Eene uitvinding van den ingenieur.—De vraag, die Cyrus Smith bezig houdt.—Op weg naar het gebergte.—Het woud.—Vulkanische bodem.—Vreemde dieren.—De eerste vlakte.—Een nacht in de open lucht.—De top van den kegel.
Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens, Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn in de hand.
“Zeker, zeker, mijn jongen,” riep de verslaggever uit. “Vuur waarachtig vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed zullen doen, heerlijk zal braden!”
“Maar wie heeft dit aangemaakt?” vroeg Pencroff.
“De zon!”
Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing, dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der zaak te vragen.
“Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?” vroeg Harbert aan Smith.
“Neen, mijn jongen,” antwoordde hij, “maar ik heb er een gemaakt.”
En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.
De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:
“Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan.”
“Het is reeds aangeteekend,” antwoordde de verslaggever.
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op. Blz. 52.
Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed besteed, de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook daar deed gevoelen. Cyrus Smith had zijn krachten weder teruggekregen en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand, die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite, de quaestie van “vasteland of eiland” kunnen oplossen, welke hij, niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde.
Het avondeten werd met grooten smaak genuttigd en na eenige groote blokken hout op het vuur geworpen te hebben, begaven zich allen ter ruste.
Den volgenden morgen om half acht waren Cyrus Smith en zijn lotgenooten, met stokken gewapend, gereed om den tocht te ondernemen. De rest van het zwijn was voldoende voedsel voor vier en twintig uur; zij hoopten onder weg echter nieuwen voorraad op te doen; en de glazen waren dan ook weer op de horloges van den ingenieur en den verslaggever gezet.
Op raad van Pencroff volgde men den reeds afgelegden weg door het bosch, daar dit de naaste naar den berg was. Toen zij aan den zoom van het bosch waren, begon de weg een weinig te hellen. Ten tien uur maakte men even halt op een plaats vanwaar men den berg in het gezicht had.
“Wij zijn op vulkanisch terrein,” zeide Smith tot zijn metgezellen. Harbert maakte hen opmerkzaam op versche sporen van groote dieren, wilde of andere.
“Die beesten zullen ons misschien ongaarne hun gebied afstaan,” merkte Pencroff op.
“Welnu,” antwoordde de correspondent, die in Indië reeds tijgerjachten had mee gemaakt en in Afrika de leeuwen had vervolgd, “wij zullen ons van hen trachten te ontdoen. Maar laten wij intusschen op onze hoede zijn.”
Om twaalf uur werd er een tweede halt gemaakt om te ontbijten, waarna het troepje zich weer in beweging zette, maar nu door vrij dik kreupelhout. In de schaduw fladderde een groot aantal vogels, tot het geslacht der fazanten behoorende. Gideon Spilett doodde met een steenworp een van deze vogels, waarop Pencroff, die waarschijnlijk door de lucht honger had gekregen, gulzige blikken wierp.
De weg werd voortdurend moeielijker, want hij ging nu steil naar de hoogte en ieder moest nauwkeurig toezien, waar hij zijn voet zette. Nab en Harbert gingen vooraan, Pencroff was de laatste; tusschen hen in liepen Cyrus en de verslaggever. De dieren, die op deze hoogte verblijf hielden—en hun sporen ontbraken niet—moesten noodzakelijk behooren tot die rassen met vasten voet en lenig lichaam, waartoe de gemzen en wilde geiten behooren. Men zag er zelfs eenigen, maar Pencroff scheen ze niet met een juisten naam aan te duiden, want eensklaps riep hij uit:
“Schapen!”
Allen bleven stilstaan op vijftig passen afstand van een half dozijn groote dieren met krachtige horens, die naar achteren gebogen en plat aan het uiteinde waren, hun vacht was wollig, maar verborgen onder lang zijdeachtig haar van licht gele kleur.
Het waren geen gewone schapen, maar een soort, dat algemeen gevonden wordt in de bergen der gematigde luchtstreken en waaraan Harbert den naam gaf van wilde rammen.
“Zitten er ook bouten en koteletten aan?” vroeg de zeeman.
“Ja,” antwoordde Harbert.
“Nu dan zijn het ook schapen!” hernam Pencroff.
Deze beesten bleven onbeweeglijk en met verwonderden blik tusschen de blokken basalt staan alsof zij voor de eerste maal menschelijke wezens aanschouwden. Toen verdwenen zij in een paar sprongen achter de rotsen.
“Tot weerziens!” riep Pencroff hun op zulk een echt komischen toon na, dat zijn metgezellen begonnen te lachen.
Zeven uur lang waren zij bergopwaarts gegaan; de duisternis viel in en men besloot te kampeeren om de krachten te herstellen, het avondeten te nuttigen en vervolgens te slapen. Het weer was prachtig, de hemel onbewolkt en de nacht nog niet geheel donker. Te midden van eenige rotsen vond men een schuilplaats. Hoewel de brandstof niet overvloedig was, wisten de zeeman, Nab en Harbert spoedig zooveel mos en droog hout bij elkander te zoeken, dat er binnen weinige oogenblikken een knetterend vuurtje opvlamde, dat alleen diende om de koude nachtlucht een weinig tegen te gaan. Nab bewaarde den fazant voor den volgenden dag, de overblijfsels van het zwijn en eenige dozijnen amandelen vormden nu het souper. Het was nog geen half zeven, toen dit reeds afgeloopen was.
Cyrus Smith kwam op de gedachte om, voor hij ter ruste ging, den omtrek nog eens op te nemen; hij wilde zich overtuigen of men het pad kon volgen dat rondom dezen kegel liep, voor het geval dat de zijden te stijl mochten zijn en men den top aldus niet zou kunnen bereiken. Kon men echter geen van beiden, dan was het onmogelijk het westelijke gedeelte van de streek op te nemen en men zou het doel van den tocht gedeeltelijk missen.
Zonder zijn vermoeienis te tellen, liet de ingenieur Pencroff en Nab voor slaapplaatsen zorgen, Gideon Spilett zijn aanteekeningen schrijven en volgde hij zelf den weg, die om den top liep. Harbert vergezelde hem.
Na een marsch van ongeveer twintig minuten, konden Smith en Harbert niet verder: op dat punt vloeide de helling der beide kegels ineen; ter zelfder tijd werd hun echter de kans geopend om regelrecht op den top af te gaan. Zij bevonden zich namelijk voor een diepe spleet in den berg. Het was de mond van den krater, die zich bovenaan bevond, de hals, als het ware, waardoor de vloeibare stoffen uitgeworpen werden in den tijd dat de vulkaan nog in werking was. De lava was hard geworden, het metaalschuim had zich gezet en vormde een soort van natuurlijke trap met breede treden, die het beklimmen van den top van den berg gemakkelijk maakten.
