Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der schepping (35 meters).

Naarmate men met de opdelving vorderde, ontmoette men nieuwe overblijfselen, en in de uitgegraven aarde zelf vond men eene groote hoeveelheid kruipende dieren, schildpadden, visschen en planten. Na eenen zwaren arbeid van drie jaren en uitgravingen op eene diepte van 322 tot 356 meters, had men 29 iguanodons, waarvan een groot gedeelte in hun hun geheel, 5 krokodillen, 1 salamander en duizenden visschen, opgegraven2.

In vorm, houding en gang gelijken zij op eene reusachtige kangoeroe. Hun kop is betrekkelijk klein en gelijkt op die der éénhoevige dieren.

Tegelijk met die iguanodons heeft men, zooals wij zagen talrijke overblijfselen van land- en waterschildpadden ontdekt, die dikwijls vier meters lang waren, en honderden zoetwatervisschen.

Het is dus zeker, dat door de kloof te Bernissart water gestroomd heeft, maar daar het bezinksel afwisselt met zwarte klei, zoo mag men besluiten, dat het water periodiek hooger en lager stond. Bij laag water vormde de kloof een moeras: de plantengroei en de fossiele dieren wijzen dit aan. Op den bodem vond men een modderachtig slijk, waarin de overblijfselen van de varens, die de vochtigheid zochten en aan den zoom der moeras groeiden, bedolven waren. De reusachtige iguanodons, die het moeras wilden doortrekken, moeten daarin geheel ingezakt zijn; juist daardoor is hun geheele geraamte duizenden eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig. Men heeft ze gevonden, op de zijde liggend, en min of meer vervormd door de drukking van de stoffen, waaronder zij begraven zijn gebleven.

Die waarneming staat niet geheel op zichzelf. Men heeft uit het pliocene slijk van Dursart (Gard) olifanten opgedolven, die op dezelfde wijze bedolven waren. Niettegenstaande het verbazende tijdsverloop tusschen beide formaties bestaat er eene duidelijk zichtbare betrekking tusschen beider graftomben: kleur en vastheid komen overeen. Doch in Dursart vindt men eikenbladeren, terwijl het in België de varens zijn, die behooren bij eene door het water overstroomde streek.

Men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons: den Iguanodon Prestwichi, den Iguanodon Mantelli en den Iguanodon Bernissartensis.

I. De Iguanodon Bernissartensis is 9,50 meters lang, van den bek tot aan het uiteinde van den staart, en zoo hij op zijne achterpooten stond, hetgeen het geval was als hij liep, was hij 4,36 meters hoog.

De kop is naar verhouding klein en in de breedte samengedrukt. De neusgaten zijn wijd en van voren als het ware afgeschut. De oogholten zijn middelmatig van grootte en in vertikale richting gerekt. Het uiteinde der beide kaken is tandeloos; het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek. De 92 tanden van den bek wijzen op de leefwijze van plantenetende dieren. Evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren, werden de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen. De hals is tamelijk lang en bevat behalve den proatlas tien wervels, van ribvormige zijstukken voorzien. Hij was uiterst bewegelijk.

De romp bestaat uit 24 wervels, die door pezen stevig verbonden waren. De staart is iets langer dan het overige deel van het lichaam; deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat 51 wervels. Hij is evenals die van den krokodil zijdelings samengedrukt.

De voorste ledematen zijn korter dan de achterste. Zij zijn dik en krachtig, en eindigen in eene hand met vijf vingers. De eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene groote spoor, die een vreeselijk wapen moet geweest zijn. De tweede, derde en vierde vinger hebben ieder drie leden, waarvan het laatste eenen kleinen horen draagt. De vijfde vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim tegenover de overige vingers, zoodat het dier de takken der boomen naar zich toe kon trekken, wier vruchten tot zijne voeding dienden.

Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).

Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).

De achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de pooten der vogels.

II. De Iguanodon Mantelli onderscheidt zich van den Iguanodon Bernissartensis in de volgende opzichten:

  • 1º. Hij is slechts 5 tot 6 meters, in plaats van 10 meters lang.
  • 2º. Hij heeft slechts 5 wervels aan het heiligbeen, in plaats van zes.
  • 3º. De neusgaten zijn wijder.

