Jonge vrouw met een aap spelend. Perzisch miniatuur uit de 16e eeuw.

Jonge vrouw met een aap spelend. Perzisch miniatuur uit de 16e eeuw.

(Uit de verzameling van den schrijver).

Daar waren we nu weer allen bijeen. Of er ook veel te vertellen was! Van Leonida waren geen berichten.

Nu straks samen naar Ispahan! Rozen plukken!

Eerst brachten we nog een bezoek aan het paleis van den Shah. Ik zal precies zeggen hoe wij het er vonden. Men moet niet meenen, dat de Koning der Koningen in een pracht van een oostersch paleis een leven leidt als uit een sprookje. Hij logeert op zijn Europeesch, en deze perzische monarch heeft een zeer slechten smaak, waardoor hij de voorkeur geeft aan weensche artikelen uit een guldensbazar boven kunstvoorwerpen uit Perzië.

Het is waar, men laat u den vermaarden pauwentroon zien; maar die komt niet uit Delhi en nooit heeft de Groote Mogol erop getroond. Hij is te Ispahan vervaardigd in het begin der 19de eeuw, en er wordt verteld, dat vele der kostbare steenen, waarmee hij versierd was, door minder kostbare steenen zijn vervangen.

Maar de tuinen van het Gulistanpaleis zijn prachtig. Er is veel stroomend water, dat over steenen van blauw émail loopt; dan ziet men wondermooie porseleinen bekkens naast de heerlijkste vakken van bloemen en rozenheggen....

Daar de Shah niet thuis was, werden we ontvangen door den Valyat of kroonprins, gouverneur van Tabris, die het regentschap waarneemt tijdens de afwezigheid van zijn vader. Er moest eerst onderhandeld over ons toilet. Volgens de étiquette moesten wij verschijnen in rok en witte das en met een hoogen hoed. Die hadden wij niet bij ons, en daar ieder wist, dat wij per auto in Perzië waren, stemde Zijne Hoogheid erin toe, dat wij met onze automobielpetten zouden worden toegelaten. Die vraag van de hoofdbedekking is niet onbelangrijk, want bij tractaat van 1827 is vastgesteld, dat de Europeanen zich niet het hoofd zouden ontblooten in tegenwoordigheid van Z.M., die zelf nooit zijn lamsvelmuts aflegt.

Dus kwamen wij in het paleis onder het beminnelijke geleide van den russischen consul, en als gewoonlijk werden ons eerst in een voorvertrek ververschingen aangeboden, waarna wij in een onmetelijke zaal binnentraden, waar in den versten hoek de Valyat zat, die bij onze intrede opstond. Het is een man van 38 jaar, die wel 45 lijkt, klein, dik en verlegen, met knippende oogen achter een gouden bril.

Er was een russische tolk, en er volgde een kort, alleronbelangrijkst gesprek, waarna de audiëntie was afgeloopen en wij heengingen. We hadden onze petten niet afgezet. Men mag enkel achteruitgaand zich retireeren en zoo voerden wij alle zes een figuur uit een quadrille uit in dat reuzensalon, met de oogen op den Valyat gericht, de hand aan de klep van onze pet, waarbij wij zoo goed mogelijk de hinderpalen vermeden, die zich op onze weg voordeden in den vorm van tafeltjes en ornamenten, en waarbij we groote moeite hadden, ons lachen in te houden, als een van ons tegen een meubel stiet.

In de diligence op den vijfden dag van de marteling.

In de diligence op den vijfden dag van de marteling.

In de verschillende legaties ontving men ons uiterst vriendelijk. Het was amusant, daar zoo gemakkelijk door Europa te reizen. Wij déjeuneerden in Rusland, dronken thee in het huis van Zijne Britsche majesteit, dineerden vroolijk in Frankrijk en deden een walsje bij den Grooten Turk.

Onze koffers hadden zich in Teheran weer bij ons gevoegd. We reden in onze auto tot groote verbazing der Perzen, en de morgens werden dikwijls met de dellals gesleten. Het verveelde ons nooit, de drukte op de straten en in den bazar gade te slaan, te rijden door de omstreken tegen den avond en dan terug te keeren naar de drukte van Teheran.

Sedert wij in Iran zijn, hebben we nog geen enkele wolk aan den hemel gezien. Op den dag welft zich in onveranderlijk blauw een koepel over ons, die in den nacht verandert in een violet gewelf met sterren bespikkeld. En de tegenstelling is groot tusschen deze stralende perzische dagen en die van den eersten tijd onzer reis, toen we steeds sombere luchten hadden met nevel, wolken en regen.

Het kost haast moeite ons los te rukken, maar wij moeten Ispahan zien. Toen wij vertelden, dat het ons plan was, bleek er groote verbazing bij de buitenlandsche kolonie. Wie dacht daar nu ooit aan in Teheran! En ze noemden ons de bezwaren, het gebrek aan levensmiddelen, de vermoeienis van den tocht door de woestijn. De dames zouden het nooit uithouden. Het was dwaasheid.

Maar wij zijn niet van zoo ver gekomen, om niet anders te zien dan de half-europeesche stad, die Teheran heet.

Er liggen tusschen Teheran en Ispahan ongeveer 480 kilometer, langs den weg, dien de rijtuigen volgen. Wij hebben al zooveel kilometers verslonden sinds ons vertrek uit Boekarest, dat die 480 er als dessert ook nog wel bij kunnen, en het verwondert ons, dat niemand van de legaties zich op dat dessert heeft getracteerd buiten nu en dan een Engelschman.

Wij dachten, dat men eens voor een weekje naar Ispahan ging in het seizoen van de rozen, maar neen, dat gebeurt niet.

Wij zullen het dan toch maar doen en maken ons voor het vertrek gereed.

Dat is geen kleinigheid.

Wij weten het nu vooruit. Er moet proviand zijn voor ons zessen, want er is onderweg niets te krijgen. Wij rekenen ruim en stellen vier dagen, om in Ispahan te komen, maar omdat het een woestijnreis is, stellen we acht dagen. Wij vullen dus weer de groote mand met conserven, te Tiflis gekocht, en er mag niets vergeten worden, want als we vertrokken zijn, is het te laat.

Er moet een bediende mee, want de Tsjerkess Hassan, die tot Teheran is meegegaan, bleek evenmin Perzisch als Fransch te kennen. Die werd dus naar den Kaukasus teruggezonden.