In een oogopslag overzag Cyrus Smith den stand van zaken en, zonder aarzelen, begaf hij zich, door zijn jeugdigen makker gevolgd, in de groote spleet te midden van een diepe duisternis. Men moest nog ongeveer duizend voet stijgen. Zou de helling binnen den krater begaanbaar zijn? Men moest het onderzoeken. De ingenieur wilde zijn tocht voortzetten, zoolang hij door niets daarin belemmerd werd.
Wat den vulkaan zelf betrof, het viel geen oogenblik te betwijfelen of hij was geheel uitgedoofd. Geen rookwolkje steeg er uit. Geen vlam was er in de diepte zichtbaar. Geen gerommel, geen geluid, geen beweging kwam er uit deze donkere put, die mogelijk doordrong tot in het binnenste der aarde. Zelfs de atmosfeer in den krater was door geen enkelen zwavelachtigen damp bezwangerd. Het was meer dan een sluimerende vulkaan, het was een geheel uitgedoofde.
De poging van Cyrus Smith moest slagen. Langzamerhand zagen Harbert en hij, terwijl zij stegen, den krater boven hun hoofd wijder worden. Het gedeelte van den hemel dat zij boven zich zagen werd al grooter en grooter. Bij elken stap, dien Smith en Harbert deden kregen zij nieuwe sterren in het gezicht. Het schitterde prachtig.
Het was even voor acht uur toen Cyrus Smith en Harbert hun voet zetten op den top van den berg.
Het was geheel duister en zij konden niet verder dan twee mijlen zien. Werd dit onbekende land door de zee omgeven, of hechtte het zich in het westen aan eenig vasteland van de Stille Zee? Men kon het nog niet onderscheiden. In het westen maakte een nevelachtige streep, die scherp tegen den horizon afstak, de duisternis nog grooter en het oog kon niet beslissen of hemel en water in éen lijn samenvloeiden.
Plotseling echter vertoonde zich een flauw licht aan een punt van den horizon, dat langzaam daalde, naarmate de wolk steeg.
Het was de smalle sikkel van de maan, die weldra zou verdwijnen; maar haar licht was voldoende om de lijn van den horizon, waarvoor de wolk verdwenen was, duidelijk af te teekenen, en de ingenieur zag een oogenblik haar beeld zich in een vloeiende oppervlakte trillend weerspiegelen.
Cyrus Smith vatte de hand van den knaap en zeide op ernstigen toon, op het oogenblik dat de maan in de golven verdween:
De krater werd boven hun hoofd wijder. Blz. 56.
Op den top van den kegel.—Het binnenste van den krater.—De zee rondom.—Geen land in zicht.—De kust in vogelvlucht gezien.—Is het eiland bewoond?—Doop der baaien, golven, kapen en rivieren.—Het eiland Lincoln.
Een half uur later waren Cyrus Smith en Harbert weder op weg naar hun kamp. De ingenieur zeide slechts tot zijn metgezellen, dat het land, waarop zij geworpen waren, een eiland was, en dat men den volgenden dag verder zou overleggen. Vervolgens maakte ieder het zich zoo gemakkelijk mogelijk om te slapen en in dat hol van basalt op een hoogte van vijf en twintig honderd voet boven de oppervlakte der zee, smaakten “de eilandbewoners” een diepe rust.
Den volgenden morgen, 30 Maart, wilde de ingenieur, na een sober ontbijt, uit een gebraden geit bestaande, weder den top van den vulkaan bestijgen, teneinde nauwkeurig het eiland op te nemen, waarop hij en de zijnen gevangen waren, misschien zelfs levenslang, indien het op grooten afstand van elk land gelegen was, of wanneer het niet in den weg lag van de schepen, welke de archipel der Stille Zee bezoeken. Ditmaal volgden allen hem op zijn ontdekkingstocht. Ook zij wilden het eiland zien, dat al hun behoeften zou moeten bevredigen. Cyrus Smith volgde denzelfden weg als den vorigen dag. Het was prachtig weer. De zon steeg aan een effen hemel en verlichtte met haar stralen het geheele oostelijk gedeelte van den berg.
Men kwam bij den krater. De ingenieur zou hem zelfs in de duisternis teruggevonden hebben. Nog voor twee uur waren Smith en zijn metgezellen op den top van den krater vereenigd, op een kegelvormige hoogte, die zich aan de noordzijde verhief.
“Zee! overal zee!” riepen zij uit, alsof hun lippen dat woord niet konden weerhouden, dat hen tot eilanders maakte.
De ingenieur en zijn vrienden beschouwden eenige oogenblikken, sprakeloos en onbeweeglijk, alle punten van den oceaan. Zij drongen met hun oog tot de uiterste grenzen der onmetelijke watervlakte door. Maar Pencroff, die zulk een scherp gezicht had, zag niets, en waarlijk, indien er aan den horizon land ware geweest, al had het zich ook voorgedaan als een flauwe nevel, de zeeman zou het ongetwijfeld herkend hebben, want het waren twee ware telescopen die de natuur onder zijn zware wenkbrauwen geplaatst had.
Van den oceaan richtten zij hun blikken naar het eiland, dat zij geheel overzagen, en Gideon Spilett was de eerste, die het woord nam en de belangrijke vraag stelde:
“Hoe groot kan dit eiland zijn?”
Het scheen inderdaad niet groot te midden van den onmetelijken oceaan.
Cyrus Smith dacht eenige oogenblikken na; hij volgde oplettend den omtrek van het eiland, waarbij hij de hoogte waarop hij zich bevond, in aanmerking nam, en zeide toen:
“Vrienden, ik geloof niet dat ik mij vergis, wanneer ik den omtrek van het eiland op ongeveer tweehonderd mijlen schat.”
“En bijgevolg is de oppervlakte?....”
“Dat valt moeielijk te bepalen,” antwoordde de ingenieur, “want er zijn te veel bochten.”
Cyrus Smith vergiste zich niet in zijn schatting; het eiland had ongeveer de uitgestrektheid van Malta of Zante in de Middellandsche Zee; maar het was daarbij veel onregelmatiger, en minder rijk in kapen, uitstekende punten, baaien, inhammen en kreken. Zijn inderdaad zonderlinge vorm verwonderde allen, en toen Gideon Spilett, op raad van den ingenieur, den omtrek er van geteekend had, vond men dat het geleek op eenig phantastisch dier, een monsterachtig gevind weekdier, dat op de oppervlakte van de Stille Zee ingeslapen was.
