Indien gij, waarde lezer, met aandacht blz. 179 van dit werk beschouwt, en de doorsnede van den Artesischen put van Grenelle te Parijs bestudeert, dan hebt gij de beste voorbereiding voor de studie der laatste periode van het secundaire tijdperk, de krijtperiode.
Men ziet, dat men van eene diepte van 41 meters van de oppervlakte van den bodem te Parijs tot op eene diepte van 506 meters, krijt, nog eens krijt en niets dan krijt vindt. Al dat krijt heeft zich afgezet op den bodem der zee, toen de zee die streken bedekte, die thans door den mensch bewoond worden.
Die dikke krijtlaag, die onder Parijs doorloopt, is eene soort van onregelmatige kom, waarvan de randen op zekeren afstand van de stad aan de oppervlakte komen: het krijt ligt bloot over eene strook, gaande van Arras, over St. Quentin, Rheims, Châlons-sur-Marne, Troyes, Sens, Auxerre, Bourges, Tours, Loudun, le Mans, Rouaan. Dat blootleggen van het krijt over eene groote uitgestrektheid, heeft aan een deel van Champagne hare bekende onvruchtbaarheid gegeven; over duizenden hectaren heeft de bebouwbare grond geene meerdere dikte dan van 15 tot 20 centimeters, er is dus geen belangrijke plantengroei mogelijk, alleen de valleien blijven groen en eenigszins vruchtbaar; als men in eenen luchtballon over die streken heentrekt, schijnen de smalle weiden, die aan de oevers der stroomen gelegen zijn, rivieren, die zich kronkelen over eenen gelen en dorren bodem. Die krijtformatie wordt ook in andere gedeelten van Frankrijk teruggevonden, zij komt door eene plaatselijke rijzing van den grond, vlak bij Parijs bloot, bij de heuvels van Meudon, Bellevue en Bougival. Men vindt haar ook terug te Mantes, le Mans, Gisors en bij Rouaan; langs de oevers der Seine van Vernon naar Havre, het bovenste gedeelte van de rotssteilte van kaap la Hève, vijftig meters dik. Men vindt daar de cenomanische formatie. In Engeland heeft men de turonische formatie, doch beide behooren tot de krijtformatie. Het Kanaal heeft zijne bedding gegraven door het krijt: in een vorig hoofdstuk zagen wij, dat het Kanaal breeder wordt. Dezelfde krijtformatie, vindt men tusschen Saintes en Cahors, op de beide hellingen der Pyreneën, overal aan de Spaansche zijde, in de Fransche Alpen, aan den rechter Rijnoever, in Engeland, Duitschland, een klein gedeelte van Limburg, Algiers, Palestina, Noord-Amerika, Groenland, in één woord bijna overal op de aardoppervlakte.
Evenals de vorige formaties, hebben ook de krijtformaties het aanzijn verkregen op den bodem van het water. Al de streken, waar de krijtformatie bloot ligt, waren onder de golven gelegen. Zoo strekte zich in de krijtperiode eene uitgestrekte zee uit over de geheele streek, die wij zooeven genoemd hebben, in de omstreken van Parijs, van Bar-le-Duc ten oosten, tot le Mans ten westen, en van Bourges ten zuiden tot Engeland en nog verder. Eene andere zee bedekte een deel der Pyreneën, de Zee-alpen, Savoye en Perigord. De Juraketen is vóór de krijtperiode opgerezen.
Het is nog niet zeker, of enkele deelen van het Kanaal, van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee, niet reeds toen boven water lagen en later weer zijn gedaald, en of niet enkele golven of straten reeds bestaan hebben, ten gevolge van plaatselijke dalingen.
Fig. 250. De pterodactyli.
Zooals de naam reeds aanwijst, bestaat de krijtformatie hoofdzakelijk uit krijt. Toch bevat zij, vooral aan de onder- zijde, dicht opeengedrongen kalksteen en klei; maar de weinig samenhangende gesteenten, zand of gemakkelijk te verbreken zandsteen en vooral krijt, hebben in het bovenste gedeelte verreweg de overhand. In het algemeen zijn de krijtgesteenten lichter van kleur en frisscher dan de Juragesteenten, de fossielen zijn niet zoo volkomen veranderd en schijnen ook jeugdiger dan in de laatstgenoemde formatie. Men vindt in het krijt zeer weinig ijzer, gips, dolomiet en steenzout, daarentegen vindt men er klompen vuursteen in grooten getale. De grootste dikte dier formatie bedraagt meer dan tweeduizend meters. Hoewel het bijna geheel eene zeeformatie is, bevat zij toch op verschillende diepten zoetwater, dat zich verder uitstrekt dan bij de Juraformatie, en dat somtijds bruinkool oplevert. In Engeland en op andere plaatsen begint de krijtformatie met klei en zand, dat bezonken is in moerassen, die overeenkomen met die, waarin zich de Purbecklaag vormde. De schommelingen van den bodem hebben zich gedurende de geheele periode voortgezet, zoodat de zee telkens stroomde over streken, waar zich eene diepe laag bezinksel afzette, en andere plaatsen droog bleven, waar dus geheele lagen gemist worden. Toch is de richting der beweging in West-Europa in het algemeen eene rijzende; de zeebekkens nemen nog wel ongeveer dezelfde ruimten in als in de Juraperiode, maar zij verminderen langzamerhand in oppervlakte. Hieruit volgt, dat de dieren en bezinkingen meer en meer gaan verschillen, zelfs op korte afstanden, en vergeleken kunnen worden met die der silurische periode.
Daarentegen overstroomt in Noord-Amerika de zee de kust van den Atlantischen Oceaan, en dringt zij tot ten westen van de Mississippi door, waar uitgestrekte bezinkingen getuigenis afleggen van hare tegenwoordigheid.
Die formaties hebben gewoonlijk den vorm van hooge bergvlakten, die meestal dorre en onvruchtbare vlakten of lage bergen met ronde hellingen vormen. Bijna overal vormen zij strooken, die concentrisch zijn met de groote strooken Juraformatie, die wij beschreven hebben en steunen zij daarop, bedolven onder de tertiaire formaties, die ze in de vlakten bedekken. Op enkele punten liggen zij op de steenkoolformatie en zelfs wel eens op de oudere kristallijnen lagen, waaruit volgt, dat in dien tijd nog groote bewegingen in den bodem hebben plaats gegrepen.
De zeeën, waarin die lagen bezonken zijn, bedekten nog een groot gedeelte van Europa, maar haar vorm was niet meer dezelfde als in de Juraperiode. De krijtperiode kenmerkt zich door eenen terugkeer der zee op plaatsen, reeds lang te voren door haar verlaten. Zoo is het zuidelijke deel van Frankrijk, dat reeds sedert de korallische periode boven water gelegen was, weder onder water geraakt en heeft het deel uitgemaakt van eene uitgestrekte zee, die zich over het geheele zuidelijke deel van Europa uitstrekte.
De centrale bergvlakte van Frankrijk, die geheel boven water uitstak, en aan de ééne zijde verbonden was met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée, maakte elke verbinding onmogelijk tusschen die Zuidzee en die welke zich tot ver in het noorden over het bekken van Parijs en het zuiden van Engeland uitstrekte. Vandaar verklaart zich het groote onderscheid tusschen de krijtformaties van het noorden en het zuiden van Frankrijk.