We namen een leerling-tolk mee, een 18-jarigen jongen, die eigenlijk maar twaalf jaar leek. Hij was al tweemaal in Ispahan geweest; Aimé heette hij en hij had heldere, schelmsche oogen. Al wat hij deed, deed hij goed, al kon zijn kleeding netter zijn en al waschte hij zich zelden.

Dan hebben we rijtuigen noodig.

We hebben maar één auto en zijn met ons zevenen, met Aimé mee. Daarbij al de bagage, de benzine en de proviand. Het is jammer, dat Leonida nog maar altijd in de bergen van Tabris is; nu zijn we wel genoodzaakt de groote Mercédes te Teheran achter te laten, waar Keller haar grondig zal schoonmaken.

Wij vernamen, dat er geen drie landauers te krijgen waren, daar er maar twee aanwezig waren, en dat er na Koem ook niet voor drie gelegenheid was, want er zijn maar acht paarden op de halten en ieder rijtuig moet er vier hebben. Er was echter een ongemakkelijke break met twee banken zonder kussens of bekleeding, met een dak erboven, op vier ijzeren stangen rustend. Die moesten we wel nemen, en te Koem was een diligence te krijgen, die gemakkelijker zou wezen.

Wij besloten, omdat het warm zou zijn, des morgens om vier uur te beginnen, dan tot tien uur te reizen, daarna te ontbijten en te rusten en om vier uur weer te beginnen, zoo meenden we in vier dagen er te zullen kunnen zijn.

Zondagmorgen, 21 Mei ging het erop los.

De break, die als diligence dienst deed, was er om vier uur niet. Wij zonden Aimé naar de post, en na een heele poos kwam de wagen. Het duurde tot zeven uur, vóór alles goed en wel gereed was. Vooraf spraken we nog af, niet te rusten op het midden van den dag en in Koem te overnachten op 150 kilometer afstands, waar we tegen den avond hoopten te zullen aankomen.

We waren nu echt in de woestijn, zand en nog eens zand, met af en toe kleine heuvelreeksen, rotsachtig en met steile hellingen. De rit in den postwagen was een ware marteling, want het ding schudde en hotste erbarmelijk, en we zaten te ongemakkelijk, om een onzer ledematen rust te geven. Elke twee of drie uren was er een haltpost. Tegen den middag ontbeten wij en haalden in de gloeiende zonnehitte den voorraad uit onze mand. Dat was zwaar werk. De sjapar khané, waar we waren, had wel een kaal kamertje voor ons, vol muskieten. Er waren noch tafels, noch stoelen; maar wij beginnen op de hoogte te komen van de perzische gebruiken, en we aten dus, zittend op onze valiezen, conserven, die in de zon nagestoofd waren. Ook ontdekken we dat sardines zulke temperaturen niet kunnen verdragen en genoten willen worden in gematigder klimaat.

Dan ging men, na het drinken van slappe thee, verder door een troosteloos landschap over den rotsachtigen zandbodem van het plateau.

Geen planten en geen rivier, en altijd een fijne stof om ons heen. Telkens verliezen we een uur bij de wisseling van paarden. Beloften noch bedreigingen vermogen iets op de koetsiers. Men zou ze slaan! Maar zoo ver zijn we nog niet.

De eenige episode, die de eentonigheid verbrak, was de verschijning van een troep gieren, die het karkas van een kameel nazocht. Georges Bibesco schoot er een, en de jonge Aimé apporteerde als een jonge hond.

Om zeven uur in den avond waren we in een klein dorp, Aliabad. We hielden er stil, om te dineeren. Er was een bekoorlijke tuin, en als groote weelde een tafel en tabouretten. Aimé maakte de groente voor ons warm in onzen ketel, want de bewoners van Aliabad verafschuwen ons als onrein.

Ze zouden misschien niet denzelfden weerzin hebben tegen den inhoud onzer valiezen, en één van ons moest op wacht staan bij de diligence.

Bij kaarslicht aten we in den tuin. Daar verklaarde ons Emanuel Bibesco, dat hij na dezen verschrikkelijken dag zich niet goed voelt, dat hij niet met ons verder zou gaan, maar hier wou blijven wachten, tot wij hem een wagen uit Koem zenden, om hem naar Teheran terug te brengen.

Wat een wanhoop! Onmogelijk, onzen vriend hier alleen te laten in dit dorp, waarvan de bewoners ons zelfs geen water willen geven; aan den anderen kant durven we ook niet de verantwoordelijkheid op ons nemen van hem mee te voeren naar Koem.

Toen haalden we hem over, mee te gaan tot de volgende halt. Als we er kunnen logeeren, willen wij er ook blijven, want we zijn nog maar halfweg Koem en kunnen al niet meer.

In den nacht gaat het dan verder. We voelen ons gebeukt en gemalen. Aan de volgende vuile sjapar khané gekomen, besloten we er te blijven, hoe ellendig het er ook was.

Om vijf uur werden we wakker door het gegons van duizenden muggen. Ik ging opstaan en vond in den tuin een beek, die zich iets verder stortte in een breeden plas. Er was niemand op, en de perzische vrouwen, die den vorigen avond gekomen waren en een pelgrimstocht deden, sliepen in haar wagen. Ik snelde naar den vijver, kleedde mij uit en nam een bad, het eerste in de open lucht van dit jaar, en het is aardig, dat in de perzische woestijn te gebruiken.

Op deze plek was het echter niets woestijnachtig; het landschap was zelfs mooi, en de anderen, die ook een bad namen, herstelden zich met mij van de vermoeienis van den vorigen dag, zoodat Emanuel Bibesco besloot, met ons naar Koem te gaan.

Tegen acht uur vertrokken wij naar Koem, dat zestig kilometer verwijderd is. We hebben nog pas een paar minuten gereden, of we weten al, dat het lijden van den vorigen dag weer begonnen is. En we zijn nu al 24 uren ten achter bij onze voornemens.

We dachten om twaalf uur in Koem te wezen, maar bij het langzaam rijden vorderen we te weinig, en reeds was het middag, zonder dat nog in de verte iets van Koem te zien was, noch van den vergulden koepel van Sint-Fatmeh, waar de hoop van zooveel geloovigen naar uitgaat. Werd Koem ooit door eenige reizigers met vuriger verlangen gezocht dan door ons?

Het was drie uur, toen we boomen aan den horizon zagen, waarboven minarets uitstaken. Dat was de verlangde stad.