Het eiland zelf maakte in het algemeen daarvan den indruk. Het geheele zuidelijke gedeelte, van den berg tot de kust, was dicht met hout begroeid; het was onvruchtbaar en zandig in het noorden. Cyrus Smith en zijn metgezellen waren niet weinig verwonderd, toen zij tusschen den vulkaan en de kust een meer zagen, rondom door groene boomen omringd, waarvan zij het bestaan niet hadden vermoed. Van die hoogte af scheen het meer en de zee hetzelfde peil te hebben, maar, na er over te hebben nagedacht, verklaarde de ingenieur, dat de hoogte van dat meer boven de oppervlakte der zee ongeveer drie honderd voet moest bedragen, want de bergvlakte die tot kom diende was slechts een verlenging van de kust.
“Het is dus een zoetwatermeer?” vroeg Pencroff.
“Dat kan niet anders,” antwoordde de ingenieur, “want het moet gevoed worden door het water dat van de bergen stroomt.”
“Ik zie een klein riviertje dat er zich in uitstort,” zei Harbert, op een smalle beek wijzende.
“Inderdaad,” antwoordde Smith, “en daar deze beek het meer van water voorziet, is het waarschijnlijk dat er aan den zeekant een uitloozing bestaat, waardoor het overvloedige water ontsnapt. Wij zullen dit op onzen terugtocht zien.”
De vulkaan was niet midden in het eiland gelegen; hij verhief zich integendeel in het noordwesten en scheen de grens aan te geven der twee hemelstreken. In het zuidwesten, zuiden en zuidoosten verdween het laagste gedeelte van het voorgebergte onder een weelderigen plantengroei.
In het noorden kon men echter zijn vertakkingen volgen die uitliepen in zandvlakten. Naar dien kant hadden dan ook, tijdens de uitbarstingen, de vloeibare stoffen een uitweg gezocht en een breede lavastroom strekte zich uit tot den kleinen inham, die in het noordoosten een baai vormde.
Er bleef nu nog een ernstige quaestie uit te maken, die van zeer veel invloed was voor de toekomst der schipbreukelingen.
Was het eiland bewoond?
Het was de verslaggever, die deze vraag deed, waarop men schijnbaar reeds ontkennend kon antwoorden, na het nauwkeurig onderzoek, dat naar verschillende kanten van het eiland ingesteld was.
Nergens zag men eenig werk van menschelijke hand. Geen verzameling van huizen, geen eenzame hut, zelfs geen visschersloods aan de kust. Geen rookwolkje steeg in de lucht en verried de aanwezigheid van menschen.
Een afstand van dertig mijlen scheidde evenwel de schipbreukelingen van de verst verwijderde punten, dat is te zeggen, van dat gedeelte, dat zich naar het zuid-westen uitstrekte, en het zou moeielijk zijn, zelfs voor oogen als die van Pencroff, daar een woning te ontdekken. Ook kon men dat gordijn van gebladerte niet optillen, dat drie vierden van het eiland bedekte, en zien of het al dan niet eenig klein gehucht verborg. Maar over het algemeen vestigen zich de bewoners van die kleine eilanden, welke uit de golven van de Stille Zee verrijzen, aan de kust, en die kust scheen geheel en al verlaten.
Tot het tegendeel uit een nauwkeuriger onderzoek zou zijn gebleken, kon men dus aannemen, dat het eiland onbewoond was.
Maar werd het ook bezocht, al was het ook slechts nu en dan, door de bewoners der naburige eilanden? Op die vraag was moeilijk te antwoorden. Gedurende die onzekerheid moest men echter eenige voorzorgen nemen tegen een mogelijke landing van naburige volksstammen.
De verkenning van het eiland was volbracht, zijn vorm opgenomen, zijn hoogte aangeteekend, zijn oppervlakte berekend, zijn toestand, met betrekking tot water en bergen, verkend. De gesteldheid der bosschen en vlakten was in het algemeen op het plan van den verslaggever aangegeven. Men moest nu slechts de hellingen van den berg afdalen en den bodem onderzoeken uit het drievoudig oogpunt, dat der delfstoffen, der planten en der dieren. Maar alvorens zijn lotgenooten het sein tot den terugtocht te geven, zei Cyrus Smith op kalmen, ernstigen toon tot hen:
Allen volgden hem. Blz. 58.
“Ziehier, mijne vrienden, het kleine stukje grond waarop de Almachtige ons geworpen heeft. Hier zullen wij moeten leven, misschien zeer lang. Misschien zal hier onverwacht hulp komen, indien eenig schip bij toeval voorbij zeilt.... Ik zeg bij toeval, want dit eiland is van weinig beteekenis; het heeft zelfs geen haven, die een toevluchtsoord zou kunnen zijn voor schepen, en het is te vreezen, dat het ligt buiten elken koers, die gewoonlijk gevolgd wordt, dat is te zeggen, te zuidelijk voor de schepen, welke de archipels van de Stille Zee bezoeken, te noordelijk voor diegenen, welke naar Australië gaan en Kaap Hoorn omzeilen. Ik wil u niets omtrent onzen toestand verbergen....”
“En gij hebt gelijk, mijn waarde Cyrus,” antwoordde de correspondent met vuur. “Gij hebt met mannen te doen. Zij stellen vertrouwen in u en gij kunt op hen rekenen. Niet waar, mijne vrienden?”
Harbert en Nab verzekerden Smith van hun gehoorzaamheid en trouw, en de zeeman stelde zelfs voor om van dat eiland een klein Amerika te maken. Hij zag geen bezwaar om steden te bouwen, spoorwegen aan te leggen en zelfs een telegraaf op te richten, en wanneer dit alles volbracht was, het te gaan aanbieden aan het gouvernement der Vereenigde Staten. Hij stelde slechts één voorwaarde.
“Welke?” vroeg de correspondent.
“Ons niet meer als schipbreukelingen te beschouwen, maar als kolonisten, die hier gekomen zijn om een kolonie te stichten!”
Cyrus Smith kon niet nalaten te glimlachen, en het voorstel van den zeeman werd aangenomen. Vervolgens bedankte hij zijn lotgenooten en voegde er bij, dat hij rekende op hun energie en op den bijstand des hemels.
“Welnu, op weg naar de schoorsteenen!” riep Pencroff uit.
“Nog een oogenblik, vrienden,” zei de ingenieur, “het komt mij niet kwaad voor dit eiland een naam te geven evenals aan de kapen, de golven en de stroomen, die wij aanschouwen.”
“Zeer goed,” zei de correspondent. “Dat zal in het vervolg de bevelen, die wij moeten geven of volgen, gemakkelijker maken.”