De krijtperiode wordt, evenals de Juraperiode, in twee goed te onderscheiden deelen verdeeld. Evenals wij in de Juraformatie de lias van de oölithlaag onderscheidden, zoo moeten wij ook in de krijtformatie de onderkrijtformatie van de eigenlijke krijtformatie onderscheiden. De eerste, die onmiddellijk op de Juralaag volgt, bevat geen krijt, maar kalksteen, zonder klei, die veel overeenkomt met de Juraformatie. Ieder dier afdeelingen, de onder- en bovenkrijtlaag, kan weder in verschillende lagen verdeeld worden:
Voornaamste verdeeling der krijtformatie.
De onderkrijtformatie is wat hare algemeene eigenschappen betreft, nauw verbonden met de voorafgaande formatie. De flora, waar de cycadeën en de naaldboomen de overhand hebben, en waar de bedektzadige tweezaadlobbige planten nog onbekend zijn, is de flora der Juraperiode. Indien pijnboomen, denneboomen en cederen daar op een verband wijzen met de boomtypen der tropen, dan vindt men toch dat verband evenzeer bij de polen, zooals in Groenland, als in centraal-Europa, weder een bewijs, dat de klimaten nog weinig verschilden. Toch is het opmerkelijk, dat de poliepen die zich in de oölithische periode tot in Yorkshire (tot meer dan 50° N.B.) uitstrekken, merkbaar naar het zuiden teruggeweken zijn, want de caprotinae, die voor de onderste krijtlaag dezelfde rol vervullen als de diceraten in de Juraperiode, worden alleen in de strook bij de Middellandsche zee gevonden. Het is dus niet onmogelijk, dat de tropische toestanden, die noodig zijn voor de koraalvorming, niet meer bestonden in het noordelijk gedeelte van ons halfrond. Hot vasteland werd toen waarschijnlijk geregeerd door de groote tweevoetige dinosauri, doch reeds met gemengde karaktertrekken, die ze tegelijk doen behooren tot de zoogdieren, de vogels en de kruipende dieren. Wat de zeedieren betreft, kan men zeggen, dat zij de typen der oölithische periode voortzetten; alleen komen in de krijtperiode betrekkelijk veel koppootige weekdieren met weinig gewonden schaal voor.
Wij zeiden zooeven, dat de krijtformatie begint met kalksteen, zand en klei, zoodat er nog eenige overeenkomst is met de Juraformatie; eerst in de hoogere lagen vindt men inderdaad krijt.
Het Gault is te herkennen aan zijne donkere kleur, zoodat men het reeds van verre ziet, daar de donkere strooken sterk afsteken bij de lichte kleur der omringende gesteenten. Het is eene somtijds groene, somtijds zwarte zandsteen, die eene groote menigte groene korrels bevat, die het den naam van groenzand gegeven hebben. Die korrels bestaan uit een silicaat van ijzeroxyd; die oxydatie is juist de oorzaak van de donkere kleur. Het Gault bevat op sommige plaatsen talrijke klompen, die waarschijnlijk phosphorzure kalk bevatten. Het komt zeer veel voorin de Alpenstreken van Oost-Zwitserland, vooral bij het Vierwaldstättermeer, bij Pragel en in Unterwald; in de Berner en Lucerneralpen komt het echter niet voor; in groote hoeveelheden vindt men het in het Rhônedal en in Savoye. Verder van de Rhône af, is het licht-groengrijs; dit is ook in de Jura het geval, waar het door blauwe klei bedekt is.
Het feit, dat men die korrels overal in de krijtformatie terugvindt, en vooral in het Engelsche Gault, moet het gevolg zijn van eene algemeene oorzaak, die bij hare verschijning en verdwijning gewerkt heeft. Tijdens de krijtperiode moet er tweemaal eene hoeveelheid ijzer uit het inwendige der aarde te voorschijn gekomen zijn, en zich over geheel Europa hebben verspreid; wij zijn thans echter nog niet in staat, eene deugdelijke verklaring van dat verschijnsel te geven.
De dikte der krijtlaag in het bekken van Parijs is ontzaglijk groot; in de rotssteilten van het Kanaal is zij dikker dan 100 meters; naarmate men het midden van het bekken nadert, neemt die dikte toe; te Parijs hebben de boringen voor de Artesische putten krijt doen vinden op eene diepte van 460 meters; men kan het in twee hoofdafdeelingen verdeelen; de eerste bestaat uit krijt met licht gekleurde vuursteenen, de tweede uit wit krijt met gordels van vuursteenen, en op verschillende diepten bevatten zij spatangiden (tot de zeeëgels behoorend), en vooral micrasters (eveneens zeeëgels),
Dat krijt met micrasters is het hoofdbestanddeel der rotsen van Dieppe.
Al die krijtlagen vormen in het bekken van Parijs, om de tertiaire lagen, die in het middelpunt gelegen zijn, eene uitgestrekte, golvende, hoefijzervormige vlakte, waarvan de beide beenen op de Normandische kust uitkomen, het ééne tusschen Dieppe en Tréport, het andere tusschen Boulogne en Calais. Die twee krijtstrooken zetten zich door het Kanaal voort, en komen weer op de Engelsche kust voor den dag, waar zij de witte krijtrotsen vormen, aan weerszijden van Dover. Engeland draagt daarom den naam van Albion. Het krijt wordt daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen, waarop Londen gelegen is, en vormt daar eene heuvelenrij, die den naam van Downs draagt. Al die streken, Orleans, Parijs, Dieppe, Londen, waren dus in dien tijd onder water bedolven. In de omstreken van Parijs, te Meudon, vindt men, boven het witte krijt, eene gele kalksteen, bestaande uit kleine, ronde korrels en overblijfselen van fossielen, bekend onder den naam van pisolithische steen; die steen, die het bovenste bezinksel is der krijtperiode, bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en de tertiaire formatie. Men vindt daar onder andere, ananchiten11, cerithiden11, die vergeleken kunnen worden met het cerithium11 gigantëum, dat in de Parijsche tertiaire formatie in groote hoeveelheden voorkomt.
Men vindt diezelfde formatie in losse brokken tegen het krijt aan op verschillende punten van de omstreken van Parijs. Zij heeft duidelijk het karakter eener kustformatie, en wijst door hare verdeeling op eene belangrijke verandering, die heeft plaats gehad in den toestand van het Parijsche bekken, dat eerst door de zee bedekt was. Die zee, van het noorden komende, is geleidelijk teruggeweken, zoodat al die krijtmassa’s, die wij besproken hebben, bij het terugwijken de ééne op de andere is afgezet. Na het afzetten der pisolithische kalksteen, die slechts over eene kleine uitgestrektheid beperkt is, was het geheele noordelijke deel van Frankrijk boven water gekomen.
Hoe zijn die dikke krijtlagen gevormd, die dikwijls 500, 1000 en 2000 meters dik zijn? Het antwoord is, door bezinking op den bodem van het water, evenals de vorige formaties, maar toch op eene andere wijze. Krijt is koolzure kalk. Die koolzure kalk was in meer of minder verzadigde oplossing in de wateren der oorspronkelijke zeeën aanwezig, daar onnoemelijke hoeveelheden schaaldieren er zich van bediend hebben, om hunne kalkschelpen te vervaardigen. In die vloeibare middenstof krioelden poliepen, foraminiferen en rudistae en vormden deze eene tallooze bevolking. Wat werden de lichamen dier dieren, groot en klein, maar gewoonlijk mikroskopisch klein, na hunnen dood? De organische stof verdween door rotting op den bodem van het water; er bleef niets anders over, dan de onverdelgbare anorganische stof, de koolzure kalk, die de schaal vormde. Die kalkmassa hoopte zich tot dikke lagen in het bekken der zee op; zij verbond zich tot ééne enkele massa en vormde zoo eene doorloopende bedding op den bodem der zee. Die telkens op elkander afgezette lagen, die in den loop der eeuwen al dikker en dikker werden, vormden langzamerhand onze krijtformatie.