Wij stapten af aan de sjapar khané, die een grooten tuin had, vol bloemen en boomen. Een welverdiende rust viel ons hier ten deel. Eerst morgen om vier uur willen we van hier gaan.

Aimé werd naar den bazar gezonden om proviand en ijs, en wij bekeken intusschen de diligence, die hier voor ons beschikbaar was en die ten minste vrijwat geriefelijker was dan de zoogenaamde break. Er was een compartiment voor zes personen vóórin en een ander voor vier achterin.

Daarna installeerden we ons in den tuin in de zware schaduw van moerbeiboomen en, liggend op den rug, wachtten we tot de rijpe vruchten ons in den mond vallen.

De bagage en de veldbedden werden bij ons gebracht. In Perzië is het zaak, zijn valies niet uit het oog te verliezen.

Er was maar één kamer in de sjapar khané. Maar wij waren zoo verrukt van ons zitje, dat wij besloten, buiten te overnachten. Alleen Emanuel Bibesco geeft aan de kamer in de herberg de voorkeur.

Eerst aten wij nog een heerlijk rijstgerecht, met melk klaargemaakt, dat wij met confituren smakelijker maakten en besloten toen, twee uren te rusten vóór we Koem gingen zien.

De veldbedden werden opgeslagen en we genoten de rust in de schaduw der moerbeiboomen. De een sliep als een marmot; de ander ging schrijven, en een derde droomen. De dalende zon bescheen een grooten muur, die den tuin omsloot en waarboven de gouden koepel zich verhief van de moskee, waar de heilige Fatmeh rust, die Koem tot bedevaartplaats maakt. Alleen Medsjed, waar de imam Reza is begraven, is nog heiliger dan Koem.

In de schemering gingen wij naar den overdekten en donkeren bazar. Enkele beleedigingen werden ons in het voorbijgaan toegeroepen, want Koem is bij zijn heiligheid zeer dweepziek. De menigte houdt niet van Europeanen en vooral niet van ongesluierde vrouwen. Ze kijken onze dames aan met nieuwsgierigheid en minachting. Jongens liepen achter ons aan. De bazar was zoo smal, dat als er iemand op een paard aankwam, men niet voorbij kon.

Wij verlieten den bazar en kwamen op een kerkhof. Er waren veel menschen om ons heen, en de nieuwsgierigheid werd lastig. Toch probeerden wij de groote moskee achter op het kerkhof te naderen, maar dat scheen heiligschennis in de oogen der menigte, zoodat wij door een straatje afsloegen naar de rivier dicht bij onze sjapar khané.

Het was donker, en toen de tafel gedekt was onder de boomen, volgde er een vroolijke maaltijd met kaarsen, die lichte stipjes teekenden in den nacht.

Wij maakten toebereidselen voor onzen nacht in de open lucht. De beide paren kozen de beschutting van de groote moerbeiboomen, en ik nam een verder verwijderden. De shawls werden op de veldbedden uitgespreid en uit vrees voor dieven maakten we de valiezen aan de bedden vast.

Wij ontkleedden ons bij het onzekere licht der kaarsen, dat in den wind flakkerde; geld en revolver werden onder het hoofdkussen gelegd, en de kleêren op het bed.

Daar lagen we, wenschten elkander goeden nacht, en de kaarsen werden uitgeblazen.

De opwinding van de reis, de nieuwheid van in de open lucht te kampeeren in het midden van Perzië, joegen den slaap op de vlucht.

Ik lag wakker en keek naar de vier minarets van de Fatmeh-moskee, waar lichten waren ontstoken, om aan de pelgrims, die onderweg waren, het doel van hun tocht te laten zien. Aimé lag op een deken, en pas had hij zich uitgestrekt, of hij snorkte. Een warme wind streek over ons heen, bewoog de takken, er vielen moerbeien van de boomen, en de lucht was vol ongewone geluiden.

Er moeten wolken zijn, want ik zie geen sterren meer.

Plotseling kwam er een sterkere windstoot, geritsel van de bladeren, dan een druppel op mijn gezicht, nog een en weer een... het regent!

Wanhoop! Zullen we in den nacht moeten opstaan en ons weer aankleeden? O, waarom houdt de regen niet op! Een minuut van spanning; neen, de druppels vallen dichter op de bladeren en op mij.

Toen volgde in de duisternis bij den kletterenden regen een verwarde vlucht; ieder van ons was half gekleed, de dames in shawls gewikkeld, de mannen, de veldbedden versleepend, waar de valiezen op werden gestapeld. In onze nachthemden of pyama’s liepen wij door den grooten tuin onder de boomen door, die bij elke windvlaag ons met een bad van druppels besproeiden.

In de sjapar khané gingen de Bibesco’s hun neef wekken en installeerden zich in zijn kamertje met hun drieën. Het gezin Phérékyde en ik, we schikten ons zoo goed mogelijk in het portiek. De bagage en de voorraden werden tusschen de bedden opgestapeld. Zouden we nu kunnen slapen? Het is al middernacht. Over een uur of vier zullen we moeten opstaan.

Onder de opgehangen lamp trachtten wij in slaap te komen. Een verontrustend geluidje heel dichtbij verschrikte ons. Het leek wel, of er muizen bezig waren. Inderdaad waren het muizen, knabbelend aan onzen voorraad. Twee-, driemaal joegen we ze weg; ze kwamen terug, en onze waakzaamheid verslapte. Wij legden ons weer neer, en onderwierpen ons aan de schade, die ze kunnen aanrichten, vastbesloten, ze met rust te laten, als ze ons maar niet in de ooren beten.

Daar doet een luid gerinkel ons opspringen. Een kat had drie kisten met conserven omgegooid en twee glazen gebroken, en is toen gaan eten; hij had eerst de muizen voor ons weggejaagd. Op onze bedden zittend, keken we zonder kwaadheid naar de kat.

Maar moeilijk is het wel, in zoo’n portiek te slapen. Regendruppels kunnen ons van den weg bereiken, en daar rijdt een rijtuig binnen. Er komen twee Perzen uit, kijken naar ons en praten met hun koetsier.

Eindelijk gaan ze heen.

Met roode Kozakken en gala-landauers in Ispahan.

Met roode Kozakken en gala-landauers in Ispahan.

Nu komt de beurt aan den hond, dien ik al in den tuin had gezien. Hij is achter ons aan gegaan, en op het oogenblik toen ik net wat doezelig werd, voelde ik een warmen adem op mijn gezicht.

