De lengte van het eiland.—Een ontdekkingstocht ten noorden.—Een oesterbank.—Plannen voor de toekomst.—De zon gaat door den meridiaan.—De ligging van Lincoln.
De uitslag van de berekeningen, welke Cyrus Smith op den 15den April maakte, was, dat het eiland Lincoln gelegen was op den zevenendertigsten graad zuiderbreedte.
De ingenieur zou de lengte bepalen, wanneer de zon den meridiaan zou passeeren.
Men besloot den zondag te besteden met, na hun kleederen gewasschen te hebben, een wandeling te maken of liever een verkenningstocht tusschen de noordzijde van het meer en de Haaien-golf, en indien het weer het toeliet, zou men den tocht in het zuiden tot kaap Zuid-Mandibule uitstrekken. Zij wilden provisie meenemen en eerst ’s avonds thuis komen.
Om half negen waren allen gereed en begaven zij zich langs de beek op weg. Aan de andere zijde, op een klein eilandje, stapte een groot aantal vogels statig op en neer. Het waren duikers, een soort van ganzen, die men dadelijk herkent aan het onaangename gekrijsch dat zij maken en dat eenige overeenkomst heeft met het balken van een ezel. Pencroff beschouwde deze slechts uit een oogpunt van eetbaarheid, en het deed hem onuitsprekelijk veel genoegen, toen hij hoorde, dat hun vleesch, hoewel zwart van kleur, zeer goed te gebruiken was.
Men zag ook groote amphibieën over het zand kruipen, waarschijnlijk zeehonden, die het eilandje tot toevluchtsoord gekozen schenen te hebben. Men kon deze dieren onmogelijk als een bruikbare spijs beschouwen, want hun vleesch is traanachtig en onsmakelijk; Cyrus Smith sloeg ze echter aandachtig gade en zonder zijn denkbeelden er over mede te deelen, zei hij tot zijn metgezellen, dat zij weldra het eilandje zouden bezoeken.
Langs den oever lagen tallooze schelpen, waarvan eenigen van hooge waarde zouden geweest zijn voor een natuurkundige. Het waren onder anderen driehoekschelpen, ammonshoorns, phasiasnellen enz. Maar hetgeen het meest van nut kon zijn, was een groote oesterbank die bij laag water zichtbaar was en door Nab aangewezen werd tusschen de rotsen op ongeveer vier mijlen afstands van de Schoorsteenen.
“Nab heeft vandaag den kost verdiend,” riep Pencroff uit, terwijl hij de oesterbank beschouwde.
“Het is inderdaad een gelukkige ontdekking,” zei de verslaggever, “en, als het waar is, dat elke oester, zooals men beweert, vijftig à zestig duizend eieren legt, dan hebben wij daar een onuitputtelijken voorraad.”
“Ik geloof echter, dat oesters niet zeer voedzaam zijn,” merkte Harbert op.
“Neen,” antwoordde Cyrus Smith. “De oester bevat slechts zeer weinig stikstofhoudende bestanddeelen en iemand, die er zich uitsluitend mee mocht willen voeden, had er niet minder dan vijftien à zestien dozijn daags noodig.”
“Welnu,” antwoordde Pencroff, “wij kunnen menig gros verslinden, voordat de bank ledig is. Als wij er eens een paar voor ons ontbijt namen?”
Nab en Harbert maakten eenige van die schelpdieren los, zonder antwoord af te wachten, daar zij wel wisten dat het voorstel ieder welkom moest zijn. Zij deden ze in een net, dat Nab gemaakt had van de vezels van heemst, en waarin het verdere maal ook was geborgen. Vervolgens zette men den weg tusschen de duinen en de zee, langs de kust voort.
Cyrus Smith keek van tijd tot tijd op zijn horloge, om vooral het oogenblik niet voorbij te laten gaan, waarop hij de zon kon schieten.
Dit geheele gedeelte van het eiland was zeer onvruchtbaar tot aan het punt, waar de baai der Vereenigde Staten eindigde, dat men kaap Zuid Mandebule genoemd had. Men zag er slechts zand en schelpen, vermengd met stukken lava. Eenige zeevogels kwamen nu en dan op dit verlaten strand, zeemeeuwen, groote stormvogels en zelfs wilde eenden, die met recht de begeerlijkheid van Pencroff opwekten. Hij trachtte wel ze met zijn pijlen te treffen, maar zonder gevolg, want zij bleven niet zitten en men zou ze in hun vlucht moeten raken.
De zeeman vond hierin alweder een geschikte gelegenheid om den ingenieur weder de volgende opmerking te maken:
“Ziet ge wel, mijnheer Cyrus, zoolang wij niet een of twee jachtgeweren hebben, zal ons materieel niet volmaakt zijn.”
“Zeker, Pencroff,” antwoordde de verslaggever, “maar het hangt slechts van u af. Verschaf ons ijzer voor de loopen, staal voor de batterijen, salpeter, kool en zwavel voor kruit, kwik en salpeterzuur voor het knalzuurzout, en eindelijk lood voor de kogels en dan zal Cyrus ons geweren van de beste soort maken.”
“O!” antwoordde de ingenieur, “wij kunnen al deze bestanddeelen zonder twijfel op het eiland vinden, maar een vuurwapen eischt zeer veel zorg en goede gereedschappen. Maar wij zullen later zien.”
“Waarom hebben wij dan ook al die wapens en gereedschappen die met ons in het schuitje waren, overboord geworpen, zelfs onze zakmessen!” bromde Pencroff.
“Maar, als wij dat niet gedaan hadden, Pencroff, zouden wij met den ballon tot op den bodem der zee gezonken zijn!” antwoordde Harbert.
“Ja, dat is waar, ge hebt gelijk, mijn jongen!”
Oogenblikkelijk ging hij tot een ander onderwerp over en zei:
“Maar daar valt mij iets in, wat zal Jonathan Forster en zijn metgezellen verbaasd hebben gestaan, toen zij den volgenden morgen de plaats verlaten en den ballon gevlogen vonden!”
“Dat is wel het laatste waarover ik mij zal bekommeren!” antwoordde de correspondent.
“Nu heb ik daar toch het eerst aan gedacht,” zei Pencroff vol zelfvoldoening.
“Een mooie gedachte, Pencroff,” hernam Gideon Spilett lachende, “en wie heeft ons gebracht waar wij nu zijn!”
“Ik ben liever hier dan in de handen der Zuidelijken!” riep de zeeman uit, “vooral sedert mijnheer Cyrus de goedheid heeft gehad zich bij ons te voegen!”
“En ik ook, waarachtig!” stemde de correspondent in. “Bovendien, wat ontbreekt ons hier? Niets!”
“Of.... alles!” antwoordde Pencroff, die in lachen uitbarstte en zijn breede schouders schudde. “Maar vroeg of laat zullen wij het middel ontdekken om weg te komen!”