Indien men een stukje krijt onder den mikroskoop beschouwt, dan ziet men daarin niet meer een vormeloos en grof poeder, maar alle korrels nemen eene regelmatige gedaante aan. Fig. 251–253 bestaan uit stukjes schelp, mikroskopische ammonieten en een geheel heir foraminiferen. Die geheele wereld der oude wateren komt onder den mikroskoop te voorschijn; eene geheele krijtrots is niets anders dan eene eeuwendurende opeenhooping van die zeedieren uit eene andere periode der aarde!
Fig. 251. Stukje krijt, onder den mikroskoop gezien.
De schelpen der foraminiferen vormen alleen reeds geheele ketenen van hooge rotsen en uitgestrekte banken van bouwmateriaal. De foraminiferen zijn zeeschelpen, waarvan de grootste hoogstens twee millimeters groot zijn, en waarvan men meer dan 800 verschillende soorten heeft leeren kennen! Hoevelen van die kleine wezens waren er niet noodig, opdat hunne opeengestapelde overblijfselen zoo uitgestrekte krijtbanken konden vormen! De grofkalk uit de omstreken van Parijs is op sommige plaatsen zóó vol van die overblijfselen, dat een cubieke centimeter uit de groeven van Gentilly er minstens 20000 bevat; dit geeft dus 20 milliard op 1 cub. meter.
Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken wordt, of een huis in aanbouw, en wij omgeven zijn door een stofwolk, die ons in de keel dringt, dan verzwelgen wij dikwijls zonder het te weten honderden van die kleine wezens. Men geeft aan die mikroskopische fossielen ook wel den naam van miliolae; hun volume overtreft zelden dat Van eene gierstkorrel.
Fig. 252. De nummulieten uit de kalksteen.
De Egyptische pyramiden zijn eveneens gebouwd uit dezelfde steensoort en rusten op eene basis van nummulietenkalk. Wij zagen reeds vroeger, dat de ouden de brokstukken, die aan den voet neervielen, voor versteende linzen aanzagen. De naam van nummulieten is afgeleid uit hunne overeenkomst met kleine muntstukjes.
De foraminiferen hebben dus een gedeelte van den grond afgescheiden, waarop wij loopen, van de huizen, die ons beschutten, en van de gebouwen, die wij aan de nakomelingschap nalaten. Ieder diertje heeft zijn korreltje geleverd, ieder type heeft een onmerkbaar laagje afgezet. De soorten, die nog thans leven, maken rustig, op den bodem van den Oceaan, het bouwmateriaal gereed, dat voor toekomstige geslachten dienst moet doen.
Ehrenberg, die duizenden monsters slijk onderzocht heeft, in alle zeeën opgezameld, heeft onder andere ook de modder bestudeerd, die op eene diepte van 300 tot 500 meters is opgevischt bij gelegenheid van de peilingen ten behoeve van eenen transatlantischen kabel. Dikwijls vond de Berlijnsche natuuronderzoeker in de schelpen, die bij de peilingen opgehaald werden, overblijfselen van het zachte deel van het dier. Hij leidt daaruit af, dat die dieren ook werkelijk op die groote diepte leven, en dat hunne verbazend snelle vermenigvuldiging het middel is, waardoor geleidelijk de onderzeesche valleien effen gemaakt worden.
De grootste van alle foraminiferen, de nummulitidae, hebben eene belangrijke rol gespeeld in verschillende geologische periodes. Men vindt ze in ontzaglijke hoeveelheden in de secundaire en tertiaire formaties, en zij kwamen in zóó grooten getale voor in de zeeën, die eenige onzer vaste landen bedekten, dat hunne kalkschilden alleen reeds hooge bergen vormen.
Over eene groote uitgestrektheid vormen die schelpen de geheele Arabische keten, die langs den oever van den Nijl loopt; zij zijn daar zeer talrijk en dicht opeengehoopt. In verscheidene gedeelten van Opper-Egypte bestaat de bodem van de woestijn uit eene dikke laag nummulieten, waarin de voeten van reizigers en kameelen een eind inzakken.
De bodem van de stad Richmond en de omringende streken in den staat Virginia, bestaat uit eene laag fossiele diatomeën van bijna tien meters dikte, behoorende tot soorten, die nog thans in de IJszee leven.
Daarentegen heeft men in de zoetwatermeren van West-Afrika, zoodanige levende organismen ontdekt, van eene soort, die in fossielen toestand in Zweden en Noorwegen onder den naam van mineraal meel bekend is.
Het oude hertogdom Luneburg wordt gewoonlijk beschouwd als eene zandvlakte; doch dit is slechts voor enkele aan de oppervlakte gelegen gedeelten het geval; de formaties, op eenige diepte gelegen, bestaan over honderden vierkante mijlen uit eene laag diatomeën, die 10 tot 20 meters dik is. De laag diatomeën van Brandenburg, waarop de stad Berlijn gebouwd is, is nog dikker; zij is op enkele plaatsen 40 tot 50 meters dik; maar zij is niet zoo zuiver als die van Luneburg; men vindt daarin vele andere organismen en ook anorganische stoffen.
De tripelaarde, ook bekend onder den naam van mineraal meel, die vooral in de omstreken van Bilin in Boheme gevonden wordt, is niets anders dan eene verzameling kiezelrijke schelpen van mikroskopische wezens. Alexander von Humboldt verhaalt zelfs, dat enkele volksstammen der Antillen daarvan eene lekkernij bereiden, die bestaat uit kleine rolletjes van een deeg, uit die infusiediertjes samengesteld en boven het vuur gedroogd, om er eene soort van koek van te maken.
Die mikroskopische wezens zijn over de geheele aarde verspreid, van de polen tot den evenaar. Al de organische wezens van onzen tijd verschillen naar de klimaten; de diatomeën daarentegen schijnen noch den invloed der warmte, noch dien der koude te ondervinden: de soorten in China en Japan gevonden, zijn volkomen dezelfde als die, welke in de Baltische zee leven. Nieuw-Holland, waarvan de organische voortbrengselen zóózeer onderscheiden zijn van die van de oude wereld, bezit soorten, die zoowel verspreid zijn in de verzengde streken van Afrika en Azië, als in de koude streken van Europa en Amerika; de soorten, die men ontdekt heeft in de warme bronnen van Carlsbad, vindt men ook in de nabijheid der polen; die, welke op de oppervlakte der zee leven, zijn eveneens, door middel van het dieplood, op eene diepte van 600 meters gevonden, waar zij onder eene drukking van 60 atmosferen stonden.