Ik joeg den hond weg, die even daarna de plaats van de kat innam bij den voorraad proviand. Maar alles is ons onverschillig, zoo moe waren we.

Een oogenblik later luid klokjesgebengel. Een kameelenkaravaan verlaat de karavanserai; een van de dieren, nieuwsgieriger dan de andere, treedt uit de rij, om te onderzoeken, hoe Europeanen er uitzien, die niet slapen. Het lijkt een goedige, gezellige kameel, die zeker heel wat aan zijn collega’s te vertellen zal hebben. Hij mag ter herinnering aan ons meenemen wat de muizen, de kat, de hond en de ezel, die er ook nog is geweest, van onzen voorraad hebben overgelaten.

Zoo halen we zonder slaap, maar niet zonder afleiding en vermaak, half vier in den morgen. Wij zullen dan ten minste om vier uur klaar wezen. Wij staan op en overzien de verwoesting. De menagerie heeft een aangebroken blikje paté de foie gras opgepeuzeld, dan wat rijst, brood en vier-en-twintig harde eieren, die gekookt waren voor de dagreis van heden. Dat het hun wel bekome!

Woensdag was de derde dag van de woestijnreis van Teheran naar Ispahan. Hoewel we niet geslapen hebben, zijn we toch niet vroeg, want bij de vlucht door den tuin voor den regen zijn er kleinigheden zoekgeraakt. Die moesten opgezocht. De lucht was weer onverbiddelijk blauw.

Vandaag moeten de honderd kilometers worden afgelegd, die ons van Kosjan scheiden. Het zal weer heel wat inhebben.

De weg is kaal en leelijk en stijgt nu en dan, en de diligence is toch niet veel gemakkelijker dan de break. Ook worden de muggen al lastiger. Maar wij leven nog. De sjapar khané’s waren minder goed dan tusschen Teheran en Koem, en we bleven maar buiten in de hitte ontbijten. Toen het avond werd, waren we nog niet te Kasjan, maar tegen negen uur daagde het stadje op. We logeerden er door de tusschenkomst van den engelschen consul in het huis van de indische telegraaf. De chef van den post ontving ons vriendelijk, we werden getracteerd op ijskoude dranken en gebruikten een uitstekende pilau. Maar onze gastheer kan de drukkende hitte niet verminderen en hij kan aan de muggenplaag geen eind maken. Onze nacht was dan ook weer ellendig en we hadden afgesproken om, vóór het dag was, op te breken.

Gesprongen band in de woestijn bij middaghitte.

Gesprongen band in de woestijn bij middaghitte.

Met de grootste moeite stonden we den vierden dag op, en vier uur te laat kwamen we eerst weg. Hoe kan het ook anders!

De lezer denke even na, en in plaats van boos te worden, zal hij medelijden met ons krijgen. Na een heelen nacht wakens en een dag van geradbraakt worden in de diligence komen we aan de plaats van rust. Eerst tegen middernacht komen we te liggen. De warmte, de muggen, de uitputting beletten ons te slapen; eindelijk overwint de vermoeidheid voor korten tijd en we vallen in een onrustigen slaap, telkens afgebroken en niet verkwikkend, ook door de hardheid van de zeelen der veldbedden.

Aimé, die ons zou wekken, sliep. Een van ons, die nog al conscientieus was, keek op zijn horloge. Hij kan de oogen haast niet opendoen. Het is vier uur. We moeten opstaan. Toen denkt hij, dat een oogenblik langer of korter niets aan den aard van den dag, die volgen gaat, verandert en denkt aan de dames, die misschien slapen en nog meer dan hijzelf behoefte zullen hebben aan rust.

Hij voelt zich verteederd over haar ongelukkig lot, over haar dapperheid, en onder die verteedering door gaat de wijzer van het horloge zijn gang, en zie, het is vijf uur.

Op dat oogenblik wordt Aimé, die in een of ander hoekje op een matje sliep, wakker, rekt zich uit, gaat overeind zitten en staat weldra op zijn slappe beenen. Hij behoeft niet veel toilet te maken en komt ons wekken in de verschillende kamers, en ieder van ons zegt tot zichzelf, dat hij of zij het vlugst met aankleeden is en wel een kwartier aan die, en een kwartier aan die andere mag gunnen—en blijft in het bed.

Zoo wordt de vertraging grooter; het pakken op de diligence duurt lang; het water kookt nog niet voor de thee....

Om acht uur gaan we van Kasjan weg, waar we slechts den puntigen koepel der moskee zien en vervallen straten. Het rijtuig van den gouverneur brengt ons een eind heen, en eerst bij het begin der woestijn stappen we weer in de diligence.

Het is nu alles fijn, rood zand zonder steenen over licht golvend terrein. De wielen van het rijtuig zakken vijftien centimeter in den grond, en nu en dan moeten we door de droge bedding van een zeer breede rivier. De ongelukkige paarden doen wat ze kunnen, maar houden op oogenblikken uitgeput stil.

Toen stapten wij in de brandende zon uit en duwden de wielen, maar we kwamen op die manier verschrikkelijk langzaam voort. Om tien uur waren we nog geen zes kilometer van Kasjan, en de eerste rustplaats is nog twintig kilometer ver.

Op dat oogenblik raakte de diligence positief vast in het zand, en de paarden weigerden te trekken. Wij moeten wachten tot ze zijn uitgerust.

Wij bekijken de plek des ongeluks.

We zijn midden in de woestijn; loodrecht valt de zon op ons, en de weerkaatsing op het zand is gruwelijk.

Links zijn lage duinen; rechts doet zich een uitkijk voor op een bekoorlijke oase. Groene boomen wiegelen door een koeltje heen en weer. Daar er boomen zijn, moet er water in de buurt wezen. Wij sterven van dorst, en twee van ons maken de paarden van voor het rijtuig los en rijden naar de oase, die geen kilometer ver lijkt. Maar ze zijn nog geen vijf minuten weg, of daar zijn ze al terug, want het is overal zand en het groen is een illusie geweest, een luchtspiegeling.

De vermoeidheid overmant ons. Een van ons slaapt onder de diligence. De anderen stappen uit en voelen het zand, dat zoo heet is dat men het niet in de hand kan houden. Wij moeten vlak bij onzen wagen blijven.

Toen zonden we Aimé te paard uit, om versche paarden uit Kasjan te halen, want de onze kunnen niet meer.