“En misschien eerder dan gij wel denkt, vrienden,” zei toen de ingenieur, “indien het eiland Lincoln slechts op matigen afstand is gelegen van bewoonde eilanden of vastland. Binnen een uur zullen wij dit weten. Ik heb geen kaart van de Stille Zee, maar het zuidelijk gedeelte staat mij helder voor den geest. Ten westen van het eiland Lincoln ligt, volgens de breedte, die ik gisteren verkregen heb, Nieuw-Zeeland en ten oosten Chili; maar die twee landen liggen minstens zesduizend mijlen van elkander. Er blijft dus slechts over te bepalen, welke plaats dit eiland inneemt op deze groote uitgestrektheid zee, en dat zullen wij aanstonds door de lengte juist genoeg te weten komen.”
“Is het niet de Pomotou-archipel,” vroeg Harbert, die, wat de breedte betreft, het dichtst bij ons is?”
“Ja,” antwoordde de ingenieur, “maar wij zijn er toch door een afstand van meer dan twaalfhonderd mijlen van gescheiden.”
“En daar?” vroeg Nab, die met de grootste belangstelling het gesprek gevolgd had, en naar het zuiden wees.
“Daar, niets,” antwoordde Pencroff.
“Niets, inderdaad,” voegde de ingenieur er bij.
Zondagsviering. Blz. 78.
“En, Cyrus,” vroeg de correspondent, “wanneer Lincoln op slechts twee à drie honderd mijlen van Nieuw-Zeeland of Chili gelegen is?....”
“Welnu,” antwoordde de ingenieur, “dan bouwen wij in plaats van een huis een schip, en meester Pencroff zal zich met het besturen daarvan belasten....”
“Zeker, zeker, mijnheer Cyrus,” riep de zeeman uit, “ik ben aanstonds gereed het ambt van kapitein te aanvaarden.... zoodra gij de middelen zult gevonden hebben om een schip samen te stellen, waarmee wij ons op zee vertrouwen kunnen!”
“Wij zullen er een bouwen, als het noodig is!” antwoordde Cyrus Smith.
Intusschen naderde de tijd, waarop de waarneming moest geschieden. Hoe zou Cyrus Smith het aanleggen om, zonder een enkel instrument, het passeeren van de zon door den meridiaan gade te slaan? Dit ging het verstand van Harbert te boven.
De kolonisten waren op ongeveer zes mijlen van de Schoorsteenen verwijderd, en niet ver van de plaats in de duinen waar de ingenieur gevonden was na zijn wonderbaarlijke redding. Zij besloten daar halt te houden en alles werd voor het ontbijt gereed gemaakt, want het was half twaalf. Harbert ging water halen uit de beek, die er dicht bij stroomde en bracht het in een kruik, welke Nab medegenomen had.
Cyrus Smith maakte zich intusschen tot zijn astronomische waarneming gereed. Hij koos een gedeelte van het strand dat door de afnemende zee volkomen waterpas geworden was, en stak er een stok van zes voet lang loodrecht in.
Harbert begreep toen hoe de ingenieur te werk zou gaan om den doorgang van de zon door den meridiaan te bepalen. Het was door middel van de schaduw die de stok op het zand wierp, een middel, dat, bij gebrek aan instrumenten, hem een voldoende juistheid zou geven voor het resultaat, dat hij wilde verkrijgen.
Het oogenblik dat die schaduw het minimum van lengte zou bereiken, zou juist het zuiden zijn. En het was voldoende dat men het verste punt van de schaduw waarnam, om het oogenblik te bepalen, waarop zij, na steeds korter geworden te zijn, weder langer werd.
De verslaggever stond met zijn horloge in de hand gereed om te zeggen hoe laat het precies was, als de schaduw het kortst zou zijn.
De zon ging intusschen langzaam voort; de schaduw van den stok werd al korter en korter, en toen het Cyrus Smith voorkwam dat hij langer begon te worden, riep hij uit:
“Hoe laat?”
“Vijf uur en een minuut,” antwoordde Gideon Spilett onmiddellijk.
De schaduw zou korter worden. Blz. 82.
De waarneming moest nu nog slechts becijferd worden. Niets was gemakkelijker. Er was, zooals men ziet, precies vijf uur verschil tusschen den meridiaan van Washington en dien van het eiland Lincoln, dat is te zeggen, het was middag op Lincoln, toen het reeds vijf uur in den avond te Washington was. De zon doorloopt in haar schijnbare beweging om de aarde, een graad in vier minuten, dus vijftien graden in een uur. In een uur doorloopt zij vijftien graden, dus in vijf uur vijfmaal vijftien graden, gelijk aan vijf en zeventig graden.
Daar Washington ligt op 77° 3′ 11″ westelijk van den meridiaan van Greenwich,—die de Amerikanen evenals de Engelschen tot uitgangspunt van de lengte aangenomen hebben,—volgt er uit, dat het eiland, in ronde cijfers, gelegen was op zeven en zeventig graden, plus vijf en zeventig graden ten westen van den meridiaan van Greenwich, dat is alzoo op honderd twee en vijftig graden westerlengte.
Cyrus Smith deelde dat resultaat aan zijn metgezellen mee, en alles in aanmerking nemende, meende hij te kunnen verzekeren, dat het eiland Lincoln gelegen was tusschen de vijf en dertigste en zeven en dertigste parallel en tusschen den honderd vijftigsten en honderd vijf en vijftigsten meridiaan ten westen van den meridiaan van Greenwich.
Het was zeer waarschijnlijk, dat het eiland Lincoln zoover verwijderd lag van elk land of eiland, dat men het niet wagen mocht, dien afstand in een eenvoudige, zwakke boot af te leggen.
Door deze waarneming kwam men tot de zekerheid, dat het eiland op minstens twaalf honderd mijlen gelegen was van Taiti en van de eilanden der Pomotou-archipel en op achttien honderd mijlen van Nieuw-Zeeland, en eindelijk op meer dan vier duizend vijf honderd mijlen van de Amerikaansche kust!
Cyrus Smith herinnerde zich niet dat er eenig eiland gelegen was in dat gedeelte van de Stille Zee, waar zij nu overtuigd waren, dat het eiland Lincoln lag.
Er wordt bepaald besloten tot overwintering.—De quaestie der delfstoffen.—Onderzoek van het eiland.—Jacht op zeehonden.—De katalaansche methode.—Vervaardiging van ijzer.—Hoe men staal bekomt.
Den anderen morgen, den 17den April richtte de matroos het eerste woord tot Gideon Spilett.
“Wel mijnheer,” zeide hij, “wat zullen wij nu van daag zijn?”
“Alles wat Cyrus Smith goedvindt,” antwoordde de reporter. Tot nog toe waren zij steen- en pottebakkers geweest, maar nu zouden de vrienden van den ingenieur metaalgieters worden.