Wij zagen vroeger, dat de oudste lagen der aardschors, die, welke dadelijk na de afkoeling der oppervlakte door de nog kokende zee zijn afgezet, reeds diatomeën bevatten, die overeenkomen met de nog thans levende soorten. De ontzaglijkste dieren der voorwereld, de atlantosauri, de brontosauri, de monsterachtige krokodillen en vliegende hagedissen, de mammouths, zij allen zijn thans verdwenen, zonder eenig ander spoor na te laten dan hunne fossiele overblijfselen. De mikroskopisch kleine diatomeën daarentegen hebben alle omwentelingen der aarde, alle gevechten der ontketende elementen overleefd: hare afstammelingen bevolken nog dezelfde zeeën, die de beenderen der reusachtige dieren verzwolgen hebben, waarvan geen enkele is overgebleven, om zijn geslacht voort te planten. Terwijl eenerzijds de bijzondere kleinheid der diatomeën haar weerstandsvermogen verklaart, zoo kunnen wij anderzijds uit haar ongeloofelijk sterk voortplantingsvermogen hare beteekenis begrijpen voor de huishouding der natuur.
Fig. 253. Sterk vergroote miliola der grofkalk (Polystomella strigillata).
Die wezens planten zich door deeling voort. Uit één dier lichaampjes vormen zich plotseling twee, waarvan elk grooter wordt, op hunne beurt splitsen deze zich weder, en zoo voort, zoodat men heeft kunnen waarnemen, dat ééne enkele diatomeë in 48 uren een millioen dier wezens kan voortbrengen, en in 4 dagen 150 milliard. Doch zij leven niet lang; hunne overblijfselen blijven echter bestaan. Niet altijd echter heeft de voortplanting zoo snel plaats; toch kan men haar somtijds met het oog volgen. De modder, die zich in de haven van Pilau (bij Koningsbergen) afzet, bestaat voor de helft uit mikroskopische organismen; daardoor moet de haven voortdurend onderhouden worden, daar de nieuwe bezinkingen jaarlijks 14000 cubieke voeten bedragen. Als men daarin niet voorzag, zou de haven spoedig niet meer bevaarbaar zijn, daar men binnen eene eeuw daarin eene laag diatomeën van 1½ millioen cubieke meters vinden zou.
In het zeezand vindt men dikwijls kleine schelpen; reeds in de eerste jaren der vorige eeuw, gaven zich twee Italiaansche geleerden, Bianchi en Beccaria, de moeite, om het aantal schelpen te tellen, die in een ons zand der Adriatische zee, in de nabijheid van Bologna, gevonden werden; zij vonden daarin 1120. Beccaria toonde aan, dat geheele heuvels vastland, ten zuiden van Bologna, uitsluitend uit die schelpen gevormd zijn. Maar in dien tijd, toen men gewoon was alle dergelijke verschijnselen op rekening van den zondvloed te stellen, begreep men de beteekenis van dat feit volstrekt niet.
In den loop dezer eeuw, lang vóór de peilingen, voor het leggen van den transatlantischen kabel gedaan, had men gevonden, dat een groot gedeelte van den bodem van den Atlantischen Oceaan uit een bezinksel bestond, dat thans bekend staat onder den naam van modder van globigerinen. Het bestaat uit schelpen van kleine foraminiferen, die voornamelijk behooren tot het geslacht Globigerina; in drogen toestand geleek die modder veel op fijn zand; de kleine schelpen, die gemakkelijk van elkander genomen konden worden, maakten het duidelijk, dat het bezinksel grootendeels daaruit was samengesteld. Indien men, door middel eener daarvoor speciaal uitgedachte methode, monsters haalde uit een dieper gelegen deel van den bodem, vond men gebroken schelpen der globigerinen, die vast aan elkander gehecht waren, zoodat zij een gelijkmatig slib vormden, waarin men nog een groot aantal ongebroken schelpen en goed herkenbare stukken kon onderscheiden. De geheele massa bestond bijna uitsluitend uit koolzure kalk, en het eenige gesteente, dat daaruit zou kunnen voortkomen, zou kalksteen kunnen zijn. Uit deze waarnemingen heeft men de gevolgtrekking afgeleid, dat zich over eene groote uitgestrektheid van het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan en op verscheidene andere gedeelten van de aardoppervlakte, kalksteenen van die soort moeten hebben afgezet. Andere waarnemingen hebben aangetoond, dat het bijna dezelfde stof was, waaruit het krijt bestond, en het is ontwijfelbaar zeker, dat het bezinksel, dat nog steeds afgezet wordt, volkomen hetzelfde is als krijt.
Die kleine wezens hebben eene veel krachtiger werking uitgeoefend dan de ontzaglijkste plutonische en vulkanische krachten. De laatste hebben niets anders kunnen uitrichten, dan hetgeen reeds bestond van het middelpunt naar de oppervlakte te brengen, of wel het te vernietigen of omver te werpen. De poliepen daarentegen bouwden, schiepen en vervormden langzaam doch onophoudelijk, in den loop van millioenen jaren, de gedaante der planeet. Von Schleiden zegt daaromtrent volkomen juist: „De wijzigingen der aardoppervlakte zijn gedeeltelijk het werk van dieren en planten, waarvan men ten onrechte meent, dat de bestemming alleen is, door de aarde gedragen en gevoed te worden; en het zijn niet de ontzaglijke gevaarten, zooals de walvisschen en olifanten, of de hooge eiken en boababs, maar de poliepen zoo groot als een speldenknop, de polythalamen, met het bloote oog onzichtbaar, de kleinste mikroskopische planten, in de moerassen verborgen, die den grootsten invloed hebben uitgeoefend op den bouw der aarde.”
Met bewondering beschouwen wij eene lange rij bergen, met bosschen van eiken en beuken bedekt, en wij gaan met minachting het groenachtige schuim van eenen stilstaanden waterpoel voorbij; en toch beweegt zich in dat geminachte schuim eene wereld van kleine wezens, die de bergen bouwen. Zoo is het ook in de zee, waar eene onuitputtelijke voortbrengende kracht zonder tusschenpoozen de rotsen bedekt met wezens, die zelf weer nieuwe rotsen bouwen, en die wezens zijn zóó klein, dat zij zich aan het menschelijke oog onttrekken.
Het krijt is dus een voortbrengsel van het organische leven. Het bestaat uit vormlooze kalkdeeltjes, waarmede een groot aantal mikroskopische schilden van foraminiferen verbonden zijn, die vooral tot het geslacht globigerina behooren. Doch er is eene groote verscheidenheid in de samenstelling van het krijt; nu eens is het verbonden met klei en wordt het dan mergel, dan weer is het met groene ijzerhoudende korrels verbonden (groenzand). Als het hard en vast is, noemt men het wit krijt, als het geel en zandig is, noemt men het tufkrijt.
In het krijt komen nog enkele vreemde stoffen voor, waaronder het kiezel en het zwavelijzer. Het kiezel komt veel voor in het witte krijt, dat het bovenste gedeelte van de krijtformatie uitmaakt. Men vindt het daar als knobbelige klompen, in gordels, die op één of twee meters in de krijtmassa van elkander verwijderd zijn. Dat kiezel is afkomstig van de ontleding van organische kiezelhoudende lichamen, zooals de sponzen.
Ook de kleur verschilt: de ééne krijtsoort is grijs, de andere lichter, enkele zijn zelfs geheel zwart.
Het zwavelijzer komt dikwijls voor in den vorm van staafjes of bolletjes van vezelachtigen bouw, goudgeel (geel pyriet) of zilverwit (wit pyriet).