Hij komt niet terug. Twee uren lang wachtten we onbewegelijk in dit warmste deel der woestijn op het midden van den dag, als geen Pers zich buiten waagt.

Rondom alles zand en bedriegelijke fata morgana’s. Geen zuchtje wind. Onbewegelijk bakken wij onder het dakje van de diligence.

Daar komt om twaalf uur Aimé terug met drie paarden en een tweeden koetsier.

Met groote moeite krijgen ze nu de diligence in beweging; maar we komen slechts stapvoets vooruit. Twee uren hebben we noodig, om de eerste halt te halen.

Vreeselijk was die vierde dag, onuitsprekelijk van ellende. In den avond reden we maar sukkelend voort van negen tot één uur bij prachtig sterrenlicht. Aimé beloofde nachtrust in de volgende sjapar khané. Op steenen gezeten in het licht van de opkomende maan, aten we harde eieren, biscuits en zetten thee, in afwachting dat de paarden uitgerust zijn. Onze leden waren verstijfd door zooveel uren in de diligence.

Nu, bij het begin van den vijfden dag, hebben wij, naar het schijnt, het middel om niet te laat op weg te gaan, dat is heelemaal niet te gaan slapen.

Wij legden dekens op de banken van de coupé, dat de dames konden liggen en daarop rolden we verder over het ongelijke zand. We waren doodop, maar hadden nu ten minste geen last van de warmte en vorderden op den weg naar Ispahan.

In het achtercompartiment van den wagen veranderden wij elke vijf minuten van houding, leunend tegen elkaar en strekten afwisselend onze beenen op elkaars knieën uit. Aan slapen viel natuurlijk niet te denken.

We zullen in de halt de schade inhalen.

De minuten gingen langzaam voorbij. Tegen vijven kwam de dageraad. Venus schitterde als een brillant in het Oosten; de andere sterren verbleekten.

Nu zijn we aan de wisselplaats. Wij springen uit den wagen, om uit te rusten en eindelijk te slapen! O, wanhoop! Er is slechts een stal en geen kamer, niet de minste schuilplaats zoo groot als een scheepshut, geen boom zelfs om ons tegen de zon te beschermen!

Minuten van ellende en van kwaadheid; maar wat hielp het?

Er was weer een heldere beek voor een bad, en geitemelk werd voor ons gemelkt van kleine, zwarte geiten, die van de bergen kwamen.

Tegen zeven uur ging het verder. In 24 uur hebben we nu die vervloekte diligence bijna niet verlaten.

We gaan het bergland in.

De paarden trekken wat ze kunnen; onze weg stijgt met steile hellingen. Twee-, driemaal reeds hebben we moeten uitstappen en de wielen duwen, en nu weigeren de paarden ons verder te brengen. Gisteren vast in het zand, vandaag in de bergen. Wij zullen alle emoties moeten hebben van een reis in Perzië per diligence.

Weer zenden we Aimé met een der paarden naar de volgende halt op een uur afstands. Dus even rust.

De zon stijgt en het begint al heet te worden.

We worden er nu stil onder. Wanneer zullen we Ispahan zien?

De versche paarden. Het zijn kwade beesten, die schoppen in plaats van te trekken. Wij hebben een koetsier op den bok en een ander vóór de paarden, die niet vooruit willen. Toen gingen de koetsiers duwen.

Van het imposante landschap zagen we op deze wijze niets. En het was toch iets heel bijzonders, het leek een maanlandschap met die lavabergen en die reeksen van uitgedoofde kraters, langs welker hellingen gele zwavel te zien was, tusschen rotswanden van alle tinten tusschen bruin en geel. Verlaten was het alles, dor en steenachtig, een doode wereld, versteend in haar doodsstrijd.

Bij de eerste sjapar khané konden we nog in de open lucht ontbijten, maar den verderen dag was weer de hitte ondragelijk en om de honderd kilometers tusschen ons en Ispahan vlugger af te leggen, besloten we maar weer des nachts te reizen. Maar om drie uur in den morgen gingen we toch maar schuilen in de ellendige herberg en sliepen tot acht uur. Als we niet wisten, dat Ispahan niet ver meer was, bleven we hier, want we kunnen haast niet verder.

Het was nu alles vlakte en zand. Eindelijk tegen één uur ontdekten we aan den horizon een lijn van boomen.

“Ispahan!” roept Aimé van den bok.

Ispahan! Wij naderen langzaam; nu kunnen we al tusschen de boomen koepels onderscheiden van de moskeeën, een blauwe aan den linkerkant is hooger dan de andere; het is de koninklijke moskee.

Bij de laatste wisselplaats wacht ons een coupé met vier paarden, waaruit een Pers in een deftige, zwarte jas stapt. Hij stelt ons een brief ter hand van Zijne Hoogheid Zil es Sultan, den broeder van den Shah en gouverneur van Ispahan, die ons gastvrijheid aanbood in een van zijn paleizen en ons zijn rijtuigen aan de poort der stad tegemoet zendt.

Wij nemen de rijtuigen aan en danken voor de paleizen, want we worden verwacht aan het russische consulaat.

We gaan weer op weg. Nu rijden we langs velden met witte papavers, die een koelen gordel om Ispahan leggen; irrigatiekanalen kruisen ieder oogenblik den weg.

Wij zien er bleek en afgemat uit. We wekken onszelven echter op in de oude diligence, want onze energie is nog onverflauwd, en we zijn niet ver van Ispahan.

Daar zijn de poorten der stad. Een generaal en honderd kozakken in het rood wachten ons en escorteeren twee landauers in groot gala, geheel van glas. De carroezar of burgemeester is er, om ons te ontvangen.

Wij gevoelen, dat onze oude wagen veel beter in overeenstemming is met ons uiterlijk dan de koetsen van Zil es Sultan. Zes dagen in de woestijn hebben hun sporen achtergelaten op onze gezichten en onze kleêren. Wij hadden aan een bescheiden inkomst in Ispahan stellig de voorkeur gegeven; maar de koetsen zijn er, en wij moeten instappen. De roode kozakken rijden voor ons uit en zoo gaat het door straten en bazars.

De menigte verdrong zich op onzen weg. Zij kreeg door wolken stof, die het geleide te paard opwierp Europeanen te zien, die ongekapt en ontredderd waren; maar wij zagen er toch triomfantelijk uit, want we waren in Ispahan.