III. De Iguanodon Prestwichi onderscheidt zich door vier wervels in het heiligbeen en door het samengestelde der tanden.

Wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren, die zich met planten voedden. Zij beten die af met hunnen gehoornden bek, en vermaalden ze in den achterbek door middel van de 92 tanden, die telkens vernieuwd werden. Het waren waarschijnlijk waterdieren. De omstandigheden, waaronder de dinosauren gevonden zijn, bewijzen, dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan de oevers eener rivier. Nu wij mogen aannemen, dat de iguanodons een groot gedeelte van hun leven in het water doorbrachten, kunnen wij ons, met behulp der waarnemingen op den krokodil en den amblyrhinchus (groote zeehagedis op de Galapagos-eilanden voorkomend) twee wijzen van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen.

Als hij langzaam zwom, bediende hij zich van zijne vier ledematen en zijnen staart, wilde hij daarentegen snel vooruitgaan, om zijne vijanden te ontvluchten, dan trok hij zijne voorste ledematen langs het lichaam in, en gebruikte hij alleen den staart. Het is duidelijk, dat hoe korter de voorpooten zijn, zij des te gemakkelijker bij die beweging kunnen geborgen worden, en dus minder weerstand bieden aan de verplaatsing van het dier in het water. Alle in het water levende zoogdieren strekken tot bewijs hiervan. Op het land liepen die dieren alleen met behulp hunner achterste ledematen. Met andere woorden: zij waren tweevoetig, zooals de mensch en een groot aantal vogels, en sprongen niet, zooals de kangoeroes. Zij steunden bovendien niet op den staart, maar lieten dien eenvoudig slepen.

De iguanodons, die plantetende dieren waren, moesten ten prooi verstrekken aan de groote vleeschetende dieren van hunnen tijd. Daar zij nu in de moerassen verblijf hielden, konden zij onder de varens, die hen omgaven, hunne vijanden moeilijk zien aankomen, tenzij zij rechtop stonden. In die houding konden zij bovendien hunnen aanvaller in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen snijdenden hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken.

Onze lezers zullen zich een denkbeeld kunnen vormen van den bouw dier vreemdsoortige wezens, door de beschouwing van fig. 224 en zeker nog beter door de schoone teekening op blz. 409, waarin de ontmoeting van eenen iguanodon en eenen megalosaurus in een woud der Weald-Juraformatie geschetst wordt3.

Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.

Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.

Onlangs (1885) heeft de Heer Dollo een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in het krijt van Henegouwen gevonden is, en dat hij daarom Hainosaurus genoemd heeft, (hagedis van de Haine). Die naam is dus op dezelfde wijze gevormd als Mosasaurus (hagedis van de Maas). De lengte van den schedel bedraagt 1,55 meters en de geheele lengte van het dier moet 13 meters geweest zijn. Het is de grootste der bekende mosasauren4. De kop van den mosasaurus, die niet minder dan 1,30 meters lang is en dikwijls eene lengte van 2,50 meters bereikt, gelijkt op dien der monitors. De kaken zijn voorzien van scherpe tanden. De hals bevatte waarschijnlijk hoogstens tien wervels en was even groot als die van de ichthyosauri. De hand, met vijf vingers, eindigde in leden, die geene klauwen bezaten en had den bouw der vinnen. De langste vinger had zes leden; de kortste vier. Marsh teekent aan den duim slechts drie leden. De achterste ledematen komen in bouw met de voorste overeen, doch zijn iets kleiner. De huid was bedekt met platen van ongeveer twee centimeters: die platen, welke aan de binnenzijde glad waren, lagen als dakpannen over elkander; men kent nog niet de wijze, waarop zij over het lichaam der dieren verspreid waren.

Uit dit alles volgt, dat de mosasauri kruipende dieren waren, die uitwendig het voorkomen hadden van dolfijnen, b.v. groote bruinvisschen. Toch kon men ze gemakkelijk daarvan onderkennen: hun lichaam immers is niet naakt, zooals dat der dolfijnen, maar bedekt met kleine beenige platen; zij bezitten twee paar vinnen, terwijl de dolfijnen slechts één paar bezitten; hun staart was zijdelings ingedrukt en niet van boven naar beneden. Bovendien eindigen de neusgaten niet boven den kop, en zijn zij niet tot spuitgaten vervormd.