“Inderdaad,” zei de zeeman, “het is reeds veel te kunnen zeggen waarheen men gaat of vanwaar men komt. Dan weet men ten minste dat men ergens is.”
“Bij voorbeeld in de schoorsteenen,” zei Harbert.
“Juist!” antwoordde Pencroff. “Die naam is het eenvoudigste, en ook bij mij is die van zelf opgekomen. Zullen wij aan onze eerste verblijfplaats den naam geven van Schoorsteenen, mijnheer Cyrus?”
“Ja, Pencroff, omdat gij die zoo gedoopt hebt.”
“Goed! en wat de andere betreft, dat is gemakkelijk,” hernam de zeeman. “Laten wij er namen aan geven zooals Robinson, waaruit Harbert mij zoo dikwijls heeft voorgelezen: “de baai der Voorzienigheid”, “Walvisschen-kaap” en “kaap der bedrogen hoop!”....
“Of liever de namen van de heeren Smith en Spilett of van Nab,” zei Harbert.
“Mijn naam!” riep Nab uit, terwijl hij zijn schitterende witte tanden liet zien.
“Waarom niet,” antwoordde Pencroff.
“Nab’s haven, dat klinkt zeer goed! En dan kaap Gideon....”
“Ik zou de voorkeur geven aan namen, aan ons land ontleend,” antwoordde de correspondent; “zij zouden ons aan Amerika herinneren.”
Cyrus Smith was het volkomen met hem eens. Een groote baai in het oosten, werd de baai der Vereenigde Staten genoemd, een ander in het zuiden Washingtonbaai; de berg waarop zij stonden werd berg Franklin gedoopt, en het meer, dat zij voor zich hadden, het Grantmeer. Er werd besloten de stroomen, bosschen en kreken later een naam te geven. Een schiereiland, dat in het zuidwesten slechts door een smalle strook land aan het groote eiland verbonden was, noemde men het Slangenschiereiland, en de vooruitstekende punt de Hagedis. De rivier, in wier nabijheid de ballon hen geworpen had kreeg den naam van de Mercy. Het dichte bosch op het Slangenschiereiland werd het bosch van het Verre Westen genoemd.
Alles had een naam gekregen en de kolonisten zouden den berg Franklin verlaten, om naar de Schoorsteenen terug te keeren, toen Pencroff uitriep:
“Wat zijn wij toch dom!”
“Hoe dat?” vroeg Gideon Spilett, die zijn aanteekeningboek reeds gesloten had en opstond.
“En ons eiland? Dat hebben we geheel vergeten te doopen.”
Harbert wilde het den naam van den ingenieur geven en allen zouden het zeker met hem eens geweest zijn, ware Smith hem niet in de rede gevallen met de woorden:
“Laten wij het den naam van een groot burger geven, vrienden, van hem, die op dit oogenblik strijdt om de eenheid van de Amerikaansche republiek te verdedigen! Laten wij het Lincoln noemen!”
Een luide toejuiching was het antwoord op dit voorstel.
Dien avond spraken de kolonisten, vóór zij zich ter ruste begaven, over hun vaderland; zij spraken over dien vreeselijken oorlog, die het tot een land des bloeds maakte; zij twijfelden niet of het Zuiden zou weldra onderworpen worden en de zaak van het Noorden, de zaak der rechtvaardigheid zou, dank zij Grant en Lincoln, zegepralen.
Dit viel voor op den 30sten Maart 1865, en zij waren geheel onbewust dat er zestien dagen later een vreeselijke moord te Washington zou gepleegd worden, en dat Abraham Lincoln op goeden Vrijdag door den kogel van een dweeper zou omkomen.
De horloges worden geregeld.—Pencroff is voldaan.—Een verdachte rook.—De roode beek.—De bloemen van het Lincolns eiland.—De dieren.—De bergfazanten.—Jacht op Kangaroes.—Het Grantmeer.—Terugreis naar de Schoorsteenen.
De kolonisten van het eiland Lincoln wierpen een laatsten blik om zich heen en daalden door den krater neder, en een half uur later waren zij op de plaats, waar zij hun nachtleger hadden opgeslagen. Pencroff dacht dat het tijd was om te ontbijten, en daardoor kwam men op het denkbeeld de horloges van Gideon Spilett en den ingenieur gelijk te zetten.
Zooals men weet, had dat van Gideon Spilett niet door het zeewater geleden, omdat de correspondent dadelijk op het zand was terecht gekomen, buiten bereik van de golven. Het was een uitmuntend uurwerk, een ware zak-chronometer, dien Gideon Spilett nooit vergeten had op te winden. Het horloge van den ingenieur had natuurlijk stilgestaan gedurende den tijd dien Smith in de duinen had doorgebracht.
De ingenieur wond het op en rekende dat het te oordeelen naar de zon, ongeveer negen uur in de morgen moest zijn: hij zette zijn horloge op dat uur.
Spilett wilde zijn voorbeeld volgen, toen Smith hem weerhield en zeide:
“Neen, wacht even. Gij hebt den tijd van Richmond behouden, nietwaar?”
“Ja, Cyrus.”
“Bijgevolg is uw horloge geregeld naar den meridiaan van de stad, de meridiaan, die bijna dezelfde is als die van Washington.”
“Zeker.”
“Nu, houd het dan zoo. Wind het slechts trouw op, maar kom nooit aan de wijzers. Dit kan ons van dienst zijn.”
“Waartoe moet dat dienen!” dacht de zeeman.
Men besloot een anderen weg terug te gaan om het meer Grant eens van naderbij te beschouwen. Er was overeengekomen dat de kolonisten, zonder juist allen bij elkander te loopen, toch niet te ver uiteen zouden gaan. In de dikke bosschen van het eiland zouden zeker eenige wilde dieren verblijf houden en men moest dus voorzichtig zijn. Meestal gingen Pencroff, Harbert en Nab voorop, zonder echter bij Top te kunnen blijven, die overal rondsnuffelde. De ingenieur en de correspondent liepen samen; Gideon Spilett gereed om de minste bijzonderheid aan te teekenen, en Smith in gedachten verzonken; hij bukte zich slechts nu en dan om een steen of plant op te rapen, die hij, zonder er een woord over te zeggen in zijn zak stak.
Pencroff ging vooruit. Blz. 64.
“Wat drommel raapt hij daar toch op?” mompelde Pencroff. “Ik kijk al, maar zie niets, dat de moeite waard is om er voor te bukken!”