Al behoeft men niet aan te nemen, dat het krijt op groote diepte gevormd is, toch is het zeker, dat de bezinking aan geene beroeringen was blootgesteld, en dat de naburige oevers er niets bij aangebracht hebben. Die bezinking heeft overigens uiterst langzaam plaats gegrepen; het is immers niet zeldzaam, zeeëgels te vinden, op wier schaal zich crania’s (tot de armpootigen behoorend) hebben ontwikkeld om op hunne beurt na den dood van de zeeëgels te dienen tot aanhechtingsvlak van serpuleae (kalkkokerwormen). Verschillende geslachten van zeedieren zijn dus op hetzelfde punt op elkander gevolgd, vóórdat zich op den bodem eene eenigszins dikke krijtlaag had afgezet.
Een Bosch in de eerste eeuwen der krijtperiode.
De dierenwereld uit de krijtformatie is de voortzetting van de Jurafauna, met eene neiging tot ontwikkeling, die eerst in de tertiaire periode tot haar recht komt. Men kent reeds 6000 soorten, die kenmerkend zijn voor die periode. De secundaire typen hebben de overhand, maar op het einde treden reeds de tertiaire typen op. Wij zien hier weder diezelfde wet van geleidelijken overgang, die wij gedurende onze geheele studie hebben leeren kennen.
Fig. 255. Fossiel der krijtperiode.
Micraster cor-anguinum.
Fig. 256. Fossiel der krijtperiode.
Terebratula praelonga.
Onder de lagere klassen der dierenwereld hebben wij reeds de aandacht gevestigd op de groote en merkwaardige ontwikkeling der foraminiferen, die op die der poliepen en sponzen der korallische formatie volgde. De koralen bouwen in onze streken geene riffen meer, en op het einde der krijtperiode verlaten zij de noordelijke zeeën geheel en al, hetgeen wijst op eene verlaging van temperatuur. De zeesterren handhaven zich langer; de zeeëgels gaan vooruit (wij wijzen onder de karakteristieke schelpen dier formatie op den micraster cor-anguinum (fig. 255), dien men in het bekken van Parijs in grooten getale vindt). De bryozoën (mosdieren) nemen, vooral in de hoogere lagen, in aantal toe. De armpootige weekdieren brengen nieuwe soorten voort, vooral de terebratulinae, waarvan verschillende soorten nog in onze diepe zeeën voorkomen (fig. 256–258). Enkele lagen zijn rijk aan oesters. De koplooze en buikpootige weekdieren ontwikkelen zich eveneens, en geven het aanzijn aan de merkwaardige familie der rudistae, die alleen voorkomen in de krijtformatie.
Fig. 257. Fossiel der krijtperiode.
Terebrirosta neocomiensis.
Fig. 258. Fossiel der krijtperiode.
Rynchonella vespertilo.
De rudistae zijn vreemdsoortige weekdieren, die het geduld en het verstand der natuuronderzoekers niet minder op de proef gesteld hebben dan de belemnieten. Hunne massieve en onregelmatige schelp gelijkt op eenen uitgerekten horen; het geheel is bezaaid met buisvormige openingen De voornaamste geslachten der rudistae zijn de hippuriten, de spheruliten, de radioliten, de caprinen en de caprotinen (fig. 259–260). Zij leefden dikwijls in koloniën, die uitgestrekte banken vormden, waar individuen van alle tijden zich aan elkander vasthechtten. Zij komen in grooten getale voor in het krijt in het zuidwesten van Frankrijk en worden uiterst zelden boven 45° N.B. gevonden, een nieuw bewijs voor de waarschijnlijke verlaging der temperatuur. Men vindt nog thans prachtige typen dier oude riffen, zooals zij zich gevormd hebben onder den invloed der onderzeesche stroomen, die groote hoeveelheden van die wezens op bepaalde punten ophoopten. Merkwaardig is die verzameling van nog loodrecht staande rudistae, die men op zichzelf of in groepen tegen de helling van sommige bergen in Provence vindt. Het is, alsof de zee nog eerst onlangs teruggetrokken is, en zóó de onderzeesche dierenwereld, zooals zij toen leefde, ongedeerd voor onze oogen toovert. Men vindt daar ontzaglijke groepen hippuriten, omgeven door poliepen, zeeëgels, weekdieren, die in die dierlijke koloniën vereenigd leefden, overeenkomende met die, welke op de koraalriffen der Antillen en Oceanië leven. Die verzameling kan alleen dan voor ons behouden gebleven zijn, indien zij plotseling bedekt is geworden met bezinksels, die thans, nu zij onder den invloed van den dampkring vernietigd worden, die wereld der oude tijden weder voor ons blootleggen.
Fig. 259. Eene groep van hippuriten van verschillenden ouderdom.
De ammonieten bereiken thans hunne hoogste ontwikkeling en vertoonen eenen overvloed der meest verschillende typen. Het geslacht ammonites heeft evenals in de Juraperiode de overhand; het zoude ons te ver voeren, indien wij zelfs de voornaamste vormen wilden beschrijven; wij noemen dus alleen den ammonites inflatus (fig. 261) en den ammonites radiatus (fig. 262), die tot de merkwaardigste kunnen gerekend worden. Zij verdwijnen van nu af aan voor goed. De belemnieten worden nog vertegenwoordigd door de geslachten actinocomax (fig. 263) en belemnitella mucronatus (fig. 264). Boven de krijtformatie vindt men geene ammonieten of belemnieten meer, zoodat men uit de aanwezigheid dier fossielen reeds met zekerheid kan besluiten, dat eene formatie niet ouder is dan het trias of jonger dan het krijt. Terecht, ziet men, beschouwen de geologen de schelpen als de herinneringsmedailles van de groote tijdperken in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. Hij, die eene belemniet zou vinden in de steenkoolformatie, zoude eene ontdekking doen, even vreemd, als wanneer men in een handschrift van Cicero een Fransch woord vond. Het is een onmogelijk anachronisme.
Fig. 260. Rudisten uit de krijtperiode. Caprina adversa.
Fig. 261. Ammoniet uit de krijtperiode.
Ammonites inflatus.
Fig. 262. Ammoniet uit de krijtperiode.
Ammonites radiatus.
Evenals in de Juraperiode vormen de weekdieren ook nog in de krijtperiode het belangrijkste deel van de bevolking der zeeën. De koppootigen wedijveren in aantal met die der Juraperiode; indien de ammonieten niet in zóó grooten getale voorkomen, zijn daarentegen de nautili veel talrijker geworden; met de turruliten, baculiten, ptychoceraten en hamiten verschijnen geheel nieuwe soorten. De talrijke vormen van die groep met rechte, gebogen of aan het uiteinde omgekrulde schelpen zijn het kenmerk der krijtperiode. Reeds tijdens de Juraperiode vindt men hieronder eene groote verscheidenheid van vormen; die verscheidenheid blijft nog tijdens de krijtperiode voortduren, en zelfs komen er nog nieuwe typen bij. De ammonieten zijn niet alleen spiraalsgewijze in één vlak gewonden, zooals in de Juraperiode; zij krijgen in de krijtperiode ook nog de gedaante van horens, staven en van schelpen met wenteltrapvormige of slakkenhuisvormige windingen. Vóórdat die weekdieren dus van het tooneel verdwenen, hadden zij nog eene groote verscheidenheid van vormen.
Fig. 263. Belemniet der krijtperiode.
Actinocomax.
Fig. 264. Belemniet der krijtperiode.
Belemnitella.