We gingen in het russische consulaat binnen, een paleis zonder vensters, waarvan de vier gebouwen een tuin vol dichte boomen en rozen insluiten. Blonde, stevige kozakken stonden er omheen geschaard met opgeheven sabel. De zaakgelastigde, de heer Tsjirkine, kwam ons met bloemen in de hand tegemoet.

Wij zijn zeer stoffig, maar vol waardigheid.

We komen in een salon, waar tafels zijn en tapijten, een divan, fauteuils en stoelen. Onze laatste halt was een soort van kalkoven, en wij weten nu wat comfort beteekent.

Stoelen lijken een groote triomf der beschaving, en we kijken ze met bewondering en verteedering aan.

Bedienden brachten ons geparfumeerde thee, kleine schijfjes citroen en ijs! In onze kamers vonden wij waschtafels, water, keurig ingerichte badgelegenheden met kranen van warm en koud water!

We zijn nog gebeukt door de planken van de diligence en hebben in drie dagen niet meer dan zes uren geslapen. En nu strekken we ons, gewasschen en gekleed, onder de boomen van den tuin uit in den geur van alle rozen van Ispahan, die op onze komst schijnen te hebben gewacht.

Wij hebben het Paradijs gevonden.

Het regende in den avond, een heerlijke frischheid onder de oude platanen. Al vroeg gingen we naar bed op onze getrouwe veldbedden, want het consulaat heeft geen bedden over. In het Oosten begrijpt men overal dat woord van Jezus: “Neem uw beddeke op en wandel.”

Wat is het goed geweest, dat wij onze bedden hebben meegenomen!

Wij veroorloofden ons den volgenden dag allerlei weelde, en weelde bestaat nu voor ons in nietsdoen. In plaats van de stad te bekijken, blijven we in den mooien tuin onder de schaduw der platanen, wier stammen oprijzen uit boschjes van roode rozen.

Wij zijn nog verwezen van de zesdaagsche vermoeienis, en we zouden altijd zoo willen blijven liggen in den geur der rozen en tot onszelven zeggen: “Ik ben in Ispahan.”

Des morgens is Ispahan nog koeler en heerlijker dan Teheran, het ligt dan ook op de hoogte van Sanct-Moritz.

Geen geluid van de ons omringende stad dringt tot ons door. Alleen honden loopen door de struiken, er gaan perzische bedienden voorbij, en de oude bewaker van den hammam gooit af en toe wat hout op het vuur.

Er zijn in dezen tuin van rechte lanen en jonge boomen een oneindige verscheidenheid van rozen, zwarte en purperen, witte en rose, de meeste al op het punt de bladeren te laten vallen. Binnen acht dagen zal er van de rozenglorie niet veel meer over wezen.

Aimé waardeert zeer de gastvrijheid, die ons wordt aangeboden. Hij zegt ’s morgens tot mij: “Ik heb thee gedronken, en ik heb wijn gehad; ik heb van alles gegeten en ze hebben mij ijs gegeven, en toen ben ik onder de tafel gaan liggen slapen.”

De kleeding van Aimé, die nooit veel om zijn toilet gaf, heeft iets om zich voor te geneeren in dezen mooien tuin van het consulaat. Aimé draagt de perzische lange jas, die al vol gaten was toen we vertrokken. De zware reis heeft er niet veel van overgelaten. Een mouw is half verdwenen en de boord aan den hals is er af. De katoenen broek is vol gaten en de twee gele dingen, die hij aan de voeten had en die in veel vroeger tijd schoenen waren geweest, maakte hij met touwen vast; een teen stak brutaal door het leer heen, en de zolen gaapten geducht. Nu is een der laarzen in de woestijn gebleven; hij loopt nu mank met een blooten voet. Hij lijkt wel wat op een bedelaar, die de waakzaamheid van den portier heeft verschalkt en stil in het consulaat is binnengedrongen.

Het is vernederend voor ons, door zulk een bediende ons te laten vertegenwoordigen. Wij zenden hem dus naar den bazar, om zich een jas en een broek en een nieuw buisje te koopen met een paar witte schoenen, zooals in Ispahan worden gemaakt, en waar hij al acht dagen over praat als over het toppunt van élégance in zake perzisch schoeisel.

Aimé komt met een groot pak terug en met een lange rekening. Den volgenden dag ontmoet ik hem in zijn oude kleeren; ik stuur hem weg, om zich aan te kleeden; hij verdwijnt en wij krijgen hem den heelen dag niet weer te zien. Den dag daarop en de volgende dagen dezelfde historie. Hij wil zich niet in de nieuwe kleeren steken, en wij worden maar steeds vernederd in onzen bediende.

“Zeg, jij, wil je mij wel eens zeggen”, vroeg ik hem op den dag van ons vertrek, “waarom jij hebt geweigerd, de kleêren te dragen, die wij voor je hebben gekocht?”

“Och, Meneer”, zei hij met zijn slepende stem, “waarvoor zou ik ze aantrekken? Ik ken hier niemand. Ik bewaar ze voor Teheran, waar ieder weet wie ik ben.”

Wij gingen plechtig onze opwachting maken bij Zil es Sultan, de Schaduw van den Souverein, die voor onzen luisterrijken intocht in Ispahan heeft gezorgd.

Hij is de oudste broeder van den Shah, maar daar hij niet de zoon was van een wettige vrouw, mocht hij zijn vader niet opvolgen. Dat is jammer voor Perzië, want hij is een zeer verstandig man met veel energie. Hij is voorstander van den engelschen invloed, en hij vindt de Engelschen veel minder gevaarlijk voor Perzië dan de Russen. Hij is geabonneerd op de Times en op de Temps en laat zich beide voorvertalen door zijn zoons, die een franschen gouverneur hebben gehad en ontwikkelde, flinke, aardige jongens zijn.

Wij werden in het zomerpaleis ontvangen. Men komt er door een van die echt perzische tuinen met jonge, dichtopeenstaande boomen, rechte lanen, vijvers met irissen aan den kant, die ons zoo aantrekkelijk voorkomen. De russische zaakgelastigde stelt ons voor en daar zitten we in een kring in een perzisch salon, een lang en smal vertrek, met aan beide kanten de ramen open. Het is op zijn Europeesch gemeubeld.