Zij plaatsten zich langs de rotsen. Blz. 86.
Den vorigen dag, na het ontbijt, hadden zij hun onderzoek tot de kaap Zuid-Mandibule kunnen uitstrekken, welke ongeveer zeven mijlen van de Schoorsteenen was verwijderd, en waar de grond van een geheel anderen aard was. De avond was toen echter gevallen, zoodat zij wel naar de Schoorsteenen moesten terugkeeren, maar dien nacht deden zij geen oog dicht, voordat zij overeengekomen waren het eiland Lincoln te verlaten.
Wel was de afstand van twaalf honderd mijlen, die het eiland scheidde van den Pomotou-archipel, groot. Met een bootje was het onmogelijk, vooral daar een slechte tijd naderde. Pencroff had dit ronduit gezegd. Een groote boot te timmeren, al had men er alle werktuigen voor, zou toch moeielijk gaan. Zij besloten dus op het eiland Lincoln te overwinteren, en een beter verblijf dan de Schoorsteenen op te zoeken.
Vóór alles moesten zij gebruik maken van de ijzermijn om dan staal of ijzer er uit te bereiden.
“Moeten wij nu ijzer gaan maken, mijnheer Smith?” vroeg Pencroff.
“Ja,” was het antwoord van den ingenieur, “en daarom—wat u ongetwijfeld genoegen zal doen—moeten wij eerst zeehonden op het eilandje gaan vangen.”
“Jacht op de zeehonden!” riep de matroos uit, terwijl hij zich tot Gideon Spilett wendde. “Wij moeten dus een zeehond hebben om ijzer te bereiden?”
“Cyrus Smith zegt het!” antwoordde de verslaggever.
Maar de ingenieur had de Schoorsteenen reeds verlaten en Pencroff maakte zich tot de jacht gereed, zonder eenige andere verklaring gekregen te hebben.
Spoedig waren Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en de matroos op het strand vereenigd daar, waar de zee een doorwaadbare plek bij eb aanbood.
Het was de eerste maal dat Cyrus Smith een voet op het eilandje zette en de tweede maal van zijn vrienden sedert zij er door den ballon opgeworpen waren. De jagers verspreidden zich terstond achter de rotsen waar zij geduldig wachtten tot de zeehonden op het strand kwamen.
Een uur ging er voorbij eer dat er een zeehond te zien was; zij telden er toen ongeveer een half dozijn. Pencroff en Harbert begaven zich naar de punt van het eilandje, om ze den terugtocht te beletten. Intusschen plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett en Nab zich langs de rotsen en naderden zoo de plaats waar de strijd gevoerd moest worden.
Plotseling verhief zich de hooge gestalte van Pencroff. De matroos uitte een kreet. De ingenieur en zijn makkers snelden ijlings naar hem toe. Twee dieren lagen, door een geweldigen slag getroffen, dood op den grond, maar de overigen konden zich nog bij tijds in zee werpen.
“Hier hebt gij de bestelde zeehonden, mijnheer Smith!” zeide Pencroff tot den ingenieur.
“Goed,” antwoordde deze, “wij zullen er blaasbalgen van maken!”
“Blaasbalgen!” riep Pencroff verbaasd uit.
Inderdaad was de ingenieur van plan een blaasbalg te maken van de huid dezer dieren. Zij hadden een middelmatige lengte, en hun kop geleek veel op dien van een hond.
Maar daar zij zulk een zwaren last niet gaarne onnoodig mededroegen, besloten Nab en Pencroff op de plaats zelf hun huid af te stroopen, terwijl Cyrus Smith en de reporter het eiland verder gingen onderzoeken.
De matroos en de neger kweten zich zeer behendig van hun taak, en drie uur later was Cyrus Smith in het bezit van twee zeehondenhuiden, die hij onbereid zou gebruiken.
Spoedig daarop konden zij weder de Schoorsteenen binnentreden.
Maar het was lang geen gemakkelijk werk om deze huiden op lange reepen hout uit te spreiden, en ze door middel van vezels er op vast te maken, zoodat de lucht er in opgenomen kon worden, zonder veel er uit te laten ontsnappen. Verscheidene malen moest men van voren af aan beginnen. Cyrus Smith had slechts twee stukjes staal tot zijn dienst, afkomstig van den halsband van Top, en toch ging hem alles zoo goed af, en stonden zijn vrienden hem zoo vaardig ter zijde, dat zij drie dagen later in het bezit waren van een blaasbalg die volop lucht in het erts kon blazen.
Het was op den 20sten April, dat ze ’s morgens vroeg hun werk aanvingen. Maar aangezien de mijn in het noordwesten van den berg Franklin gelegen was, dus zes mijlen van de Schoorsteenen verwijderd, konden zij niet elken dag naar de Schoorsteenen terugkeeren, en kwamen zij dus overeen, daar voor behulp een hut op te slaan, zoodat ze dag en nacht met hun belangrijken arbeid konden voortgaan. Zij hadden een langen weg af te leggen, maar dit stelde hen in staat om den grond en het gevogelte gade te slaan. Tegen vijf uur maakte Cyrus Smith halt. Zij hadden thans het bosch achter zich. Eenige honderden passen verder stroomde de Roode Beek; dus waren zij in de nabijheid van drinkwater.
Den anderen ochtend, den 21sten April, ging Cyrus Smith, vergezeld van Harbert, het terrein, waar zij reeds ijzererts gevonden hadden verder onderzoeken. Deze mijn was zeer rijk aan ijzer en Cyrus besloot hier de Katalaansche methode in toepassing te brengen, welke ook op Corsica algemeen gevolgd wordt. Wel moest hij deze methode zeer vereenvoudigen, daar hij slechts een ijzermassa wilde hebben. Zeker hadden Tubal-Kaïn en de eerste metaalbewerkers op dezelfde wijze het ijzer bereid. Maar wat aan het kroost van Adam gelukt was en zulke goede uitkomsten opleverde in streken zoo rijk aan ijzer en brandstof, moest ook gelukken onder de omstandigheden, waarin de kolonisten van het eiland Lincoln geplaatst waren.