In 1884 heeft Marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in de Juraformatie gevonden was en dat hij den naam van macelognates gegeven heeft. Het is eene soort van kikvorsch, met tanden achter in de kaken en eenen gehoornden bek. Bij al die verschillende dieren moeten nog de champsosauri gevoegd worden, waarvan men den juisten vorm nog niet volkomen kent. Ook hebben wij tijdens de triasperiode de zonderlinge dicynodonten van Zuid-Afrika leeren kennen (fig. 206 blz. 356). In de krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden. De natuuronderzoeker Cotta noemde ze „de hooge adel van het rijk van Neptunus, tot de tanden gewapend en bedekt met een ondoordringbaar pantser, de vrijbuiters der oorspronkelijke zeeën.” Toch zijn die kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden tijd, want wij hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen, de pterodactyli, en van de tandvogels, de odontorithen.

Al die wezens schijnen de gaping aan te vullen, die in onzen tijd de meest volkomen kruipende dieren, de krokodillen en de schildpadden, van de lagere zoogdieren, de buideldieren, en de minst tot vliegen geschikte vogels, zooals den struisvogel, den emu en den casuaris scheidt. Zij staan zóóver van de kruipende dieren af, dat men voor hen eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden rang als die der tegenwoordige kruipende dieren; de punten van verschil immers met onze kruipende dieren zijn veel grooter dan die tusschen de schildpadden en de slangen. Wij kennen van de dinosauren alleen het geraamte; indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden, en tevens hunnen bloedsomloop en hunne ontwikkeling, dan zouden wij waarschijnlijk geen oogenblik aarzelen, daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen de zoogdieren en vogels, en de kruipende dieren in engeren zin. Men begint te vermoeden, dat onder die dieren zeer verschillende typen voorkomen, die evenveel van elkander verschillen als bij de zoogdieren de dikhuidigen, de herkauwenden of de vleeschetende dieren.

De grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende typen. De schedel, die evenals die der krokodillen bij de dinosauren der triasperiode zeer gerekt is, is bij de dieren van den lateren tijd veel ingekort. Bij enkele dieren, zooals bij den hypsilophodon, zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in verband, evenals bij de zoogdieren en vele vogels. De hersenen komen overeen met die der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein. De tusschenkaaksbeenderen zijn gescheiden; de beide helften van de onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd. De samenstelling van den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op die der krokodillen.

De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.

De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.

Daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer verschilde, zoo moet er ook eene groote verscheidenheid bestaan hebben in den vorm der tanden. De vleeschetende dieren, zooals de megalosaurus, hadden sterke en scherpe tanden, die aan de randen gekerfd waren. De grasetende dieren, zooals de iguanodon, de vectisaurus, de laosaurus, de hypsilophodon hadden kaken, die van tanden voorzien waren, welke uitstekend geschikt waren om te snijden en te vermalen; die tanden sleten evenals die der tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd, als zij versleten waren; de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige herkauwende dieren horizontaal bewegen, ten einde de tanden in staat te stellen, het voedsel te vermalen; die beweging bestaat niet bij de tegenwoordige kruipende dieren; de grootte der gaten en kanalen, waardoor de zenuwen heengingen, toont aan, dat die dieren weeke lippen hadden. De hadrosauren, grasetende dieren, hadden verscheidene rijen van tanden, die door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in den vorm van een dambord. Bij de grasetende dieren, die tot de groep der vogelpootigen gerangschikt zijn, droeg de tusschenkaak geene tanden; hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak, die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek, waarmede het dier de knoppen en bladeren afsneed, die het voor zijne voeding noodig had.

In die secundaire tijden, waarin die vreemdsoortige en reusachtige dinosauren leefden, vinden wij de kruipende dieren in hunne grootste ontwikkeling. De zoogdieren zijn nog klein en worden alleen vertegenwoordigd door de laagste soorten; de dinosauren schijnen op de oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben, thans weggelegd voor de groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren; maar terwijl de zoogdieren zich steeds verder ontwikkeld hebben, zoodat zij reeds tegen het einde der tertiaire periode den bloei bereikt hebben, dien wij thans nog bewonderen, zijn de kruipende dieren steeds achteruitgegaan: de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op de minder ontwikkelde wezens. Op het einde der secundaire periode verdwenen de dinosauren voor goed, zonder afstammelingen na te laten; zij hebben zich niet kunnen voegen in de nieuwe levensvoorwaarden, die hun werden opgelegd, en zijn dus uitgestorven, terwijl de zoogdieren daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen.