De jonge prinsen Bahram Mirza en Akhbar Mirza spelen voor tolk, en toen de officiëele complimenten zijn gewisseld, neemt het gesprek een vrijen en belangwekkenden gang. Zil es Sultan, die nooit uit Perzië is geweest2, is goed op de hoogte van de europeesche politiek. Hij weet, hoeveel milliarden wij aan Rusland hebben geleend en vertelt ons anecdoten over onze staatslieden. Hij spreekt over den fameusen heer Combes. Zou men het gelooven? De roem van den heer Combes is wel universeel.

Maar het is heel natuurlijk, dat de perzische staatslui zich voor Combes’ politiek interesseeren, want de eenige macht, die zich tegen de in naam absolute macht van den Shah verzet, is die der priesters, der mollahs, en Zil es Sultan, die in termen vol lof over Frankrijk sprak, zeide, dat Perzië een minister als Combes noodig had, om de mollahs tot rede te brengen.

Een halt tusschen Kasjan en Ispahan.

Een halt tusschen Kasjan en Ispahan.

Wij gebruikten thee, ijs en koffie en gingen in de galakoetsen heen.

Wij bezochten ook de Medresseh, de oude theologische school, waar nu een drukbezocht park is. Er zijn weinig mooier parken. Wij wandelden op de terrassen der gebouwen en zagen de oude kamers van leeraren en leerlingen. Alles was nu onbewoond. Er werden in den tuin ververschingen aangeboden, en eerst was het er zeer vol met een menigte, die alleen uit mannen bestond. Ze drongen in den aanvang om ons heen, want niet alleen zijn wij vreemdelingen en christenen, maar ook hadden wij vrouwen bij ons, die haar jonge gezichten ongesluierd laten zien. De kozakken van het consulaat duwen zonder geweld de nieuwsgierigen terug, en deze hervatten langzaam hun gebabbel aan den oever van de waterplassen en hun rustig rooken, door slokjes thee of koffie afgebroken, en wij wandelen verder ongestoord onder de eeuwenoude platanen.

Des morgens kwamen de dellals weer, om ons een en ander te verkoopen, als te Teheran, en in den namiddag gingen we rijden en brachten bezoeken aan paleizen, als dat van de Veertig Zuilen en dat van Ali Kapoe.

Op een avond zouden we bij Zil es Sultan dineeren. Uit den aard der zaak was ons toilet gebrekkig. Wij hadden in het eenige valies, dat ieder van ons gegund was, slechts plaats voor het linnengoed en een extra paar laarzen. De vernuftige Aimé had in persoon blouses voor de dames gewasschen en gestreken en met de roode rozen was dat geheel in orde. Twee van ons hadden zwarte jacquets, welk een weelde!

Een ander, minder gelukkig, heeft geen ander overhemd dan een nachthemd, gelukkig van zijde. Hij knoopt onder den kraag van zijn hemd een groote lavallière, die uitgespreid wordt over een khaki vest, om met haar zwart er deftigheid aan bij te zetten. Op het vest volgt een grijze, vermoeide broek, die rust op tennisschoenen met gaten. Ik had een korte broek aan en kousen van de soort alsof ik op een bergtocht moest, maar ik heb een overhemd en onberispelijke boord en manchetten.

Wij défileeren voor de gardes van het paleis en leggen in onze démarche al de waardigheid, die aan onze kleeding ontbreekt. Ik zal nooit vergeten de voor een hof geschikte révérences van de dames in de korte reisjaponnen en evenmin den prachtigen turkoois, dien onze gastheer op de borst droeg. Die steen was intens donkerblauw, groot als een kippenei en was gevat in een kring van diamanten.

Tijdens het diner speelde een orkest onder de boomen van den tuin melancholieke melodieën. Zij pasten bij onze stemming, want den volgenden dag zou het echtpaar Phérékyde ons verlaten. Hij moet op een bepaalden datum in Roemenië zijn en hij is voorzichtig, wetend wat de reis door de woestijn beteekent. Er is den 11den Juni een boot te Enzeli, en die hoopt hij te nemen. Daarom moeten ze weg.

Op den Delijanpas.

Op den Delijanpas.

Wat ons betreft, wij zouden liefst geen plannen maken; wij hebben te veel moeite gehad om Ispahan te bereiken en zouden er in het oneindige willen blijven. Het denkbeeld van de terugreis vervult ons met schrik. Desniettemin zullen wij de stad der rozen moeten verlaten en we bepalen ons vertrek op Vrijdag 3 Juni in den namiddag. Georges Bibesco heeft naar Keller getelegrafeerd, om de Mercédes naar Koem te brengen. Zoo vermijden wij de laatste etappe van 150 kilometer, die wij in 25 lijdensuren per diligence hebben afgelegd.

De landauer, die de Phérékydes besteld hadden, zou er om drie uur zijn. Hij is er niet.

Om vijf uur komt hij eindelijk en men begint de bagage op te laden. Phérékyde onderzocht de wielen en ontdekt, dat een der wielen onrustbarend wiegelt en dan ook al gauw van de as afloopt. Tegen zeven uur was eerst alles klaar, en de vrienden vertrokken op een nieuwe woestijnreis.

Om acht uur gingen wij aan tafel. Wij spraken over de afwezigen. Waar zijn ze? Welke avonturen zullen ze beleven? Wij zien ze in onze verbeelding gebeukt op de slechte wegen. Kwartier vóór negen, toen wij juist ons maal eindigden, ging de deur van de eetzaal open, en op den drempel verschenen onze beide reizigers.

Zij zijn een uur bezig geweest, om de poort te bereiken door den smallen, vollen bazar en toen ze er waren, raakte weer een wiel los. Toen bestegen ze de afgespannen paarden en gingen naar ons terug.

Phérékyde is ongerust, dat hij de boot niet op tijd zal bereiken te Enzeli. De heer Tsjirkine stuurt een boodschap naar de post, waar ze voor den volgenden morgen om vijf uur een rijtuig beloven. En wij gingen toen nog charades opvoeren met enkele wederwaardigheden van onze reis in Perzië.

Op Vrijdag 3 Juni sloeg voor ons het uur van vertrek. De angst om Ispahan te verlaten was groot. We zagen er tegen op als tegen een berg. Nu zouden we weer verliezen wat met zooveel moeite was veroverd, de kalme uren van de morgens onder de platanen en tusschen de rozen van het consulaat, de stilte en rust op den middag, als de zon op het felst brandt, de avondwandelingen in de verlaten tuinen, waar paleizen slapen, die nooit ontwaken zullen op de roepstem van een prinses, de tochten door interessante ruïnen en de schoonheid der heldere sterrennachten.