Onder de hooger ontwikkelde dieren kan men de langzame verandering der visschen en der kruipende dieren waarnemen. De glansschubbige visschen geraken in verval en hebben plaats gemaakt voor de beenige visschen. De kruipende dieren, die de Juraperiode gekenmerkt hebben, sterven langzamerhand uit. In de tweede helft der krijtperiode vindt men geene ichthyosauren, plesiosauren of pterodactyli meer. De dinosauri worden nog vertegenwoordigd door de iguanodons, de megalosauri, de hyleosauri, de pelorosauri en vooral door de reusachtige mosasauri. De krokodillen, de afstammelingen der hagedissen uit de Juraperiode, verschijnen thans, om tot op onze dagen te duren.
De visschen en de amphibiën schijnen niet talrijk geweest te zijn, hoewel men hier en daar enkele overblijfselen vindt. Onder de eerste zijn de haaien merkwaardig; men heeft daarvan zes soorten in Zwitserland ontdekt; zij behooren tot geslachten, waarvan enkele nog thans voorkomen, zooals de oxyrhina en de odontaspis; andere behooren tot de geslachten otodus en corax, die alleen in het krijt en in de tertiaire zee voorkomen. Wij vinden de glansschubbigen evenals in de Juraperiode vertegenwoordigd door het geslacht pycnodus met vijf soorten; ook vindt men de geslachten sphaenodus en gyrodus.
Fig. 265. Koppootige ammoniet der krijtperiode.
Scaphites Yvanii.
Fig. 266. Koppootige ammoniet der krijtperiode.
Helicoceras Robertianum.
Pictet heeft vier soorten van visschen beschreven, die op haringen gelijken, en die hij gevonden heeft in de neocomische lagen; zij zijn verwant aan de geslachten elops en megalops der tropen. De visschen der krijtperiode wijken af van die der Juraperiode en naderen tot de tegenwoordige fauna.
Fig. 267. Koppootige ammoniet der krijtperiode.
Heteroceras Emericianum.
De kruipende dieren uit de zee voleindigen hunne regeering. Indien een waarnemer en denker uit dien tijd de streken had kunnen aanschouwen, waar thans Parijs schittert, en had kunnen doordringen in de diepte der zee, waarin zich de krijtbanken afgezet hebben, die wij in de doorsnede der artesische put van Grenelle hebben leeren kennen, dan had die voorlooper der toekomstige menschheid in die wateren de oude visschen dier periode kunnen zien, de macropoma, den gyrodus, den belenostomus, den lepidotus, tegelijk met de koppootige weekdieren, de hippuriten, de zeeëgels, de sponzen, die een leven leiden, dat niets doet vermoeden van de toekomstige bestemming der aarde, en die beheerscht worden door de reusachtige kruipende dieren aan de oppervlakte, zooals den beroemden mosasaurus, die reeds vroeger beschreven is en die tot in de laatste tijden der krijtperiode blijft heerschen. Fig. 268 geeft daarvan een denkbeeld.
Parijs tijdens de krijtperiode. Einde van de heerschappij van den grooten mosasaurus.
De vogels nemen langzamerhand bezit van de lucht. Op den archeopteryx der Juraperiode volgen de tandvogels, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, de ichthyornis, de hesperornis enz.
De oudste en best gekende van die oorspronkelijke vogels is de hesperornis regalis. Hij schijnt in het midden der krijtperiode tamelijk veel te zijn voorgekomen. Het was een watervogel. Hij bewoonde de oevers der zee, die zich toen over Noord-Amerika uitstrekte; hij was zeer groot en moet geleken hebben op eenen grooten pinguin. Zijne vleugels beperkten zich tot één enkel naaldvormig been, dat het sleutelbeen voorstelt; zijn plat borstbeen zonder kam geleek op dat der struisvogels, en zijn schouderblad herinnert aan de dinosauri. De achterste ledematen, met hunne met zwemvliezen voorziene pooten, waren bijzonder sterk, en hij had eenen stevigen staart, die, met zijne twaalf zijdelings uitgestrekte wervels, een krachtig bewegingstoestel moet gevormd hebben.
De bek was puntig als die van den duikelaar of de ooievaar. De bovenkaak bevatte veertien tanden, zonder tanden op de voorkaak, de benedenkaak daarentegen had tanden over den geheelen rand, aan iederen kant 33, en de twee helften, door een kraakbeenig gewricht vereenigd, konden zich uitzetten, waardoor het dier in staat was groote lichamen te verzwelgen, zooals dit ook bij de slangen het geval is. In hoofdzaak kwam het dier met de kruipende dieren overeen: de tanden zijn met stevige wortels in eene gemeenschappelijke groeve ingeplant; zij zijn met een glad glazuursel bedekt, en zijn kegelvormig met een punt naar achteren, zoodat zij evenals de kruipende dieren geschikt zijn, om het voedsel te grijpen, niet om het te kauwen.
Ook de schedel had wegens zijne geringe afmetingen groote overeenkomst met dien der kruipende dieren.
Wij moeten nog den ichthyornis noemen, die nauw verwant was met den hesperornis regalis. De kenmerken, waarin hij van den laatste verschilt, doen hem juist tot onze tegenwoordige vogels naderen. Hij behoort door zijnen kleinen schedel en door zijne dubbel-holle wervels tot de kruipende dieren, maar overigens heeft hij alle eigenschappen van eenen vogel. In het bijzonder heeft hij goed ontwikkelde vleugels. Hij is niet grooter dan eene duif of eene raaf, en hij komt overeen met onze zeezwaluwen.
De vergelijking van die oorspronkelijke vogels zou ons tot de meening doen overhellen, dat zij niet van éénen tak der kruipende dieren, maar van verschillende afstammen.
Onze geest is door zijn vermogen, om de nauwe grenzen van ons tegenwoordig leven te overschrijden, in staat om die lange krijtperiode te omvatten, die misschien millioen jaren geduurd heeft.
Fig. 269. Kop van eenen tandvogel (krijtperiode).
Indien wij in onze gedachte verwijlen bij de neocomische periode en de kusten onzer zeeën doorloopen, dan ontmoeten wij op verscheidene plaatsen eene groote menigte dieren, door den oceaan op onze oevers geworpen. Verschillende soorten zullen zich aan onzen blik vertoonen; overal zullen wij de vreemde gedaanten der belemnieten ontmoeten, en ammonieten en verschillende soorten van koppootige weekdieren.
De tandvogels der krijtperiode (Ichthyoinis victor).
Indien wij onze gedachten bepalen tot een later tijdstip, het urgonische, van het vorige misschien door een tijdvak van honderdduizend jaren gescheiden, en weder dezelfde plaatsen bezoeken, dan bemerken wij tot onze verbazing, dat wij de koppootige weekdieren niet meer terugzien, die in de neocomische periode één der sieraden van de dierenwereld uitmaakten, en de oevers der zee door hunne schitterende parelmoeren schelpen opluisterden; al die zoo sierlijk in kamers verdeelde woningen zijn verdwenen, behoudens enkele weinige sporen. Toch vinden wij nog hier en daar langs de kusten enkele koraalbanken.
Indien wij honderdduizend jaren later, in de gaultperiode, dezelfde kusten bezoeken, dan vinden wij daar groote hoeveelheden zeeëgels en één- en tweekleppige weekdieren; wij zien weder geheel andere koppootige weekdieren dan tijdens de neocomische periode, en geheel nieuwe geslachten en soorten, zooals de turruliten en de helioceraten.