Evenals het erts werden ook de brandstoffen zonder moeite uit den omtrek, waar zij op de oppervlakte van den bodem lagen, bijeengezameld. Men brak eerst het erts in stukjes en ontdeed ze van de onreinheden waarmede zij bedekt waren. Daarop werden de steenkolen en het erts in elkander afwisselende lagen opeengestapeld, gelijk de kolenbrander doet wanneer hij houtskool maakt. Op die wijze en onder de werking der verhitte lucht, welke door den blaasbalg verkregen werd, veranderde de kool in koolzuur en in kool-oxyde, om op die wijze het ijzer van zuurstof te bevrijden. De blaasbalg van zeehonden-vel met een steenen handvat aan het uiteinde, dat eerst in den pottenbakkers-oven was vervaardigd, werd bij den ertsstapel geplaatst en door een toestel in beweging gebracht, dat uit koorden en tegenwichten bestond en een hoeveelheid lucht uitblies, welke de temperatuur deed stijgen en aldus behulpzaam was bij het chemisch proces, waardoor het zuivere ijzer zou worden verkregen. De bewerking was moeilijk; zij vereischte al het geduld en beleid van de kolonisten om ze tot een goed einde te brengen. Maar eindelijk slaagde men er in en verkreeg een klomp ijzer, welke men moest smeden om er de lucht- en waterdeelen uit te drijven. Een hamer nu ontbrak aan deze smeden; maar alles wel beschouwd, verkeerden zij in denzelfden toestand, waarin de eerste metaalbewerker verkeerd had, en deden zij wat deze moet hebben gedaan.
De eerste klomp, aan een stok bevestigd, diende als hamer om den tweede te smeden op een aanbeeld van graniet, en zoo verkreeg men een ruw metaal, dat tamelijk bruikbaar was.
Eindelijk, na veel moeite en inspanning, gelukte het hun den 25sten April eenige ijzeren staven te bezitten, die zij tot verschillende werktuigen versmeedden.
Maar toch kon dit metaal hun geen groote diensten bewijzen, daar het zuiver ijzer was en zij vooral behoefte hadden aan staal.
Het staal nu is een verbinding van ijzer en zuurstof, die men verkrijgen kan, hetzij uit gesmolten ijzer, door daaruit de te groote hoeveelheid koolstof te verwijderen, of uit het ijzer door er de vereischte hoeveelheid koolstof bij te voegen.
Hierop was Cyrus Smith ook weder bedacht en hij slaagde er in. Allerlei instrumenten, natuurlijk grof bewerkt, gelukten hem ook, en eindelijk was den 5den Mei hun metaalbewerking afgeloopen en keerden de smeden weder naar de Schoorsteenen terug, om daar een nieuwen werkkring te zoeken.
De huisvesting op nieuw besproken.—Een droombeeld van Pencroff.—Een onderzoek van het noordelijk meer.—De noordelijke grens van den bergrug.—De slangen.—Het uiteinde van het meer.—Top is onrustig.—Top zwemt.—Een strijd onder water.—De zeekoe.
Het was nu de 6de Mei, de dag, die met den 6den November van het noordelijk halfrond gelijk staat. De lucht werd mistig en men moest aan eenige toebereidselen voor den winter gaan denken. Toch was de temperatuur niet veel kouder geworden. Maar al dreigde de koude nog niet in te vallen, de regentijd naderde toch en op dit verlaten eiland, te midden der Stille Zee, moest het vaak slecht weder zijn.
Pencroff sloeg er twee dood. Blz. 86.
De quaestie, een beter verblijf te kiezen, moest dus wel ernstig besproken en overdacht worden.
Natuurlijk had Pencroff wel eenige voorliefde voor deze woning, die hij zelf ontdekt had; maar hij begreep ook dat het raadzamer was een andere te zoeken. Reeds eenmaal was de zee in de Schoorsteenen doorgedrongen en men kon zich niet weder op nieuw aan zulke onheilen blootstellen.
“Bovendien,” voegde Cyrus Smith er bij, toen zij dien dag over dat onderwerp spraken, “moeten wij toch eenige voorzorgen nemen.”
“Waarom? Het eiland is toch onbewoond,” zei de correspondent.
“Dat is waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur, “hoewel wij het nog niet geheel en al onderzocht hebben, maar zoo er zich geen enkel menschelijk wezen op bevindt, vrees ik toch dat de wilde dieren het niet verlaten zullen hebben. Het beste is dat wij ons tegen alle aanvallen in veiligheid brengen, en wij moeten vooral niet vergeten elken nacht een van allen te waken om het vuur te onderhouden. In ieder geval, vrienden, moeten wij op alles bedacht wezen.”
“Wat,” zei Harbert, “op zulk een afstand van elk land?”
“Ja, beste jongen,” antwoordde de ingenieur. “De zeeroovers zijn dappere lieden en geduchte boosdoeners, daarom moeten wij onze maatregelen nemen.”
“Welnu,” antwoordde Pencroff, “wij zullen ons tegen de wilden, zoowel tegen de twee- als de viervoetigen beveiligen. Maar, mijnheer Cyrus, zou het niet beter wezen, als wij, voor iets te ondernemen, het eiland in zijn geheele uitgestrektheid onderzochten?”
“Ik geloof ook, dat dit het raadzaamste is,” zei Gideon Spilett. “Wie weet of wij aan de tegenovergestelde kust geen grot vinden, die wij hier tevergeefs hebben gezocht?”
“Maar wel moeten wij er aan denken,” hernam Cyrus Smith, “dat wij ons verblijf bij goed drinkwater moeten opslaan.”
“Laten wij dan, mijnheer Cyrus,” zei Pencroff, “een huis aan den oever van het meer bouwen. Noch de steenen, noch de werktuigen ontbreken ons thans. Nu wij eenmaal steenbakkers, pottebakkers en smeden zijn geweest, kunnen wij ook wel metselaars worden.”
“Ja, maar, vóór wij tot een besluit komen, moeten wij eerst een onderzoek instellen. Een woning, die door de natuur gemaakt is, bespaart ons alweder de moeite ze te maken, en zeker zal zij ons een veiliger woonplaats aanbieden, want zij zal beschut wezen tegen de vijanden zoowel inlandsche als buitenlandsche.”
“Gij hebt gelijk, Cyrus,” zei de reporter, “maar wij hebben deze rotsachtige kust al van alle kanten onderzocht en geen opening, geen spleet gevonden!”
“Neen, geen enkele,” voegde Pencroff er bij. “Zoo wij maar een opening in dien muur hadden kunnen boren, op een zekere hoogte, zoodat zij buiten het bereik was, dat zou ons eerst te pas zijn gekomen! Van hier af zie ik reeds op den gevel die naar de zee gekeerd is, en vijf of zes kamers in dat huis.”
“Met vensters die ze verlichten!” riep Harbert lachend uit.
“En een trap om naar boven te gaan!” voegde Nab er bij.
“Gij lacht er om,” riep de matroos uit, “en waarom? Wat is er voor onmogelijks in? Hebben wij geen bijlen en houweelen. En zou mijnheer Cyrus geen middel weten om kruit te maken, waarmede wij de mijn kunnen laten springen?”
Cyrus Smith hoorde met alle kalmte den opgewonden Pencroff aan, terwijl deze zijn phantastische plannen blootlegde. Om de rotsmassa zelfs door het springen eener mijn aan te tasten, zou een onmogelijk werk wezen en het was inderdaad jammer dat de natuur het zwaarste gedeelte dezer taak niet verricht had. Maar de ingenieur gaf den matroos slechts ten antwoord dat hij den rotswand maar eens oplettend moest gadeslaan, van de monding der rivier tot den noordelijken uithoek.