Tijdens het laatste gedeelte der Juraperiode was West-Europa doorsneden door moerassen, lagunen en dikwijls overstroomde inhammen; die bevoorrechte plaatsen hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden plantengroei dan de bergstreken; daar groeiden groote varens met lederachtig loof, terwijl de helling en hoogten bedekt waren met planten, die naderden tot de araucaria’s en de cycadeën, en die het voedsel vormden der plantenetende dinosauren dier periode. Hetzelfde was het geval in het begin der krijtperiode, toen de wealdformaties ontstonden.

Fig. 226. De Rhamphorynchus.

Fig. 226. De Rhamphorynchus.

Wij zagen zooeven, dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden der krijtperiode; de reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke veranderingen, die in dien tijd in de temperatuur plaats vonden. Tot nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over de oppervlakte der aarde, en tevens de aard der dieren en planten, op eene hooge, gelijkmatige temperatuur, die niet zoo veel hooger was aan den aequator dan op onze breedte, en die tot op 76° noorderbreedte tropisch was. In één woord: over de geheele aarde heerschte het klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken. Gedurende al die eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben ondergaan; hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen de periodes van betrekkelijke vochtigheid en droogte trachten af te leiden. In het midden der krijtperiode wordt de toestand anders, en kan men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen. Wij leiden dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen, op de plaats waar thans Europa ligt, uit het zeldzaam voorkomen van rudistae boven 45° Noorderbreedte, en uit de verschijning op die plaatsen van plantenfamiliën, die slechts bij uitzondering in de tropen gevonden worden.

Die rijke Juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de vruchtbaarheid der natuur, want de aarde was toen zeer verschillend van die van onzen tijd. Het kan zijn nut hebben, de wereld te beschouwen uit het oogpunt der organische natuur, en hetgeen ons de aarde leert, in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal.

Letten wij b.v. op het landschap van araucaria’s en cycadeën, waarin zich de reusachtige stegosaurus beweegt met zijn lichaam, dat bedekt was met beenige en doornachtige platen, en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen,—den compsonotus, een’ anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus,—en de vreemde vliegende reptielen, de pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die geheel van de onze verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen, als men de versteeningen niet ontdekt had? Die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode verdwenen. Toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen; tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden. Het is de periode der kruipende dieren, en welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij merkten het reeds op, bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000 kilogram wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus deed niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover gemakkelijk oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter lang, en dat het gedeelte van den kop en de wervelkolom, dat bekend is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele dier eene lengte van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten waren 2,50 meters lang.

Fig. 227. De Pterodactylus.

Fig. 227. De Pterodactylus.

Zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren, der plesiosauren, der labyrinthodonten, der paleotheriums, is de periode der dinosauren voldoende, om getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht, zelfs op onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen.

Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren verzonnen, noch de spooksels, door de vrees geschapen in de sombere tijden, toen de menschelijke gedachte scheen te sluimeren en te droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen, die eens in de menschheid moesten eindigen.

Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren, ichthyosauren, plesiosauren, pliosauren, nothosauren, waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw denkbeeld kan geven; terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel de merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen met niet minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels, noch kruipende dieren waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels waren, zonder veeren en met tanden gewapend, tegelijk warmbloedige kruipende dieren, die noch konden loopen, noch konden zwemmen. Het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde monsters denken, of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.

Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij aannamen. Wij wijzen hier op de dieren, die niet, zooals de vliegende draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals de vogels, door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen, of zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij is, maar door middel van vleugels, die gesteund werden door eenen zeer langen vinger, terwijl de andere vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende reptielen (vreemde tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.

Die vreemde dieren zijn de pterodactyli. Hunne korte en stevige kaken zijn aan de voorzijde voorzien van tanden, terwijl de kaak zich tot eene soort bek verlengt, die bij den ramphorynchus en den dimorphodon waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en geene tanden bevatte. Die tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting meer denken aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie van Amerika, zooals den hesperornis, dan aan kruipende dieren.5

De pterodactyli waren dieren, die zich met kracht en snel door de lucht konden voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht. Bij de vogels, de dieren der lucht bij uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame pennen, die met haar ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien, en de handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes; de hand bestaat uit eenen weinig ontwikkelden duim, eenen pink en eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is geheel anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies, tusschen de voorste en achterste ledematen en de huid, voor het vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de vingers bijzonder lang zijn.

Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van araucaria’s.

Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van araucaria’s.

Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de pterodactylus een mengsel van zeer verschillende karaktertrekken. De hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een zoogdier, de vliezen, die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór- en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den pterodactylus naar den bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken; de zoogdieren toch hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met name de hagedis, hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van den duim inneemt, en één lid meer aan iederen volgenden vinger, tot aan den laatsten, die één minder heeft dan de vorige.

De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft, wordt dus onder de hagedissen gerangschikt; het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige grootte, en, te oordeelen naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben, waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt. Men heeft opgemerkt, dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de afdruksels vindt men daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte in vergelijking met die van de vleermuis.

In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft men in 1873 eenen rhamphorynchus gevonden, met volkomen gaven vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een vlies was, dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was aan de binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger, die lang uitgerekt was, steunde het tot aan het uiteinde. De staart was zeer lang en de staartwervels werden vastgehouden door beenige pezen; de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde van den staart van den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.

De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het niet te verwonderen is, dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels, dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide klassen instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd; wij kennen thans vogels, met tanden als bij de zoogdieren, en zoogdieren met vogelbekken; sommige wezens zijn zóó vreemdsoortig, dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens beschouwd zijn als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen, orden en families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet; er zijn schakels, die de ééne soort met de andere vereenigen. Indien de dinosauri eenigszins den overgang vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij dichter bij de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen gevonden in de secundaire formaties van Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren vindt men verscheidene typen.

De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte van musschen, lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten heeft Marsh in de krijtformatie van Kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren, wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters moeten in de krijtperiode te Amerika tamelijk talrijk geweest zijn; de Amerikaansche natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College te New-Haven (Connecticut) beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons gevonden worden.

Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen, met de labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de woeste kreten van al die kruipende dieren voor: het geloei en gehuil der dinosauri, het gekwaak van den labyrinthodon, dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte meren!

Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en kruipende dieren. Geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand bieden; zij worden de heerschers der wereld.

Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en schilders hebben voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die nooit bestaan hebben. Gelooft men, dat de sphynxen der Egyptenaren, op het zand neergehurkt, de centauren, de faunen, de Grieksche satyrs, de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen van Raphaël, geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde in die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de plesiosauren kunnen, zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk wedijveren met de draken met vlammenden muil van Medea; de vliegende slangen met de slangen van Laocoön; de oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het megatherium met de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren met de draken van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met hunne gevingerde voeten met de paarden van Neptunus of met het monster van Rubens met de opgeheven manen. Men zou den stamvader der honden, den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te putten in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn, niettegenstaande hij de grenzen der tegenwoordige wereld overschreed.

Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons zoude zijn, zich den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden, evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen der Juraperiode in eene andere omlijsting te denken dan die van dien tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een laag, moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen vereischte, om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en geene prooi ze aantrok, gingen zij niet verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot, de achterarm tegen het lichaam gedrukt, ziedaar alles wat noodig is om die bank te bezetten, die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig verblijf aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden modder, waarop alle schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar te vermijden viel, was er geen noodzakelijkheid of verlangen, om te vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen, dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich de wijze van voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren behoefden noch te loopen, noch te rennen, noch te vliegen; kruipen was voldoende. Met de hagedissen waagden zich ook de schildpadden op het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond neer te zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had, behoefden zij zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen, om hun erfgoed te bemachtigen, en verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel zich ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich groote uitgestrektheden aan den horizon openen, indien men die moet doorklieven, om eene van verre zichtbare prooi te bereiken, of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere landstreek.

Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte om eene vlucht te nemen, teneinde een zoo klein gebied te doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog. Als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel, den pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en twee vliezige vleugels. Die vleugels zijn voor hem voldoende, want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken, om vastelanden te bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er zijn nog geene bergen of valleien, het is slechts een effen, smal, ingekorven terrein, waar al de voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras verborgen, eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.

De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met zijne groote vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland zich ontwikkeld heeft, als de bergen zijn opgerezen, de valleien uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de eilandgroepen te voorschijn zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot rustplaats kunnen strekken.

Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander opvolgende schepselen. Zij herleven daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft zich dus vastgezet in een type, eene soort, eene familie, die daarvan de vertegenwoordiger is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel afgebeeld zijn. Uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde wezens de rij der groote vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.