Tegen tien uur was de kleine troep aan den voet van den berg Franklin. Slechts hier en daar stond eenig laag hout en een paar boomen. Men liep over een vlakte van ongeveer een vierkante mijl, die aan den zoom van het bosch vooraf ging en waarvan de grond geel en kalkachtig was. Hier en daar lagen groote blokken basalt, die, volgens Bischof, drie honderd vijftig millioen jaren noodig hebben gehad om af te koelen. Er waren echter nergens sporen van lava te ontdekken; deze was meer langs de noordelijke helling afgevloeid.
Op eens snelde Harbert op Smith toe, terwijl Nab en de zeeman zich achter een rots verscholen.
“Wat is er mijn jongen?” vroeg Gideon Spilett.
“Rook,” antwoordde Harbert. “Wij hebben rook zien opstijgen achter de rotsen op ongeveer honderd passen van ons verwijderd.”
“Hier menschen?” riep de verslaggever uit.
“Laten wij ons niet laten zien, voordat wij weten met wie wij te doen hebben,” antwoordde Cyrus Smith. “Ik vrees de bewoners van dit eiland meer, dan dat ik naar hen verlang. Waar is Top?”
“Top is vooruit.”
“En hij blaft niet.”
“Neen.”
“Dat is zonderling. Laten wij niettemin trachten hem terug te roepen.”
In een oogwenk waren de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert bij hun twee metgezellen en verscholen zich, evenals deze achter blokken basalt. Van daar zagen zij duidelijk een rookwolk in de lucht opstijgen, waarvan de geelachtige kleur hunne bijzondere aandacht trok.
Top was op een zacht fluitje van zijn meester teruggekomen en deze gaf een teeken aan zijn lotgenooten om hem te wachten terwijl hij zelf tusschen de rotsen vooruit sloop. De kolonisten wachtten met zekere angst den uitslag van deze verkenning af, toen zij allen op het geroep van Cyrus Smith toesnelden. Toen zij bij hem kwamen, waren zij verbaasd over de onaangename reuk, waarmede de lucht bezwangerd was.
“Dat vuur,” zei Cyrus Smith, “of liever, die rook, is alleen door de natuur ontstaan. Daar is een zwavelbron en niet anders.”
“Welzoo,” zeide Pencroff. “Hoe jammer dat ik niet verkouden ben.”
De kolonisten begaven zich vervolgens naar de plaats, waar de rook opsteeg. Daar zagen zij een bron van zwavelzure soda die vrij overvloedig tusschen de rotsen stroomde na de zuurstof uit de lucht te hebben opgeslorpt, en waarvan het water sterk naar zwavelwaterstof rook.
Toen Cyrus Smith zijn hand in dat water stak, bevond hij, dat het olieachtig was. Hij proefde het en bevond, dat het een flauw zoeten smaak had. De temperatuur er van schatte hij op vijf en negentig graden Fahrenheit. En toen Harbert hem vroeg op welken grond hij dit deed, antwoordde hij:
“Zeer eenvoudig, mijn jongen, omdat ik kou noch warmte gevoelde op het oogenblik, dat ik er mijn hand indompelde. Het is dus van dezelfde temperatuur als het menschelijk lichaam, dat ongeveer vijf en negentig graden heeft.”
Daar de zwavelbron op dat oogenblik van geen nut was, richtten de kolonisten zich naar den zoom van het bosch. Zooals men vermoed had, stroomde de beek met haar helder doorschijnend water tusschen steile oevers van rood zand, waarvan de kleur de aanwezigheid van ijzeroxyde verried. Naar aanleiding van deze kleur noemde men dit water de Roode Beek. Het water was zoet, hetgeen deed veronderstellen, dat het meer eveneens zoet zou zijn. Voor het geval dat men aan zijn oevers een betere woning dan de schoorsteenen mocht vinden, was deze omstandigheid van zeer veel belang.
De boomen behoorden grootendeels tot die soort, welke overvloedig gevonden wordt in de gematigde luchtstreek van Australië of van Tasmanië en waren niet dezelfde als men gevonden had op eenige mijlen van de bergvlakte. Het waren in het bijzonder de cassia boomen en een soort van myrteplant, waarvan eenige het volgende voorjaar een suikerachtig mannabrood moesten leveren, dat geheel overeenkwam met het oostersche manna. Kleine cederbosschen stonden hier en daar verspreid, maar de kokosboom, die zoo weelderig groeit op de eilanden der Stille Zee scheen geheel te ontbreken op dit eiland dat waarschijnlijk op te geringe breedte was gelegen.
“Hoe jammer!” zeide Harbert, “zulk een nuttige boom, waaraan zulke heerlijke vruchten groeien!”
Wat de vogels betreft, deze fladderden tusschen casuar- en myrteboomen, waarvan de takken ver uit elkander groeiden, en het uitspreiden van hunne vleugels niet verhinderde. Zwarte, witte en grijze kakketoes, papegaaien en parkietjes met bontgekleurde veeren vertoonden zich als door een prisma gezien en fladderden rond met een oorverdoovend gekrijsch.
Plotseling deed zich uit een boschje een onharmonisch concert hooren. De kolonisten vernamen achtereenvolgens het gezang van vogels, de kreten van wilde dieren en geluiden die zij aan een menschelijk wezen konden toeschrijven. Nab en Harbert waren op het boschje toegeschoten en verloren daarbij de meest noodzakelijke maatregelen van voorzichtigheid uit het oog. Gelukkig was er noch een verscheurend dier noch een gevaarlijke inboorling te vreezen, maar slechts een half dozijn van die spottende zangvogels die men weldra als “bergfazanten” herkende. Eenige behendig toegebrachte stokslagen maakten een einde aan die nabootsing van den mensch en verschaften heerlijk wild voor het avondeten.
Harbert wees nog op prachtige duiven met gebronsde vleugels, sommigen met schitterende kammen, anderen groenachtig evenals hunne stamverwanten van Port-Macquarie, maar men kon ze onmogelijk vangen, evenmin als de kraaien en eksters welke bij massa’s opstegen.
Het gebrek aan vuurwapens deed zich zeer levendig gevoelen, toen een troep viervoetige dieren door het kreupelhout heen wegvlood en daarbij zulke groote sprongen nam, van dertig voet en meer dat men zou gezegd hebben dat zij als eekhorens van boom op boom huppelden.
“Kangaroes!” riep Harbert uit.
“Kan men die eten?” vroeg Pencroff.
“Gestoofd,” antwoordde de verslaggever, “zijn zij even goed als het fijnste wildbraad!”
Spilett had nauwelijks dit aangenaam vooruitzicht geopend of Pencroff, Nab en Harbert waren de kangaroes achterna gesneld. Cyrus Smith riep hen te vergeefs terug. Maar het was ook te vergeefs, dat de jagers deze vlugge beesten nazetten, die als hazen liepen. Na vijf minuten waren ze buiten adem, en het wild verdween in het kreupelhout. Top was evenmin als zijn meester geslaagd.
“Mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff, toen zij weder bij den ingenieur en den correspondent waren, “mijnheer Cyrus, ge ziet wel dat het noodzakelijk is, dat wij geweren maken. Zou dat niet mogelijk zijn?”
“Misschien,” antwoordde de ingenieur. “Maar we zullen eerst boog en pijlen maken, en ik twijfel niet of gij zult er even handig mee leeren omgaan als de Australische jagers.”
“Pijlen, bogen!” zeide Pencroff met minachting. “Dat is goed voor kinderen!”
“Geloof dat maar niet, vriend Pencroff,” antwoordde de correspondent. “Eeuwen lang zijn pijl en boog voldoende geweest om stroomen bloeds te vergieten. Het kruit is slechts van gisteren, en de oorlog is even oud als het menschelijk geslacht,—helaas!”
Harbert kwam intusschen weder op de kangaroes terug, daar de natuurlijke historie zijn geliefkoosde wetenschap was.
“Wij hadden daar dan ook te doen met het soort dat het moeilijkst te vangen is. Het reuzensoort met lang haar; maar als ik mij niet vergis, bestaan er zwarte en roode kangaroes, rots- en rattenkangaroes, die allen gemakkelijker te vangen zijn. Men heeft een twaalftal soorten....”
“Harbert,” antwoordde de zeeman ernstig, “er bestaat voor mij slechts een soort van kangaroe, de “kangaroe aan het spit gebraden”, en juist dien zullen wij van avond missen.”
Daar ontdekten zij eene rookkolom. Blz. 66.
Top, die scheen te begrijpen dat ook zijn belang op het spel stond, draaide en snuffelde overal, rondgeleid door zijn instinct, dat nog verhoogd werd door zijn grooten honger. Het was zelfs waarschijnlijk, dat wanneer hij hier of daar een stuk wild machtig mocht worden, er weinig voor de jagers zou overblijven, en dat Top voor eigen rekening jaagde; maar Nab ging hem nauwkeurig na en deed daar wel aan.
Tegen drie uur verdween de hond in het kreupelhout; een dof geknor bewees weldra, dat hij eenig wild op het spoor was.
Nab snelde er op los en zag Top bezig een viervoetig dier te verscheuren, dat tien minuten later geheel in zijn maag zou verdwenen zijn. Maar gelukkig had de hond een nest vol aangevallen; hij had een driedubbele vangst gehad en twee andere knaagdieren—de prooi van Top behoorde tot die soort—lagen doodgebeten op den grond.
Nab keerde zegepralend terug, in iedere hand een knaagdier houdende, grooter dan een haas. Hun gele huid was bezaaid met groenachtige vlekken en hun staart bestond slechts uit een begin van dat lichaamsdeel.
Een burger der Vereenigde Staten kon geen oogenblik aarzelen den waren naam aan deze knaagdieren te geven. Het waren “patagonische hazen,” een soort van konijn-varken, een weinig grooter dan men ze in de tropische streken vindt, de konijnen van Amerika, met lange ooren, in den bek aan weerskanten met vijf scherpe kiezen gewapend, hetgeen ze juist van het varken-konijn onderscheidt.
“Hoezee!” riep Pencroff. “Daar hebben wij het gebraad! Nu kunnen wij naar huis gaan!”
De tocht huiswaarts werd aanvaard en snel voortgezet tot aan het meer Grant. Daar proefde men het water en bevond dat het zoet was. Aan sommige kringen, welke zich nu en dan aan de oppervlakte vertoonden, kon men bespeuren, dat het zeer vischrijk moest wezen.
“Dat meer is werkelijk schoon!” zeide Gideon Spilett. “Men zou aan zijn oever willen leven!”
“En wij zullen er leven!” antwoordde Cyrus Smith.
De kolonisten namen den naasten weg naar huis; zij baanden zich niet zonder moeite een pad door het kreupelhout en richtten zich naar de kust. Bij de Schoorsteenen gekomen, legden Nab en Pencroff een goed vuur aan en zorgden verder voor het middagmaal.
Toen allen zich te goed hadden gedaan en zich ter ruste wilden begeven, haalde Cyrus Smith de kleine stalen van verschillende delfstoffen, welke hij onderweg opgeraapt had, uit zijn zak, en zeide slechts:
“Mijne vrienden, dit is ijzererts, dit is een vuursteen, hier is klei, kalk en steenkool. Dit alles schenkt ons de natuur, en dit is haar deel in den gezamenlijken arbeid!—Morgen is het onze beurt!”
Wat men bij Top vindt.—Het vervaardigen van pijl en boog.—Een steenbakkerij.—Keus en raad.—De eerste “pot op ’t vuur.”—De bijvoet.—Het zuiderkruis.—Eene belangrijke astronomische waarneming.
“Welnu, mijnheer Cyrus, waar moeten wij mede beginnen?” vroeg Pencroff den volgenden morgen aan den ingenieur.
“Met het begin,” antwoordde Cyrus Smith.
En het was inderdaad letterlijk waar dat de kolonisten met het begin moesten beginnen. Zij bezaten zelfs de noodige gereedschappen niet om gereedschappen te maken, en zij bevonden zich niet in den toestand der natuur, die de wet volgt: “tijd spaart arbeid.” Tijd ontbrak hun, omdat zij dadelijk moesten voorzien in al hunne levensbehoeften, en moesten zij al niet alles uitvinden, zij moesten toch alles samenstellen. Hun ijzer en hun staal waren nog slechts delfstoffen, hunne potten en pannen nog slechts klei, hun linnen en kleederen moesten nog gesponnen worden.
Men moet echter bekennen, dat die kolonisten “mannen” waren in de schoone en krachtige beteekenis van het woord. De ingenieur Smith kon door geen handiger metgezellen bijgestaan worden, noch met meer toewijding en ijver. Hij had hen beproefd. Hij wist wat zij vermochten. Het zou werkelijk moeite kosten vijf menschen bijeen te brengen, die beter geschikt waren te strijden tegen het noodlot en zekerder waren daar over te zegepralen.
“Met het begin,” had Cyrus Smith gezegd. Het begin, waarvan de ingenieur sprak, was het vervaardigen van een toestel, dat dienen kon om hetgeen de natuur verschafte in andere vormen te brengen. Men kent de rol, die de warmte speelt bij deze verandering van vorm. Dus brandstoffen als hout en steenkool waren reeds aanstonds bruikbaar. Men moest slechts een oven samenstellen om ze aan te wenden.
“Waartoe moet die oven dienen?” vroeg Pencroff.