Men ging dus naar buiten en het onderzoek nam een aanvang. Maar nergens was een holte te ontdekken, slechts nesten van wilde duiven, en hier en daar een uitstekend gebroken granietblok. De ingenieur stelde dus voor om langs de hoogte naar de Schoorsteenen terug te keeren, om dan tegelijk de rivier te onderzoeken. Zij vervolgden hun weg, aandachtig alles waarnemende daar zij nu een gedeelte van het eiland betreden hadden, dat hun nog onbekend was. Maar geen enkel spoor van eenig wild dier deed zich voor; het was ook waarschijnlijk dat die meer in de zuidelijke bosschen huisden; maar toch gaf het hun een onaangename gewaarwording, toen Top plotseling voor een groote slang van ongeveer veertien à vijftien voet lengte stil bleef staan. Nab doodde haar met één slag. Cyrus Smith beschouwde haar aandachtig en verklaarde dat zij niet vergiftig was, daar zij tot de soort der diamantslangen behoorde, waarmede de inboorlingen zich in Nieuw Zuid-Wales voeden. Maar toch was het mogelijk dat er zich nog andere bevonden wier beet doodelijk kon zijn, zooals de adders met gespleten staart, die overeind gaan staan, of de vleugelslangen, welke kleppen aan de ooren hebben, waardoor zij zich met reusachtige snelheid kunnen bewegen. Toen Top van den eersten schrik bekomen was, vervolgde hij met zooveel vuur de jacht op slangen, dat zij beangst voor hem werden en zijn meester hem dan ook telkens terug moest roepen.
Spoedig hadden zij de monding van de Roode Beek bereikt. Zij herkenden het punt dat zij reeds bezocht hadden, toen zij den berg Franklin afdaalden.
Cyrus Smith ontdekte, dat de aanvoer van water zeer aanzienlijk was, zoodat er noodzakelijk hier of daar een punt moest wezen, waar het overtollige water afvloeide. Dat punt moest men ontdekken, want daar zou waarschijnlijk een waterval wezen, dien men als beweegkracht zou kunnen aanwenden. Zij vervolgden dus nog een eind hun weg, maar zorgden goed bij elkander te blijven. Het water scheen hoe langer hoe vischrijker te worden en Pencroff nam zich voor om vischtoestellen te maken, ten einde dien rijken buit te vermeesteren.
Voor het oogenblik was hun taak slechts de noordelijke punt te bezoeken. Hier stonden meer boomen, welke aan het landschap een schilderachtig aanzien gaven. Het Grant-meer lag toen in zijn geheele uitgestrektheid voor hen; geen koelte deed het lommer bewegen. Top deed nu en dan een zwerm vogels opvliegen, die Gideon Spilett en Harbert met hun pijlen begroetten. Harbert had er zelf een getroffen, die tusschen de struiken viel. Top snelde er heen en bracht een mooien vogel met grijze vleugels in zijn bek terug. Het was een waterhoen, ter grootte van een patrijs, doch deze vogel was bij nader onderzoek niet voor hun avondmaal geschikt en Top moest er zich dus over ontfermen.
Zij volgden nu een oostelijke richting, en kwamen toen weder op bekend terrein. Op dit oogenblik werd Top, die tot nu toe zeer kalm was geweest, plotseling onrustig. Het verstandige dier liep maar heen en weer en stond telkens bij het water stil, alsof hij daar eenig onzichtbaar wild rook; daarop blafte hij, maar hield zich dan weer eensklaps stil.
Noch Cyrus Smith, noch zijn makkers sloegen acht op het gedrag van den hond; maar Top herhaalde zoo onophoudelijk zijn geblaf, dat het den ingenieur eindelijk wel treffen moest.
“Wat is er dan toch, Top?” vroeg hij.
De hond sprong tegen zijn meester op, en gaf duidelijk zijn onrust te kennen, waarop hij weder naar het water snelde. Daarop sprong hij plotseling in het meer.
“Hier Top!” riep Smith, daar hij niet wilde dat de hond in die onbekende wateren zich zou wagen.
Top keerde op het geroep van zijn meester terug, maar toch kon hij niet rustig bij hem blijven en scheen hij een dier onder het water te volgen. Maar het meer was zeer klein en geen golfje rimpelde de oppervlakte. Menigmaal stonden allen stil en sloegen zij het oplettend gade, maar er verscheen niets. Er moest hier eenig geheim achter schuilen. De ingenieur begon er hoe langer hoe meer belang in te stellen.
“Laten wij onzen ontdekkingstocht tot het einde toe vervolgen,” zei hij.
De blaasbalg werkte. Blz. 88.
Een half uur later hadden zij den zuidoostelijken hoek van het meer bereikt en bevonden zij zich op de vlakte: het Verre Uitzicht. Bij dit punt konden zij hun onderzoek van het meer voor geëindigd houden, en toch had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar en hoe de uitloozing van het water plaats greep.
“Toch moet zulk een uitloozing ergens wezen,” herhaalde hij gedurig, “en daar hij niet boven den grond te vinden is, moet hij aan de binnenzijde van de rots wezen!”
“Maar waarom stelt ge daar belang in, Cyrus?” vroeg Gideon Spilett.
“Een zeer groot belang zelfs,” antwoordde de ingenieur, “want zoo de uitstorting in de rots zelf plaats heeft, moet zich daar een grot bevinden, die men zeer gemakkelijk tot een woonplaats kan inrichten, als men het water afleidt!”
“Maar is het niet mogelijk, mijnheer Cyrus, dat het water in het meer zelf uitloopt,” zeide Harbert, “en dat het door een onderaardsch kanaal naar zee stroomt?”
“Dat kan zeer goed,” antwoordde de ingenieur, “en zoo dat het geval mocht wezen, dan zijn wij verplicht ons huis zelf te bouwen, daar dan de natuur de eerste fondamenten niet gelegd heeft.”
Zij haastten zich thans om, daar het reeds vijf uur was, de Schoorsteenen op te zoeken, toen Top weder zijn geblaf liet hooren. Het was thans zoo heftig, en vóor zijn meester hem nog had kunnen weerhouden was hij reeds in het water gesprongen.
Allen liepen naar den oever. De hond was echter reeds twintig voet van hen verwijderd en Cyrus Smith riep hem met alle kracht terug, toen een kop plotseling boven het water verscheen, dat hier niet diep scheen te wezen. Harbert herkende terstond het dier en riep uit:
“Een zeekoe!”