Zoo heeft die dierenwereld den stempel behouden van ieder der formaties uit de krijtperiode. Indien wij gedurende die periode honderd maal met tusschenpoozen van tienduizend jaren de oevers dier zeeën hadden bezocht, dan zouden wij misschien de achtereenvolgende wijzigingen der dierenwereld hebben kunnen volgen, en zouden wij het bewijs hebben kunnen leveren, dat die verschillende vormen op velerlei wijzen met elkander verbonden waren; dan zouden wij de ontelbare wezens, die men, sedert zoovele eeuwen bedolven, heeft teruggevonden, levend hebben kunnen aanschouwen. Bij de zoogdieren vindt men in die periode geen vooruitgang; de minst ontwikkelde zijn soorten, die zooals wij zagen, reeds in de liasperiode zijn opgetreden.
Wat ons het meest treft in de duizenden en tienduizenden eeuwen der Jura- en krijtperiode, is zeker wel het feit, dat onmetelijke tijdstippen op elkander volgen, zonder dat de natuur hoogere wezens schept dan kruipende dieren. Wel neemt het aantal hagedisachtige dieren toe; wel worden de dieren zelf grooter, doch het blijft steeds hetzelfde type.
Toch bestond het type der zoogdieren en der vogels reeds, geschetst als het was in de triasperiode; doch zij komen daar uiterst zeldzaam voor. Indien zij zich niet hebben kunnen ontwikkelen, en de wereld niet hebben kunnen veroveren, dan was daarvan niet de oorzaak, dat de tijd voor hunne geleidelijke ontwikkeling te kort was, maar dat de gedaante der aarde in die eeuwenlange periode niet veranderde. Het vaste land bleef ongeschikt voor de bewoning.
Fig. 271. De tandvogels. (Hesperornis regalis).
Tevergeefs volgden de eeuwen op elkander: zij konden aan de levende wezens niet het karakter van vastelandsdieren geven, daar de aarde nog geen vastelandsvorm bezat. De kleine insectenetende knaagdieren bleven op de eilanden der Juraperiode, wat hunne stamgenooten nog zijn op de eilanden der Zuidzee. Hoogstens bereikten zij den trap, waarop thans de kangoeroe’s van Nieuw-Zeeland staan.
De verbrokkeling van het vasteland leverde eenen onoverkomelijken slagboom op tegen de ontwikkeling der vastelandszoogdieren, want deze kunnen alleen dan zich tot groote soorten verheffen, als zij een groot veld vóór zich hebben. Als nomadische wezens moeten zij ruimte hebben, om te trekken, als grasetende dieren hebben zij behoefte aan steeds nieuwe weiden. Men kan zich de groote vleeschetende dieren niet denken zonder kudden van grasetende dieren, en de laatste zijn niet denkbaar zonder uitgestrekte grasrijke vlakten. Ieder levend wezen moet de afspiegeling zijn van eenen bepaalden vorm zijner omgeving. De kameel is niet te scheiden van de woestijn, het paard van de steppen, de gems van de steile bergen, de olifant en de rhinoceros van de ontzaglijke bosschen, de giraffe van de oasen, het rund van de maagdelijke vlakten, de hippopotamus van de zoetwaterstroomen. Ieder dier zoogdieren komt overeen met eene bepaalde gedaante der aarde, en te zamen onderstellen zij eene zóó groote uitgestrektheid, als alleen het vasteland aanbiedt.
Indien men zich het vasteland ingekrompen denkt tot de grootte van een eiland, zelfs al stelt men zich een groot aantal van die eilanden voor, dan nog kan men zich binnen die enge grenzen het optreden der groote zoogdieren niet denken, daar dit volstrekt niet in overeenstemming zoude zijn met hunne omgeving. Zoolang de aarde nog den eilandvorm behouden hoeft, om den vastelandvorm aan te nemen, zoolang kan de dierenwereld zich niet van het kruipende dier tot het zoogdier, en nog veel minder tot den mensch ontwikkelen.
Indien gij op een eiland de fossiele overblijfselen vindt van een groot zoogdier, wees dan overtuigd, dat het er niet tehuis behoort en dat het er van buiten is ingebracht, òf dat het eiland van een vastland is losgeraakt. Reeds het feit alleen, dat men fossiele beenderen van olifanten en rhinocerossen te Palermo gevonden heeft, bewijst, dat Sicilië eertijds met het vasteland verbonden was. Men behoeft daartoe niet eens de onderzeesche bezinkingen te onderzoeken. De groote zoogdieren en de eilanden sluiten elkander uit.
Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de zeeën der Jura- en der krijtperiode, geen nieuwe typen van levende wezens hebben kunnen voortbrengen. Op de oppervlakte van al die op elkander gelijkende eilanden, die het één na het andere uit het water verrezen, moesten de kruipende dieren standhouden, die zich wel langzamerhand vervormden, maar toch niet konden treden uit het kader, waarin zij ingesloten waren.
Het einde der secundaire periode duidt dus het verdwijnen der oude wereld aan, en het optreden eener nieuwe wereld. De fossielen worden zeldzaam; versteende zoogdieren komen bijna niet voor. Het is de schemering, die den dageraad voorafgaat. Hetzelfde is het geval met de planten. Het aantal bekende plantensoorten is in de krijtperiode niet meer dan 300. Nog altijd hebben varens en naaldboomen de overhand. Doch spoedig zullen zij plaats maken voor nieuwe soorten. Het karakter der planten uit de krijtperiode bestaat in het optreden der tweezaadbollige, bedektzadige planten. Van dien tijd af vindt men in de Europeesche flora twee verschillende typen, het ééne bestemd om te verdwijnen of naar het zuiden te worden teruggedrongen, het andere om de grondslag te worden van den plantengroei in midden-Europa. Zoo komen de populieren, de beuken, het klimop, de kastanjes en de platanen voor naast de palmen en de laurierboomen.
De naaldboomen uit de Juraperiode waren voor het meerendeel hooge boomen. Enkele geleken op de araucaria’s of behoorden inderdaad tot die afdeeling, andere hadden het voorkomen van onze cipressen doch met sterkere en zwaardere takken; andere eindelijk hadden slechts onbuigzame takken en naakte of weinig vertakte stammen. De bladeren dier laatste beperkten zich tot met knobbels bedekte, dicht bij elkander gelegen schubben.
Ten tijde der wealdperiode, het begin der krijtformatie of als men liever wil, het einde der oölithische formatie, ziet men op een aantal plaatsen het land uit de zee te voorschijn treden; in Engeland, in het noorden van Duitschland, in de Jura en elders beginnen de rivieren en meren zich meer en meer uit te breiden. Het zijn de eerste aanwijzingen van de omwenteling, die in de plantenwereld wordt voorbereid.
De ontwikkeling in de organische wereld, waaraan de tweezaadbollige planten haar ontstaan en hare uitbreiding te danken hadden, heeft plaats gegrepen gedurende de krijtperiode.
Fig. 272. Fossiele schildpad der krijtperiode.
Overal kregen toen de tweezaadlobbige planten of loofboomen de overhand; overal hebben de cycadeën en naaldboomen, die tot nu toe de onbetwiste heerschappij hadden over het plantenrijk, de neiging af te nemen en te wijken.