“Om potten te maken, die wij hoog noodig hebben,” antwoordde Cyrus Smith.
“En waarmede zullen wij den oven maken?”
“Met steenen.”
“En deze steenen?”
“Van klei. Vooruit dan vrienden. Om het vervoeren te voorkomen, zullen wij onze werkplaats aanleggen op de plaats, waar wij de grondstoffen vinden. Nab zal voor provisie zorgen en vuur zal ons niet ontbreken om onze spijzen te bereiden.”
“Neen,” antwoordde de correspondent, “maar als wij gebrek aan spijs krijgen, omdat wij geen wapen voor de jacht hebben?”
“Hadden wij maar een mes!” riep de zeeman uit.
“Wat dan?” vroeg Cyrus Smith.
“Dan maakte ik spoedig pijl en boog, en wij zouden wild in overvloed hebben.”
“Ja, een mes, een snijdend werktuig....” zeide de ingenieur in zichzelf sprekend. Op hetzelfde oogenblik viel zijn blik op Top, die aan den oever van de rivier heen en weer snuffelde. Smith scheen plotseling op een inval te komen:
“Top, hier!” riep hij.
Op het bevel van zijn meester snelde de hond toe. Deze nam den kop van Top tusschen zijn handen, ontdeed hem van de halsband, die het dier droeg, brak deze in twee stukken en zeide:
“Hier hebt ge twee messen, Pencroff!”
Twee vreugdekreten waren het antwoord van den zeeman. De halsband van Top bestond uit een smalle band hard staal. Het moest dus slechts op een biksteen geslepen worden; de rotsen van dit fijne zand waren talloos langs de kust en twee uur later bestonden de werktuigen van de kolonie in twee scherpe messen, waarvoor men gemakkelijk twee sterke heften had kunnen vinden.
Het bezit van dit eerste werktuig werd als een overwinning beschouwd; het was inderdaad een zeer gewichtige overwinning, die hoogst welkom was.
De tocht werd aanvaard. Onderweg ontdekte Harbert een boom, waarvan de Indianen in Zuid-Amerika de takken gebruiken om hunne bogen te maken. Het was de “crejimba” een soort van palmboom, die geen eetbare vruchten oplevert. Lange, rechte takken werden afgebroken, ontbladerd en aan de uiteinden dunner gesneden dan in het midden, zoodat men nog slechts een plant moest vinden, geschikt om er de pees van te vervaardigen. Deze werd verschaft door een soort van maluweplant, die bijzonder sterke vezels levert, welke te vergelijken zijn met de zenuwen van een dier. Op deze wijze verkreeg Pencroff een boog van vrij groote kracht, waaraan nog slechts de pijlen ontbraken. Die pijlen zouden geen moeielijkheid opleveren; er waren rechte takken zonder knoesten in overvloed, maar een zelfstandigheid, welke het ijzer moest vervangen aan de punt was moeilijker te vinden. Pencroff beweerde echter, dat nu hij zijn deel aan het werk gedaan had, het toeval het overige wel zou doen.
Drie duizend steenen werden vervaardigd. Blz. 73.
De kolonisten kwamen op het terrein, dat zij den vorigen avond opgenomen hadden. Het bestond uit zachte klei, die gebruikt wordt om steenen en pannen te bakken en bijgevolg uitmuntend geschikt was voor het werk dat men ging ondernemen. Men bracht er zand bij om ze vaster te maken; de steenen werden gevormd en boven een vuur van takkebossen gebakken. Die dag en de volgende werden met dezen arbeid doorgebracht. Een geoefend werkman kan, zonder machine, in vier en twintig uur tien duizend steenen vormen; maar in de twee dagen, welke de vijf steenbakkers van het eiland Lincoln werkten, vervaardigden zij er niet meer dan drie duizend, die bij elkander gezet werden, totdat het aantal voldoende zou zijn om ze te bakken, hetgeen nog drie à vier dagen zou duren.
Cyrus Smith begon den 2den April de ligging van het eiland tot zijn ernstig onderzoek te maken.
Den vorigen avond had hij nauwkeurig aangeteekend, op welk uur de zon achter den horizon verdwenen was, de straalbreking in aanmerking nemende. Dien morgen ging hij met niet minder juistheid het uur na, waarop zij weder verrees. Er waren twaalf uur, vier en twintig minuten voorbijgegaan tusschen dat op- en ondergaan. Dien dag zou de zon dus zes uur twaalf minuten na haar opkomst den meridiaan passeeren en het punt, dat zij op dat oogenblik aan den hemel zou innemen, zou het noorden zijn.
Op het bepaalde uur nam hij het punt waar, plaatste twee boomen zoodanig, dat zij hem als baken konden dienen en verkreeg aldus een onveranderlijke meridiaan voor zijn verdere waarnemingen.
De twee dagen, welke aan het bakken van de steenen voorafgingen, werden doorgebracht met het bijeenzoeken van brandstoffen. In het bosch werden takken gesneden en al het gevallen hout opgeraapt. Middelerwijl werd er in de omstreken gejaagd, te meer daar Pencroff nu in het bezit was van een boog en eenige dozijnen pijlen met scherpe punt. Top had deze punten verschaft door het aanbrengen van een stekelvarken, dat als wild niet veel waarde had, maar van onbetwistbaar nut was wegens de scherpe stekels, waarmede het was overdekt. De punten werden stevig aan de pijlen bevestigd en de verslaggever en Harbert waren spoedig een paar geoefende schutters, zoodat er steeds wild in overvloed was. Hoe lekker en smakelijk het ook gereed werd gemaakt, het was toch altijd maar wild en nog eens wild, en de kolonisten zouden overgelukkig zijn geweest als zij weer het gekook van een eenvoudigen pot gehoord hadden; maar men moest wachten tot de pot gemaakt was en bijgevolg tot dat de oven gereed zou zijn.
Op de tochten die zich tot een nauwen kring om de steenbakkerij beperkten, zagen de jagers versche sporen van groote dieren met sterke klauwen; zij konden echter nog niet bepalen tot welke soort deze behoorden. Cyrus Smith beval de grootste voorzichtigheid aan, want het was wel waarschijnlijk dat er in het bosch eenige wilde dieren zouden schuilen. En hij had gelijk. Gideon Spilett en Harbert zagen op een dag inderdaad een dier, dat veel overeenkomst had met een jaguar. Het viel gelukkig niet op hen aan, want zij zouden er misschien niet dan met eenige ernstige wonden zijn afgekomen. Maar Gideon Spilett nam zich vast voor aan alle wilde dieren een oorlog op leven en dood te verklaren en er het eiland van te zuiveren, zoodra hij in het bezit zou zijn van een deugdelijk wapen, dat is te zeggen, van een van die geweren, waarop Pencroff aanspraak maakte.