Het dier had zich op den hond geworpen, die het te vergeefs trachtte te ontwijken. Zijn meester kon niets tot zijn redding bijbrengen, en zelfs vóor dat het denkbeeld bij Gideon en Harbert was opgekomen, om het met hun pijlen te treffen, was Top reeds onder water verdwenen. Nab stond op het punt om het arme dier met een ijzeren staaf te hulp te komen en het ondier in zijn eigen element aan te tasten.
“Terug, Nab,” zeide de ingenieur, terwijl hij zijn kloeken dienaar tegenhield.
Intusschen werd er onder water hevig gestreden; Top kon waarschijnlijk geen weerstand bieden, en de strijd moest dus met den dood van den hond eindigen. Maar plotseling, te midden van een grooten kring schuim, zag men hem weder boven komen. Door een onbekende kracht werd hij tien voet in de hoogte geworpen, maar zonk weder even zoo spoedig in de diepte, waarna hij nogmaals bovenkomende, naar den oever zwom zonder gewond te zijn, als door een wonder gered.
Cyrus Smith en zijn makkers zagen dit zonder het te begrijpen! Dat was iets onverklaarbaars! Zeker was de zeekoe, terwijl zij den hond in haar klauwen hield door een ander dier overvallen, en moest zij thans zich zelve verdedigen.
Top bleef staan voor een slang. Blz. 91.
Maar het duurde niet lang. Het water werd rood gekleurd van bloed en de zeekoe kwam weldra, te midden van een bloedplas, die zich naar alle zijden uitbreidde, aan de zuidelijke punt van het meer aan land.
Allen snelden naar dat punt. Het was een geducht dier, van vijftien à zestien voet lengte en moest ongeveer drie of vierduizend pond wegen. Aan zijn nek scheen het gewond te zijn, met een zeer scherpen dolk, zou men zeggen.
Welk dier had dus die vreeselijke zeekoe met één slag kunnen dooden. Niemand kon het zeggen, en met dit voorval geheel vervuld, keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar de Schoorsteenen terug.
Bezoek aan het meer.—De stroom.—Plannen van Cyrus Smith.—Het vet van de zeekoe.—Gebruik van de vuursteenen.—Glycerine.—Zeep.—Salpeter.—Zwavelzuur.—Stikstof.—Een nieuwe val.
Den anderen morgen, 7 Mei, lieten Cyrus Smith en Gideon Spilett het eten klaar maken, terwijl zij verder de vlakte van het Verre Uitzicht gingen onderzoeken, en Harbert en Pencroff den loop der rivier volgden, om een nieuwen voorraad hout op te doen. Spoedig hadden de ingenieur en zijn makker de plaats bereikt waar het dier den vorigen dag was blijven liggen.
Zij stonden thans weder op dezelfde plaats waar vier en twintig uur geleden zulk een hevigen strijd onder water was gevoerd.
Het meer scheen hier niet diep, maar hoe verder men kwam, en eindelijk als men het midden naderde, was waarschijnlijk de diepte zeer groot.
“Wel Cyrus,” vroeg de reporter, “meent ge dat dit meer volstrekt niet verdacht is?”
“Neen, beste Spilett,” antwoordde de ingenieur, “en ik weet inderdaad niet, waaraan ik dat voorval van gisteren moet toeschrijven!”
“Ik erken,” zeide Gideon Spilett, “dat de wond, die dit dier gisteren bekomen heeft zeer zonderling is en ik kan mij ook geen denkbeeld maken hoe Top met zulk een kracht boven het water werd geworpen. Men zou bijna moeten gelooven aan een krachtigen arm, gewapend met een dolk, die ook de zeekoe gedood heeft!”
Top werd tien voet in de hoogte geworpen. Blz. 94.
“Ja,” antwoordde Smith, die in gepeins verzonken was. “Er is iets dat ik niet kan begrijpen. Maar begrijpt gij zelf, Gideon, op welke wijze ik gered ben, hoe ik aan de golven ben ontkomen en mij plotseling in de duinen bevond. Neen, nietwaar? Ik heb ook een voorgevoel, dat er iets verborgens wezen moet, wat we eenmaal zullen ontdekken. Laten wij alles stipt gadeslaan, maar niet alles van deze vreemde zaken aan onze makkers vertellen. Laten wij onze aanmerkingen voor ons zelven houden en ons onderzoek voortzetten.”
Zooals men weet, had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar het overtollige water uit het meer heen vloeide, maar toch moest noodzakelijk ergens een uitloozing zijn. Cyrus Smith nu bespeurde dat zich op een zeker punt een vrij sterke stroom openbaarde. Hij wierp er eenige stukjes hout in en zag dat zij in zuidelijke richting voortdreven. Die richting volgende, kwam hij aan den zuidelijken uithoek van het meer, daar joeg het water met kracht voort, alsof het plotseling in een spleet van den bodem verdween. Cyrus Smith hield zijn oor boven de oppervlakte van het meer en hoorde duidelijk het bruisen van een onderaardschen waterval.
“Daar,” zeide hij, “daar vindt het water zijn uitweg door een kanaal in het graniet en stroomt het af naar zee door holen, waarvan wij partij zullen trekken.”
De ingenieur sneed nu een langen tak af, ontbladerde dien en toen hij hem aan het vereenigingspunt der beide oevers in den grond had gestoken, ontdekte hij dat er een vrij groote opening was ongeveer een voet onder de oppervlakte van het meer. Dit was de opening der uitloozing, die hij tot nog toe, maar te vergeefs, gezocht had, en de stroom had daar zulk een kracht, dat hij uit de handen van den ingenieur den tak rukte, die toen in het schuim der golven verdween.
“Er valt niet meer aan te twijfelen,” herhaalde Cyrus Smith. “Daar is de uitloozingsplaats, en ik zal haar ook blootleggen!”
“Maar hoe?” vroeg Gideon Spilett.
“Door de oppervlakte van het water drie voet te doen dalen.”
“En hoe wilt gij de oppervlakte doen dalen?”
“Door een andere uitloozingsplaats te maken, welke veel grooter is dan deze.”
“Op welke plaats, Cyrus?”
“Op dat gedeelte van den oever, dat het dichtst bij de kust is.”
“Maar die bestaat geheel uit graniet!” merkte de reporter aan.
“Welnu, die zal ik laten springen, en het water zal er natuurlijk uitstroomen en dus het meer doen dalen. Zoodoende kunnen wij de uitloozing vinden.”
“En een waterval op het strand maken,” voegde de correspondent er bij.
“En waterval, dien wij tot ons voordeel zullen aanwenden!” antwoordde Cyrus. “Kom, ga mede!”
De ingenieur voerde zijn makker met zich, wiens vertrouwen in hem zoo groot was, dat hij geen oogenblik aan het welslagen van het plan twijfelde. En toch, hoe moesten zij dien oever van graniet openen? Hoe zouden zij zonder kruit en met gebrekkige werktuigen die rotsen uiteen doen springen? Was het niet een werk, dat hun krachten te boven ging?
