De tuinen der medresseh in Ispahan.

De tuinen der medresseh in Ispahan.

Maar de meer dan slechte wegen noodzaakten hem eindelijk naar Tabris terug te gaan en over Delyan en Akstafa te reizen, waar hij den trein naar Tiflis nam. Den 12den Juni waren we samen op het perron te Tiflis, klaar om in den trein naar Batoem te stappen. Wij zeiden Tiflis zonder leedwezen vaarwel, waar men van niets anders hoort dan van troebelen en politieke moorden.

De trein was vol; groote beweging aan het station. Toen wij een praatje maakten vóór onzen waggon met kolonel Tamamsjef, die ons uitgeleide deed, voelde ik mij aan mijn overjas trekken. Ik keerde mij om en zag een man naast mij geknield. De mantel, dien hij droeg, getuigde niet van grooten nood, en zijn muts was niet erg versleten. Voor ik iets kon zeggen, vatte hij mijn hand en kuste die tweemaal; ik voelde zijn lippen en walgde van afkeer en ging haastig op zij. Waarom verlaagt die man zich zoo? Ik zou hem willen slaan; maar de man verroert zich niet en blijft met opgeheven handen liggen. Ik zocht naar geld in mijn zakken en gaf hem enkele zilverstukken; toen vatte hij een slip van mijn jas en kuste die weer.

Ik kan niet zeggen, hoe dat tooneel mij tegenstond. Als ik er nog aan denk, kan ik er van griezelen en ik zou liever willen, dat de man mij dreigend om geld had gevraagd.

Te Batoem waren wij slechts vervuld van de gedachte, karrevoerders te krijgen voor het vervoer van onze koffers, kisten met voorwerpen van waarde uit Perzië en onze valiezen van het station naar de haven. Gelukkig waren de kruiers niet in staking en om elf uur waren we aan boord van de Circassie van de Paketpostmaatschappij.

Wij vonden er een fransch ontbijt, een kapitein die Marseillaan was, veiligheid, rust en de moedertaal!

Op geen tien meter van ons verwijderd, aan den wal, was het terrein der stakers, der kozakkenpatrouilles, der onheilspellende gezichten van opstandelingen, die aan de kaden rondliepen. Welk een veilig gevoel aan boord te wezen!

Het was donker weer, en al gauw begon het te regenen, zoodat de bergen aan ons oog werden onttrokken. Het regent in de bergachtige omgeving van Batoem zoowat driehonderd dagen per jaar; er valt jaarlijks 2.60 meter water, dat is meer dan drie maal zooveel als te Parijs.

Tegen zes uur lichtten we het anker. De zee was kalm.

Ali-Kapoe.

Ali-Kapoe.

Met onze boot deden we de havens aan van de zuidkust der Zwarte Zee, een ideale reis, waarop we ons geheel herstelden van de vermoeienissen der perzische reis te midden van het meest afwisselend decor, dat voor onze oogen voorbijging. De boot voer alleen des nachts, en als de dag aanbrak, waren we weer in een andere haven.

Wij sliepen tien uren op de bedden van de boot, smalle bedden wel is waar, maar dan toch bedden, en als ik wakker werd, zag ik de mooie heuvels naar de zee glooiend, met hun sierlijke villa’s in het weelderigste groen, met hier en daar ook een spitse minaret en hooge muren van oude interessante ruïnen.

In Trebizonde gingen we aan land, om nog eens een kijkje in Azië te nemen. Het is een rijke, drukke stad. De bazars zijn niet overdekt, en wij doolden rond in den doolhof van straatjes, waar ijverige werkers, op hun hurken gezeten, leder bewerken en hout of kostbare metalen. Trebizonde roept het verleden in herinnering. Xenophon rustte er uit met zijn Tienduizenden; de stad maakte deel uit van het Byzantijnsche Rijk en de Grieken bouwden er kerken, die nog in wezen zijn. Toen kwamen de Turken onder Mohammed II en bouwden moskeeën, waar wij tot onze groote verbazing vrij mochten binnentreden.

Wij deden nog allerlei aardige stadjes aan, en namen er noten en eieren en andere waren in, die de kapitein moest vervoeren, tot we eindelijk, voldaan over onze reis, in de mooiste stad ter wereld, Konstantinopel, aankwamen.


1 De Franschen gebruiken dus ook het woord carter voor gearcase, zooals Henri Meijer in de Kampioen opgeeft en welk woord bestrijding vond bij Henri Polak. (Vert.)

2 In den winter van 1905 op 1906 heeft hij met zijn beide zoons een bezoek aan Frankrijk gebracht.