Reeds vroeg in den morgen van 6 April waren de ingenieur en zijn lotgenooten bijeen op een open plek in het bosch, waar men de steenen zou bakken. Dit moest natuurlijk in de open lucht geschieden en niet in ovens of liever de opeenhooping van de steenen zou een reusachtige oven zijn, die zich zelf zou bakken. De brandstoffen, welke uit takkebossen bestonden, werden op den grond gelegd en daarom heen plaatste men verscheidene rijen droge steenen, die weldra een grooten kubus vormden, waarin men luchtgaten maakte. Met dit werk ging een gansche dag voorbij en eerst ’s avonds kon men de takkebossen aansteken.
Dien nacht legde niemand zich te slapen, en men waakte zorgvuldig, dat het vuur niet verflauwde. Acht en veertig uur bracht men in gespannen verwachting door, maar zij hadden de voldoening dat hun werk uitmuntend geslaagd was. Aan de rookende massa moest vervolgens tijd tot afkoeling gelaten worden en Nab en Pencroff vervoerden intusschen, door Smith geleid, op een draagbaar van takken gevlochten, een groot aantal steenen, waarvan het voornaamste bestanddeel koolzure kalk was, en welke steenen in overvloed op den noordelijken oever van het meer gevonden werden.
Toen deze steenen door de warmte ontleed werden, verkreeg men dikke ongebluschte kalk, die zeer sterk uitzette toen zij gebluscht werd, en even zuiver was alsof zij verkregen was door de verkalking van krijt en marmer. Met een weinig zand gemengd om het te sterk indrogen er van te beletten, leverde deze kalk een voortreffelijke metselspecie.
Den 9den April was de ingenieur in het bezit van eene goede hoeveelheid bereide kalk en eenige duizenden steenen.
Zonder een oogenblik verloren te laten gaan, begon men aan het samenstellen van een oven, die moest dienen tot het bakken van verscheidene potten en pannen, voor huiselijk gebruik onmisbaar. Daarin slaagde men zonder groote moeielijkheid. Vijf dagen later was de oven gevuld met steenkolen, waarvan de ingenieur een laag ontdekt had aan den mond van de Roode Beek en de eerste rookwolken stegen op uit een schoorsteen van ongeveer twintig voet hoog. De open plek in het bosch was in een werkplaats herschapen en Pencroff was overtuigd, dat uit dezen oven alle voortbrengselen van de tegenwoordige nijverheid te voorschijn zouden komen.
Het eerst werden er potten en pannen gebakken om de spijzen van de kolonisten te bereiden. De vorm was nog wel gebrekkig, maar zij beantwoordden aan hun doel, en dit was het voornaamste.
Pencroff wilde zich overtuigen of de aarde, toebereid, zooals zij dit was om de pannen te bakken, de naam van “pijpaarde”, welke er aan gegeven was, verdiende; hij maakte daarom eenige grove pijpen, die hij prachtig vond, maar waaraan de tabak, helaas, ontbrak! Een gemis, dat Pencroff onophoudelijk gevoelde.
“Maar, evenals al het andere, zal de tabak ook wel komen!” riep hij bij herhaling met het volste vertrouwen uit.
Tot den 15den April hield deze arbeid aan. Nu de kolonisten pottenbakkers waren geworden, deden zij ook niets anders dan potten bakken. Wanneer Cyrus Smith het oogenblik gekomen zou achten hen in smeden te veranderen, zouden zij smeden zijn. Maar den volgenden dag was het Zondag en wel de eerste Paaschdag en allen kwamen overeen dien dag te vieren door rust te nemen.
De oven doofde uit en de potten werden naar de Schoorsteenen meegenomen. Op den terugtocht deed de ingenieur een belangrijke ontdekking; hij vond namelijk een zelfstandigheid, die geschikt was om de zwam te vervangen. Hij nam er een zekere hoeveelheid van in zijn hand en liet die Pencroff zien, welke, vervuld als hij was met de tabak, niet anders dacht of het was die, volgens hem, onmisbare plant.
“Neen,” antwoordde Cyrus Smith, “voor de geleerden is dit de chineesche bijvoet, en voor ons zal het zwam zijn.”
Deze bijvoet was inderdaad een zeer brandbare stof, als zij goed gedroogd was en vooral later, toen de ingenieur haar in salpeterzure potasch dompelde, die overvloedig op het eiland gevonden werd, en niets anders is dan salpeter.
Nab zorgde dien avond voor een goed maal, waarbij het brood, dat nog steeds aan de kolonisten ontbrak, vervangen werd door de gekookte wortelknollen van de “caladium macrorhizum,” een niet-kruid-aardige plant, die onder de keerkringen den vorm van een boom heeft.
Vóór zij slapen gingen, wilden de kolonisten nog eens van het prachtige weer genieten. Cyrus Smith was reeds geruimen tijd in gedachte verzonken, toen hij plotseling aan Harbert vroeg:
“Hebben wij vandaag niet den 15den April?”
“Ja, mijnheer Cyrus,” antwoordde Harbert.
“Welnu, wanneer ik mij niet vergis, is het morgen een van die vier dagen van het jaar, waarop de ware tijd samenvalt met den gemiddelden tijd, dat is te zeggen, mijn jongen, dat de zon morgen, op eenige seconden na, den meridiaan zal passeeren, juist wanneer onze uurwerken den middag aanwijzen. Indien het weer dan gunstig is, hoop ik ongeveer de geographische lengte van het eiland te kunnen bepalen.”
“Zonder instrumenten, zonder sextant?” vroeg Gideon Spilett.
“Ja,” hernam de ingenieur. “En daar de nacht helder is, wil ik nog dezen avond de breedte trachten te bepalen door de hoogte te berekenen van het Zuiderkruis. Het is namelijk niet voldoende, dat wij weten, dat dit land een eiland is, wij moeten zoo nauwkeurig mogelijk berekenen op welken afstand het gelegen is, hetzij van de Amerikaansche, hetzij van de Australische kust of van de voornaamste eilanden van de Stille Zee.”
Er werden potten en pannen gebakken. Blz. 75.
“Inderdaad,” zei de correspondent. “Wij konden er wel eens meer belang bij hebben een schip dan een huis te bouwen, wanneer wij bij toeval op een honderd mijlen van een bewoonde kust zijn.”
“Daarom zal ik dezen avond de breedte en morgen de lengte van het eiland Lincoln trachten te bepalen.” Inderdaad berekende hij, alleen op de gegevens door Harbert medegedeeld, door het stellen van staken, de juiste ligging van het eiland.