Toen Cyrus Smith en de reporter weder in de Schoorsteenen terug kwamen, vonden zij Harbert en Pencroff bezig met hun voorraad hout te ontladen.
“De houthakkers hebben hun taak volbracht, mijnheer Cyrus,” zei de matroos lachend, “en wanneer gij nu metselaars noodig hebt....”
“Geen metselaars, beste vriend, maar scheikundigen,” antwoordde de ingenieur.
“Ja,” voegde Spilett er bij, “wij gaan het eiland laten springen.”
“Het eiland laten springen!” riep Pencroff uit.
“Een gedeelte ten minste!” hernam Gideon Spilett.
“Luistert, mijn vrienden!” zei de ingenieur.
Cyrus Smith maakte hen met den uitslag van zijn onderzoek bekend. Volgens hem, moest er een vrij aanzienlijke grot bestaan in de granietmassa, die de vlakte het Verre Uitzicht uitmaakte, en hij was voornemens daar in door te dringen. Om dit te doen, moest hij eerst de opening, waardoor het water zijn uitweg vond, vrij maken, en dientengevolge de oppervlakte doen dalen door een grootere uitloozingsplaats te maken. Hiervoor moesten zij dus een ontplofbare zelfstandigheid bereiden, en op deze wijze een groote gleuf op een ander gedeelte van den oever maken. Dit wilde Cyrus Smith thans beproeven met de verschillende delfstoffen welke de natuur ter zijner beschikking had gesteld.
Het is onnoodig te zeggen, met welk een opgewondenheid dit voorstel door allen, maar voornamelijk door Pencroff begroet werd. Grootsche middelen, rotsen doen springen, een waterval maken, dat was naar den zin van den matroos! En hij zou een even goed chemist als metselaar en schoenmaker wezen, daar de ingenieur thans aan een chemist behoefte had. Hij zou alles wezen, wat men maar wilde—zelfs dans- en schermmeester, zei hij tot Nab, zoo dat noodig was.
Nab en Pencroff moesten nu eerst het spek van de zeekoe afsnijden, en dit voor bederf bewaren. Zij vertrokken terstond zonder eenige verdere inlichting te vragen, zoo volkomen was het vertrouwen dat zij in den ingenieur stelden.
Eenige oogenblikken later voeren Cyrus Smith, Spilett en Harbert de rivier op, beladen met gevlochten teenen, ten einde een voorraad vuursteenen te halen. De geheele dag ging met dezen arbeid voorbij, maar tegen den avond bezaten zij dan ook een voldoende hoeveelheid.
Den anderen morgen, 8 Mei, begon de ingenieur met zijn scheikundige proeven. De vuursteenen bestaan hoofdzakelijk uit kool of silicium, aluminium en zwavelijzer, vooral een groote hoeveelheid van het laatste; hij moest nu het zwavelijzer er uit verwijderen en het zoo snel mogelijk in sulfaat veranderen. Als men eenmaal dit sulfaat verkregen heeft dan kan men het zwavelzuur er gemakkelijk uit bereiden.
Nu maakte Cyrus Smith een gedeelte van den grond, achter de Schoorsteenen gelijk. Hier plaatste hij eenige takkenbossen en brandhout, en daarop vuurhoudende steenen; daarop overdekte hij het geheel weder met eenige vuursteenen, die vooraf verbrijzeld waren tot op de groote eener noot. Toen hij dit gedaan had, stak hij het hout aan; de warmte deelde zich aan de steenen mede die ook vlam vatten, omdat zij koolstof en zwavel bevatten. Nu werd er een nieuwe stapel van steenen gemaakt, dien zij weder met gras en planten over dekten, nadat zij de lucht er doorheen hadden laten spelen, alsof zij een stapel hout tot houtskool moesten maken.
Daarop lieten zij het proces zijn voortgang hebben en binnen de tien of twaalf dagen zou het zwavelijzer in sulfaat van ijzer en het aluminium in sulfaat van aluminium veranderd zijn, twee oplosbare zelfstandigheden; terwijl het silicium, de houtskool en de asch onoplosbaar zijn. Terwijl dit chemische proces plaats had, liet Cyrus Smith ander werk verrichten. Zij waren allen vol ijver en met geestdrift bezield.
Nab en Pencroff hadden de zeekoe van haar spek ontdaan, en dit in de groote aarden potten verzameld. Uit dit vet moesten zij ook een bestanddeel verwijderen, de glycerine, door het in zeep te veranderen. Om dit nu te verkrijgen, was ’t voldoende het met soda of kalk te vermengen. Inderdaad als men bij vet een dezer bestanddeelen brengt, verkrijgt men zeep en scheidt de glycerine zich af, en juist deze glycerine wilde de ingenieur bekomen. Aan kalk ontbrak het hem niet, zooals men weet; maar wel gaf de vermenging met kalk een kalkachtige zeep, onverbindbaar en dus ook onbruikbaar, terwijl de vermenging met soda hun integendeel een oplosbare zeep zou geven, die dus weder in het huishouden kon gebezigd worden. Dus zou Cyrus Smith soda trachten te bereiden. Was het moeielijk? Neen, want zeeplanten groeiden in grooten overvloed op het strand. Zij verzamelden dus een goede hoeveelheid van deze planten, droogden ze en lieten ze toen in groote kuilen in de open lucht verbranden. De verbranding van die planten werd gedurende eenige dagen onderhouden, zoodat de warmte den graad bereikte waarop de asch smolt, en het voortbrengsel van dit proces was een dikke grijsachtige massa, die reeds sedert lang onder den naam van “natuurlijke soda” bekend is.
Toen zij die verkregen hadden, vermengde de ingenieur het vet met de soda, die eensdeels een oplosbare zeep gaf en anderdeels een zelfstandige massa glycerine.
Maar dat was nog niet alles; Cyrus Smith moest voor zijn aanstaand preparaat nog een andere zelfstandigheid hebben, de salpeterzure potasch, die meer bekend is onder den naam van salpeter.
“Hier hebt gij nitro-glycerine!” Blz. 102.
Cyrus Smith had deze zelfstandigheid kunnen bereiden door koolzure potasch, die gemakkelijk uit de asch van planten te verkrijgen is, met salpeterzuur te vermengen. Maar het salpeterzuur ontbrak hem, en juist dat zuur wilde hij hebben. Gelukkig nu verschafte de natuur hem dit salpeter, en hij had het slechts voor het oprapen. Harbert ontdekte een laag er van in het noorden van het eiland, aan den voet van den berg Franklin, en ze behoefden nu slechts dit zout te zuiveren. Met het bereiden dezer verschillende zaken verliep er een geheele week. Zij waren met alles gereed, vóór dat het zwavelijzer in sulfaat van ijzer veranderd was. Maar in dien tusschentijd konden de kolonisten hard aardewerk in een oven van steenen vervaardigen, dat zou strekken tot het distilleeren van ijzersulfaat, wanneer dit verkregen zou zijn. Alles was tegen den 18den Mei gereed, ongeveer op hetzelfde tijdstip dat het chemische proces was afgeloopen.