Ispahan verlaten is weer terugvinden de vermoeienis van de reis, den zwaren trek door de woestijn, de drukkende warmte, het niet ophoudende stof, de onvoldoende maaltijden in de weinige schaduw van een enkelen boom, de nachten zonder slaap in stallen met muizen, de verveling aan de wisselplaatsen, de twisten met de koetsiers. Dat alles zal zich herhalen zonder het opwekkend vooruitzicht van het onbekende.

Toch moeten wij gaan. De laatste aankoopen zijn gedaan. Meubelmakers pakken voor ons in.

Om vier uur zijn de vier landauers voor. Wij zullen ons daarin installeeren. Er zijn echte bedden in aangebracht. De heer Tsjirkine, die ons zoo goed ontvangen heeft, doet ons uitgeleide te paard met alle kozakken van het consulaat tot buiten de poorten; de vice-consul van Engeland voegt zich bij hem met acht prachtige hindoesche ruiters, de lansiers van Bengalen.

Voor de laatste maal gaan wij door de drukke bazars en de stille straten van Ispahan. Op een paar kilometer afstands van de stad neemt ons escorte afscheid van ons. Boven de boomen zien we nog heel lang den grooten koepel van de groote moskee.

En in den langzamen draf van onze paarden over het zand verwijderen we ons van Ispahan, dat we nooit zullen terugzien en wenden ons naar het Noorden, naar Teheran, naar Europa.

Dag en nacht gaat het nu voort door de woestijn en de bergen, bijna zonder ons op te houden. Overdag zijn onze landauers gesloten en bij nacht geopend. Wij blijven liggen op onze gemakkelijke matrassen en stappen alleen uit aan de halten, waarbij een paar uur worden verloren, want nu zijn bakhtiaarsche prinsen ons voor en nemen de paarden weg.

Wij hoorden aan een wisselplaats, dat onze vrienden Phérékyde een ongeluk hebben gehad, en dat midden in de woestijn een wiel van hun rijtuig gebroken is. Zij hebben op den middag zes kilometer te voet moeten afleggen door het zand, om een sjapar khané te bereiken. Zes-en-dertig uren hebben ze er moeten wachten, tot het rad hersteld was in het stadje Natanz, dat 30 kilometer verder lag. Ze zijn ons dus nauwelijks één dag voor.

Te Kasjan, waar we lang op paarden moesten wachten, hielden we een siesta op onze veldbedden, maar ze werd verstoord door muskieten. Eindelijk was Koem bereikt, waar Keller en de Mercédes ons wachtten. Er was nog nooit een automobiel in Koem geweest. Om drie uur lieten we ons dan ook voor ons vertrek photografeeren aan den oever der rivier met als achtergrond, o heiligschennis, de heilige moskee!

Wij lieten Aimé met de bagage in Koem; hij zal 24 uur na ons in Teheran komen, en wij gaan op weg.

Hoe zal ik een denkbeeld geven van het genot, daar voort te vliegen met een snelheid van veertig kilometer in het uur in een uitmuntende automobiel op veêrende kussens! In zijn blijdschap over de herwonnen snelheid leidt Georges Bibesco ons in vliegende vaart over alle oneffenheden, die ons in het heengaan zoo hebben geradbraakt. Als het zoo voortgaat, zijn we nog dezen avond in Teheran en kunnen we, met het oponthoud erbij gerekend, in vijf uur de honderd-vijftig kilometer verslinden, die ons van de hoofdstad scheiden.

Werkelijk deden we er vijf en een half uur over, terwijl we er in het heengaan 25 uren lijdens voor hadden doorgestaan.

Wij hadden drukke dagen met vaarwel zeggen, in Teheran, van de vrienden die we er hadden gemaakt, en met het per post expediëeren van onze bagage, die ons te Enzeli zal bereiken, zoodat de beide dagen omvlogen.

Wij troffen er ook de Phérékydes, die ons hun avonturen vertelden en toen onmiddellijk in hun landauwer naar Resjt gingen.

Wij gingen naar Goelah-ek, waar de russische legatie in den zomer is en naar Sjimran, waar de engelsche zaakgelastigde in den warmsten tijd verblijf houdt. Dat zijn aan den voet der bergen heerlijke parken met veel water en frisch groen, waar zelfs in de hondsdagen een verrukkelijke temperatuur heerscht.

Op Donderdag 8 Juni waren we weer per auto op weg naar Resjt en de Kaspische Zee.

Het kostte veel moeite, om voor dezen laatsten tocht in genoegzame hoeveelheid benzine te krijgen, en eindelijk slaagden we er in, het voêr voor de auto te erlangen tegen een prijs, die overeenkwam met drie francs de liter.

We zouden de 350 kilometer graag in twaalf uren afleggen met rust voor het déjeûner. Op die wijze zouden we wel vermoeid, maar vóór den nacht in Resjt aankomen. Maar er kwamen allerlei tegenspoeden door mankementen aan onzen wagen, en het was al half vier, toen we in Kaswyn arriveerden. Wij waren moe en hongerig, en het duurde nog anderhalf uur, eer we wat te eten en een samovar kregen.

Op het oogenblik dat we zouden vertrekken, werd de lucht verduisterd door een opkomend onweer en wolken stof; maar het liep met een korte bui af en in het bergland, waar we reden, was het prachtig weêr. Onze lampen werden in den avond aangestoken; het was tien uur, toen we te Mendjil waren en drie uur in den nacht, toen Resjt was bereikt. Ik geloof, dat we nog nooit op de geheele reis zoo vermoeid waren geweest als toen. Spreken konden we haast niet meer.

Aan het consulaat zouden we slapen, maar de muggen lieten ons geen rust.

Den 10den Juni namen we van Perzië afscheid en lagen voor anker te Lenkoran aan de Kaspische Zee. Georges Bibesco en ik namen een bad in het lauwe water van den grooten plas. We stapten in Bakoe aan wal en namen den trein naar Tiflis, zonder ons meer op te houden.

In het hôtel de Londres vonden wij Leonida, die sinds twee dagen terug is van zijn reis in zijn automobiel. Hij heeft gevaarlijke avonturen beleefd. Over Tabris en Zendjan is hij gereisd, soms zonder dat er een weg was. De brief van den gouverneur baande dikwijls voor hem een doorgang, als de kozakken bezwaren maakten om hem door te laten.