De tweezaadlobbige planten komen in grooten getale voor in het cenomanische Duitschland, in Moravië, Saksen, Boheme, Silezië tusschen 49° en 50° N.B. Te midden dier streek, die toen in de nabijheid van de golven eener noordelijke zee gelegen was, vertoonen de loofboomen een merkwaardig mengsel van uitgestorven, van uitheemsch en tropisch geworden, en van Europeesch gebleven soorten of ten minste van soorten, die nog in het noorden buiten Europa voorkomen. De credneria is een voorbeeld der eerste soort; de hymenea, die tot de peulvruchten behoort, is een voorbeeld der tweede soort. Die typen, die van toen af aan in hoofdtrekken gegrondvest waren, zijn na dien tijd bijna niet meer veranderd.
Fig. 273. Een landschap der krijtperiode. (Boheme).
De plataan, de beuk, de eik, de kastanje zijn zoowel in Amerika als in Europa in de krijtformatie gevonden. Het zijn de voorloopers der tegenwoordige plantenwereld.
De eerste palmboomen vindt men in Europa in de tweede helft der krijtperiode; het spreekt vanzelf, dat wij hierbij geen rekening houden met de verkeerde opvattingen omtrent de aanwezigheid dier planten in de steenkoolperiode.
Nördenskjöld heeft eene cenomanische laag van landplanten ontdekt op Groenland. Men vindt daar eene bamboessoort, eene cycadea, tropische varens, gleichenia’s en bedektzadige planten, waaronder vooral eene populiersoort van de familie populus euphratica, en daarbij vijgeboomen, magnolia’s, enz. Dit merkwaardig geheel wordt voltooid door pijnboomen, sequoia’s, enz.; palmen komen er niet voor; deze worden op dat tijdstip wel gevonden in Silezië en Provence. Hieruit schijnt te mogen worden afgeleid, dat zich toen de klimaten in de poolstreken begonnen te scheiden.
Saporta zegt: „Het gelijktijdig voorkomen der twee typen, die elkander in onzen tijd schijnen uit te sluiten, had toen zijnen grond. Niettegenstaande de warmte, die zeker getemperd werd door de vochtigheid en die waarschijnlijk tamelijk gelijkmatig was, konden zij in de beste harmonie te zamen leven. De grootte der planten uit die periode wijst op eenen tijd, die zeer geschikt was voor de ontwikkeling der plantenwereld, en daardoor hebben zich de verschillende typen der tweezaadlobbige planten zoo snel kunnen ontwikkelen. De meeste tweezaadlobbige planten zijn van dien tijd afkomstig, en hadden van toen af aan het karakter, dat haar nog steeds onderscheidt. De tweede helft der krijtperiode kan beschouwd worden als het uitgangspunt van den plantengroei, die ons klimaat eigen is, evenals de steenkoolperiode het uitgangspunt der geheele plantenwereld is. Van de cenomanische periode af begint eene ontwikkeling, waaruit nieuwe soorten in toenemende mate ontstaan.
„Het Europeesch klimaat is verscheidene malen gewijzigd, en daaruit kan verklaard worden, hoe in den loop der tertiaire periode beurtelings soorten met weinig en taai loof, beurtelings soorten met eenen rijken bladerentooi gevonden worden. Hetzelfde heeft nog onder onze eigen oogen plaats; de afwijkingen in de boomen op de ééne plaats of de andere zijn het beeld van de afwijkingen, die het gevolg waren van het verschil in tijd op dezelfde plaats. Dezelfde verschijnselen, die wij thans opmerken, indien wij verschillende streken der aarde vergelijken, hebben zich eertijds na elkander voorgedaan in den loop der tijden. De wijze van werken der natuur is eigenlijk volkomen dezelfde gebleven. Steeds heeft zij de organismen gewijzigd naar hare omgeving, en onder den invloed dier omgeving is de kracht geboren, die de veranderingen schept, waaraan ieder levend wezen onderworpen is. Die kracht treedt des te sterker op, daar zij steeds voortwerkt en haren invloed uitoefent op organismen, aan den grond vastgehecht, zooals de planten, die daaraan onderworpen zijn, zonder zich door de vlucht daaraan te kunnen onttrekken.”
Fig. 273 stelt een landschap voor uit de krijtperiode, en wel tijdens de cenomanische formatie. Men ziet, dat de wereld zich in de richting van onzen tijd ontwikkelt. Het zijn niet meer de paardestaarten en de calamiten der devonische periode, of de varens der steenkoolperiode (blz. 284), de sigillaria’s, de lepidodendrons (blz. 298) of de haidingera’s en de voltzia’s der triasperiode. (blz. 330 en 354). Wij naderen meer en meer tot het tegenwoordige type. Maar toch zijn het nog niet onze tropische landschappen, noch onze bosschen met eiken, beuken of olmen, of onze bosschages met linden, populieren of wilgen.
Toch zijn de nieuwere soorten reeds geboren. De sequoia’s, de pijnboomen, de bamboe’s, de vijgeboomen, de magnolia’s, de palmboomen, de platanen, de populieren, de eiken, de linden, de kastanjes, de beuken, de wilgen, het klimop bestaan reeds. De woonplaats van den mensen wordt reeds gereedgemaakt. Men ziet, hoe de plantenwereld zich evenals de dierenwereld regelmatig ontwikkeld heeft, en dat juist tijdens de krijtperiode de tweezaadlobbige planten zijn overgegaan in de hoogst ontwikkelde organismen van het plantenrijk. Van dien tijd af hebben wij afwisseling van jaargetijden, boomen met in den winter afvallende en in de lente zich weder vernieuwende bladeren. De bewoners der oude bosschen zijn verdwenen. De wonderlijke iguanodons, de vreemdsoortige reptielen met hunne fantastische vlucht, de reuzenhagedissen, die geheel vormlooze, ruwe, weinig sierlijke wereld is thans onder de fossielenrijke lagen begraven. Boven hunne grafsteden kweelen de vogels, fladderen de insecten, vliegen de vlinders en in die liefelijke omgeving beschijnen de zonnestralen de eerste bloemen. Het ruwe gekrijsch van de monsterachtige dieren wordt al zeldzamer en zeldzamer gehoord en wordt overstemd door duizenden welluidende stemmen, die zich doen hooren onder den adem der hartstochten. Op de afzondering der eerste wezens is het leven in kudden gevolgd. Bij de buideldieren heeft zich het gevoel van moederliefde ontwikkeld. Verstandige zorg voor hun kroost is de levensvoorwaarde der vogels geworden. De planten zoowel als de dieren zijn schooner geworden; spoedig zullen zij, naast schitterende bloemen, saprijke vruchten opleveren. De warmte is meer gematigd, de lucht is zuiverder, de hemel helderder. De aarde wordt volmaakter. De menschheid ontwaakt weldra—binnen enkele duizenden eeuwen—met hare hoogere neigingen, maar ook met hare dierlijke hartstochten, die aan haren oorsprong herinneren, met hare nagels, tanden, wapenen, haar oorlogsbudget en hare staande legers.
1 Naar Neuchâtel (Neocomium).
2 Naar Orgon (Frankrijk).
3 De bodem van den Artesischen put te Grenelle bestaat uit Gault.
4 Naar Apt (Frankrijk).
5 Naar het departement Aube.
6 Naar de stad le Mans.
7 Naar Touraine (Tufkrijt, ook bij Maastricht voorkomend).
8 Naar Sens (Wit krijt).
9 Champagnekrijt.
10 In Haute-Garonne voorkomend.
11 Soorten van zeeëgels.