Gideon Spilett, Harbert, Nab en Pencroff, voorgegaan door den ingenieur, waren de handigste werklieden geworden. De noodzakelijkheid is de meesteres naar wie men het meest luistert en die het beste onderwijst.
Cyrus Smith had nu een voldoende hoeveelheid van dit gekristalliseerde sulfaat van ijzer, waaruit zij nu het zwavelzuur moesten trekken. Den 20sten Mei was de ingenieur in het bezit van deze zelfstandigheid, die hun later van zooveel dienst zou zijn.
Toen hij het zwavelzuur verkregen had, bracht hij het bij de glycerine, die hij vooruit geconcentreerd had, door het aan verdamping bloot te stellen, en hij had nu zelfs, zonder eenig verkoelend mengsel te gebruiken, verscheidene kannen van een olieachtige gele vloeistof verkregen. Deze laatste bereiding had Cyrus Smith geheel alleen gemaakt, op grooten afstand van de Schoorsteenen, want er bestond gevaar voor ontploffing en, toen hij een flesch met dit vocht bij zijn vrienden bracht, zeide hij:
“Hier hebt gij nitro-glycerine!”
Dit was inderdaad die vreeselijke stof, waarvan de ontploffingskracht tienmaal grooter is dan die van het buskruit, en waardoor reeds zooveel onheilen zijn teweeggebracht. Thans, nu men het middel heeft gevonden om het in dynamiet te veranderen, dat is het te vermengen met een vaste zelfstandigheid, klei of suiker, poreus genoeg om het in zich op te nemen, kan dit gevaarlijke vocht met minder gevaar gebruikt worden. Maar het dynamiet was nog niet bekend, toen de kolonisten op het eiland Lincoln waren.
“En dat vocht zal onze rotsen dus doen springen?” zei Pencroff op ongeloovigen toon.
“Ja, beste vriend,” antwoordde de ingenieur, “en deze nitro-glycerine zal zooveel te meer uitwerking hebben, naarmate dit harde graniet meer weerstand zal bieden.”
“En wanneer zullen wij dat zien, mijnheer Cyrus?”
“Morgen, zoodra wij een gat in de mijn geboord hebben,” antwoordde de ingenieur.
Den anderen dag, den 21sten Mei, begaven de kolonisten zich reeds bij het aanbreken van den dag op weg naar den oever van het meer Grant, op ongeveer vijf honderd pas afstands van de kust.
Het was zeker, dat, wanneer men den bovenrand deed springen, het water door de opening zou ontsnappen, en een beekje zou vormen, dat wanneer het zich over de oppervlakte van de bergvlakte had verspreid, op het strand zou wegvloeien. Zoodoende zou het meer lager en de uitloozing bloot komen te liggen; hun doel was dan bereikt. Maar dit doel was niet spoedig bereikt, want de ingenieur, die een ontzaglijke ontploffing wilde teweegbrengen, was voornemens niet minder dan tien liter nitro-glycerine te gebruiken. Pencroff, afgelost door Nab, slaagde er in tegen vier uur een gat in de mijn gereed te hebben, dat groot genoeg was om die hoeveelheid te bevatten.
Nu moesten zij nog overleggen, hoe die ontplofbare zelfstandigheid te doen werken. Gewoonlijk wordt de nitro-glycerine aangestoken door middel van een kleine hoeveelheid knalzuurzout, dat, wanneer het springt, de ontploffing plaats doet hebben. Door een schok moest de ontploffing teweeggebracht worden, want wanneer het slechts aangestoken werd, zou het branden, zonder te ontploffen.
Cyrus Smith had zulk een lont wel kunnen bereiden. Bij gebrek aan dit knalzuurzout kon hij toch eene zelfstandigheid maken, die veel met schietkatoen overeenkwam, daar hij salpeterzuur tot zijne beschikking had. Dit in een kardoes gedaan en bij de nitro-glycerine gebracht, zou ook losbarsten wanneer het met een tondel werd aangestoken. Maar Cyrus Smith wist dat de nitro-glycerine de eigenschap heeft om bij een schok te ontploffen. Hij besloot dus van die eigenschap gebruik te maken; zoo dit hem niet gelukte kon hij altijd nog een ander middel aanwenden. Het slaan met een hamer op eenige druppels nitro-glycerine, zou reeds een uitbarsting teweeg brengen. Maar hij, die dezen slag met den hamer zou moeten toebrengen, kon dit niet doen, zonder zelf het slachtoffer der bewerking te worden. Cyrus Smith kwam nu op het denkbeeld om een stuk ijzer vlak boven de opening der mijn aan een eind koord te hangen. Een ander koord, dat hij vooraf door zwavel had gehaald, werd in het midden van het eerste vastgehecht, terwijl het uiteinde van dat koord op den grond hing, op zekeren afstand van de opening verwijderd. Dit tweede koord werd nu aangestoken, en zou natuurlijk branden, totdat het ’t eerste raakte. Dit zou ook vlam vatten, zou breken en het stuk ijzer moest natuurlijk op de nitro-glycerine vallen.
Toen dit toestel gereed was, verwijderde de ingenieur zijn vrienden, stortte de nitro-glycerine in de opening en goot eenige druppels onder het blok ijzer dat reeds was opgehangen. Toen dit gedaan was, nam Cyrus Smith het uiteinde van het door zwavel gehaalde koord, stak het aan, en voegde zich toen bij zijn vrienden in de Schoorsteenen.
Het koord moest vijf en twintig minuten branden en inderdaad vijf en twintig minuten later dreunde eene ontploffing, waarvan men zich geen denkbeeld zou kunnen vormen. Het scheen dat het geheele eiland op zijn fondamenten sidderde. Een wolk van steenen verhief zich alsof zij door een vulkaan ten hemel werd geworpen.
De schok, die door de verplaatsing van lucht teweeg werd gebracht, deed de rotsen der Schoorsteenen trillen. De kolonisten, hoewel zij meer dan twee mijlen van de mijn verwijderd waren, werden op den grond geworpen. Zij stonden op, bestegen de bergvlakte en ijlden naar de plaats waar de rand van het meer door de losbarsting was uiteengeslagen.
Een drievoudig hoezee weerklonk uit aller mond! De rots was gespleten over een groote oppervlakte. Een krachtige waterstroom bruiste schuimend over de vlakte, en strekte zich uit tot aan het uiteinde van de rots waar hij zich van een hoogte van driehonderd voet naar beneden stortte.